Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2831
2026-09-08
Civiel recht
200.345.459/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2831 → ECLI:NL:RBROT:2024:6537 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Appellant en geïntimeerde hebben beiden borg gestaan voor een kredietfaciliteit ter financiering van de overname van een accountantskantoor. Dit kantoor is failliet gegaan. De bank heeft appellant en geïntimeerde aangesproken uit hoofde van hun borgstelling onder de kredietfaciliteit. Appellant wil in deze procedure een bedrag van € 65.000 op zijn medeborg / geïntimeerde verhalen op grond van art. 7:869 BW. Volgens rechtbank en hof is de bijdrage van appellant aan het faillissement dermate zwaarwegend dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om geïntimeerde aan te spreken als medeborg.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.440 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.345.459/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/665302 / HA ZA 23-799
Arrest van 8 september 2026
in de zaak van
[appellant]
,
wonend in [woonplaats] ( [land] ),
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.C. Rijken, kantoorhoudend in 's-Gravenhage,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. L.P.J. Krijgsman, kantoorhoudend in Hardinxveld-Giessendam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .
1De zaak in het kort
1.1
[appellant] en [geïntimeerde] hebben beiden borg gestaan voor een kredietfaciliteit ter financiering van de overname van een accountantskantoor. Dit kantoor is failliet gegaan. De bank heeft [appellant] en [geïntimeerde] aangesproken uit hoofde van hun borgstelling onder de kredietfaciliteit. [appellant] stelt dat hij het maximumbedrag onder de borgstelling met rente en kosten, in totaal een bedrag van € 600.000, aan de bank heeft betaald. [geïntimeerde] heeft tegenover kwijting jegens de bank een bedrag van € 5.000 betaald. [appellant] wil in deze procedure, berekend naar evenredigheid van hun borgstellingen, een bedrag van € 65.000 op zijn medeborg [geïntimeerde] verhalen op grond van art. 7:869 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
1.2
De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen. Volgens de rechtbank is de bijdrage van [appellant] aan het faillissement dermate zwaarwegend dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [geïntimeerde] aan te spreken als medeborg. Het hof komt tot hetzelfde oordeel.
2Procesverloop in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 27 juni 2024 (en het herstelexploot van 6 augustus 2024), waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2024;
de memorie van grieven tevens houdende eiswijziging van [appellant] , met producties;
de akte overlegging producties van [appellant] , met producties;
de memorie van antwoord tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel appel van [geïntimeerde] , met producties;
de akte overlegging producties, met producties die [geïntimeerde] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
de akte overlegging producties van [appellant] , met productie.
2.2
Op 17 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3Feitelijke achtergrond
3.1
De rechtbank heeft de feiten vastgesteld in rov. 2.1 tot en met 2.10 van het vonnis. Die feiten zijn tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Het gaat om het volgende.
3.2
Op 27 mei 2011 is het bedrijf van de maatschap [naam maatschap] door middel van een activa/passiva-transactie verkocht door de maten, onder wie [geïntimeerde] (voor 22,5% gerechtigd in de maatschap), aan:
een door Vrijheid Apeldoorn BV op te richten vennootschap, dat werd Nimol Holding BV, en
een door deze nieuwe vennootschap op te richten vennootschap met de naam [naam bedrijf] BV, nadien Nimol Rotterdam BV.
Onder andere [geïntimeerde] heeft zich daarbij verbonden via een partnerovereenkomst werkzaam te blijven voor het bedrijf gedurende de earn out-periode van 7 jaren en 18 maanden daarna.
3.3
Vrijheid Apeldoorn BV was na de overdracht van het bedrijf enig aandeelhouder en bestuurder van Nimol Holding BV, moedervennootschap van Nimol Rotterdam BV. Vrijheid Apeldoorn BV is op 30 oktober 2019 gefailleerd. Enig bestuurder van Vrijheid Apeldoorn BV was Hassel Holding BV. Enig bestuurder van Hassel Holding BV is vanaf eind 1996 [appellant] . Vanaf 5 oktober 2016 is [appellant] indirect (via Vrijheid Doetinchem BV) ook enig aandeelhouder van Hassel Holding BV.
3.4
Nimol Holding BV en Nimol Rotterdam BV hebben als (hoofdelijk aansprakelijke) kredietnemers met de ABN AMRO-bank NV (hierna: de bank) een kredietovereenkomst gesloten met een faciliteit van € 1.945.000, die is aangewend voor de financiering van de koop van het bedrijf.
