Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2437
2026-02-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/3238 tot en met 24/3246
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOZ. Niet-woningen en woning. Niet-ontvankelijk na niet betalen griffierecht in beroep na splitsing zaken.
Citeert (15)
- ECLI:NL:GHARL:2025:3430 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-06-2025
- ECLI:NL:HR:2014:777 Hoge Raad 04-04-2014
- ECLI:NL:HR:2014:780 Hoge Raad 04-04-2014
- ECLI:NL:HR:2012:BW9879 Hoge Raad 29-06-2012
- ECLI:NL:HR:2022:1040 Hoge Raad 08-07-2022
- ECLI:NL:HR:2023:560 Hoge Raad 14-04-2023
- ECLI:NL:HR:2015:660 Hoge Raad 20-03-2015
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:GHARL:2025:3430 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-06-2025
- ECLI:NL:HR:2023:560 Hoge Raad 14-04-2023
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2016:352 Hoge Raad 04-03-2016
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:HR:2025:862 Hoge Raad 06-06-2025
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (51.025 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 24/3238 tot en met 24/3246
17 februari 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
tegen de uitspraak van 21 mei 2024 in de zaken met kenmerken AMS 23/1422, AWB 23/2183 tot en met 2187 en AMS 23/2189 tot en met 2191 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte beschikkingen met dagtekening 31 december 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde voor het kalenderjaar 2021 naar de waardepeildatum 1 januari 2020 (hierna: de WOZ-waarde) vastgesteld van de hieronder vermelde onroerende zaken, alle gelegen te [plaats] . In hetzelfde geschrift zijn voor deze onroerende zaken de aanslagen onroerendezaakbelasting (hierna ook: OZB) en rioolheffing eigenaren voor het jaar 2021 bekendgemaakt. De heffingsambtenaar heeft de volgende WOZ-waarden vastgesteld:
Adres
Waarde
[straat 1] 2H (BG + entresol)
€ 807.000
[straat 2] 111H
€ 392.000
[straat 3] 8 (6-8)
€ 407.000
[straat 4] 96
€ 266.000
[straat 4] 102A
€ 51.000
[straat 4] 108 (BG+1e)
€ 684.000
[straat 4] 114
€ 684.000
[straat 4] 116 (+118H)
€ 566.000
[straat 5] 130-1
€ 818.000
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt bij brief met dagtekening 7 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 februari 2023 het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft als volgt beslist op het beroep van belanghebbende:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak AWB 23/2191 (ter zake [straat 5] 130-1)
niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep in de overige zaken ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan [belanghebbende] tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan [belanghebbende] tot een bedrag van € 218,75;
- gelast dat het teveel betaalde griffierecht in de zaken AWB 23/2183 en AWB 23/2185 (totaal € 720,-) aan de gemachtigde van [belanghebbende] wordt teruggestort.”
1.4.
Belanghebbende heeft op 15 juli 2024 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 20 november 2025 en 2 januari 2026. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 1] 2H (hierna ook: de winkel), gebouwd omstreeks 1899 en gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 6] ). De onroerende zaak heeft een oppervlakte van 169 m² op de begane grond, 69 m² op de eerste verdieping en een opslag van 96 m² (totaal 334 m²).
2.2.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken (hierna ook: de kantoren) aan de [straat 4] 96 en [straat 4] 102A, beide gebouwd in 1899 en gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De onroerende zaken hebben een oppervlakte van respectievelijk 68 m² en 13 m².
2.3.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 2] 111H waarin een horecagelegenheid gevestigd is. De onroerende zaak is gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt 87 m² en is gebouwd in 1905.
2.3.2.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 3] 8 (6-8) waarin een horecagelegenheid gevestigd is. De onroerende zaak is gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt 88 m² en de onroerende zaak is gebouwd in 1905.
2.3.3.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 4] 108 (BG+1e) waarin een horecagelegenheid gevestigd is. De onroerende zaak is gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt 163 m² en de onroerende zaak is gebouwd in 1992.
2.3.4.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 4] 114 waarin een horecagelegenheid gevestigd is. De onroerende zaak is gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt 163 m² en de onroerende zaak is gebouwd in 1992.
2.3.5.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 4] 116 (+118H) waarin een horecagelegenheid gevestigd is. De onroerende zaak is gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De oppervlakte van deze onroerende zaak bedraagt 108 m² en de onroerende zaak is gebouwd in 1905.
2.4.1.
De rechtbank heeft bij brief met dagtekening 19 april 2023 aan belanghebbende bericht dat het beroep wordt gesplitst in negen zaken (met afzonderlijke zaaknummers) omdat het beroep is gericht tegen negen WOZ-beschikkingen (en in verband daarmee opgelegde aanslagen OZB) en dat in alle negen zaken griffierecht wordt geheven. In dit bericht heeft de rechtbank vermeld aan welke WOZ-beschikking welk kenmerk is toegekend. De rechtbank heeft tevens het volgende meegedeeld:
“Samenhang voor wat betreft het griffierecht
In elk zaaknummer moet een griffierecht van € 365,- worden betaald. U ontvangt hierover separaat bericht. Dat betekent dat er geen of gedeeltelijke samenhang als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is.
Er is geen samenhang wanneer de objecten zijn gelegen op verschillende, niet of onvoldoende bij elkaar gelegen adressen en bij verschillend gebruik (zoals woning, berging, bedrijfspand).
Alvorens het beroep op zitting kan worden gepland moet eerst aan de wettelijke verplichting van de betaling van het griffierecht worden voldaan. Tijdens de behandeling van het beroep op zitting kunt u uw standpunt over het griffierecht naar voren brengen. De rechter zal vervolgens een definitief besluit nemen over de verschuldigdheid van het griffierecht.”
2.4.2.
Belanghebbende heeft vijfmaal het griffierecht van € 365 voldaan in de zaken met de volgende door de rechtbank toegekende kenmerken:
- 23/1422 ( [straat 1] 2H (BG + entresol)),
- 23/2183 ( [straat 2] 111H),
- 23/2185 ( [straat 4] 96),
- 23/2187 ( [straat 4] 108(BG+1e)) en
- 23/2190 ( [straat 4] 116+118H).
Belanghebbende heeft geen griffierecht voldaan voor de zaken waaraan de overige kenmerken door de rechtbank zijn toegekend (zie ook rechtsoverweging 2 van de uitspraak van de rechtbank). In de zaak met kenmerk AMS 23/2191 is belanghebbende bij brief van de rechtbank van 19 mei 2023 herinnerd aan de verplichting om tijdig het verschuldigde griffierecht te voldoen.
2.5.1.
De in het onder 1.1 vermelde geschrift (‘gecombineerde aanslag’) bekendgemaakte aanslagen rioolheffing eigenaren 2021 zijn elk vastgesteld op een bedrag van € 144.
2.5.2.
Het bezwaarschrift van belanghebbende is door de heffingsambtenaar ontvangen op 13 januari 2022. In dit bezwaarschrift is onder meer het volgende vermeld:
“Betreft: WOZ/OZB 2021 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aanverwante/gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook. (…)
Hierdoor wordt namens opdrachtgever c.q. belanghebbende de iure tijdig (zonodig/zo mogelijk aanvullend) bezwaar aangetekend tegen het in kopie bijgevoegde (aanslag-/beschikkings)biljet met het nummer [#] (…). (…).”
Het bezwaarschrift bevat (in algemene termen gestelde) klachten die betrekking hebben op de vastgestelde WOZ-waarden. Het woord ‘rioolheffing’ of ‘opbrengstlimiet’ komt niet in het bezwaarschrift voor.
2.5.3.
In de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft belanghebbende grieven aangevoerd tegen de vastgestelde WOZ-waarden van de onroerende zaken. Over de aanslagen rioolheffing is door belanghebbende niets ingebracht.
2.5.4.
Belanghebbende heeft een hogerberoepschrift met dagtekening 28 mei 2024 ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend dat is ingekomen bij het Hof op 20 november 2025. In deze geschriften zijn geen grieven opgenomen die de rioolheffing of de opbrengstlimiet betreffen.
2.5.5.
Op 2 januari 2026 is bij het Hof nog een nader stuk van belanghebbende ingekomen. In dat nader stuk is het volgende opgenomen:
“Nogmaals wordt in deze zaak een (aanvullend) beroep gedaan op de inhoud en strekking van ECLI:NL:GHARL:2025:3430: de overschrijding van de opbrengstlimiet. De Hoge Raad heeft al geruime tijd geleden (ECLI:NLHR:2009:BI1968, BNB2009/159 én ECLI:NL:HR:2014:777, BNB2014/148 alsmede ECLI:NL:HR:2014:780, BNB 2014/149) twee “vuistregels” geformuleerd over de stelplicht en de bewijslastverdeling in aan de (belasting)rechter voorgelegde geschillen over de vraag of de tarieven van retributies en bestemmingsheffingen van decentrale overheden zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde “lasten ter zake” :
(…)
De eerste Hoofdregel houdt in dat de Heffingsambtenaar, indien en zodra de belanghebbende de vraag aan de orde stelt of de geraamde baten van een heffing de geraamde “lasten ter zake” overschrijden, inzicht moet verschaffen in d(i)e ramingen van baten en de “lasten ter zake”.
(...)
De tweede Guideline houdt in dat, als de belanghebbende met betrekking tot een of meer posten in de ramingen van de “lasten ter zake” van een heffing voldoende gemotiveerd in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een “last ter zake”(zoals in casu bijvoorbeeld de BTW), de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) moet verstrekken, teneinde naar vermogen de bij de belanghebbende levende twijfels weg te
nemen. Idem dito uiteraard net andersom t.a.v. de “geraamde baten” uiteraard. M.b.t. “watertaken” heeft bovendien nog te gelden ECLI:NL:HR:2012:BW9879, BNB 20212/252.”
3Geschil in hoger beroep
In geschil is of de WOZ-waarden van de onder 1.1 vermelde onroerende zaken niet te hoog zijn vastgesteld en of de aanslagen rioolheffing vernietigd moeten worden. Tevens is in geschil of de heffingsambtenaar in strijd met het voorschrift van artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft gehandeld. Daarnaast is in geschil of de rechtbank het beroep in de zaak met kenmerk AMS 23/2191 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet tijdig betalen van het verschuldigde griffierecht. Voorts is de hoogte van de door de rechtbank toegekende vergoeding van immateriële schade in geschil, alsmede de vraag of de rechtbank de heffingsambtenaar had moeten gelasten de betaalde griffierechten aan belanghebbende te vergoeden.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen:
“Griffierechtbetaling
2. [ Belanghebbende] heeft niet in alle zaken het geheven griffierecht betaald. Het betreft het griffierecht in de zaken AWB 23/2184, 23/2186, 23/2189 en 23/2191. Zij heeft ter verklaring daarvan aangevoerd dat de beoordeling in deze zaken vrijwel identiek is en heeft betoogd dat daarom volstaan had kunnen worden met het heffen van eenmaal het griffierecht voor alle negen zaken.
3. Op grond van artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is eenmaal griffierecht verschuldigd indien het één beroepschrift van dezelfde belanghebbende tegen twee of meer samenhangende besluiten betreft. Besluiten zijn samenhangend wanneer zij wat betreft de inhoud en in tijd samenhangen, en het efficiënter is om ze in één procedure te behandelen. Van inhoudelijke samenhang kan worden gesproken als voor de beoordeling van de bestreden besluiten met het oog op de toe te passen regelgeving dezelfde feiten en omstandigheden relevant zijn. [voetnoot 1: Vergelijk de arresten van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2022:1040 en ECLI:NL:HR:2023:560.] In dat kader acht de rechtbank onder meer van belang of de beoordeling plaatsvindt aan de hand van (nagenoeg) dezelfde vergelijkingsobjecten.
4. Het bovenstaande toegepast op de onderhavige zaken, die alle de WOZ-waardering ter zake het kalenderjaar 2021 betreffen met gebruikmaking van de huurwaardekapitalisatiemethode, komt de rechtbank tot het volgende oordeel:
- Wat betreft de kantoren op de [straat 4] 96 (AWB 23/2189) en 102A (AWB 23/2190) vindt de vaststelling van de waarde plaats aan de hand van dezelfde vergelijkingsobjecten. Er is daarmee voldoende inhoudelijke samenhang om in deze twee zaken slechts eenmaal griffierecht te heffen. Dat betekent dat er geen gevolgen worden verbonden aan het niet-betalen van griffierecht in de zaak AWB 23/2189.
- De zaak van het kantoor op de [straat 5] 130-1 (AWB 23/2191) heeft geen inhoudelijke samenhang met de zaken van de voorgaande kantoren op de [straat 4] . Het object is op enige afstand van laatstgenoemde straat gelegen en wordt beoordeeld aan de hand van geheel andere vergelijkingsobjecten. Dit betekent dat het griffierecht in deze zaak tijdig had moeten worden betaald, wat [belanghebbende] heeft nagelaten. [Belanghebbende] heeft geen verontschuldigbare reden voor het niet-betalen aangevoerd, zodat de rechtbank het beroep in deze zaak niet-ontvankelijk verklaart.
- De vaststelling van de waarde van de vijf bar/café/restaurants op de [straat 4] 108 (BG+1e) (AWB 23/2186), 114 (BG+1e) (AWB 23/2185) en 116+118 (H) (AWB 23/2187), [straat 3] 8(6-8) (AWB 23/2184) en [straat 2] 111(H) vindt plaats aan de hand van nagenoeg dezelfde vergelijkingsobjecten. De vijf objecten zijn gelegen op korte loopafstand van elkaar. Er is voldoende inhoudelijke samenhang om in deze vijf zaken slechts eenmaal griffierecht te heffen. Dat betekent dat er geen gevolgen worden verbonden aan het niet-betalen van het griffierecht in de zaken AWB 23/2184 en 23/2186 en dat het teveel betaalde griffierecht in de zaken AWB 23/2183 en 23/2185 tot een totaal van € 720,- moet worden teruggestort.
- De zaak van de winkel op de [straat 1] 2 (H) staat op zichzelf en is niet inhoudelijk samenhangend met de andere acht zaken. Het griffierecht in deze zaak is betaald.
Algemene gronden
5. [ Belanghebbende] heeft een algemeen geformuleerd beroepschrift en meerdere, ook algemeen geformuleerde brieven ter aanvulling daarop ingediend, waarvan onvoldoende duidelijk is of deze op de onderhavige zaak betrekking hebben. Op de zitting heeft de gemachtigde van [belanghebbende] de specifieke gronden die in deze zaak aan de orde zijn toegelicht. De rechtbank zal het beroep daarom beoordelen aan de hand van de op de zitting ingenomen standpunten.
De WOZ-waarde
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. De vast te stellen waarde is de waarde in het economische verkeer, oftewel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.
7. Aan een onroerende zaak wordt een waarde toegekend die voor niet-woningen wordt bepaald onder meer door middel van de huurwaardekapitalisatiemethode (HWK-methode), waarbij de WOZ-waarde van het object wordt bepaald door de huurwaarde te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor. Partijen zijn het erover eens dat deze methode moet worden gebruikt bij de waardevaststelling van alle objecten. De bewijslast dat de aan de onroerende zaak toegekende waarde juist is, ligt bij de heffingsambtenaar. Dit betekent dat hij aannemelijk moet maken dat de door hem vastgestelde waarde niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer.
De winkel
8. [ Belanghebbende] is eigenaar van het object, een winkel in een omstreeks 1899 gebouwd pand in [plaats] -Centrum ( [straat 6] ), met een oppervlakte van 169 m², een secundaire opslag van 69 m² en een tertiaire opslag van 96 m².
9. In geschil is of de WOZ-waarde van dit object te hoog is vastgesteld. [belanghebbende] bepleit een waarde voor het object van € 749.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waarde van € 807.000,-.
10. De heffingsambtenaar heeft in een matrix met een aantal referentieobjecten, ook winkels in [plaats] -Centrum en één in [plaats] -West, de huurwaarde en de kapitalisatiefactor voor deze onroerende zaak vastgesteld en onderbouwd voor het jaar 2021.
11. [ Belanghebbende] voert tegen de waardevaststelling aan dat huurvergelijkingsobject 3 aan de [straat 8] te [plaats] , niet te vergelijken is met de winkel omdat het aan de andere kant van het centrum is gelegen.
12. De rechtbank verwerpt dit betoog. De in deze zaak voor de winkel in aanmerking genomen jaarhuurwaarde van in totaal € 62.100,- vindt voldoende ondersteuning in de aangedragen huurreferenties, ook als referentie 3 buiten beschouwing wordt gelaten.
13. [ Belanghebbende] heeft wat betreft de WOZ-waarde op de waardepeildatum 1 januari 2020 de vastgestelde huurwaarde van € 62.100,- en de gehanteerde kapitalisatiefactor van 13,0 (dat ruim lager ligt dan de gemiddelde kapitalisatiefactor van 15,0 van de drie vergelijkende transacties) voor het overige niet bestreden en de door haar bepleite waarde van € 749.000,- in het geheel niet onderbouwd.
De taxateur van de heffingsambtenaar heeft er tot slot op gewezen dat de m²-prijs van de winkel uitkomt op € 2.923,- en het gemiddelde van de vergelijkende verkopen op € 4.218,- per m². Ook dit grote verschil wijst erop dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
14. De waarde is niet te hoog vastgesteld. Het beroep in de zaak AWB 23/1422 is ongegrond.
De kantoren
15. [ Belanghebbende] is eigenaar van twee kantoorpanden in de [straat 4] , op nummer 96 (AWB 23/2189) en 102A (AWB 23/2190). Deze zijn gevestigd in omstreeks 1899 gebouwde panden in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ), met een oppervlakte van 68 m² respectievelijk 13 m².
16. [ Belanghebbende] heeft op de zitting verklaard dat zij zich gelet op de matrix en de daarop gekregen toelichting kan verenigen met de vastgestelde waarde voor het kantoor op nummer 96. Het beroep in de zaak AWB 23/2189 is ongegrond.
In geschil is dus nog of de WOZ-waarde van nummer 102A te hoog is vastgesteld. [Belanghebbende] bepleit een waarde voor het object van € 39.000,- . De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waarde van € 51.000,-.
17. De heffingsambtenaar heeft in een matrix met een aantal referentieobjecten, ook kantoren in [plaats] -Centrum, de huurwaarde en de kapitalisatiefactor voor deze onroerende zaak vastgesteld en onderbouwd voor het jaar 2021.
18. [ Belanghebbende] voert tegen de waardevaststelling aan dat alle vergelijkingsobjecten groter dan 80 m² zijn en dus niet te vergelijken zijn met een kantoortje van 13 m².
19. De rechtbank verwerpt dit betoog. Juist is dat het kantoor van [belanghebbende] zeer klein is, maar de heffingsambtenaar wijst er terecht op dat er geen marktgegevens zijn waaruit kan worden afgeleid dat er een significant waardeverschil in m² is tussen kleinere en grotere kantoren. Afgezien van de oppervlakte zijn de vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar wat ligging in het centrum betreft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgevoerde vergelijkingsobjecten voor de vaststelling van huur en kapitalisatiefactor bruikbaar zijn.
20. [ Belanghebbende] vindt verder de huurwaarde van € 250,- per m² voor het kantoor te hoog. Zij heeft tegenover de in de matrix opgenomen gegevens dit standpunt niet onderbouwd, zodat deze grond wordt verworpen.
21. [ Belanghebbende] heeft voor het overige de WOZ-waarde op de waardepeildatum 1 januari 2020, de huurwaarde van € 3.244,- en de gehanteerde kapitalisatiefactor van 16,0 (dat ruim lager ligt dan de gemiddelde kapitalisatiefactor van 18,9 van de drie vergelijkende transacties) niet bestreden en de door haar bepleite waarde van € 51.000,- in het geheel niet onderbouwd.
