Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6319
2026-09-09
Bestuursrecht
UTR 26/1422
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wht. Kinderopvangtoeslag. Integrale herbeoordeling, vooringenomen handelen, hardheid van de regeling, hardheidsclausule. Dienst Toeslagen heeft verder terecht vastgesteld dat er geen recht bestaat op compensatie, omdat sprake is van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Beroep ongegrond.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2026:1700 Raad van State 25-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:852 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2020:2640 Raad van State 04-11-2020
- ECLI:NL:RVS:2025:456 Raad van State 12-02-2025
- ECLI:NL:HR:2015:660 Hoge Raad 20-03-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.833 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1422
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T.A. Vetter),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, de Dienst
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de gedeeltelijke weigering van de Dienst om aan haar compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. Het gaat hierbij om de weigering van compensatie over de periode van 21 maart 2013 tot en met 31 december 2014 (de periode in geding).
1.1.
De Dienst heeft het verzoek om compensatie wegens vooringenomen handelen voor het toeslagjaar 2012 en 2013 in het besluit van 25 januari 2022 vastgesteld op € 14.906,-. Bij besluit van 14 maart 2022 stelt de Dienst vast dat eiseres voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 maart 2013 recht heeft op compensatie wegens opzet/grove schuld (o/gs) voor € 7.820,-. Voor het jaar 2014 heeft de Dienst het verzoek om compensatie in het besluit van 16 september 2021 afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van 16 juli 2025 is de Dienst gedeeltelijk aan de bezwaren van eiseres tegemoet gekomen; ten aanzien van de periode van 11 juni 2012 tot en met 20 maart 2013 is alsnog vastgesteld dat sprake was van individueel vooringenomen handelen waardoor de compensatie wegens vooringenomen handelen is verhoogd van € 14.906,- naar € 20.123,-. Omdat eiseres al € 30.000,- aan compensatie heeft ontvangen ontvangt zij geen extra betaling. Voor wat betreft de periode van 21 maart 2013 tot en met 31 december 2014 (de periode in geding) is de Dienst bij zijn afwijzing van het verzoek om compensatie gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst. Eiseres was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
De hersteloperatie toeslagen
2. Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door de Dienst toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens het bestuursorgaan Belastingdienst/Toeslagen.
2.1.
De procedure bij deze herstelregelingen is dat een gedupeerde ouder zich eerst meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In de eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag (KOT) voldoet en of diegene ooit onterecht KOT moest terugbetalen of dat de KOT onterecht is stopgezet. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van de compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie doen bij de commissie werkelijke schade.
Feiten en omstandigheden
3. Eiseres heeft een relatie met de heer [naam] (partner). Uit hun relatie zijn drie kinderen geboren. Het oudste kind (kind 1) werd in de periode in geding opgevangen door kinderdagverblijf [opvang] . De kinderopvangtoeslag (KOT) werd rechtstreeks overgemaakt op de rekening van het kinderdagverblijf. De partner is aangemerkt als toeslagpartner in de periode 15 maart 2011 tot en met 11 juni 2012, omdat hij ingeschreven stond in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres van eiseres. Op 11 juni 2012 is de partner uitgeschreven uit de BRP en geëmigreerd naar Ghana. Hij was vanaf dat moment niet langer toeslagpartner van eiseres tot aan hun huwelijk op 21 maart 2013. Vanaf dat moment is de partner weer aan te merken als de toeslagpartner. Niet in geschil is dat de partner zowel in Nederland als in Ghana niet heeft gewerkt of een uitkering heeft ontvangen. Eiseres is blijven werken om te kunnen voorzien in het levensonderhoud van haar gezin zonder dat zij een beroep kon doen op haar partner.
3.1.
Op 22 november 2019 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015. Na de lichte toets (Catshuisregeling) heeft de Dienst op 1 april 2021 vastgesteld dat eiseres recht heeft op de forfaitaire compensatie van € 30.000,-. Daarna volgde een integrale beoordeling, waarbij per toeslagjaar is bekeken of de Dienst fouten heeft gemaakt of de regels van de KOT te streng heeft toegepast.
3.2.
De rechtbank moet beoordelen of de integrale beoordeling, voor zo ver die ziet op de periode van 21 maart 2013 tot en met 31 december 2014, stand kan houden. Over die periode is het recht op compensatie afgewezen, omdat volgens de Dienst sprake is van evident geen recht op KOT. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
3.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Het toetsingskader
4. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem of haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.