3.5
In de kredietovereenkomst is bepaald dat naast de kredietnemers ook Vrijheid Apeldoorn BV hoofdelijk mede-aansprakelijk is voor het verschuldigde en dat voor een totaalbedrag van € 1.000.000 aan borgstellingen als zekerheden worden gesteld door [geïntimeerde] (€ 112.500), [persoon A] (€ 350.000), [persoon B] (€ 37.500) en [appellant] (€ 500.000), te vermeerderen met rente en kosten.
3.6
De borgstelling door [geïntimeerde] is vastgelegd in een akte van 18 mei 2011. De borgstelling door [appellant] is vastgelegd in een akte van 31 mei 2011.
3.7
Nimol Rotterdam BV is op 14 juni 2016 gefailleerd, waarna de bank bij brief van 21 juni 2016 het krediet heeft opgezegd. Uit hoofde van de kredietfaciliteit is aanspraak gemaakt op een openstaand bedrag van € 880.501. Het faillissement is op 31 augustus 2020 opgeheven wegens gebrek aan baten.
3.8
Bij brief van 19 juli 2017 heeft de bank aan [geïntimeerde] bevestigd dat zij diens betaling van € 5.000 heeft ontvangen, dat daarmee voor een deel is voldaan aan de schuld uit hoofde van de borgstelling en dat voor het overige deel [geïntimeerde] kwijting wordt verleend tegenover de bank.
3.9
Bij vonnis van 28 augustus 2019 van de rechtbank Gelderland is [appellant] als borg veroordeeld tot betaling aan de bank van € 500.000 met rente en kosten, te verminderen met wat Nimol Holding BV en/of Vrijheid Apeldoorn BV aan de bank voldoet.
3.10
[appellant] heeft [geïntimeerde] bij brief van 12 april 2023 gesommeerd tot betaling van € 56.250. [geïntimeerde] heeft hieraan niet voldaan. [appellant] heeft conservatoir beslag gelegd ten laste van [geïntimeerde] .
4Procedure bij de rechtbank
4.1
[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd – na vermindering van eis – [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 53.750, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente, en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 1.425, de beslagkosten en de proceskosten, met nakosten en wettelijke (handels)rente.
4.2
[appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij door betaling als borg aan de bank van een bedrag van € 500.000 een vordering op zijn medeborg [geïntimeerde] heeft verkregen op grond van art. 7:869 BW. Omdat hij zelf in totaal € 500.000 heeft voldaan aan de bank en [geïntimeerde] een bedrag van € 5.000, beloopt de vordering, berekend naar evenredigheid van hun borgstellingen, een bedrag van € 53.750 (zijnde 11,25% van het door [appellant] betaalde bedrag van € 500.000 met daarop in aftrek 50% van het door [geïntimeerde] betaalde bedrag van € 5.000). [geïntimeerde] heeft in reconventie opheffing van de ten laste van hem gelegde beslagen gevorderd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
4.3
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De reconventionele vordering van [geïntimeerde] is toegewezen en de rechtbank heeft de ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen opgeheven.
5Vorderingen in hoger beroep
5.1
[appellant] is in hoger beroep gekomen en heeft twee grieven tegen het vonnis aangevoerd. Hij heeft zijn eis gewijzigd (in hoger beroep stelt [appellant] een totaalbedrag van € 600.000 aan de bank te hebben betaald, bestaande uit het maximumbedrag van de borgstelling met rente en kosten, wat leidt tot een hoger bedrag waarvoor hij regres wil nemen) en vordert in hoger beroep dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende,
[geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellant] van in totaal € 65.000 te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag;
[geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellant] van de buitengerechtelijke kosten van € 1.425, de beslagkosten, de proceskosten in beide instanties en de nakosten en wettelijke (handels)rente.
5.2
[geïntimeerde] concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep, althans tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] . [geïntimeerde] heeft daarnaast (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld en verzoekt, voor zover de grieven van [appellant] slagen, dat het incidenteel beroep van [geïntimeerde] gegrond zal worden verklaard en de vorderingen van [appellant] alsnog zullen worden afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties. Tegen het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verweer kunnen voeren.
6Beoordeling in hoger beroep
6.1
Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of [appellant] op grond van art. 7:869 BW regres kan nemen op zijn medeborg [geïntimeerde] .
6.2
De rechtbank heeft de (regres)vordering van [appellant] afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank de bijdrage van [appellant] (als indirect bestuurder van Nimol Rotterdam BV) aan het uiteindelijke mislukken van de beoogde bedrijfsvoering van Nimol Rotterdam BV dermate zwaarwegend is dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [geïntimeerde] aan te spreken als medeborg. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat in de nieuwe opzet en structuur van het bedrijf [appellant] als indirect bestuurder degene is geweest die uiteindelijk de overwegende invloed binnen het bedrijf had en de negatieve ontwikkelingen hem in zoverre (ook) om die reden zijn aan te rekenen (r.o. 4.5 van het vonnis).
6.3
Tegen dit oordeel komt [appellant] met grief 2 op. Hij betoogt daarin dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zijn handelen en nalaten (met andere woorden: zijn beleid) tot de teloorgang van Nimol Rotterdam BV heeft geleid en daarmee uiteindelijk tot de opzegging van het krediet door de bank. Volgens [appellant] heeft hij de stellingen van [geïntimeerde] dat sprake zou zijn van wanbeheer door hem wel gemotiveerd betwist, en dat doet hij ook nader in het hoger beroep. Hij voert in dit verband aan dat hij niet het beleid en de bedrijfsvoering bepaalde, maar [persoon B] en [geïntimeerde] . De financiële problemen van het bedrijf zijn, naar [appellant] stelt, dan ook te wijten aan de opstelling van de oude partners ( [persoon A] , [geïntimeerde] , [persoon B] ), in combinatie met ontwikkelingen in de markt. Dat zijn beleid niet de oorzaak van het faillissement van Nimol Rotterdam BV was, blijkt volgens [appellant] ook uit de omstandigheid dat de curator van Nimol Rotterdam BV tegen hem geen procedure op grond van onbehoorlijk bestuur is begonnen en evenmin onbehoorlijk bestuur heeft geconstateerd.
6.4
Deze grief faalt omdat het hof zich verenigt met het oordeel van de rechtbank dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat [appellant] [geïntimeerde] niet kan aanspreken als medeborg. Het hof licht dit als volgt toe.
6.5
Ingevolge art. 7:865 BW is op de rechtsbetrekking tussen borgen onderling, art. 6:2 BW (aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid) van overeenkomstige toepassing. Voor het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid draagt [geïntimeerde] de stelplicht, en bij voldoende betwisting, de bewijslast.
6.6
Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] uitvoerig en met stukken onderbouwd gesteld dat het handelen en nalaten van [appellant] tot de teloorgang van Nimol Rotterdam BV en daarmee tot de opzegging van het krediet door de bank heeft geleid. [geïntimeerde] heeft in dit kader gewezen op de volgende omstandigheden.
6.7
[appellant] was (indirect) enig bestuurder en aandeelhouder van Nimol Rotterdam BV en als zodanig verantwoordelijk voor het beleid van het bedrijf. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat [appellant] in die hoedanigheid een beleid voerde waardoor conflicten ontstonden binnen het bedrijf (door [geïntimeerde] ‘schrikbewind’ genoemd). In dat verband heeft hij gesteld dat hij in eerste instantie samen met [persoon B] verantwoordelijk was voor het personeel. Nadat [geïntimeerde] op enig moment het personeel heeft aangesproken op hun (lakse) werkhouding, zijn diverse personeelsleden hiertegen in opstand gekomen. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] hem vervolgens na afloop van een bespreking op 6 juni 2012 tussen [appellant] en het personeel, in [geïntimeerde] afwezigheid, ontheven van zijn taak het personeel te managen. Dat leidde volgens [geïntimeerde] tot anarchie onder het personeel. Daardoor werden urenregistraties onjuist bijgehouden, begonnen personeelsleden te laat met werken en gingen zij te vroeg weer naar huis. Daarnaast werden declaraties te laat verstuurd en werden aanmaningen niet of pas laat verzonden, terwijl ook de incasso van openstaande facturen achterwege bleef. Dit had zijn weerslag op de liquiditeit van de onderneming en leidde ertoe dat meer klanten facturen betwistten. [appellant] heeft het personeel vervolgens niet gecorrigeerd of met hen een verbetertraject gestart, noch heeft [appellant] [geïntimeerde] weer de regie gegeven. Integendeel, hij heeft het personeel weggepest door personeelsleden te ontslaan en lonen en ontslagvergoedingen niet te betalen. Met als gevolg dat personeelsleden beslag legden onder klanten, die vervolgens hun relatie met de onderneming opzegden. Uiteindelijk zijn alle accountantsassistenten de deur uitgewerkt, aldus [geïntimeerde] .
6.8
Ook heeft [geïntimeerde] toegelicht dat in het jaar voorafgaand aan het faillissement er door het handelen en nalaten van [appellant] nog slechts twee personeelsleden werkzaam waren, waarna er geen nieuwe mensen werden aangenomen. Nimol Rotterdam BV kon daardoor onmogelijk nog langer haar verplichtingen jegens de bank nakomen. Klanten konden hierdoor niet c.q. nauwelijks meer bediend worden. Ook saboteerde [appellant] klantrelaties van [geïntimeerde] door deze niet tijdig te bedienen, wat tot klantverlies leidde. [geïntimeerde] zelf kon in februari 2014 het pand in Rotterdam niet meer in, omdat hij de sleutel niet kreeg, waardoor het afronden van jaarrekeningen van klanten in gevaar kwam. De organisatie werd door [appellant] kortom volledig uitgehold, aldus [geïntimeerde] .
6.9
[appellant] heeft hier ook in hoger beroep onvoldoende tegenover gesteld. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling vooral slechts in algemene bewoordingen ‘de gang van zaken’ in Nimol Rotterdam BV beschreven, maar dat is als betwisting niet voldoende. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar de stelling ingenomen dat [geïntimeerde] zelf zijn personeelsmanagementtaken heeft neergelegd, maar hij heeft dit verder niet onderbouwd en die stelling strookt ook niet met de door [geïntimeerde] overgelegde stukken, waaronder de brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 4 november 2013 waarin (de advocaat van) [geïntimeerde] zijn ernstige bedenkingen heeft geuit over het personeelsbeleid van [appellant] en de gevolgen daarvan voor de liquiditeitspositie van de onderneming. Enig weerwoord uit die periode heeft [appellant] niet overgelegd. [appellant] heeft verder aangevoerd dat de teloorgang van Nimol Rotterdam BV eerst en vooral het gevolg was van het onvoldoende omzet genereren door onder meer [geïntimeerde] (in het licht van de gepresenteerde prognose), maar met die stelling heeft hij onvoldoende gemotiveerd weersproken dat juist zijn eigen handelen zoals door [geïntimeerde] toegelicht (hiervoor, rov. 6.7 en 6.8), daaraan debet was.
6.10
Anders dan [appellant] betoogt, betekent het gegeven dat de curator van Nimol Rotterdam BV geen procedure tegen [appellant] is begonnen, niet dat de curator van mening is dat er geen sprake was van (kennelijk) onbehoorlijk bestuur van [appellant] . Het hof acht het met [geïntimeerde] niet onaannemelijk dat de curator van een procedure heeft afgezien vanwege het beperkte bedrag dat de curator beschikbaar had in de boedel en [appellant] inmiddels naar Thailand was verhuisd, zodat de verhaalsmogelijkheden beperkt waren.
6.11
Het verzoek van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling om getuigen te horen die zouden kunnen bevestigen ‘hoe het was’ bij Nimol Rotterdam BV legt het hof naast zich neer. Het verzoek is niet voldoende specifiek en ook niet ter zake dienend. [appellant] heeft in dit verband immers geen concreet te bewijzen feiten gesteld, die relevant zijn voor de beslissing.
6.12
Voorts heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling gerefereerd aan verslagen van vergaderingen van hem met de maatschap waaruit de gang van zaken zou blijken. Deze stukken zijn echter niet in het geding gebracht, zodat het hof ook hieraan voorbijgaat.
6.13
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant] het gemotiveerde – met stukken onderbouwde – betoog van [geïntimeerde] ten aanzien van de teloorgang van Nimol Rotterdam BV en de rol van [appellant] daarin, (ook in hoger beroep) onvoldoende heeft betwist. Voor het hof staat dan ook vast dat [appellant] aan het roer stond van Nimol Rotterdam en hem de teloorgang van Nimol Rotterdam BV en daarmee de opzegging van het krediet door de bank te wijten valt. De aldus vaststaande bijdrage van [appellant] aan de omstandigheden die hebben geleid tot het faillissement van Nimol Rotterdam BV is (ook) naar het oordeel van het hof dermate zwaarwegend, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is [geïntimeerde] aan te spreken als medeborg.
6.14
Bij deze stand van zaken behoeft de eerste grief van [appellant] , die ziet op de vraag of [appellant] de bank heeft betaald, geen bespreking meer, omdat deze grief, als zij slaagt, niet tot een andere uitkomst kan leiden.
6.15
Het door [geïntimeerde] ingestelde (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep behoeft evenmin behandeling, aangezien de voorwaarde waaronder het is ingesteld niet is vervuld.
Bewijsaanbieding
6.16
Het hof gaat verder voorbij aan het door [appellant] in de memorie van grieven gedane bewijsaanbod omdat de te bewijzen aangeboden feiten in hoger beroep, indien bewezen, niet kunnen leiden tot een ander oordeel dan hierboven weergegeven.
Conclusie en proceskosten
6.17
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2024 bekrachtigen.
6.18
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep (inclusief nakosten).
Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] op:griffierecht € 798salaris advocaat € 4.704 (2 punten × tarief IV (€ 2.352))nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 5.691
7Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2024;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 5.691;
bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. G.J.M. Verburg, mr. G.C. de Heer en mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.345.459/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/665302 / HA ZA 23-799
Arrest van 8 september 2026
in de zaak van
[appellant]
,
wonend in [woonplaats] ( [land] ),
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.C. Rijken, kantoorhoudend in 's-Gravenhage,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. L.P.J. Krijgsman, kantoorhoudend in Hardinxveld-Giessendam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .
1De zaak in het kort
1.1
[appellant] en [geïntimeerde] hebben beiden borg gestaan voor een kredietfaciliteit ter financiering van de overname van een accountantskantoor. Dit kantoor is failliet gegaan. De bank heeft [appellant] en [geïntimeerde] aangesproken uit hoofde van hun borgstelling onder de kredietfaciliteit. [appellant] stelt dat hij het maximumbedrag onder de borgstelling met rente en kosten, in totaal een bedrag van € 600.000, aan de bank heeft betaald. [geïntimeerde] heeft tegenover kwijting jegens de bank een bedrag van € 5.000 betaald. [appellant] wil in deze procedure, berekend naar evenredigheid van hun borgstellingen, een bedrag van € 65.000 op zijn medeborg [geïntimeerde] verhalen op grond van art. 7:869 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
1.2
De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen. Volgens de rechtbank is de bijdrage van [appellant] aan het faillissement dermate zwaarwegend dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [geïntimeerde] aan te spreken als medeborg. Het hof komt tot hetzelfde oordeel.
2Procesverloop in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 27 juni 2024 (en het herstelexploot van 6 augustus 2024), waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2024;
de memorie van grieven tevens houdende eiswijziging van [appellant] , met producties;
de akte overlegging producties van [appellant] , met producties;
de memorie van antwoord tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel appel van [geïntimeerde] , met producties;
de akte overlegging producties, met producties die [geïntimeerde] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
de akte overlegging producties van [appellant] , met productie.
2.2
Op 17 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3Feitelijke achtergrond
3.1
De rechtbank heeft de feiten vastgesteld in rov. 2.1 tot en met 2.10 van het vonnis. Die feiten zijn tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Het gaat om het volgende.
3.2
Op 27 mei 2011 is het bedrijf van de maatschap [naam maatschap] door middel van een activa/passiva-transactie verkocht door de maten, onder wie [geïntimeerde] (voor 22,5% gerechtigd in de maatschap), aan:
een door Vrijheid Apeldoorn BV op te richten vennootschap, dat werd Nimol Holding BV, en
een door deze nieuwe vennootschap op te richten vennootschap met de naam [naam bedrijf] BV, nadien Nimol Rotterdam BV.
Onder andere [geïntimeerde] heeft zich daarbij verbonden via een partnerovereenkomst werkzaam te blijven voor het bedrijf gedurende de earn out-periode van 7 jaren en 18 maanden daarna.
3.3
Vrijheid Apeldoorn BV was na de overdracht van het bedrijf enig aandeelhouder en bestuurder van Nimol Holding BV, moedervennootschap van Nimol Rotterdam BV. Vrijheid Apeldoorn BV is op 30 oktober 2019 gefailleerd. Enig bestuurder van Vrijheid Apeldoorn BV was Hassel Holding BV. Enig bestuurder van Hassel Holding BV is vanaf eind 1996 [appellant] . Vanaf 5 oktober 2016 is [appellant] indirect (via Vrijheid Doetinchem BV) ook enig aandeelhouder van Hassel Holding BV.
3.4
Nimol Holding BV en Nimol Rotterdam BV hebben als (hoofdelijk aansprakelijke) kredietnemers met de ABN AMRO-bank NV (hierna: de bank) een kredietovereenkomst gesloten met een faciliteit van € 1.945.000, die is aangewend voor de financiering van de koop van het bedrijf.
3.5
In de kredietovereenkomst is bepaald dat naast de kredietnemers ook Vrijheid Apeldoorn BV hoofdelijk mede-aansprakelijk is voor het verschuldigde en dat voor een totaalbedrag van € 1.000.000 aan borgstellingen als zekerheden worden gesteld door [geïntimeerde] (€ 112.500), [persoon A] (€ 350.000), [persoon B] (€ 37.500) en [appellant] (€ 500.000), te vermeerderen met rente en kosten.
3.6
De borgstelling door [geïntimeerde] is vastgelegd in een akte van 18 mei 2011. De borgstelling door [appellant] is vastgelegd in een akte van 31 mei 2011.
3.7
Nimol Rotterdam BV is op 14 juni 2016 gefailleerd, waarna de bank bij brief van 21 juni 2016 het krediet heeft opgezegd. Uit hoofde van de kredietfaciliteit is aanspraak gemaakt op een openstaand bedrag van € 880.501. Het faillissement is op 31 augustus 2020 opgeheven wegens gebrek aan baten.
3.8
Bij brief van 19 juli 2017 heeft de bank aan [geïntimeerde] bevestigd dat zij diens betaling van € 5.000 heeft ontvangen, dat daarmee voor een deel is voldaan aan de schuld uit hoofde van de borgstelling en dat voor het overige deel [geïntimeerde] kwijting wordt verleend tegenover de bank.
3.9
Bij vonnis van 28 augustus 2019 van de rechtbank Gelderland is [appellant] als borg veroordeeld tot betaling aan de bank van € 500.000 met rente en kosten, te verminderen met wat Nimol Holding BV en/of Vrijheid Apeldoorn BV aan de bank voldoet.
3.10
[appellant] heeft [geïntimeerde] bij brief van 12 april 2023 gesommeerd tot betaling van € 56.250. [geïntimeerde] heeft hieraan niet voldaan. [appellant] heeft conservatoir beslag gelegd ten laste van [geïntimeerde] .
4Procedure bij de rechtbank
4.1
[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd – na vermindering van eis – [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 53.750, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente, en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 1.425, de beslagkosten en de proceskosten, met nakosten en wettelijke (handels)rente.
4.2
[appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij door betaling als borg aan de bank van een bedrag van € 500.000 een vordering op zijn medeborg [geïntimeerde] heeft verkregen op grond van art. 7:869 BW. Omdat hij zelf in totaal € 500.000 heeft voldaan aan de bank en [geïntimeerde] een bedrag van € 5.000, beloopt de vordering, berekend naar evenredigheid van hun borgstellingen, een bedrag van € 53.750 (zijnde 11,25% van het door [appellant] betaalde bedrag van € 500.000 met daarop in aftrek 50% van het door [geïntimeerde] betaalde bedrag van € 5.000). [geïntimeerde] heeft in reconventie opheffing van de ten laste van hem gelegde beslagen gevorderd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
4.3
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De reconventionele vordering van [geïntimeerde] is toegewezen en de rechtbank heeft de ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen opgeheven.
5Vorderingen in hoger beroep
5.1
[appellant] is in hoger beroep gekomen en heeft twee grieven tegen het vonnis aangevoerd. Hij heeft zijn eis gewijzigd (in hoger beroep stelt [appellant] een totaalbedrag van € 600.000 aan de bank te hebben betaald, bestaande uit het maximumbedrag van de borgstelling met rente en kosten, wat leidt tot een hoger bedrag waarvoor hij regres wil nemen) en vordert in hoger beroep dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende,
[geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellant] van in totaal € 65.000 te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag;
[geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellant] van de buitengerechtelijke kosten van € 1.425, de beslagkosten, de proceskosten in beide instanties en de nakosten en wettelijke (handels)rente.
5.2
[geïntimeerde] concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep, althans tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] . [geïntimeerde] heeft daarnaast (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld en verzoekt, voor zover de grieven van [appellant] slagen, dat het incidenteel beroep van [geïntimeerde] gegrond zal worden verklaard en de vorderingen van [appellant] alsnog zullen worden afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties. Tegen het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verweer kunnen voeren.
6Beoordeling in hoger beroep
6.1
Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of [appellant] op grond van art. 7:869 BW regres kan nemen op zijn medeborg [geïntimeerde] .
6.2
De rechtbank heeft de (regres)vordering van [appellant] afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank de bijdrage van [appellant] (als indirect bestuurder van Nimol Rotterdam BV) aan het uiteindelijke mislukken van de beoogde bedrijfsvoering van Nimol Rotterdam BV dermate zwaarwegend is dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [geïntimeerde] aan te spreken als medeborg. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat in de nieuwe opzet en structuur van het bedrijf [appellant] als indirect bestuurder degene is geweest die uiteindelijk de overwegende invloed binnen het bedrijf had en de negatieve ontwikkelingen hem in zoverre (ook) om die reden zijn aan te rekenen (r.o. 4.5 van het vonnis).
6.3
Tegen dit oordeel komt [appellant] met grief 2 op. Hij betoogt daarin dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zijn handelen en nalaten (met andere woorden: zijn beleid) tot de teloorgang van Nimol Rotterdam BV heeft geleid en daarmee uiteindelijk tot de opzegging van het krediet door de bank. Volgens [appellant] heeft hij de stellingen van [geïntimeerde] dat sprake zou zijn van wanbeheer door hem wel gemotiveerd betwist, en dat doet hij ook nader in het hoger beroep. Hij voert in dit verband aan dat hij niet het beleid en de bedrijfsvoering bepaalde, maar [persoon B] en [geïntimeerde] . De financiële problemen van het bedrijf zijn, naar [appellant] stelt, dan ook te wijten aan de opstelling van de oude partners ( [persoon A] , [geïntimeerde] , [persoon B] ), in combinatie met ontwikkelingen in de markt. Dat zijn beleid niet de oorzaak van het faillissement van Nimol Rotterdam BV was, blijkt volgens [appellant] ook uit de omstandigheid dat de curator van Nimol Rotterdam BV tegen hem geen procedure op grond van onbehoorlijk bestuur is begonnen en evenmin onbehoorlijk bestuur heeft geconstateerd.
6.4
Deze grief faalt omdat het hof zich verenigt met het oordeel van de rechtbank dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat [appellant] [geïntimeerde] niet kan aanspreken als medeborg. Het hof licht dit als volgt toe.
6.5
Ingevolge art. 7:865 BW is op de rechtsbetrekking tussen borgen onderling, art. 6:2 BW (aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid) van overeenkomstige toepassing. Voor het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid draagt [geïntimeerde] de stelplicht, en bij voldoende betwisting, de bewijslast.
6.6
Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] uitvoerig en met stukken onderbouwd gesteld dat het handelen en nalaten van [appellant] tot de teloorgang van Nimol Rotterdam BV en daarmee tot de opzegging van het krediet door de bank heeft geleid. [geïntimeerde] heeft in dit kader gewezen op de volgende omstandigheden.
6.7
[appellant] was (indirect) enig bestuurder en aandeelhouder van Nimol Rotterdam BV en als zodanig verantwoordelijk voor het beleid van het bedrijf. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat [appellant] in die hoedanigheid een beleid voerde waardoor conflicten ontstonden binnen het bedrijf (door [geïntimeerde] ‘schrikbewind’ genoemd). In dat verband heeft hij gesteld dat hij in eerste instantie samen met [persoon B] verantwoordelijk was voor het personeel. Nadat [geïntimeerde] op enig moment het personeel heeft aangesproken op hun (lakse) werkhouding, zijn diverse personeelsleden hiertegen in opstand gekomen. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] hem vervolgens na afloop van een bespreking op 6 juni 2012 tussen [appellant] en het personeel, in [geïntimeerde] afwezigheid, ontheven van zijn taak het personeel te managen. Dat leidde volgens [geïntimeerde] tot anarchie onder het personeel. Daardoor werden urenregistraties onjuist bijgehouden, begonnen personeelsleden te laat met werken en gingen zij te vroeg weer naar huis. Daarnaast werden declaraties te laat verstuurd en werden aanmaningen niet of pas laat verzonden, terwijl ook de incasso van openstaande facturen achterwege bleef. Dit had zijn weerslag op de liquiditeit van de onderneming en leidde ertoe dat meer klanten facturen betwistten. [appellant] heeft het personeel vervolgens niet gecorrigeerd of met hen een verbetertraject gestart, noch heeft [appellant] [geïntimeerde] weer de regie gegeven. Integendeel, hij heeft het personeel weggepest door personeelsleden te ontslaan en lonen en ontslagvergoedingen niet te betalen. Met als gevolg dat personeelsleden beslag legden onder klanten, die vervolgens hun relatie met de onderneming opzegden. Uiteindelijk zijn alle accountantsassistenten de deur uitgewerkt, aldus [geïntimeerde] .
6.8
Ook heeft [geïntimeerde] toegelicht dat in het jaar voorafgaand aan het faillissement er door het handelen en nalaten van [appellant] nog slechts twee personeelsleden werkzaam waren, waarna er geen nieuwe mensen werden aangenomen. Nimol Rotterdam BV kon daardoor onmogelijk nog langer haar verplichtingen jegens de bank nakomen. Klanten konden hierdoor niet c.q. nauwelijks meer bediend worden. Ook saboteerde [appellant] klantrelaties van [geïntimeerde] door deze niet tijdig te bedienen, wat tot klantverlies leidde. [geïntimeerde] zelf kon in februari 2014 het pand in Rotterdam niet meer in, omdat hij de sleutel niet kreeg, waardoor het afronden van jaarrekeningen van klanten in gevaar kwam. De organisatie werd door [appellant] kortom volledig uitgehold, aldus [geïntimeerde] .
6.9
[appellant] heeft hier ook in hoger beroep onvoldoende tegenover gesteld. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling vooral slechts in algemene bewoordingen ‘de gang van zaken’ in Nimol Rotterdam BV beschreven, maar dat is als betwisting niet voldoende. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar de stelling ingenomen dat [geïntimeerde] zelf zijn personeelsmanagementtaken heeft neergelegd, maar hij heeft dit verder niet onderbouwd en die stelling strookt ook niet met de door [geïntimeerde] overgelegde stukken, waaronder de brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 4 november 2013 waarin (de advocaat van) [geïntimeerde] zijn ernstige bedenkingen heeft geuit over het personeelsbeleid van [appellant] en de gevolgen daarvan voor de liquiditeitspositie van de onderneming. Enig weerwoord uit die periode heeft [appellant] niet overgelegd. [appellant] heeft verder aangevoerd dat de teloorgang van Nimol Rotterdam BV eerst en vooral het gevolg was van het onvoldoende omzet genereren door onder meer [geïntimeerde] (in het licht van de gepresenteerde prognose), maar met die stelling heeft hij onvoldoende gemotiveerd weersproken dat juist zijn eigen handelen zoals door [geïntimeerde] toegelicht (hiervoor, rov. 6.7 en 6.8), daaraan debet was.
6.10
Anders dan [appellant] betoogt, betekent het gegeven dat de curator van Nimol Rotterdam BV geen procedure tegen [appellant] is begonnen, niet dat de curator van mening is dat er geen sprake was van (kennelijk) onbehoorlijk bestuur van [appellant] . Het hof acht het met [geïntimeerde] niet onaannemelijk dat de curator van een procedure heeft afgezien vanwege het beperkte bedrag dat de curator beschikbaar had in de boedel en [appellant] inmiddels naar Thailand was verhuisd, zodat de verhaalsmogelijkheden beperkt waren.
6.11
Het verzoek van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling om getuigen te horen die zouden kunnen bevestigen ‘hoe het was’ bij Nimol Rotterdam BV legt het hof naast zich neer. Het verzoek is niet voldoende specifiek en ook niet ter zake dienend. [appellant] heeft in dit verband immers geen concreet te bewijzen feiten gesteld, die relevant zijn voor de beslissing.
6.12
Voorts heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling gerefereerd aan verslagen van vergaderingen van hem met de maatschap waaruit de gang van zaken zou blijken. Deze stukken zijn echter niet in het geding gebracht, zodat het hof ook hieraan voorbijgaat.
6.13
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant] het gemotiveerde – met stukken onderbouwde – betoog van [geïntimeerde] ten aanzien van de teloorgang van Nimol Rotterdam BV en de rol van [appellant] daarin, (ook in hoger beroep) onvoldoende heeft betwist. Voor het hof staat dan ook vast dat [appellant] aan het roer stond van Nimol Rotterdam en hem de teloorgang van Nimol Rotterdam BV en daarmee de opzegging van het krediet door de bank te wijten valt. De aldus vaststaande bijdrage van [appellant] aan de omstandigheden die hebben geleid tot het faillissement van Nimol Rotterdam BV is (ook) naar het oordeel van het hof dermate zwaarwegend, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is [geïntimeerde] aan te spreken als medeborg.
6.14
Bij deze stand van zaken behoeft de eerste grief van [appellant] , die ziet op de vraag of [appellant] de bank heeft betaald, geen bespreking meer, omdat deze grief, als zij slaagt, niet tot een andere uitkomst kan leiden.
6.15
Het door [geïntimeerde] ingestelde (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep behoeft evenmin behandeling, aangezien de voorwaarde waaronder het is ingesteld niet is vervuld.
Bewijsaanbieding
6.16
Het hof gaat verder voorbij aan het door [appellant] in de memorie van grieven gedane bewijsaanbod omdat de te bewijzen aangeboden feiten in hoger beroep, indien bewezen, niet kunnen leiden tot een ander oordeel dan hierboven weergegeven.
Conclusie en proceskosten
6.17
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2024 bekrachtigen.
6.18
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep (inclusief nakosten).
Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] op:griffierecht € 798salaris advocaat € 4.704 (2 punten × tarief IV (€ 2.352))nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 5.691
7Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2024;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 5.691;
bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. G.J.M. Verburg, mr. G.C. de Heer en mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.