De taxateur van de heffingsambtenaar heeft er tot slot op gewezen dat de m²-prijs van het kantoor uitkomt op € 3.923,- en het gemiddelde van de vergelijkende verkopen op € 4.622,- per m². Ook dit grote verschil wijst erop dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Het beroep in de zaak AWB 23/2190 is ongegrond.
De restaurants
22. [ Belanghebbende] is eigenaar van vijf horecagelegenheden (restaurants) in de [straat 7] te [plaats] . Drie van de restaurants zijn gevestigd in panden uit 1905 en twee uit 1992. De oppervlaktes liggen tussen de 87 en 163 m².
23. In geschil is of de WOZ-waarde van deze objecten te hoog is vastgesteld. [Belanghebbende] stelt dat de waardes te hoog zijn vastgesteld. De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waardes.
24. De heffingsambtenaar heeft in vijf matrices met een aantal referentieobjecten, ook restaurants in [plaats] -Centrum, de huurwaarde en de kapitalisatiefactor voor deze onroerende zaken vastgesteld en onderbouwd voor het jaar 2021. De matrices zijn identiek met drie verkooptransacties en drie huurreferenties, met uitzondering van één huurreferentie ter zake het restaurant aan de [straat 3] 8 (6-8) (AWB 23/2184) en [straat 2] 11(H) (AWB 23/2183). Daar is huurreferentie 1 ( [straat 3] 28-A) anders dan de huurreferentie 1 in de drie andere matrices ( [straat 9] 9-A). De rechtbank vindt dat gelet op de ligging en oppervlakte alle referenties in voldoende mate vergelijkbaar zijn met de restaurants van [belanghebbende] en dat deze referenties mede gelet op de verkoopdata in de nabijheid van de waardepeildatum 1 januari 2020 kunnen dienen ter onderbouwing van de WOZ-waarde.
25. [ Belanghebbende] voert tegen de waardevaststelling van alle restaurants aan dat bij de verkooptransacties voor de vaststelling van de kapitalisatiefactor de taxatiehuur niet voldoende is onderbouwd.
26. De rechtbank verwerpt dit betoog. De taxatiehuren per m² van de drie verkochte restaurants (€ 497,-, € 519,- en € 500,-) liggen in lijn met de twee referentiehuren die in dezelfde straten, althans in de [straat 7] , gelegen zijn (€ 553,- en € 500,-). De taxatiehuren vinden daarin voldoende onderbouwing. De enigszins afwijkende huur is van referentie 3 (€ 390,- per m²), maar dat kan verklaring vinden in de geruim verderop gelegen ligging van dit restaurant aan de [straat 10] . Ook zonder deze referentie 3 zijn de taxatiehuren voldoende onderbouwd met referentie 1 en 2.
27. [ Belanghebbende] voert tegen de waardevaststelling aan dat de verkooptransacties waar de kapitalisatiefactor van 13,0 respectievelijk 13,5 voor de restaurants op wordt gebaseerd, veelal in leegstaat zijn verkocht, wat een aanwijzing is dat deze panden in feite als woonruimte zijn verkocht. Dergelijke transacties zijn geen goede vergelijking voor de waardevaststelling van het object, aldus [belanghebbende].
28. De rechtbank verwerpt deze stelling. De aanname dat de café/bar/restaurants waarmee is vergeleken voor de waardebepaling, als woning zijn verkocht is in het geheel niet onderbouwd en vindt geen steun in de gedingstukken.
29. [ Belanghebbende] heeft wat betreft de WOZ-waarde op de waardepeildatum 1 januari 2020 de vastgestelde huurwaarde en de gehanteerde kapitalisatiefactor van maximaal 13,5 (dat ruim lager ligt dan de gemiddelde kapitalisatiefactor van 14,5 van de drie vergelijkende transacties) voor het overige niet bestreden en de door haar bepleite lagere waardes in het geheel niet onderbouwd.
De taxateur van de heffingsambtenaar heeft er tot slot op gewezen dat de m²-prijs van de restaurants (tussen € 4.196,- en € 5.241,-) ruim lager uitkomen dan het gemiddelde van de m²-prijs van de vergelijkende verkopen (€ 7.367,-). Ook dit grote verschil wijst erop dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Conclusie
30. De heffingsambtenaar heeft met de matrices en de andere taxatiestukken de waarde van de onroerende zaken voor 2021 in voldoende mate onderbouwd. De daartegen aangevoerde beroepsgronden slagen niet. De beroepen zijn ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
31. [ Belanghebbende] heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.
32. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In dit geval is het bezwaarschrift ingediend op 13 januari 2022. Bij het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar overschreden met (afgerond) vijf maanden en dus heeft [belanghebbende] recht op een schadevergoeding.
33. Wat betreft de hoogte van de schadevergoeding is de vergoedingsnorm € 500,- per (afgerond) half jaar overschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] dan ook recht op een schadevergoeding van € 500,-. Hierbij merkt de rechtbank de zaken aan als samenhangend omdat de beroepen gezamenlijk zijn behandeld en betrekking hebben op hetzelfde onderwerp ter zake objecten van dezelfde eigenaar. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om slechts eenmaal het tarief van € 500,- te hanteren.
De bezwaartermijn van zes maanden is met zeven maanden overschreden, zodat de overschrijding van de behandelduur is toe te rekenen aan de heffingsambtenaar. De rechtbank zal de heffingsambtenaar veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding aan [belanghebbende].
Proceskostenvergoeding
34. De rechtbank ziet aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij gaat de rechtbank uit van negen samenhangende zaken, als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De vergoeding wordt vastgesteld op een totaalbedrag van € 218,75 (1 punt voor het verzoek, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor zeer licht, omdat de proceskostenvergoeding uitsluitend verband houdt met het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.[voetnoot 2: Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660 en van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526]
Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
Griffierecht
35. Omdat de beroepen ongegrond respectievelijk niet-ontvankelijk zijn, hoeft de heffingsambtenaar het door [belanghebbende] betaalde griffierecht niet te vergoeden.
36. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn heeft [belanghebbende] gedaan gedurende het beroep, overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid van de Awb. Daarvoor was [belanghebbende] geen griffierecht verschuldigd, wat volgt uit artikel 8:94, tweede lid, van de Awb. Voor het verzoek is dan ook geen griffierecht geheven, zodat geen sprake kan zijn van vergoeding daarvan.”
5Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Omvang geschil in hoger beroep
5.1.
Door belanghebbende is in haar nader stuk, dat op 2 januari 2026 is ingekomen bij het Hof, een beroep gedaan op overschrijding van de opbrengstlimiet voor wat betreft de rioolheffing 2021, onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3430 (zie 2.5.5). Het is met dat stuk in deze procedure voor het eerst dat belanghebbende opmerkingen maakt over rioolheffing of over de opbrengstlimiet waarvan de vermeende overschrijding in geschil kan zijn bij heffingen zoals de rioolheffing.
5.2.
Een bezwaarschrift, zoals dat in de onderhavige zaak, waarin blijkens de onderwerpaanduiding wordt opgekomen tegen de WOZ-waarden en de aanslagen OZB en dat uitsluitend gronden bevat die op de WOZ-waarden van de onroerende zaken zien, richt zich uitsluitend tegen die WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB. Het heeft ook niet van rechtswege betrekking op andere belastingaanslagen die zijn verenigd in één geschrift met de WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB waartegen het bezwaarschrift zich uitdrukkelijk richt. Een en ander wordt niet anders door in zo een bezwaarschrift onder ‘betreft’ na de vermelding van “WOZ/OZB 2021” de zinsnede “en alle hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen” of iets dergelijks op te nemen. De voor het jaar 2021 opgelegde aanslagen rioolheffing eigenaren zijn immers niet gerelateerd aan de WOZ-waarden (noch aan de aanslagen OZB). Immers de heffingsmaatstaf van deze rioolheffing is op grond van de Verordening Rioolheffing 2021 van de gemeente [plaats] gesteld op een vast bedrag per perceel. Overigens heeft belanghebbende bij de rechtbank niet geklaagd over het ontbreken van een beslissing in de uitspraak op bezwaar inzake de rioolheffing. Het geschil bij de rechtbank beperkte zich dus terecht tot de WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB.
5.3.
Alvorens beroep in te stellen dient bezwaar te worden gemaakt (artikel 7:1, lid 1, Algemene wet bestuursrecht). In het onderhavige geval is geen bezwaar gemaakt tegen de aanslagen rioolheffing. Er is ook geen beroep ingesteld tegen deze aanslagen en beroep daartegen stond vanwege het bepaalde in artikel 7:1, lid 1, Algemene wet bestuursrecht ook niet open. Evenmin kan voor het eerst in hoger beroep worden opgekomen tegen een aanslag rioolheffing. De wet biedt deze mogelijkheid niet. Het Hof kan de klachten van belanghebbenden over de aanslagen rioolheffing daarom niet tot het geschil rekenen en zal deze onbehandeld laten.
Niet-ontvankelijkverklaring beroep in zaak AMS 23/2191 ( [straat 5] 130-1)
5.4.
Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de rechtbank het beroep ten onrechte heeft gesplitst in negen afzonderlijke beroepen en dat de toegang tot de rechter wordt belemmerd doordat in meer zaken griffierecht is geheven. Voor zover belanghebbende hiermee heeft willen stellen dat het beroep in de zaak met kenmerk AMS 23/2191 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, oordeelt het Hof als volgt.
5.4.
Indien een belanghebbende van mening is dat hij een of meer nota’s griffierecht niet hoeft te betalen omdat artikel 8:41, lid 3, Awb van toepassing is, dient de belanghebbende die nota‘s griffierecht toch binnen de daartoe gestelde termijn te voldoen om niet het risico te lopen dat de rechter anders oordeelt en een of meer beroepen niet-ontvankelijk verklaart wegens het niet of niet tijdig betalen van griffierecht. Worden al deze nota’s griffierecht betaald en komt de rechter daarna tot het oordeel dat artikel 8:41, lid 3, Awb van toepassing is, dan moet de griffier het ten onrechte geheven griffierecht terugbetalen (vgl. HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560, r.o. 3.3.7).
5.5.
Belanghebbende heeft de nota griffierecht in de zaak met kenmerk AMS 23/2191 niet betaald, ook niet nadat de rechtbank belanghebbende nogmaals heeft gewezen op haar verplichting het griffierecht tijdig te betalen (zie 2.3). De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat belanghebbende er op zijn advies bewust voor heeft gekozen om een aantal nota’s griffierecht in de onderhavige zaken wel te betalen en een aantal niet, waaronder de nota in zaak AMS 23/2191. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de rechtbank het beroep in de zaak met kenmerk AMS 23/2191 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
Wijze van procederen
5.6.
De wijze waarop de gemachtigde van belanghebbende procedeert is in strijd met hetgeen van een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener mag worden verwacht. Van deze gemachtigde die zeer veel procedeert mag worden verwacht en verlangd, dat hij in de van hem afkomstige stukken duidelijk en tijdig aangeeft wat zijn grieven zijn tegen de aangevallen beslissing en op welke feiten die grieven zijn gebaseerd. De gemachtigde is hier al in eerdere procedures uitdrukkelijk op gewezen. De door de gemachtigde ingezonden stukken voldoen niet aan die norm. Wat steeds weer opvalt is dat de gemachtigde de wederpartij in alle fasen van het geding overlaadt met niet ter zake doende stellingen en standpunten; daartussen bevinden zich dan soms – meestal niet onderbouwde – opmerkingen die echter wel betrekking kunnen hebben op het geding. Eerst ter zitting worden aan die opmerkingen door de gemachtigde argumenten ontleend waarmee hij zijn stellingen onderbouwt. Daardoor ontneemt hij de wederpartij de mogelijkheid om tegen die argumenten op gedegen wijze verweer te voeren. Het Hof acht deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde en verbindt hieraan als consequentie dat hij bij zijn oordeelsvorming slechts ingaat op de argumenten van de gemachtigde voor zover zij tijdig en duidelijk in gedingstukken naar voren zijn gebracht.
Artikel 40, lid 2, Wet WOZ
5.7.
De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar in de onderhavige zaken de verplichtingen ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet is nagekomen wordt verworpen, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende een voldoende concreet verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde WOZ-waarden. Voor de heffingsambtenaar is op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ in dit geding geen verplichting om de door belanghebbenden gevraagde iWOZ-rapportages in te brengen, aangezien deze niet ten grondslag hebben gelegen aan de voor de onroerende zaken vastgestelde WOZ-waarden.
WOZ-waarden
5.8.
Het Hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank over de vastgestelde WOZ-waarden en maakt de gronden waarop deze beslissing berust (rechtsoverweging 6 tot en met 30) tot de zijne. Ook het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de door hem overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarden van de acht onder 1.1 vermelde onroerende zaken ter zake waarvan het beroep ontvankelijk is (hierna tezamen aangeduid als: de onroerende zaken) niet te hoog heeft vastgesteld; ter zake van alle in geschil zijnde onroerende zaken zijn door hem taxatierapporten met een waardematrix overgelegd. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt het Hof voorts als volgt.
5.9.
Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de heffingsambtenaar de vastgestelde WOZ-waarden niet aannemelijk heeft gemaakt omdat hij ten onrechte geen afzonderlijke berekening heeft gemaakt van de grondwaarde van de onroerende zaken en geen grondstaffels heeft overgelegd. Het Hof verwerpt dit standpunt. Aangezien er geen sprake is van afzonderlijk gewaardeerde grond (de waarde van de grond komt tot uitdrukking in de huurwaarde), is het niet nodig voor de heffingsambtenaar om grondstaffels in te brengen of de waarde van de grond apart te onderbouwen.
5.10.
Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar de door hem bij de waardevaststelling in aanmerking genomen huurwaarden en kapitalisatiefactoren ter zake van de onroerende zaken voldoende onderbouwd met onder meer de verkoopprijzen van de (deels) in leegstaat verkochte, voldoende vergelijkbare referentieobjecten en heeft hij de bij die objecten in aanmerking genomen huurwaarden onderbouwd met de door hem overgelegde marktgegevens van voldoende vergelijkbare huurreferentieobjecten. De stelling van belanghebbende dat de door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen huurwaarden onvoldoende zijn onderbouwd omdat aan huurovereenkomsten vaak allonges worden toegevoegd met specifieke prijsafspraken, wordt als onvoldoende geconcretiseerd verworpen.
Het Hof acht aannemelijk dat de referentieobjecten met een horecabestemming die volgens de heffingsambtenaar zonder lopend huurcontract zijn verkocht, daadwerkelijk in leegstaat zijn verkocht, aangezien de heffingsambtenaar zich daarbij heeft gebaseerd op de leveringsakten van deze objecten. De omstandigheid dat een aantal referentieobjecten een oppervlakte heeft dat als secundair of tertiair is aangemerkt door de taxateur van de heffingsambtenaar, betekent niet dat de desbetreffende referentieobjecten daardoor minder vergelijkbaar zijn. Met die omstandigheid is rekening gehouden door aan de desbetreffende ruimten een lagere waarde toe te kennen dan aan de zogenoemde primaire ruimten.
5.11.
Ook met inachtneming van hetgeen belanghebbende in hoger beroep voor het overige nog heeft overgelegd en aangevoerd, is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat hij de WOZ-waarden van de onroerende zaken niet te hoog heeft vastgesteld.
Vergoeding van immateriële schade
5.12.
De rechtbank heeft de vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld op € 500. Belanghebbende klaagt dat de vastgestelde vergoeding te laag is omdat er beroep is aangetekend tegen negen beschikkingen en de vergoeding van immateriële schade om die reden moet worden vastgesteld op (9 x € 500 =) € 4.500. De heffingsambtenaar heeft dit standpunt van belanghebbende betwist.
5.13.
De klacht faalt. De Hoge Raad heeft in onder meer het overzichtsarrest van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) geoordeeld dat ingeval meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk behandeld worden omdat zij in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal de vergoeding van € 500 per half jaar wordt gehanteerd. Zowel de heffingsambtenaar in bezwaar als de rechtbank in beroep heeft de zaken van belanghebbende gezamenlijk behandeld. Bovendien hebben de zaken in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp (met gebruikmaking van de huurwaardekapitalisatiemethode vastgestelde WOZ-waarden) en hetzelfde belastingjaar. Overigens merkt het Hof op dat de rechtbank geen beslissing hoefde te nemen over het verzoek om immateriële schadevergoeding in de zaak AMS 23/2191 waarin het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, aangezien de rechtbank uitspraak heeft gedaan binnen anderhalf jaar na het instellen van beroep (zie HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:352).
5.14.
Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende om een aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep af, aangezien het Hof binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep uitspraak doet.
Vergoeding griffierecht in eerste aanleg
5.15.
Belanghebbende heeft gesteld dat de rechtbank, gelet op de door haar toegekende vergoeding van immateriële schade, de heffingsambtenaar had moeten gelasten om de in de onderhavige zaken (per saldo) betaalde griffierechten (drie maal € 365, zie rechtsoverweging 4 van de rechtbankuitspraak) aan haar te vergoeden.
5.16.
Het bezwaarschrift van belanghebbende is op 13 januari 2022 ontvangen door de heffingsambtenaar. In het bezwaarschrift (en in beroep) heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De als uitgangspunt te hanteren termijn van twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden op 14 januari 2024; bijzondere omstandigheden die een verlenging van deze tweejaarstermijn kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. Dit betekent dat het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan en de redelijke termijn is overschreden voorafgaand aan de datum van het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567. Gelet op het in dat arrest (in r.o. 7.1.2) opgenomen overgangsrecht betekent dit dat de rechtbank de heffingsambtenaar had moeten gelasten om het door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar te vergoeden. Het hoger beroep van belanghebbende is in zoverre gegrond.
5.17.
Belanghebbende heeft in beroep in totaal vijfmaal € 365 griffierecht betaald. Een bedrag ter grootte van € 720 is door de griffier van de rechtbank teruggestort, waardoor nog een bedrag ter hoogte van € 1.095 aan belanghebbende vergoed moet worden. Het Hof zal de heffingsambtenaar gelasten dit bedrag aan belanghebbende te vergoeden.
Slotsom
5.18.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep gegrond, uitsluitend voor zover het betreft de beslissing van de rechtbank om de heffingsambtenaar niet te gelasten het in drie zaken betaalde griffierecht van totaal € 1.095 (zie 5.17) aan belanghebbende te vergoeden.
6Kosten
6.1.
Het Hof verwerpt de grief van belanghebbende dat de rechtbank de proceskosten-vergoeding in eerste aanleg op een te laag bedrag heeft vastgesteld. Aangezien de beroepen ongegrond zijn en de toegekende proceskostenvergoeding uitsluitend verband houdt met het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft de rechtbank het bedrag aan te vergoeden proceskosten niet te laag berekend. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.
6.2.
De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep. In de omstandigheid dat belanghebbende in hoger beroep slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld op een formeel geschilpunt van ondergeschikt belang ziet het Hof aanleiding daarbij een gewichtsfactor 0,25 (zeer licht) toe te passen (vgl. Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862, r.o. 3.2.2). De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt het Hof vast op: 2 punten (proceshandelingen) x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (wegingsfactor: zeer licht) x 0,10 (vermenigvuldigingsfactor artikel 30a, lid 2, Wet WOZ) = € 46,70. Hierbij neemt het Hof wat betreft de toegepaste vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in r.o. 3.5.1 en 3.5.2 van het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
7Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, uitsluitend voor wat betreft de beslissing om de heffingsambtenaar niet te gelasten de in eerste aanleg betaalde en niet teruggestorte griffierechten aan belanghebbende te vergoeden;
- draagt de heffingsambtenaar op het in eerste aanleg betaalde en niet teruggestorte bedrag aan griffierechten van totaal € 1.095 aan belanghebbende te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 46,70, en
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep van € 559 aan belanghebbende te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, H.E. Kostense en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
kenmerken 24/3238 tot en met 24/3246
17 februari 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
tegen de uitspraak van 21 mei 2024 in de zaken met kenmerken AMS 23/1422, AWB 23/2183 tot en met 2187 en AMS 23/2189 tot en met 2191 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte beschikkingen met dagtekening 31 december 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde voor het kalenderjaar 2021 naar de waardepeildatum 1 januari 2020 (hierna: de WOZ-waarde) vastgesteld van de hieronder vermelde onroerende zaken, alle gelegen te [plaats] . In hetzelfde geschrift zijn voor deze onroerende zaken de aanslagen onroerendezaakbelasting (hierna ook: OZB) en rioolheffing eigenaren voor het jaar 2021 bekendgemaakt. De heffingsambtenaar heeft de volgende WOZ-waarden vastgesteld:
Adres
Waarde
[straat 1] 2H (BG + entresol)
€ 807.000
[straat 2] 111H
€ 392.000
[straat 3] 8 (6-8)
€ 407.000
[straat 4] 96
€ 266.000
[straat 4] 102A
€ 51.000
[straat 4] 108 (BG+1e)
€ 684.000
[straat 4] 114
€ 684.000
[straat 4] 116 (+118H)
€ 566.000
[straat 5] 130-1
€ 818.000
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt bij brief met dagtekening 7 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 februari 2023 het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft als volgt beslist op het beroep van belanghebbende:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak AWB 23/2191 (ter zake [straat 5] 130-1)
niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep in de overige zaken ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan [belanghebbende] tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan [belanghebbende] tot een bedrag van € 218,75;
- gelast dat het teveel betaalde griffierecht in de zaken AWB 23/2183 en AWB 23/2185 (totaal € 720,-) aan de gemachtigde van [belanghebbende] wordt teruggestort.”
1.4.
Belanghebbende heeft op 15 juli 2024 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 20 november 2025 en 2 januari 2026. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 1] 2H (hierna ook: de winkel), gebouwd omstreeks 1899 en gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 6] ). De onroerende zaak heeft een oppervlakte van 169 m² op de begane grond, 69 m² op de eerste verdieping en een opslag van 96 m² (totaal 334 m²).
2.2.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken (hierna ook: de kantoren) aan de [straat 4] 96 en [straat 4] 102A, beide gebouwd in 1899 en gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De onroerende zaken hebben een oppervlakte van respectievelijk 68 m² en 13 m².
2.3.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 2] 111H waarin een horecagelegenheid gevestigd is. De onroerende zaak is gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt 87 m² en is gebouwd in 1905.
2.3.2.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 3] 8 (6-8) waarin een horecagelegenheid gevestigd is. De onroerende zaak is gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt 88 m² en de onroerende zaak is gebouwd in 1905.
2.3.3.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 4] 108 (BG+1e) waarin een horecagelegenheid gevestigd is. De onroerende zaak is gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt 163 m² en de onroerende zaak is gebouwd in 1992.
2.3.4.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 4] 114 waarin een horecagelegenheid gevestigd is. De onroerende zaak is gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt 163 m² en de onroerende zaak is gebouwd in 1992.
2.3.5.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [straat 4] 116 (+118H) waarin een horecagelegenheid gevestigd is. De onroerende zaak is gelegen in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ). De oppervlakte van deze onroerende zaak bedraagt 108 m² en de onroerende zaak is gebouwd in 1905.
2.4.1.
De rechtbank heeft bij brief met dagtekening 19 april 2023 aan belanghebbende bericht dat het beroep wordt gesplitst in negen zaken (met afzonderlijke zaaknummers) omdat het beroep is gericht tegen negen WOZ-beschikkingen (en in verband daarmee opgelegde aanslagen OZB) en dat in alle negen zaken griffierecht wordt geheven. In dit bericht heeft de rechtbank vermeld aan welke WOZ-beschikking welk kenmerk is toegekend. De rechtbank heeft tevens het volgende meegedeeld:
“Samenhang voor wat betreft het griffierecht
In elk zaaknummer moet een griffierecht van € 365,- worden betaald. U ontvangt hierover separaat bericht. Dat betekent dat er geen of gedeeltelijke samenhang als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is.
Er is geen samenhang wanneer de objecten zijn gelegen op verschillende, niet of onvoldoende bij elkaar gelegen adressen en bij verschillend gebruik (zoals woning, berging, bedrijfspand).
Alvorens het beroep op zitting kan worden gepland moet eerst aan de wettelijke verplichting van de betaling van het griffierecht worden voldaan. Tijdens de behandeling van het beroep op zitting kunt u uw standpunt over het griffierecht naar voren brengen. De rechter zal vervolgens een definitief besluit nemen over de verschuldigdheid van het griffierecht.”
2.4.2.
Belanghebbende heeft vijfmaal het griffierecht van € 365 voldaan in de zaken met de volgende door de rechtbank toegekende kenmerken:
- 23/1422 ( [straat 1] 2H (BG + entresol)),
- 23/2183 ( [straat 2] 111H),
- 23/2185 ( [straat 4] 96),
- 23/2187 ( [straat 4] 108(BG+1e)) en
- 23/2190 ( [straat 4] 116+118H).
Belanghebbende heeft geen griffierecht voldaan voor de zaken waaraan de overige kenmerken door de rechtbank zijn toegekend (zie ook rechtsoverweging 2 van de uitspraak van de rechtbank). In de zaak met kenmerk AMS 23/2191 is belanghebbende bij brief van de rechtbank van 19 mei 2023 herinnerd aan de verplichting om tijdig het verschuldigde griffierecht te voldoen.
2.5.1.
De in het onder 1.1 vermelde geschrift (‘gecombineerde aanslag’) bekendgemaakte aanslagen rioolheffing eigenaren 2021 zijn elk vastgesteld op een bedrag van € 144.
2.5.2.
Het bezwaarschrift van belanghebbende is door de heffingsambtenaar ontvangen op 13 januari 2022. In dit bezwaarschrift is onder meer het volgende vermeld:
“Betreft: WOZ/OZB 2021 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aanverwante/gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook. (…)
Hierdoor wordt namens opdrachtgever c.q. belanghebbende de iure tijdig (zonodig/zo mogelijk aanvullend) bezwaar aangetekend tegen het in kopie bijgevoegde (aanslag-/beschikkings)biljet met het nummer [#] (…). (…).”
Het bezwaarschrift bevat (in algemene termen gestelde) klachten die betrekking hebben op de vastgestelde WOZ-waarden. Het woord ‘rioolheffing’ of ‘opbrengstlimiet’ komt niet in het bezwaarschrift voor.
2.5.3.
In de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft belanghebbende grieven aangevoerd tegen de vastgestelde WOZ-waarden van de onroerende zaken. Over de aanslagen rioolheffing is door belanghebbende niets ingebracht.
2.5.4.
Belanghebbende heeft een hogerberoepschrift met dagtekening 28 mei 2024 ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend dat is ingekomen bij het Hof op 20 november 2025. In deze geschriften zijn geen grieven opgenomen die de rioolheffing of de opbrengstlimiet betreffen.
2.5.5.
Op 2 januari 2026 is bij het Hof nog een nader stuk van belanghebbende ingekomen. In dat nader stuk is het volgende opgenomen:
“Nogmaals wordt in deze zaak een (aanvullend) beroep gedaan op de inhoud en strekking van ECLI:NL:GHARL:2025:3430: de overschrijding van de opbrengstlimiet. De Hoge Raad heeft al geruime tijd geleden (ECLI:NLHR:2009:BI1968, BNB2009/159 én ECLI:NL:HR:2014:777, BNB2014/148 alsmede ECLI:NL:HR:2014:780, BNB 2014/149) twee “vuistregels” geformuleerd over de stelplicht en de bewijslastverdeling in aan de (belasting)rechter voorgelegde geschillen over de vraag of de tarieven van retributies en bestemmingsheffingen van decentrale overheden zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde “lasten ter zake” :
(…)
De eerste Hoofdregel houdt in dat de Heffingsambtenaar, indien en zodra de belanghebbende de vraag aan de orde stelt of de geraamde baten van een heffing de geraamde “lasten ter zake” overschrijden, inzicht moet verschaffen in d(i)e ramingen van baten en de “lasten ter zake”.
(...)
De tweede Guideline houdt in dat, als de belanghebbende met betrekking tot een of meer posten in de ramingen van de “lasten ter zake” van een heffing voldoende gemotiveerd in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een “last ter zake”(zoals in casu bijvoorbeeld de BTW), de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) moet verstrekken, teneinde naar vermogen de bij de belanghebbende levende twijfels weg te
nemen. Idem dito uiteraard net andersom t.a.v. de “geraamde baten” uiteraard. M.b.t. “watertaken” heeft bovendien nog te gelden ECLI:NL:HR:2012:BW9879, BNB 20212/252.”
3Geschil in hoger beroep
In geschil is of de WOZ-waarden van de onder 1.1 vermelde onroerende zaken niet te hoog zijn vastgesteld en of de aanslagen rioolheffing vernietigd moeten worden. Tevens is in geschil of de heffingsambtenaar in strijd met het voorschrift van artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft gehandeld. Daarnaast is in geschil of de rechtbank het beroep in de zaak met kenmerk AMS 23/2191 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet tijdig betalen van het verschuldigde griffierecht. Voorts is de hoogte van de door de rechtbank toegekende vergoeding van immateriële schade in geschil, alsmede de vraag of de rechtbank de heffingsambtenaar had moeten gelasten de betaalde griffierechten aan belanghebbende te vergoeden.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen:
“Griffierechtbetaling
2. [ Belanghebbende] heeft niet in alle zaken het geheven griffierecht betaald. Het betreft het griffierecht in de zaken AWB 23/2184, 23/2186, 23/2189 en 23/2191. Zij heeft ter verklaring daarvan aangevoerd dat de beoordeling in deze zaken vrijwel identiek is en heeft betoogd dat daarom volstaan had kunnen worden met het heffen van eenmaal het griffierecht voor alle negen zaken.
3. Op grond van artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is eenmaal griffierecht verschuldigd indien het één beroepschrift van dezelfde belanghebbende tegen twee of meer samenhangende besluiten betreft. Besluiten zijn samenhangend wanneer zij wat betreft de inhoud en in tijd samenhangen, en het efficiënter is om ze in één procedure te behandelen. Van inhoudelijke samenhang kan worden gesproken als voor de beoordeling van de bestreden besluiten met het oog op de toe te passen regelgeving dezelfde feiten en omstandigheden relevant zijn. [voetnoot 1: Vergelijk de arresten van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2022:1040 en ECLI:NL:HR:2023:560.] In dat kader acht de rechtbank onder meer van belang of de beoordeling plaatsvindt aan de hand van (nagenoeg) dezelfde vergelijkingsobjecten.
4. Het bovenstaande toegepast op de onderhavige zaken, die alle de WOZ-waardering ter zake het kalenderjaar 2021 betreffen met gebruikmaking van de huurwaardekapitalisatiemethode, komt de rechtbank tot het volgende oordeel:
- Wat betreft de kantoren op de [straat 4] 96 (AWB 23/2189) en 102A (AWB 23/2190) vindt de vaststelling van de waarde plaats aan de hand van dezelfde vergelijkingsobjecten. Er is daarmee voldoende inhoudelijke samenhang om in deze twee zaken slechts eenmaal griffierecht te heffen. Dat betekent dat er geen gevolgen worden verbonden aan het niet-betalen van griffierecht in de zaak AWB 23/2189.
- De zaak van het kantoor op de [straat 5] 130-1 (AWB 23/2191) heeft geen inhoudelijke samenhang met de zaken van de voorgaande kantoren op de [straat 4] . Het object is op enige afstand van laatstgenoemde straat gelegen en wordt beoordeeld aan de hand van geheel andere vergelijkingsobjecten. Dit betekent dat het griffierecht in deze zaak tijdig had moeten worden betaald, wat [belanghebbende] heeft nagelaten. [Belanghebbende] heeft geen verontschuldigbare reden voor het niet-betalen aangevoerd, zodat de rechtbank het beroep in deze zaak niet-ontvankelijk verklaart.
- De vaststelling van de waarde van de vijf bar/café/restaurants op de [straat 4] 108 (BG+1e) (AWB 23/2186), 114 (BG+1e) (AWB 23/2185) en 116+118 (H) (AWB 23/2187), [straat 3] 8(6-8) (AWB 23/2184) en [straat 2] 111(H) vindt plaats aan de hand van nagenoeg dezelfde vergelijkingsobjecten. De vijf objecten zijn gelegen op korte loopafstand van elkaar. Er is voldoende inhoudelijke samenhang om in deze vijf zaken slechts eenmaal griffierecht te heffen. Dat betekent dat er geen gevolgen worden verbonden aan het niet-betalen van het griffierecht in de zaken AWB 23/2184 en 23/2186 en dat het teveel betaalde griffierecht in de zaken AWB 23/2183 en 23/2185 tot een totaal van € 720,- moet worden teruggestort.
- De zaak van de winkel op de [straat 1] 2 (H) staat op zichzelf en is niet inhoudelijk samenhangend met de andere acht zaken. Het griffierecht in deze zaak is betaald.
Algemene gronden
5. [ Belanghebbende] heeft een algemeen geformuleerd beroepschrift en meerdere, ook algemeen geformuleerde brieven ter aanvulling daarop ingediend, waarvan onvoldoende duidelijk is of deze op de onderhavige zaak betrekking hebben. Op de zitting heeft de gemachtigde van [belanghebbende] de specifieke gronden die in deze zaak aan de orde zijn toegelicht. De rechtbank zal het beroep daarom beoordelen aan de hand van de op de zitting ingenomen standpunten.
De WOZ-waarde
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. De vast te stellen waarde is de waarde in het economische verkeer, oftewel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.
7. Aan een onroerende zaak wordt een waarde toegekend die voor niet-woningen wordt bepaald onder meer door middel van de huurwaardekapitalisatiemethode (HWK-methode), waarbij de WOZ-waarde van het object wordt bepaald door de huurwaarde te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor. Partijen zijn het erover eens dat deze methode moet worden gebruikt bij de waardevaststelling van alle objecten. De bewijslast dat de aan de onroerende zaak toegekende waarde juist is, ligt bij de heffingsambtenaar. Dit betekent dat hij aannemelijk moet maken dat de door hem vastgestelde waarde niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer.
De winkel
8. [ Belanghebbende] is eigenaar van het object, een winkel in een omstreeks 1899 gebouwd pand in [plaats] -Centrum ( [straat 6] ), met een oppervlakte van 169 m², een secundaire opslag van 69 m² en een tertiaire opslag van 96 m².
9. In geschil is of de WOZ-waarde van dit object te hoog is vastgesteld. [belanghebbende] bepleit een waarde voor het object van € 749.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waarde van € 807.000,-.
10. De heffingsambtenaar heeft in een matrix met een aantal referentieobjecten, ook winkels in [plaats] -Centrum en één in [plaats] -West, de huurwaarde en de kapitalisatiefactor voor deze onroerende zaak vastgesteld en onderbouwd voor het jaar 2021.
11. [ Belanghebbende] voert tegen de waardevaststelling aan dat huurvergelijkingsobject 3 aan de [straat 8] te [plaats] , niet te vergelijken is met de winkel omdat het aan de andere kant van het centrum is gelegen.
12. De rechtbank verwerpt dit betoog. De in deze zaak voor de winkel in aanmerking genomen jaarhuurwaarde van in totaal € 62.100,- vindt voldoende ondersteuning in de aangedragen huurreferenties, ook als referentie 3 buiten beschouwing wordt gelaten.
13. [ Belanghebbende] heeft wat betreft de WOZ-waarde op de waardepeildatum 1 januari 2020 de vastgestelde huurwaarde van € 62.100,- en de gehanteerde kapitalisatiefactor van 13,0 (dat ruim lager ligt dan de gemiddelde kapitalisatiefactor van 15,0 van de drie vergelijkende transacties) voor het overige niet bestreden en de door haar bepleite waarde van € 749.000,- in het geheel niet onderbouwd.
De taxateur van de heffingsambtenaar heeft er tot slot op gewezen dat de m²-prijs van de winkel uitkomt op € 2.923,- en het gemiddelde van de vergelijkende verkopen op € 4.218,- per m². Ook dit grote verschil wijst erop dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
14. De waarde is niet te hoog vastgesteld. Het beroep in de zaak AWB 23/1422 is ongegrond.
De kantoren
15. [ Belanghebbende] is eigenaar van twee kantoorpanden in de [straat 4] , op nummer 96 (AWB 23/2189) en 102A (AWB 23/2190). Deze zijn gevestigd in omstreeks 1899 gebouwde panden in [plaats] -Centrum ( [straat 7] ), met een oppervlakte van 68 m² respectievelijk 13 m².
16. [ Belanghebbende] heeft op de zitting verklaard dat zij zich gelet op de matrix en de daarop gekregen toelichting kan verenigen met de vastgestelde waarde voor het kantoor op nummer 96. Het beroep in de zaak AWB 23/2189 is ongegrond.
In geschil is dus nog of de WOZ-waarde van nummer 102A te hoog is vastgesteld. [Belanghebbende] bepleit een waarde voor het object van € 39.000,- . De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waarde van € 51.000,-.
17. De heffingsambtenaar heeft in een matrix met een aantal referentieobjecten, ook kantoren in [plaats] -Centrum, de huurwaarde en de kapitalisatiefactor voor deze onroerende zaak vastgesteld en onderbouwd voor het jaar 2021.
18. [ Belanghebbende] voert tegen de waardevaststelling aan dat alle vergelijkingsobjecten groter dan 80 m² zijn en dus niet te vergelijken zijn met een kantoortje van 13 m².
19. De rechtbank verwerpt dit betoog. Juist is dat het kantoor van [belanghebbende] zeer klein is, maar de heffingsambtenaar wijst er terecht op dat er geen marktgegevens zijn waaruit kan worden afgeleid dat er een significant waardeverschil in m² is tussen kleinere en grotere kantoren. Afgezien van de oppervlakte zijn de vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar wat ligging in het centrum betreft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgevoerde vergelijkingsobjecten voor de vaststelling van huur en kapitalisatiefactor bruikbaar zijn.
20. [ Belanghebbende] vindt verder de huurwaarde van € 250,- per m² voor het kantoor te hoog. Zij heeft tegenover de in de matrix opgenomen gegevens dit standpunt niet onderbouwd, zodat deze grond wordt verworpen.
21. [ Belanghebbende] heeft voor het overige de WOZ-waarde op de waardepeildatum 1 januari 2020, de huurwaarde van € 3.244,- en de gehanteerde kapitalisatiefactor van 16,0 (dat ruim lager ligt dan de gemiddelde kapitalisatiefactor van 18,9 van de drie vergelijkende transacties) niet bestreden en de door haar bepleite waarde van € 51.000,- in het geheel niet onderbouwd.
De taxateur van de heffingsambtenaar heeft er tot slot op gewezen dat de m²-prijs van het kantoor uitkomt op € 3.923,- en het gemiddelde van de vergelijkende verkopen op € 4.622,- per m². Ook dit grote verschil wijst erop dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Het beroep in de zaak AWB 23/2190 is ongegrond.
De restaurants
22. [ Belanghebbende] is eigenaar van vijf horecagelegenheden (restaurants) in de [straat 7] te [plaats] . Drie van de restaurants zijn gevestigd in panden uit 1905 en twee uit 1992. De oppervlaktes liggen tussen de 87 en 163 m².
23. In geschil is of de WOZ-waarde van deze objecten te hoog is vastgesteld. [Belanghebbende] stelt dat de waardes te hoog zijn vastgesteld. De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waardes.
24. De heffingsambtenaar heeft in vijf matrices met een aantal referentieobjecten, ook restaurants in [plaats] -Centrum, de huurwaarde en de kapitalisatiefactor voor deze onroerende zaken vastgesteld en onderbouwd voor het jaar 2021. De matrices zijn identiek met drie verkooptransacties en drie huurreferenties, met uitzondering van één huurreferentie ter zake het restaurant aan de [straat 3] 8 (6-8) (AWB 23/2184) en [straat 2] 11(H) (AWB 23/2183). Daar is huurreferentie 1 ( [straat 3] 28-A) anders dan de huurreferentie 1 in de drie andere matrices ( [straat 9] 9-A). De rechtbank vindt dat gelet op de ligging en oppervlakte alle referenties in voldoende mate vergelijkbaar zijn met de restaurants van [belanghebbende] en dat deze referenties mede gelet op de verkoopdata in de nabijheid van de waardepeildatum 1 januari 2020 kunnen dienen ter onderbouwing van de WOZ-waarde.
25. [ Belanghebbende] voert tegen de waardevaststelling van alle restaurants aan dat bij de verkooptransacties voor de vaststelling van de kapitalisatiefactor de taxatiehuur niet voldoende is onderbouwd.
26. De rechtbank verwerpt dit betoog. De taxatiehuren per m² van de drie verkochte restaurants (€ 497,-, € 519,- en € 500,-) liggen in lijn met de twee referentiehuren die in dezelfde straten, althans in de [straat 7] , gelegen zijn (€ 553,- en € 500,-). De taxatiehuren vinden daarin voldoende onderbouwing. De enigszins afwijkende huur is van referentie 3 (€ 390,- per m²), maar dat kan verklaring vinden in de geruim verderop gelegen ligging van dit restaurant aan de [straat 10] . Ook zonder deze referentie 3 zijn de taxatiehuren voldoende onderbouwd met referentie 1 en 2.
27. [ Belanghebbende] voert tegen de waardevaststelling aan dat de verkooptransacties waar de kapitalisatiefactor van 13,0 respectievelijk 13,5 voor de restaurants op wordt gebaseerd, veelal in leegstaat zijn verkocht, wat een aanwijzing is dat deze panden in feite als woonruimte zijn verkocht. Dergelijke transacties zijn geen goede vergelijking voor de waardevaststelling van het object, aldus [belanghebbende].
28. De rechtbank verwerpt deze stelling. De aanname dat de café/bar/restaurants waarmee is vergeleken voor de waardebepaling, als woning zijn verkocht is in het geheel niet onderbouwd en vindt geen steun in de gedingstukken.
29. [ Belanghebbende] heeft wat betreft de WOZ-waarde op de waardepeildatum 1 januari 2020 de vastgestelde huurwaarde en de gehanteerde kapitalisatiefactor van maximaal 13,5 (dat ruim lager ligt dan de gemiddelde kapitalisatiefactor van 14,5 van de drie vergelijkende transacties) voor het overige niet bestreden en de door haar bepleite lagere waardes in het geheel niet onderbouwd.
De taxateur van de heffingsambtenaar heeft er tot slot op gewezen dat de m²-prijs van de restaurants (tussen € 4.196,- en € 5.241,-) ruim lager uitkomen dan het gemiddelde van de m²-prijs van de vergelijkende verkopen (€ 7.367,-). Ook dit grote verschil wijst erop dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Conclusie
30. De heffingsambtenaar heeft met de matrices en de andere taxatiestukken de waarde van de onroerende zaken voor 2021 in voldoende mate onderbouwd. De daartegen aangevoerde beroepsgronden slagen niet. De beroepen zijn ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
31. [ Belanghebbende] heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.
32. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In dit geval is het bezwaarschrift ingediend op 13 januari 2022. Bij het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar overschreden met (afgerond) vijf maanden en dus heeft [belanghebbende] recht op een schadevergoeding.
33. Wat betreft de hoogte van de schadevergoeding is de vergoedingsnorm € 500,- per (afgerond) half jaar overschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] dan ook recht op een schadevergoeding van € 500,-. Hierbij merkt de rechtbank de zaken aan als samenhangend omdat de beroepen gezamenlijk zijn behandeld en betrekking hebben op hetzelfde onderwerp ter zake objecten van dezelfde eigenaar. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om slechts eenmaal het tarief van € 500,- te hanteren.
De bezwaartermijn van zes maanden is met zeven maanden overschreden, zodat de overschrijding van de behandelduur is toe te rekenen aan de heffingsambtenaar. De rechtbank zal de heffingsambtenaar veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding aan [belanghebbende].
Proceskostenvergoeding
34. De rechtbank ziet aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij gaat de rechtbank uit van negen samenhangende zaken, als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De vergoeding wordt vastgesteld op een totaalbedrag van € 218,75 (1 punt voor het verzoek, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor zeer licht, omdat de proceskostenvergoeding uitsluitend verband houdt met het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.[voetnoot 2: Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660 en van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526]
Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
Griffierecht
35. Omdat de beroepen ongegrond respectievelijk niet-ontvankelijk zijn, hoeft de heffingsambtenaar het door [belanghebbende] betaalde griffierecht niet te vergoeden.
36. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn heeft [belanghebbende] gedaan gedurende het beroep, overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid van de Awb. Daarvoor was [belanghebbende] geen griffierecht verschuldigd, wat volgt uit artikel 8:94, tweede lid, van de Awb. Voor het verzoek is dan ook geen griffierecht geheven, zodat geen sprake kan zijn van vergoeding daarvan.”
5Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Omvang geschil in hoger beroep
5.1.
Door belanghebbende is in haar nader stuk, dat op 2 januari 2026 is ingekomen bij het Hof, een beroep gedaan op overschrijding van de opbrengstlimiet voor wat betreft de rioolheffing 2021, onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3430 (zie 2.5.5). Het is met dat stuk in deze procedure voor het eerst dat belanghebbende opmerkingen maakt over rioolheffing of over de opbrengstlimiet waarvan de vermeende overschrijding in geschil kan zijn bij heffingen zoals de rioolheffing.
5.2.
Een bezwaarschrift, zoals dat in de onderhavige zaak, waarin blijkens de onderwerpaanduiding wordt opgekomen tegen de WOZ-waarden en de aanslagen OZB en dat uitsluitend gronden bevat die op de WOZ-waarden van de onroerende zaken zien, richt zich uitsluitend tegen die WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB. Het heeft ook niet van rechtswege betrekking op andere belastingaanslagen die zijn verenigd in één geschrift met de WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB waartegen het bezwaarschrift zich uitdrukkelijk richt. Een en ander wordt niet anders door in zo een bezwaarschrift onder ‘betreft’ na de vermelding van “WOZ/OZB 2021” de zinsnede “en alle hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen” of iets dergelijks op te nemen. De voor het jaar 2021 opgelegde aanslagen rioolheffing eigenaren zijn immers niet gerelateerd aan de WOZ-waarden (noch aan de aanslagen OZB). Immers de heffingsmaatstaf van deze rioolheffing is op grond van de Verordening Rioolheffing 2021 van de gemeente [plaats] gesteld op een vast bedrag per perceel. Overigens heeft belanghebbende bij de rechtbank niet geklaagd over het ontbreken van een beslissing in de uitspraak op bezwaar inzake de rioolheffing. Het geschil bij de rechtbank beperkte zich dus terecht tot de WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB.
5.3.
Alvorens beroep in te stellen dient bezwaar te worden gemaakt (artikel 7:1, lid 1, Algemene wet bestuursrecht). In het onderhavige geval is geen bezwaar gemaakt tegen de aanslagen rioolheffing. Er is ook geen beroep ingesteld tegen deze aanslagen en beroep daartegen stond vanwege het bepaalde in artikel 7:1, lid 1, Algemene wet bestuursrecht ook niet open. Evenmin kan voor het eerst in hoger beroep worden opgekomen tegen een aanslag rioolheffing. De wet biedt deze mogelijkheid niet. Het Hof kan de klachten van belanghebbenden over de aanslagen rioolheffing daarom niet tot het geschil rekenen en zal deze onbehandeld laten.
Niet-ontvankelijkverklaring beroep in zaak AMS 23/2191 ( [straat 5] 130-1)
5.4.
Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de rechtbank het beroep ten onrechte heeft gesplitst in negen afzonderlijke beroepen en dat de toegang tot de rechter wordt belemmerd doordat in meer zaken griffierecht is geheven. Voor zover belanghebbende hiermee heeft willen stellen dat het beroep in de zaak met kenmerk AMS 23/2191 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, oordeelt het Hof als volgt.
5.4.
Indien een belanghebbende van mening is dat hij een of meer nota’s griffierecht niet hoeft te betalen omdat artikel 8:41, lid 3, Awb van toepassing is, dient de belanghebbende die nota‘s griffierecht toch binnen de daartoe gestelde termijn te voldoen om niet het risico te lopen dat de rechter anders oordeelt en een of meer beroepen niet-ontvankelijk verklaart wegens het niet of niet tijdig betalen van griffierecht. Worden al deze nota’s griffierecht betaald en komt de rechter daarna tot het oordeel dat artikel 8:41, lid 3, Awb van toepassing is, dan moet de griffier het ten onrechte geheven griffierecht terugbetalen (vgl. HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560, r.o. 3.3.7).
5.5.
