Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1575
2019-10-11
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/04907
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:1575 → ECLI:NL:GHSHE:2018:4461
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding; art. 8:73 Awb; art. 6:119 BW; art. 6:119a, lid 1, BW; artikel 6:120, lid 1, BW; hoogte wettelijke rente over door de rechter toegekende vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn; te betalen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn houdt niet verband met een handelsovereenkomst. Dit geldt ook voor de vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2018:2358 Hoge Raad 21-12-2018
- ECLI:NL:HR:2019:623 Hoge Raad 19-04-2019
- ECLI:NL:HR:2016:70 Hoge Raad 15-01-2016
Geciteerd door (15)
- ECLI:NL:GHARL:2023:7361 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2911 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1842 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1364 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1363 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-03-2023
- ECLI:NL:HR:2023:132 Hoge Raad 03-02-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3807 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-11-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3793 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6038 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6039 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6035 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6037 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3101 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-09-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2232 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2233 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-07-2022
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.184 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/04907
Datum 11 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2018, nr. 18/00077, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/4709) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.1
De Rechtbank en het Hof hebben de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierechten. Belanghebbende heeft voor het Hof betoogd dat zij hierover een rentevergoeding moet krijgen. Het Hof heeft dit betoog verworpen. Hiertegen richt zich middel IV.
2.1.2
In het door het Hof verworpen betoog van belanghebbende ligt besloten een verzoek om vergoeding van rente wegens vertraging in de vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, had het Hof daarom in zijn uitspraak de beslissing moeten opnemen dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die rente vanaf vier weken na de datum waarop het Hof uitspraak heeft gedaan (zie rechtsoverweging 2.4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623). Het middel slaagt in zoverre.
2.2.1
De Inspecteur heeft belanghebbende een rentevergoeding toegekend wegens te late betaling van de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaarschrift. Ervan uitgaande dat artikel 6:119 BW van toepassing is, heeft de Inspecteur het rentepercentage van 2 gehanteerd dat is vastgesteld op grond van artikel 6:120, lid 1, BW in samenhang gelezen met het Besluit van 4 december 2014 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 18 januari 1971, Stb. 27 (aanpassing wettelijke rente).
2.2.2
Belanghebbende heeft zich bij het Hof op het standpunt gesteld dat de Inspecteur het rentepercentage van 8 had moeten hanteren dat geldt in het geval van een handelsovereenkomst. Het Hof heeft dat standpunt verworpen omdat bij niet-handelsvorderingen – zoals de onderhavige – het rentepercentage 2 bedraagt.
2.2.3
Middel VI is gericht tegen dit oordeel en betoogt dat in dit geval is voldaan aan het in artikel 6:119a, lid 1, BW omschreven begrip handelsovereenkomst zoals dat moet worden uitgelegd volgens Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (hierna: de Richtlijn).
2.2.4
Middel VI faalt. De Richtlijn en artikel 6:119a BW strekken niet tot regulering van betalingen bij wijze van schadeloosstelling (vgl. HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:70, rechtsoverweging 3.3.2). Het is dan ook niet voor redelijke twijfel vatbaar dat een te betalen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet verband houdt met een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW in samenhang gelezen met de Richtlijn. Opmerking verdient dat dit ook geldt voor de verplichting tot het vergoeden van de kosten van bezwaar, (hoger) beroep en beroep in cassatie, en voor de verplichting tot vergoeding van griffierecht. Ook die verplichtingen houden geen verband met een dergelijke handelsovereenkomst.
2.3
De middelen voor het overige kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De beslissing van het Hof dient te worden aangevuld in de hiervoor in 2.1.2 bedoelde zin.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover daarin ontbreekt een beslissing omtrent de wettelijke rente over het door belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht,
- beslist dat, indien het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop het Hof zijn uitspraak heeft gedaan,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 508 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.048, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2019.
BELASTINGKAMER
Nummer 18/04907
Datum 11 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2018, nr. 18/00077, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/4709) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.1
De Rechtbank en het Hof hebben de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierechten. Belanghebbende heeft voor het Hof betoogd dat zij hierover een rentevergoeding moet krijgen. Het Hof heeft dit betoog verworpen. Hiertegen richt zich middel IV.
2.1.2
In het door het Hof verworpen betoog van belanghebbende ligt besloten een verzoek om vergoeding van rente wegens vertraging in de vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, had het Hof daarom in zijn uitspraak de beslissing moeten opnemen dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die rente vanaf vier weken na de datum waarop het Hof uitspraak heeft gedaan (zie rechtsoverweging 2.4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623). Het middel slaagt in zoverre.
2.2.1
De Inspecteur heeft belanghebbende een rentevergoeding toegekend wegens te late betaling van de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaarschrift. Ervan uitgaande dat artikel 6:119 BW van toepassing is, heeft de Inspecteur het rentepercentage van 2 gehanteerd dat is vastgesteld op grond van artikel 6:120, lid 1, BW in samenhang gelezen met het Besluit van 4 december 2014 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 18 januari 1971, Stb. 27 (aanpassing wettelijke rente).
2.2.2
Belanghebbende heeft zich bij het Hof op het standpunt gesteld dat de Inspecteur het rentepercentage van 8 had moeten hanteren dat geldt in het geval van een handelsovereenkomst. Het Hof heeft dat standpunt verworpen omdat bij niet-handelsvorderingen – zoals de onderhavige – het rentepercentage 2 bedraagt.
2.2.3
Middel VI is gericht tegen dit oordeel en betoogt dat in dit geval is voldaan aan het in artikel 6:119a, lid 1, BW omschreven begrip handelsovereenkomst zoals dat moet worden uitgelegd volgens Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (hierna: de Richtlijn).
2.2.4
Middel VI faalt. De Richtlijn en artikel 6:119a BW strekken niet tot regulering van betalingen bij wijze van schadeloosstelling (vgl. HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:70, rechtsoverweging 3.3.2). Het is dan ook niet voor redelijke twijfel vatbaar dat een te betalen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet verband houdt met een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW in samenhang gelezen met de Richtlijn. Opmerking verdient dat dit ook geldt voor de verplichting tot het vergoeden van de kosten van bezwaar, (hoger) beroep en beroep in cassatie, en voor de verplichting tot vergoeding van griffierecht. Ook die verplichtingen houden geen verband met een dergelijke handelsovereenkomst.
2.3
De middelen voor het overige kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De beslissing van het Hof dient te worden aangevuld in de hiervoor in 2.1.2 bedoelde zin.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover daarin ontbreekt een beslissing omtrent de wettelijke rente over het door belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht,
- beslist dat, indien het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop het Hof zijn uitspraak heeft gedaan,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 508 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.048, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2019.