4.1.
Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.
4.2.
De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag toerekenbaar is, is bijvoorbeeld sprake als blijkt dat de aanvrager evident geen recht op kinderopvangtoeslag had in de onderzochte berekeningsjaren. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de aanvrager een te hoog inkomen had voor het ontvangen van de toeslag of geen kind had. Ook is er bijvoorbeeld sprake van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager toerekenbaar is als de aanvrager ook na verzoeken om informatie of het maken van een afspraak niets van zich heeft laten horen, niet op ingeplande afspraken is verschenen en ook nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de betreffende beschikkingen van de Dienst. Door een dergelijke opstelling van de aanvrager wordt de Dienst verhinderd controles uit te voeren en in een latere fase om fouten in de besluitvorming te herstellen. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het aan de ouder is om aannemelijk te maken dat kinderopvang is afgenomen en dat de Dienst bij een gebrek aan bewijs kan aannemen dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond.
Compensatie vanwege vooringenomen handelen en/of hardheid en beroep op het evenredigheidsbeginsel
5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij het oneens is met de conclusie van de Dienst dat er evident geen recht op KOT bestond over de periode in geding. Zij wordt onevenredig hard getroffen door dit besluit. Haar partner had geen verblijfsrecht meer in Nederland en is naar Ghana geëmigreerd. Juist omdat haar partner gedurende de periode in geding in Ghana verbleef, kon eiseres geen beroep op hem doen voor de zorg voor de kinderen. Eiseres was daarom in de periode in geding feitelijk een alleenstaande ouder en moest gebruik maken van kinderopvang, waar kind 1 daadwerkelijk gebruik van heeft gemaakt. Alleen door te werken kon zij voorzien in het levensonderhoud. Eiseres vindt het onredelijk dat haar vanwege die situatie geen compensatie wordt toegekend. De Dienst heeft in het ‘UHT Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek’ (handboek) situaties willen bedenken, wanneer er geen recht is op KOT maar toch compensatie is aangewezen vanwege bijzondere omstandigheden. De limitatieve opsomming in hoofdstuk 3.4 van het handboek is volgens eiseres onredelijk en doet geen recht aan het evenredigheidsbeginsel. De Dienst had hiervan moeten afwijken.
6. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst Toeslagen. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht blijft compensatie achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht heeft op kinderopvangtoeslag.
Op grond van artikel 1.6, derde lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp) heeft een ouder met een toeslagpartner slechts aanspraak op kinderopvangtoeslag voor een berekeningsjaar als de partner in Nederland, een andere lidstaat van de EU of Zwitserland woont en arbeid verricht, een uitkering ontvangt, een re-integratietraject naar werk, een studie of een inburgeringscursus volgt.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst terecht geen aanleiding gezien om compensatie toe te kennen vanwege institutionele vooringenomenheid of hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem voor wat betreft de periode in geding. Van institutioneel vooringenomen handelen is niet gebleken. Dat er geen recht bestond op kinderopvangtoeslag kwam doordat de toeslagpartner vanaf 21 maart 2013 en het gehele jaar 2014 in Ghana was. Daarnaast is niet weersproken door eiseres dat de toeslagpartner in die periode geen inkomen had noch op andere wijze voldeed aan de andere voorwaarden van de Wkkp. Eiseres voldeed dus niet aan de voorwaarden van de Wkkp waardoor zij geen recht had op kinderopvangtoeslag. Wettelijk gezien is er daarmee sprake van een situatie van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. De Dienst heeft op de zitting nog toegelicht dat de toeslagpartner van eiseres in deze jaren geen inkomen had, terwijl hij wel in beeld was en dus wel (in enige mate) had kunnen bijdragen aan de zorg van de kinderen. Verder had eiseres kunnen weten dat zij geen recht op KOT heeft als haar toeslagpartner geen inkomen heeft, omdat dit in de Wkkp staat. Dat aan eiseres automatisch een voorschot is toegekend over de jaren 2013 en 2014 is het gevolg van hoe het wettelijk voorschotsysteem werkt. De wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen geeft ook naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van vooringenomen handelen en/of hardheid.
7. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres zo dat zij vindt dat toepassing van artikel 2.1, tweede lid van de Wht in samenhang met artikel 1.6, derde lid van de Wkkp onevenredig voor haar uitpakt.
7.1.
De Wht en de Wkkp zijn wetten in formele zin. Het is vaste rechtspraak dat de als dwingend geformuleerde bepalingen van een wet in formele zin, niet aan het evenredigheidsbeginsel kunnen worden getoetst. Als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn meegenomen in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen. Dat is het geval als die niet meegenomen bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij kan het ook gaan om gevolgen van de toepassing van een wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.
8. Het handboek waar eiseres naar verwijst bevat werkinstructies die worden gebruikt bij de uitvoering van de Wht. De rechtbank is niet gebonden aan deze werkinstructies maar beoordeelt of de Dienst de wet juist heeft toegepast. De rechtbank stelt vast dat de Dienst de regeling juist heeft toegepast. Verder is niet gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de situatie van eiseres die maken dat het niet toekennen van de compensatie in het voorliggende geval onevenredig is. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Strijd met het gelijkheidsbeginsel
9. Op grond van vaste rechtspraak is het aan eiseres om haar beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen met concrete gevallen die volgens haar op relevante punten vergelijkbaar zijn met haar situatie. Eiseres heeft gewezen op een zaak waarin wel compensatie wegens hardheid is geboden. Het betrof een zaak, waarin de partner van de aanvrager ook niet in staat was om voor de kinderen te zorgen omdat hij niet in beeld was en later in detentie zat. Als een toeslagpartner in detentie verblijft kan hij niet werken en bijdragen in de kosten van levensonderhoud en de verzorging en opvang van de kinderen. De partner van eiseres was wel in beeld. Hij verbleef in het buitenland en had ook van daaruit financieel kunnen bijdragen in de kosten van levensonderhoud. In zoverre verschilt die situatie van die van eiseres. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaag niet.
Hardheidsclausule
10. Eiseres heeft aangevoerd dat de BAC heeft nagelaten om het besluit over toekenning van compensatie te toetsen aan de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht, in zoverre kleeft volgens eiseres aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De hardheidsclausule had moeten worden toegepast. Hierbij verwijst eiseres nogmaals naar de hiervoor genoemde argumenten met betrekking tot de vooringenomenheid en de hardheid van de regeling.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in bezwaar geen beroep op de hardheidsclausule heeft gedaan. Daarmee kan geen sprake zijn van een motiveringsgebrek aan de kant van de BAC. Dat heeft eiseres wel alsnog in beroep gedaan. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.
10.2.
In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Wht, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de Dienst kan afwijken van artikel 2.1 van de Wht voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule wordt dus alleen toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Het is hierbij niet van doorslaggevend belang of het gaat om een situatie die door de wetgever is of kan zijn voorzien. Het moet gaan om omstandigheden als serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Bovendien moeten deze omstandigheden actueel zijn en samenhangen met (de gevolgen van) een besluit van de Dienst over de toepassing van een herstelmaatregel uit de Wht. Het gaat namelijk niet om de omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok. Degene die een beroep doet op de hardheidsclausule dient inzichtelijk te maken waar de bijzonderheid of de schrijnende kanten van zijn of haar situatie uit blijkt en dient dit zo concreet mogelijk te onderbouwen. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt er namelijk een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel.
10.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er op dit moment nog sprake is van een schrijnende situatie. Eiseres heeft verwezen naar haar omstandigheden in de periode in geding in verband met de afwezigheid van haar partner. Bij de hardheidsclausule moet het echter gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met het besluit van de Dienst over de toepassing van de herstelmaatregel uit de Wht. Eiseres heeft geen actuele feiten en omstandigheden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres op de hardheidsclausule daarom niet slaagt.
Verzoek om schadevergoeding
11. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.
11.1.
De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.
11.2.
Het bezwaarschrift is door de Dienst Toeslagen ontvangen op 19 oktober 2021. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de dag van deze uitspraak zit, naar boven afgerond, vier jaar en elf maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn met 35 maanden is overschreden. Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen.
11.3.
De overschrijding is in zijn geheel te wijten aan de Dienst Toeslagen. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eiseres toe te kennen vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade € 3.000,-.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van de Wht over het de periode 21 maart 2013 tot en met 31 december 2014. Eiseres krijg daarom het griffierecht niet terug.
12.1.
De Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Eiseres heeft recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Dienst tot het betalen van € 3.000,- aan schadevergoeding aan eiseres;
- veroordeelt de Dienst tot betaling van € 467,00 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 3, eerste lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) in samenhang met artikel 5a, eerste lid en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).
Artikel 2.1 van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 96.
Uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1700, r.o. 4.1.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2640.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.
vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660, r.o. 2.3.2.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1422
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T.A. Vetter),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, de Dienst
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de gedeeltelijke weigering van de Dienst om aan haar compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. Het gaat hierbij om de weigering van compensatie over de periode van 21 maart 2013 tot en met 31 december 2014 (de periode in geding).
1.1.
De Dienst heeft het verzoek om compensatie wegens vooringenomen handelen voor het toeslagjaar 2012 en 2013 in het besluit van 25 januari 2022 vastgesteld op € 14.906,-. Bij besluit van 14 maart 2022 stelt de Dienst vast dat eiseres voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 maart 2013 recht heeft op compensatie wegens opzet/grove schuld (o/gs) voor € 7.820,-. Voor het jaar 2014 heeft de Dienst het verzoek om compensatie in het besluit van 16 september 2021 afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van 16 juli 2025 is de Dienst gedeeltelijk aan de bezwaren van eiseres tegemoet gekomen; ten aanzien van de periode van 11 juni 2012 tot en met 20 maart 2013 is alsnog vastgesteld dat sprake was van individueel vooringenomen handelen waardoor de compensatie wegens vooringenomen handelen is verhoogd van € 14.906,- naar € 20.123,-. Omdat eiseres al € 30.000,- aan compensatie heeft ontvangen ontvangt zij geen extra betaling. Voor wat betreft de periode van 21 maart 2013 tot en met 31 december 2014 (de periode in geding) is de Dienst bij zijn afwijzing van het verzoek om compensatie gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst. Eiseres was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
De hersteloperatie toeslagen
2. Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door de Dienst toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens het bestuursorgaan Belastingdienst/Toeslagen.
2.1.
De procedure bij deze herstelregelingen is dat een gedupeerde ouder zich eerst meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In de eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag (KOT) voldoet en of diegene ooit onterecht KOT moest terugbetalen of dat de KOT onterecht is stopgezet. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van de compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie doen bij de commissie werkelijke schade.
Feiten en omstandigheden
3. Eiseres heeft een relatie met de heer [naam] (partner). Uit hun relatie zijn drie kinderen geboren. Het oudste kind (kind 1) werd in de periode in geding opgevangen door kinderdagverblijf [opvang] . De kinderopvangtoeslag (KOT) werd rechtstreeks overgemaakt op de rekening van het kinderdagverblijf. De partner is aangemerkt als toeslagpartner in de periode 15 maart 2011 tot en met 11 juni 2012, omdat hij ingeschreven stond in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres van eiseres. Op 11 juni 2012 is de partner uitgeschreven uit de BRP en geëmigreerd naar Ghana. Hij was vanaf dat moment niet langer toeslagpartner van eiseres tot aan hun huwelijk op 21 maart 2013. Vanaf dat moment is de partner weer aan te merken als de toeslagpartner. Niet in geschil is dat de partner zowel in Nederland als in Ghana niet heeft gewerkt of een uitkering heeft ontvangen. Eiseres is blijven werken om te kunnen voorzien in het levensonderhoud van haar gezin zonder dat zij een beroep kon doen op haar partner.
3.1.
Op 22 november 2019 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015. Na de lichte toets (Catshuisregeling) heeft de Dienst op 1 april 2021 vastgesteld dat eiseres recht heeft op de forfaitaire compensatie van € 30.000,-. Daarna volgde een integrale beoordeling, waarbij per toeslagjaar is bekeken of de Dienst fouten heeft gemaakt of de regels van de KOT te streng heeft toegepast.
3.2.
De rechtbank moet beoordelen of de integrale beoordeling, voor zo ver die ziet op de periode van 21 maart 2013 tot en met 31 december 2014, stand kan houden. Over die periode is het recht op compensatie afgewezen, omdat volgens de Dienst sprake is van evident geen recht op KOT. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
3.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Het toetsingskader
4. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem of haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.
4.1.
Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.
4.2.
De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag toerekenbaar is, is bijvoorbeeld sprake als blijkt dat de aanvrager evident geen recht op kinderopvangtoeslag had in de onderzochte berekeningsjaren. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de aanvrager een te hoog inkomen had voor het ontvangen van de toeslag of geen kind had. Ook is er bijvoorbeeld sprake van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager toerekenbaar is als de aanvrager ook na verzoeken om informatie of het maken van een afspraak niets van zich heeft laten horen, niet op ingeplande afspraken is verschenen en ook nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de betreffende beschikkingen van de Dienst. Door een dergelijke opstelling van de aanvrager wordt de Dienst verhinderd controles uit te voeren en in een latere fase om fouten in de besluitvorming te herstellen. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het aan de ouder is om aannemelijk te maken dat kinderopvang is afgenomen en dat de Dienst bij een gebrek aan bewijs kan aannemen dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond.
Compensatie vanwege vooringenomen handelen en/of hardheid en beroep op het evenredigheidsbeginsel
5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij het oneens is met de conclusie van de Dienst dat er evident geen recht op KOT bestond over de periode in geding. Zij wordt onevenredig hard getroffen door dit besluit. Haar partner had geen verblijfsrecht meer in Nederland en is naar Ghana geëmigreerd. Juist omdat haar partner gedurende de periode in geding in Ghana verbleef, kon eiseres geen beroep op hem doen voor de zorg voor de kinderen. Eiseres was daarom in de periode in geding feitelijk een alleenstaande ouder en moest gebruik maken van kinderopvang, waar kind 1 daadwerkelijk gebruik van heeft gemaakt. Alleen door te werken kon zij voorzien in het levensonderhoud. Eiseres vindt het onredelijk dat haar vanwege die situatie geen compensatie wordt toegekend. De Dienst heeft in het ‘UHT Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek’ (handboek) situaties willen bedenken, wanneer er geen recht is op KOT maar toch compensatie is aangewezen vanwege bijzondere omstandigheden. De limitatieve opsomming in hoofdstuk 3.4 van het handboek is volgens eiseres onredelijk en doet geen recht aan het evenredigheidsbeginsel. De Dienst had hiervan moeten afwijken.
6. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst Toeslagen. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht blijft compensatie achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht heeft op kinderopvangtoeslag.
Op grond van artikel 1.6, derde lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp) heeft een ouder met een toeslagpartner slechts aanspraak op kinderopvangtoeslag voor een berekeningsjaar als de partner in Nederland, een andere lidstaat van de EU of Zwitserland woont en arbeid verricht, een uitkering ontvangt, een re-integratietraject naar werk, een studie of een inburgeringscursus volgt.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst terecht geen aanleiding gezien om compensatie toe te kennen vanwege institutionele vooringenomenheid of hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem voor wat betreft de periode in geding. Van institutioneel vooringenomen handelen is niet gebleken. Dat er geen recht bestond op kinderopvangtoeslag kwam doordat de toeslagpartner vanaf 21 maart 2013 en het gehele jaar 2014 in Ghana was. Daarnaast is niet weersproken door eiseres dat de toeslagpartner in die periode geen inkomen had noch op andere wijze voldeed aan de andere voorwaarden van de Wkkp. Eiseres voldeed dus niet aan de voorwaarden van de Wkkp waardoor zij geen recht had op kinderopvangtoeslag. Wettelijk gezien is er daarmee sprake van een situatie van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. De Dienst heeft op de zitting nog toegelicht dat de toeslagpartner van eiseres in deze jaren geen inkomen had, terwijl hij wel in beeld was en dus wel (in enige mate) had kunnen bijdragen aan de zorg van de kinderen. Verder had eiseres kunnen weten dat zij geen recht op KOT heeft als haar toeslagpartner geen inkomen heeft, omdat dit in de Wkkp staat. Dat aan eiseres automatisch een voorschot is toegekend over de jaren 2013 en 2014 is het gevolg van hoe het wettelijk voorschotsysteem werkt. De wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen geeft ook naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van vooringenomen handelen en/of hardheid.
7. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres zo dat zij vindt dat toepassing van artikel 2.1, tweede lid van de Wht in samenhang met artikel 1.6, derde lid van de Wkkp onevenredig voor haar uitpakt.
7.1.
De Wht en de Wkkp zijn wetten in formele zin. Het is vaste rechtspraak dat de als dwingend geformuleerde bepalingen van een wet in formele zin, niet aan het evenredigheidsbeginsel kunnen worden getoetst. Als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn meegenomen in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen. Dat is het geval als die niet meegenomen bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij kan het ook gaan om gevolgen van de toepassing van een wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.
8. Het handboek waar eiseres naar verwijst bevat werkinstructies die worden gebruikt bij de uitvoering van de Wht. De rechtbank is niet gebonden aan deze werkinstructies maar beoordeelt of de Dienst de wet juist heeft toegepast. De rechtbank stelt vast dat de Dienst de regeling juist heeft toegepast. Verder is niet gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de situatie van eiseres die maken dat het niet toekennen van de compensatie in het voorliggende geval onevenredig is. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Strijd met het gelijkheidsbeginsel
9. Op grond van vaste rechtspraak is het aan eiseres om haar beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen met concrete gevallen die volgens haar op relevante punten vergelijkbaar zijn met haar situatie. Eiseres heeft gewezen op een zaak waarin wel compensatie wegens hardheid is geboden. Het betrof een zaak, waarin de partner van de aanvrager ook niet in staat was om voor de kinderen te zorgen omdat hij niet in beeld was en later in detentie zat. Als een toeslagpartner in detentie verblijft kan hij niet werken en bijdragen in de kosten van levensonderhoud en de verzorging en opvang van de kinderen. De partner van eiseres was wel in beeld. Hij verbleef in het buitenland en had ook van daaruit financieel kunnen bijdragen in de kosten van levensonderhoud. In zoverre verschilt die situatie van die van eiseres. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaag niet.
Hardheidsclausule
10. Eiseres heeft aangevoerd dat de BAC heeft nagelaten om het besluit over toekenning van compensatie te toetsen aan de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht, in zoverre kleeft volgens eiseres aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De hardheidsclausule had moeten worden toegepast. Hierbij verwijst eiseres nogmaals naar de hiervoor genoemde argumenten met betrekking tot de vooringenomenheid en de hardheid van de regeling.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in bezwaar geen beroep op de hardheidsclausule heeft gedaan. Daarmee kan geen sprake zijn van een motiveringsgebrek aan de kant van de BAC. Dat heeft eiseres wel alsnog in beroep gedaan. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.
10.2.
In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Wht, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de Dienst kan afwijken van artikel 2.1 van de Wht voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule wordt dus alleen toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Het is hierbij niet van doorslaggevend belang of het gaat om een situatie die door de wetgever is of kan zijn voorzien. Het moet gaan om omstandigheden als serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Bovendien moeten deze omstandigheden actueel zijn en samenhangen met (de gevolgen van) een besluit van de Dienst over de toepassing van een herstelmaatregel uit de Wht. Het gaat namelijk niet om de omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok. Degene die een beroep doet op de hardheidsclausule dient inzichtelijk te maken waar de bijzonderheid of de schrijnende kanten van zijn of haar situatie uit blijkt en dient dit zo concreet mogelijk te onderbouwen. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt er namelijk een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel.
10.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er op dit moment nog sprake is van een schrijnende situatie. Eiseres heeft verwezen naar haar omstandigheden in de periode in geding in verband met de afwezigheid van haar partner. Bij de hardheidsclausule moet het echter gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met het besluit van de Dienst over de toepassing van de herstelmaatregel uit de Wht. Eiseres heeft geen actuele feiten en omstandigheden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres op de hardheidsclausule daarom niet slaagt.
Verzoek om schadevergoeding
11. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.
11.1.
De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.
11.2.
Het bezwaarschrift is door de Dienst Toeslagen ontvangen op 19 oktober 2021. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de dag van deze uitspraak zit, naar boven afgerond, vier jaar en elf maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn met 35 maanden is overschreden. Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen.
11.3.
De overschrijding is in zijn geheel te wijten aan de Dienst Toeslagen. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eiseres toe te kennen vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade € 3.000,-.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van de Wht over het de periode 21 maart 2013 tot en met 31 december 2014. Eiseres krijg daarom het griffierecht niet terug.
12.1.
De Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Eiseres heeft recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Dienst tot het betalen van € 3.000,- aan schadevergoeding aan eiseres;
- veroordeelt de Dienst tot betaling van € 467,00 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 3, eerste lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) in samenhang met artikel 5a, eerste lid en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).
Artikel 2.1 van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 96.
Uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1700, r.o. 4.1.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2640.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.
vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660, r.o. 2.3.2.