Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:660
2015-03-20
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/01332
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:660 → ECLI:NL:GHAMS:2014:594 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Artikel 8:73 Algemene wet bestuursrecht. Indien een belanghebbende door de rechter op alle geschilpunten in het ongelijk wordt gesteld, maar er wel een immateriële schadevergoeding wordt toegekend, dient de rechter het griffierecht aan belanghebbende te laten vergoeden. Ook dient een proceskostenvergoeding te worden toegekend, indien overigens aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (708)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6319 Rechtbank Midden-Nederland 09-09-2026
- ECLI:NL:RBLIM:2026:9412 Rechtbank Limburg 01-09-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2217 Rechtbank Noord-Holland 27-02-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2437 Gerechtshof Amsterdam 17-02-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3761 Gerechtshof Amsterdam 23-12-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3680 Gerechtshof Amsterdam 13-11-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3422 Gerechtshof Amsterdam 11-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6253 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-10-2025
- ECLI:NL:CBB:2025:430 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-08-2025
- ECLI:NL:CBB:2025:431 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-08-2025
- ECLI:NL:CBB:2025:432 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-08-2025
- ECLI:NL:CBB:2025:433 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-08-2025
- ECLI:NL:CBB:2025:434 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-08-2025
- ECLI:NL:CBB:2025:429 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3829 Raad van State 13-08-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1995 Gerechtshof Amsterdam 17-07-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5312 Rechtbank Gelderland 07-07-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6633 Rechtbank Noord-Holland 08-05-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1156 Gerechtshof Amsterdam 11-02-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:375 Gerechtshof Amsterdam 14-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:226 Gerechtshof Den Haag 09-01-2025
- ECLI:NL:CBB:2024:917 College van Beroep voor het bedrijfsleven 17-12-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:5051 Rechtbank Noord-Nederland 17-12-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:8580 Rechtbank Gelderland 04-12-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3238 Gerechtshof Amsterdam 05-11-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3436 Gerechtshof Amsterdam 22-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2248 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2249 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1978 Gerechtshof Den Haag 15-10-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:709 College van Beroep voor het bedrijfsleven 15-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2038 Gerechtshof Den Haag 09-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2036 Gerechtshof Den Haag 09-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2037 Gerechtshof Den Haag 09-10-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3363 Gerechtshof Amsterdam 08-10-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3362 Gerechtshof Amsterdam 03-10-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6628 Rechtbank Gelderland 01-10-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2783 Gerechtshof Amsterdam 19-09-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:10376 Rechtbank Noord-Holland 17-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5938 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5783 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5784 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5585 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-09-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1615 Gerechtshof Den Haag 29-08-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1499 Gerechtshof Den Haag 28-08-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2723 Gerechtshof Amsterdam 13-08-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2346 Gerechtshof Amsterdam 01-08-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1368 Gerechtshof Den Haag 24-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1384 Gerechtshof Den Haag 23-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1773 Gerechtshof Den Haag 10-07-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1772 Gerechtshof Amsterdam 27-06-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1947 Gerechtshof Amsterdam 20-06-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1644 Gerechtshof Amsterdam 04-06-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1524 Gerechtshof Amsterdam 04-06-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1653 Gerechtshof Amsterdam 23-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1988 Gerechtshof Amsterdam 23-04-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1462 Gerechtshof Amsterdam 09-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:4833 Rechtbank Noord-Holland 28-03-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:1547 Rechtbank Overijssel 25-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1863 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1862 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-03-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (6.039 tekens)
20 maart 2015
nr. 14/01332
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2014, nr. 12/00483, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 11/5093) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2002 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Na daartegen op 2 oktober 2007 gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 16 augustus 2011 gehandhaafd. De Inspecteur heeft aan belanghebbende geen proceskostenvergoeding toegekend.
2.1.2.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar en heeft de Rechtbank verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van het bezwaar. Bij uitspraak van 25 mei 2012 heeft de Rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot betaling aan belanghebbende van een bedrag van € 1000 voor immateriële schade. De Rechtbank heeft het griffierecht niet door de Inspecteur aan belanghebbende laten vergoeden en heeft aan belanghebbende evenmin een proceskostenvergoeding toegekend voor bezwaar en/of beroep.
2.1.3.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bij uitspraak van 30 januari 2014 bevestigd.
2.2.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Rechtbank aan belanghebbende terecht geen proceskostenvergoeding voor bezwaar en/of beroep heeft toegekend.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de Rechtbank, wat betreft de toekenning van een vergoeding voor proceskosten, terecht ervan is uitgegaan dat in een geval als het onderhavige, waarin belanghebbende op alle geschilpunten in het ongelijk wordt gesteld, behalve waar het betreft de toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, het beroep ongegrond moet worden verklaard en dat dit tot gevolg heeft dat in beroep terecht geen proceskostenvergoeding is toegekend.
Het vijfde middel richt zich tegen dit oordeel.
2.3.1.
Aangezien belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar beroep heeft ingesteld bij de Rechtbank, diende de Rechtbank in haar uitspraak mede een oordeel te geven over het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de Rechtbank die vergoeding heeft toegekend, is er aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, van de Awb door de Inspecteur aan belanghebbende te laten vergoeden en, aangezien belanghebbende zich in beroep heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde, de Inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.
Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraak op bezwaar volledig in stand is gebleven.
2.3.2.
In de omstandigheid dat de Inspecteur slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende omdat aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, en gelet op de bevindingen van de Rechtbank ter zake, vindt de Hoge Raad aanleiding om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak – als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht – te hanteren van 0,5 (licht).
2.3.3.
Gelet op het hiervoor in 2.3.2 overwogene, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.4.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraken van het Hof en de Rechtbank voor wat betreft de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht,
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van de gedingen bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van respectievelijk € 41 en € 115,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 122, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 490 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2015.
nr. 14/01332
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2014, nr. 12/00483, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 11/5093) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2002 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Na daartegen op 2 oktober 2007 gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 16 augustus 2011 gehandhaafd. De Inspecteur heeft aan belanghebbende geen proceskostenvergoeding toegekend.
2.1.2.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar en heeft de Rechtbank verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van het bezwaar. Bij uitspraak van 25 mei 2012 heeft de Rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot betaling aan belanghebbende van een bedrag van € 1000 voor immateriële schade. De Rechtbank heeft het griffierecht niet door de Inspecteur aan belanghebbende laten vergoeden en heeft aan belanghebbende evenmin een proceskostenvergoeding toegekend voor bezwaar en/of beroep.
2.1.3.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bij uitspraak van 30 januari 2014 bevestigd.
2.2.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Rechtbank aan belanghebbende terecht geen proceskostenvergoeding voor bezwaar en/of beroep heeft toegekend.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de Rechtbank, wat betreft de toekenning van een vergoeding voor proceskosten, terecht ervan is uitgegaan dat in een geval als het onderhavige, waarin belanghebbende op alle geschilpunten in het ongelijk wordt gesteld, behalve waar het betreft de toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, het beroep ongegrond moet worden verklaard en dat dit tot gevolg heeft dat in beroep terecht geen proceskostenvergoeding is toegekend.
Het vijfde middel richt zich tegen dit oordeel.
2.3.1.
Aangezien belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar beroep heeft ingesteld bij de Rechtbank, diende de Rechtbank in haar uitspraak mede een oordeel te geven over het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de Rechtbank die vergoeding heeft toegekend, is er aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, van de Awb door de Inspecteur aan belanghebbende te laten vergoeden en, aangezien belanghebbende zich in beroep heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde, de Inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.
Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraak op bezwaar volledig in stand is gebleven.
2.3.2.
In de omstandigheid dat de Inspecteur slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende omdat aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, en gelet op de bevindingen van de Rechtbank ter zake, vindt de Hoge Raad aanleiding om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak – als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht – te hanteren van 0,5 (licht).
2.3.3.
Gelet op het hiervoor in 2.3.2 overwogene, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.4.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraken van het Hof en de Rechtbank voor wat betreft de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht,
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van de gedingen bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van respectievelijk € 41 en € 115,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 122, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 490 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2015.