Veroordeling voor faillissementsfraude. Het gaat om: feit 1: als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd eni
Burgerlijk Wetboek
Art. 2:10 BW
Genoemd in 847 uitspraken · Officiële wettekst
847 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 8 · live
De man heeft een vergoedingsvordering van € 567.826,- te vermeerderen met wettelijke rente. De man heeft een rekening-courantschuld van de vrouw bij haar BV afgelost. Leerstuk van de verjaring en de stuitingsbrief.
De rechtbank ontslaat de twee bestuurders van Zorg Voor Mij (ZVM) en ontbindt ZVM. Die organisatie bood zorg voor asielzoekers, daklozen en drugsverslaafden.
Onbehoorlijk bestuur, bestuursverbod opgelegd
bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW
Onbehoorlijk bestuur. Aansprakelijkheid bestuurder voor het tekort in het faillissement van vennootschap.
Kort geding - Opheffing beslag - Toewijzing
Tussenvonnis. Omvang van de rechten van de pandhouder op vermogensbestanddelen van failliet, voor en na datum faillissement. Pandrechten op NOW en TVL gelden?
Schorsing en ontslag stichtingsbestuurder ex art. 2:298 BW
bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW
De curator spreekt de bestuurder van failliet aan vanwege een nog openstaand rekening-courantsaldo en wegens onbehoorlijke taakvervulling. De rechtbank oordeelt dat de bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. De administratie voldoet niet aan de wettelijke eisen
Hoofdzaak en vrijwaring. Bestuurdersaansprakelijkheid (2:248 BW). Zorgfraude. Feitelijk beleidsbepaler. Voor het gevorderde bestuursverbod wordt een zienswijze gevraagd (106c Fw).
Bestuurdersaansprakelijkheid. Geen persoonlijk ernstig verwijt.
Opdrachtgever heeft een aannemingsovereenkomst gesloten met een bouwbedrijf voor de realisatie van een dakopbouw op een woonhuis. Opdrachtgever heeft 70% van de aanneemsom aanbetaald. Kort na aanvang van de werkzaamheden heeft het bouwbedrijf de werkzaamheden gestaakt. Zij was ve
Faillissement (thuis)zorg organisatie. Aansprakelijkheid (voormalig) bestuurders, onbehoorlijk bestuur (art. 2:248 BW; art. 2:9 BW). Vorderingen zorgverzekeraars. Matiging, schadebegroting. Falend beroep op decharge. Geen bestuursverbod. In vervolg op: ECLI:NL:RBOVE:2023:3475
Faillissement van 2 vennootschappen die tot een groep behoren. De curator spreekt de bestuurder aan op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bestuurder is niet aansprakelijk voor het teko
Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid (o.g.v. art. 2:248 BW) en bestuursverbod.
Verdachte wordt ervan beschuldigd de feitelijke bestuurder te zijn geweest van een bedrijf en vanuit deze rol onwettige handelingen te hebben gedaan vlak voor deze failliet verklaard werd. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden en het betalen
Kennelijk onbehoorlijk bestuur geen belangrijke oorzaak van het faillissement. De curator begroot de omvang van de schade ex art. 2:9 BW vooralsnog op het totaal van de omgeleide omzet. Bewijsopdracht aan gefailleerde met betrekking tot beweerde tegenvorderingen.
Appartementsrecht. Verzoek ex artikel 5:130 BW. Verklaring voor recht dat besluiten tot goedkeuring en vaststelling van jaarrekeningen nietig zijn.
Gedaagde was enig bestuurder en aandeelhouder van meerdere vennootschappen. In 2024 zijn tien van deze vennootschappen failliet verklaard. De curator spreekt gedaagde aan op grond van een onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder van deze vennootschappen. Hij vordert onder ande
Conclusie AG. Faillissementsfraude door bestuurder van Invicta B.V. en Invicta Holding B.V. (art. 194, 343 en 344a Sr). M1-4: falende bewijsklachten. Ambtshalve: overschrijding redelijke termijn. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak vanwege schending redel
Kort geding. Afgifte van de administratie en toegangscodes. Afgewezen omdat gedaagde ze niet (meer) heeft.
Ontneming. De rechtbank stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 97.800,- en veroordeelt de veroordeelde om dit bedrag te betalen. De veroordeelde was schuldig bevonden aan opzettelijk gebruik maken van een vals of v
De curator heeft partij B en partij C in hun hoedanigheid van bestuurders van de failliete vennootschap in de hoofdzaak aangesproken voor het boedeltekort op grond van onbehoorlijk bestuur jegens de gezamenlijke schuldeisers. De curator is onder meer van mening dat partij B en pa