Belanghebbende heeft de nota griffierecht in de zaak met kenmerk AMS 23/2191 niet betaald, ook niet nadat de rechtbank belanghebbende nogmaals heeft gewezen op haar verplichting het griffierecht tijdig te betalen (zie 2.3). De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat belanghebbende er op zijn advies bewust voor heeft gekozen om een aantal nota’s griffierecht in de onderhavige zaken wel te betalen en een aantal niet, waaronder de nota in zaak AMS 23/2191. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de rechtbank het beroep in de zaak met kenmerk AMS 23/2191 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
Wijze van procederen
5.6.
De wijze waarop de gemachtigde van belanghebbende procedeert is in strijd met hetgeen van een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener mag worden verwacht. Van deze gemachtigde die zeer veel procedeert mag worden verwacht en verlangd, dat hij in de van hem afkomstige stukken duidelijk en tijdig aangeeft wat zijn grieven zijn tegen de aangevallen beslissing en op welke feiten die grieven zijn gebaseerd. De gemachtigde is hier al in eerdere procedures uitdrukkelijk op gewezen. De door de gemachtigde ingezonden stukken voldoen niet aan die norm. Wat steeds weer opvalt is dat de gemachtigde de wederpartij in alle fasen van het geding overlaadt met niet ter zake doende stellingen en standpunten; daartussen bevinden zich dan soms – meestal niet onderbouwde – opmerkingen die echter wel betrekking kunnen hebben op het geding. Eerst ter zitting worden aan die opmerkingen door de gemachtigde argumenten ontleend waarmee hij zijn stellingen onderbouwt. Daardoor ontneemt hij de wederpartij de mogelijkheid om tegen die argumenten op gedegen wijze verweer te voeren. Het Hof acht deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde en verbindt hieraan als consequentie dat hij bij zijn oordeelsvorming slechts ingaat op de argumenten van de gemachtigde voor zover zij tijdig en duidelijk in gedingstukken naar voren zijn gebracht.
Artikel 40, lid 2, Wet WOZ
5.7.
De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar in de onderhavige zaken de verplichtingen ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet is nagekomen wordt verworpen, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende een voldoende concreet verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde WOZ-waarden. Voor de heffingsambtenaar is op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ in dit geding geen verplichting om de door belanghebbenden gevraagde iWOZ-rapportages in te brengen, aangezien deze niet ten grondslag hebben gelegen aan de voor de onroerende zaken vastgestelde WOZ-waarden.
WOZ-waarden
5.8.
Het Hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank over de vastgestelde WOZ-waarden en maakt de gronden waarop deze beslissing berust (rechtsoverweging 6 tot en met 30) tot de zijne. Ook het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de door hem overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarden van de acht onder 1.1 vermelde onroerende zaken ter zake waarvan het beroep ontvankelijk is (hierna tezamen aangeduid als: de onroerende zaken) niet te hoog heeft vastgesteld; ter zake van alle in geschil zijnde onroerende zaken zijn door hem taxatierapporten met een waardematrix overgelegd. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt het Hof voorts als volgt.
5.9.
Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de heffingsambtenaar de vastgestelde WOZ-waarden niet aannemelijk heeft gemaakt omdat hij ten onrechte geen afzonderlijke berekening heeft gemaakt van de grondwaarde van de onroerende zaken en geen grondstaffels heeft overgelegd. Het Hof verwerpt dit standpunt. Aangezien er geen sprake is van afzonderlijk gewaardeerde grond (de waarde van de grond komt tot uitdrukking in de huurwaarde), is het niet nodig voor de heffingsambtenaar om grondstaffels in te brengen of de waarde van de grond apart te onderbouwen.
5.10.
Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar de door hem bij de waardevaststelling in aanmerking genomen huurwaarden en kapitalisatiefactoren ter zake van de onroerende zaken voldoende onderbouwd met onder meer de verkoopprijzen van de (deels) in leegstaat verkochte, voldoende vergelijkbare referentieobjecten en heeft hij de bij die objecten in aanmerking genomen huurwaarden onderbouwd met de door hem overgelegde marktgegevens van voldoende vergelijkbare huurreferentieobjecten. De stelling van belanghebbende dat de door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen huurwaarden onvoldoende zijn onderbouwd omdat aan huurovereenkomsten vaak allonges worden toegevoegd met specifieke prijsafspraken, wordt als onvoldoende geconcretiseerd verworpen.
Het Hof acht aannemelijk dat de referentieobjecten met een horecabestemming die volgens de heffingsambtenaar zonder lopend huurcontract zijn verkocht, daadwerkelijk in leegstaat zijn verkocht, aangezien de heffingsambtenaar zich daarbij heeft gebaseerd op de leveringsakten van deze objecten. De omstandigheid dat een aantal referentieobjecten een oppervlakte heeft dat als secundair of tertiair is aangemerkt door de taxateur van de heffingsambtenaar, betekent niet dat de desbetreffende referentieobjecten daardoor minder vergelijkbaar zijn. Met die omstandigheid is rekening gehouden door aan de desbetreffende ruimten een lagere waarde toe te kennen dan aan de zogenoemde primaire ruimten.
5.11.
Ook met inachtneming van hetgeen belanghebbende in hoger beroep voor het overige nog heeft overgelegd en aangevoerd, is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat hij de WOZ-waarden van de onroerende zaken niet te hoog heeft vastgesteld.
Vergoeding van immateriële schade
5.12.
De rechtbank heeft de vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld op € 500. Belanghebbende klaagt dat de vastgestelde vergoeding te laag is omdat er beroep is aangetekend tegen negen beschikkingen en de vergoeding van immateriële schade om die reden moet worden vastgesteld op (9 x € 500 =) € 4.500. De heffingsambtenaar heeft dit standpunt van belanghebbende betwist.
5.13.
De klacht faalt. De Hoge Raad heeft in onder meer het overzichtsarrest van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) geoordeeld dat ingeval meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk behandeld worden omdat zij in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal de vergoeding van € 500 per half jaar wordt gehanteerd. Zowel de heffingsambtenaar in bezwaar als de rechtbank in beroep heeft de zaken van belanghebbende gezamenlijk behandeld. Bovendien hebben de zaken in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp (met gebruikmaking van de huurwaardekapitalisatiemethode vastgestelde WOZ-waarden) en hetzelfde belastingjaar. Overigens merkt het Hof op dat de rechtbank geen beslissing hoefde te nemen over het verzoek om immateriële schadevergoeding in de zaak AMS 23/2191 waarin het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, aangezien de rechtbank uitspraak heeft gedaan binnen anderhalf jaar na het instellen van beroep (zie HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:352).
5.14.
Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende om een aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep af, aangezien het Hof binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep uitspraak doet.
Vergoeding griffierecht in eerste aanleg
5.15.
Belanghebbende heeft gesteld dat de rechtbank, gelet op de door haar toegekende vergoeding van immateriële schade, de heffingsambtenaar had moeten gelasten om de in de onderhavige zaken (per saldo) betaalde griffierechten (drie maal € 365, zie rechtsoverweging 4 van de rechtbankuitspraak) aan haar te vergoeden.
5.16.
Het bezwaarschrift van belanghebbende is op 13 januari 2022 ontvangen door de heffingsambtenaar. In het bezwaarschrift (en in beroep) heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De als uitgangspunt te hanteren termijn van twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden op 14 januari 2024; bijzondere omstandigheden die een verlenging van deze tweejaarstermijn kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. Dit betekent dat het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan en de redelijke termijn is overschreden voorafgaand aan de datum van het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567. Gelet op het in dat arrest (in r.o. 7.1.2) opgenomen overgangsrecht betekent dit dat de rechtbank de heffingsambtenaar had moeten gelasten om het door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar te vergoeden. Het hoger beroep van belanghebbende is in zoverre gegrond.
5.17.
Belanghebbende heeft in beroep in totaal vijfmaal € 365 griffierecht betaald. Een bedrag ter grootte van € 720 is door de griffier van de rechtbank teruggestort, waardoor nog een bedrag ter hoogte van € 1.095 aan belanghebbende vergoed moet worden. Het Hof zal de heffingsambtenaar gelasten dit bedrag aan belanghebbende te vergoeden.
Slotsom
5.18.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep gegrond, uitsluitend voor zover het betreft de beslissing van de rechtbank om de heffingsambtenaar niet te gelasten het in drie zaken betaalde griffierecht van totaal € 1.095 (zie 5.17) aan belanghebbende te vergoeden.
6Kosten
6.1.
Het Hof verwerpt de grief van belanghebbende dat de rechtbank de proceskosten-vergoeding in eerste aanleg op een te laag bedrag heeft vastgesteld. Aangezien de beroepen ongegrond zijn en de toegekende proceskostenvergoeding uitsluitend verband houdt met het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft de rechtbank het bedrag aan te vergoeden proceskosten niet te laag berekend. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.
6.2.
De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep. In de omstandigheid dat belanghebbende in hoger beroep slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld op een formeel geschilpunt van ondergeschikt belang ziet het Hof aanleiding daarbij een gewichtsfactor 0,25 (zeer licht) toe te passen (vgl. Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862, r.o. 3.2.2). De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt het Hof vast op: 2 punten (proceshandelingen) x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (wegingsfactor: zeer licht) x 0,10 (vermenigvuldigingsfactor artikel 30a, lid 2, Wet WOZ) = € 46,70. Hierbij neemt het Hof wat betreft de toegepaste vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in r.o. 3.5.1 en 3.5.2 van het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
7Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, uitsluitend voor wat betreft de beslissing om de heffingsambtenaar niet te gelasten de in eerste aanleg betaalde en niet teruggestorte griffierechten aan belanghebbende te vergoeden;
- draagt de heffingsambtenaar op het in eerste aanleg betaalde en niet teruggestorte bedrag aan griffierechten van totaal € 1.095 aan belanghebbende te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 46,70, en
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep van € 559 aan belanghebbende te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, H.E. Kostense en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: