Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:6388

2026-03-18 Civiel recht; Ondernemingsrecht C/10/702715 / HA ZA 25-557
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-03-18
Publicatiedatum
2026-06-01
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/702715 / HA ZA 25-557
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | INS-Updates.nl 2026-0142

Inhoudsindicatie

bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.761 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/702715 / HA ZA 25-557




Vonnis van 18 maart 2026




in de zaak van





[eiser] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V.,
te [plaats 1] ,
eiser,
advocaat: mr. E. Husta,



tegen





1 [gedaagde 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,2. [gedaagde 2] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,3. [gedaagde 3],
te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. L. Hennink,4. [gedaagde 4],
te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,
gedaagden.




Eiser zal hierna de curator genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en gezamenlijk als de bestuurders.






1De zaak in het kort


1.1.

[gedaagde 3] is (indirect) bestuurder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [gedaagde 4] was eveneens (indirect) bestuurder van deze vennootschap. [bedrijf 1] is in staat van faillissement verklaard. De curator heeft [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en hun vennootschappen aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort in het faillissement van [bedrijf 1] . In dit vonnis komt de rechtbank (onder meer) tot het oordeel dat de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 mei 2025, met producties 1 tot en met 45,- de conclusie van antwoord van [gedaagde 3] ,- de brieven van de rechtbank van 1 september 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling,
- de e-mail van de rechtbank aan partijen van 7 november 2025, waarbij een zittingsagenda aan partijen is verstuurd,
- de nadere producties 46 en 47 van de curator,
- de mondelinge behandeling van 12 december 2025 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van de curator.



2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






3De feiten


3.1.

[gedaagde 3] is de bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] is vanaf 28 december 2016 bestuurder van [bedrijf 1] .



3.2.

[gedaagde 4] is de bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] was van 28 december 2016 tot 1 januari 2023 bestuurder van [bedrijf 1] . [gedaagde 2] is verder bestuurder en enig aandeelhouder van het op 22 november 2022 opgerichte [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ).



3.3.

[bedrijf 1] exploiteerde een koeriersbedrijf en verrichtte koeriersdiensten voor General Logistics Systems B.V. (hierna: GLS).



3.4.
Op 17 maart 2022 heeft [bedrijf 1] de jaarrekening over 2020 gedeponeerd bij het handelsregister.



3.5.
Bij vonnis van 14 november 2023 van deze rechtbank is [bedrijf 1] in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator tot curator.






4Het geschil


4.1.
De curator vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:



primair

1) voor recht verklaart dat de bestuurders hun taak als (voormalig) bestuurder of (voormalig) middellijk bestuurder van [bedrijf 1] kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW (jo. 2:11 BW) en dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van [bedrijf 1] , en
2) de bestuurders hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:

a. a) het bedrag van de schulden in het faillissement van [bedrijf 1] , bestaande uit de ingediende en in te dienen vorderingen, de faillissementskosten en het salaris van de curator zoals dat zal worden vastgesteld in de definitieve salarisbeschikking, voor zover deze schulden niet uit de overige baten kunnen worden voldaan, en
b) een voorschot van € 250.000,00 op het onder a) bedoelde bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,



subsidiair

3) voor recht verklaart dat de bestuurders hun taak als (voormalig) bestuurder of (voormalig) middellijk bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:9 BW (jo. 2:11 BW), en
4) de bestuurders hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:

a. a) de door hen als gevolg van hun onbehoorlijk bestuur veroorzaakte schade, op te maken bij staat, en
b) een voorschot van € 250.000,00 op het onder a) bedoelde bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,



meer subsidiair

5) voor recht verklaart dat de bestuurders onrechtmatig jegens de gezamenlijke schuldeisers inzake het faillissement van [bedrijf 1] hebben gehandeld ingevolge artikel 6:162 BW (jo. 2:11 BW), en
6) de bestuurders hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:

a. a) de door hen als gevolg van het onrechtmatig handelen jegens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] veroorzaakte schade, op te maken bij staat, en
b) een voorschot van € 250.000,00 op het onder a) bedoelde bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,



ten aanzien van [gedaagde 4] individueel

7) [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van € 157.575,55, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.350,76 en de wettelijke rente vanaf 11 december 2023, althans vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,




ten aanzien van [gedaagde 1] individueel

8) [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 25.581,39, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.030,81 en de wettelijke rente vanaf 24 november 2023, althans vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,




Primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair alsmede ook [gedaagde 4] en [gedaagde 1] individueel

9) gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, de beslagkosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de volledige (proces)kosten.




4.2.
De conclusie van [gedaagde 3] strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van de curator in de proceskosten.





5De beoordeling



Verstek




5.1.

[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] zijn niet in het geding verschenen. Tegen hen is verstek verleend. Omdat [gedaagde 3] wel is verschenen, wijst de rechtbank op grond van artikel 140 lid 3 Rv één vonnis dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak geldt.



Ten aanzien van [gedaagde 3]





5.2.
In deze zaak is allereerst de vraag aan de orde of [gedaagde 3] (indirect via artikel 2:11 BW) op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk kan worden gehouden voor het tekort in het faillissement van [bedrijf 1] .



5.3.
Op grond van artikel 2:248 lid 1 BW is iedere bestuurder jegens de boedel aansprakelijk voor het boedeltekort als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Er is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. Op grond van artikel 2:11 BW rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid (op zijn beurt) bestuurder is van deze rechtspersoon-bestuurder.



5.4.
Als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW (administratieplicht) of 2:394 BW (publicatieplicht), staat vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:248 lid 2 BW). Een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW brengt mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement, volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van artikel 2:248 lid 1 BW om aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling toch mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.



Publicatieplicht





5.5.
Op grond van artikel 2:394 BW moet de jaarrekening binnen acht dagen na vaststelling en binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar openbaar worden gemaakt.



5.6.
Vaststaat dat de jaarrekening over 2020 te laat is gedeponeerd. Daarmee staat vast dat niet is voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2:394 BW. Aangezien de schending van de publicatieplicht heeft plaatsgevonden in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement wordt (onweerlegbaar) vermoed dat [gedaagde 3] zijn taak als bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk heeft vervuld en wordt (weerlegbaar) vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van [bedrijf 1] (zie 5.4).



Administratieplicht





5.7.
Op grond van artikel 2:10 lid 1 BW is het bestuur verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daarbij behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Aan de administratieplicht is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.



5.8.
Volgens de curator voldoet de administratie van [bedrijf 1] niet aan de eisen van artikel 2:10 lid 1 BW, omdat – kort gezegd – diverse stukken in de administratie van [bedrijf 1] ontbreken. Zo ontbreekt de overeenkomst tussen GLS en [bedrijf 1] . Daarnaast ontbreken de aandeelhoudersbesluiten die ten grondslag liggen aan de managementovereenkomsten op grond waarvan managementfees zijn betaald en de aandeelhoudersbesluiten tot verhoging van de managementfees. De curator heeft ook geen facturen voor de betaalde managementfees in de administratie van [bedrijf 1] aangetroffen. Verder ontbreken in de administratie facturen die ten grondslag liggen aan betalingen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] , aldus de curator.



5.9.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 3] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de administratie van [bedrijf 1] niet aan de eisen van artikel 2:10 lid 1 BW voldoet. [gedaagde 3] heeft immers niet betwist dat een schriftelijke vastlegging van de overeenkomst tussen GLS en [bedrijf 1] in de administratie van [bedrijf 1] ontbreekt, terwijl GLS – zoals de curator onweersproken heeft gesteld – de enige opdrachtgever van [bedrijf 1] was. [gedaagde 3] heeft ook niet betwist dat de facturen voor de betalingen aan [bedrijf 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] in de administratie van [bedrijf 1] ontbreken. Datzelfde geldt voor de aandeelhoudersbesluiten die ten grondslag liggen aan de managementovereenkomsten en de verhoging van de managementvergoedingen. Het verweer van [bedrijf 1] dat de aandeelhoudersbesluiten niet tot de administratie behoren treft geen doel. Het gaat hier immers om de aandeelhoudersbesluiten die ten grondslag liggen aan de betalingen van de managementvergoedingen aan de middellijk bestuurders, tevens aandeelhouders van [bedrijf 1] . Het ontbreken van de hiervoor vermelde stukken leidt al tot de conclusie dat de administratie van [bedrijf 1] niet zodanig was ingericht dat snel inzicht kon worden verkregen in de rechten en verplichtingen van [bedrijf 1] .



5.10.
Nu [gedaagde 3] als bestuurder van [bedrijf 1] niet voldaan heeft aan de verplichtingen uit artikel 2:10 BW, heeft hij ook om die reden zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat deze taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is.



Andere oorzaak van het faillissement?





5.11.

[gedaagde 3] voert – kort samengevat – aan dat het faillissement van [bedrijf 1] is veroorzaakt doordat [gedaagde 4] in 2022 zonder zijn medeweten en toestemming de bedrijfsactiviteiten, het personeel, de voertuigen, het onderhanden werk en het creditsaldo van tenminste € 157.537,55 heeft overgeheveld naar [bedrijf 2] zonder dat [bedrijf 1] daar een vergoeding voor heeft ontvangen. [gedaagde 4] had [gedaagde 3] op enig moment in [plaats 2] ingezet, terwijl hij zelf in [plaats 1] bleef. Pas in oktober 2022 ontdekte [gedaagde 3] dat [gedaagde 4] de onderneming had leeggehaald. Hij kwam toen terug uit Turkije, waar hij enige tijd was verbleven in verband met gezinshereniging. [gedaagde 3] heeft aangifte gedaan bij de politie. [gedaagde 3] heeft verder contact opgenomen met ING Bank om [gedaagde 4] op de bankrekening van [bedrijf 1] te blokkeren. ING Bank wilde daar echter niet aan meewerken omdat [gedaagde 2] nog als bestuurder in het handelsregister was ingeschreven, aldus [gedaagde 3] .



5.12.
Indien vast zou komen te staan dat het faillissement is veroorzaakt door dit handelen van [gedaagde 4] , dan kwalificeert dit handelen naar het oordeel van de rechtbank ook als onbehoorlijk bestuur en is [gedaagde 3] daar mede verantwoordelijk voor. Uitgangspunt is namelijk dat het bestuur collectief verantwoordelijk is voor een behoorlijke taakvervulling. Alleen disculpatie en matiging op grond van artikel 2:248 lid 3 en lid 4 BW kunnen de aansprakelijkheid van de individuele bestuurder wegnemen of de gevolgen daarvan verzachten. De rechtbank begrijpt het verweer van [gedaagde 3] daarom zo, dat hij zich beroept op de disculpatieregeling van artikel 2:248 lid 3 BW.



5.13.
Op grond van artikel 2:248 lid 3 BW is een bestuurder niet aansprakelijk als hij bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van die onbehoorlijke taakvervulling af te wenden.



5.14.
Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde 3] zich niet aan aansprakelijkheid onttrekken op grond van artikel 2:248 lid 3 BW. Dat [gedaagde 3] geen zicht had op het handelen van [gedaagde 4] omdat hij in [plaats 2] was ingezet en later vanwege privé omstandigheden in het buitenland verbleef, disculpeert [gedaagde 3] niet. Het was aan [gedaagde 3] als medebestuurder om adequaat zicht te houden op de gang van zaken binnen de vennootschap, en dus ook op het handelen van [gedaagde 4] . Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 3] hiertoe maatregelen had getroffen. Ook kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde 3] niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur af te wenden. Uit de eigen stellingen van [gedaagde 3] volgt dat hij de vennootschap ten tijde van het gewraakte handelen van [gedaagde 4] in feite niet heeft bestuurd. De enkele omstandigheid dat [gedaagde 3] achteraf aangifte tegen [gedaagde 4] heeft gedaan en dat hij heeft geprobeerd [gedaagde 4] te blokkeren op de bankrekening van [bedrijf 1] is onvoldoende om een beroep op disculpatie op te baseren.



Conclusie





5.15.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank, zoals primair gevorderd, voor recht verklaren dat [gedaagde 3] zijn bestuurstaak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [bedrijf 1] . De gevorderde (hoofdelijke; zie hierna 5.18) veroordeling tot betaling van – kort gezegd – het boedeltekort (zie 4.1 onder 2a), zal ook worden toegewezen.



Voorschot





5.16.
De curator vordert betaling van een voorschot op het faillissementstekort (zie 4.1 onder 2b).



5.17.
De rechtbank stelt voorop dat de omvang van het boedeltekort wordt begroot op het bedrag van de schulden voor zover die niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. De curator heeft gesteld en onderbouwd dat het boedeltekort voorlopig € 254.139,44 bedraagt. De rechtbank begrijpt dat hierin nog niet zijn begrepen de nog te innen vorderingen op [gedaagde 4] en [gedaagde 1] , die bij dit vonnis worden toegewezen (zie hierna 5.19). Toewijzing van het gevorderde voorschot zou daarom betekenen dat de curator een titel verkrijgt om meer te innen dan de voorlopige hoogte van het boedeltekort. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het gevorderde voorschot toe te wijzen tot een bedrag van (afgerond) € 67.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als hierna bepaald.



Ten aanzien van de niet verschenen gedaagden





5.18.
Zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, is tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] verstek verleend (zie 5.1). De primaire vorderingen van de curator tegen hen als (middellijk) bestuurders van [bedrijf 1] komen de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor. De vorderingen worden daarom toegewezen (artikel 139 Rv), waarbij de rechtbank het gevorderde voorschot zal toewijzen tot een bedrag van € 67.000,00 (zie 5.17).



5.19.
De vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 4] individueel (zie 4.1 onder 7 en 8) komen de rechtbank ook niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat ook deze vorderingen worden toegewezen.



Beslagkosten





5.20.
De curator vordert de bestuurders hoofdelijk te veroordelen in de beslagkosten van € 6.025,88. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar, met inachtneming van het volgende. Uit de door de curator overgelegde beslagexploten blijkt dat de explootkosten die betrekking hebben op de bestuurders € 1.923,43 bedragen. De in de factuur van de deurwaarder vermelde kantoorkosten van € 23,66 (inclusief btw) zijn ook toewijsbaar. Dat geldt niet voor de in die factuur vermelde kosten in verband met beslag op onroerende zaken. Uit de overgelegde beslagexploten blijkt namelijk dat dat beslag niet ten laste van de bestuurders is gelegd, maar ten laste van een voormalig (middellijk) bestuurder die niet in deze procedure is betrokken. Aan verschotten is daarom toewijsbaar een bedrag van € 1.947,09. Vermeerderd met een bedrag van € 2.885,00 aan salaris advocaat (1 rekest x tarief VI) zijn de beslagkosten daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 4.832,09.



Proceskosten





5.21.
De bestuurders zijn de merendeels in het ongelijk gestelde partij en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- dagvaarding € 153,57
- griffierecht € 2.392,00
- salaris advocaat € 5.770,00 (2 punten × tarief VI)
- nakosten € 189,00
Totaal € 8.504,57



5.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






6De beslissing


6.1.
verklaart voor recht dat de bestuurders hun taak als (voormalig) bestuurder of (voormalig) middellijk bestuurder van [bedrijf 1] kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van [bedrijf 1] ,



6.2.
veroordeelt de bestuurders hoofdelijk tot betaling van het bedrag van de schulden in het faillissement van [bedrijf 1] , bestaande uit de ingediende en in te dienen vorderingen, de faillissementskosten en het salaris van de curator zoals dat zal worden vastgesteld in de definitieve salarisbeschikking, voor zover deze schulden niet uit de overige baten kunnen worden voldaan,



6.3.
veroordeelt de bestuurders hoofdelijk tot betaling van een voorschot van € 67.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 28 mei 2025,



6.4.
veroordeelt [gedaagde 4] tot betaling van een bedrag van € 157.575,55, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten van € 2.350,76 en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 11 december 2023 tot de dag van volledige betaling,



6.5.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een bedrag van € 25.581,39, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten van € 1.030,81 en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 24 november 2023 tot de dag van volledige betaling,



6.6.
veroordeelt de bestuurders hoofdelijk in de beslagkosten van € 4.832,09,



6.7.
veroordeelt de bestuurders hoofdelijk in de proceskosten van € 8.504,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de bestuurders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten de bestuurders € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,



6.8.
veroordeelt de bestuurders in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de beslagkosten en de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,



6.9.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 6.2 tot en met 6.8 uitvoerbaar bij voorraad,



6.10.
wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.[2083/1918]




HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773


HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2932


HR 6 maart 2015; ECLI:NL:HR:2015:522


€ 2.723,00 -/- € 331,00 griffierecht beslagrekest


plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing