Raad van State
ECLI:NL:RVS:2025:4770
2025-10-08
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
BRS.25.001368
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 8 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 17 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. van Erp, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (28)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28229 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28192 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27817 Rechtbank Den Haag 15-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26234 Rechtbank Den Haag 03-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25130 Rechtbank Den Haag 01-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23220 Rechtbank Den Haag 30-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20582 Rechtbank Den Haag 23-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20587 Rechtbank Den Haag 23-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20562 Rechtbank Den Haag 22-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26123 Rechtbank Den Haag 10-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19267 Rechtbank Den Haag 10-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18765 Rechtbank Den Haag 06-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20138 Rechtbank Den Haag 03-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18167 Rechtbank Den Haag 02-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17804 Rechtbank Den Haag 01-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16626 Rechtbank Den Haag 19-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15566 Rechtbank Den Haag 10-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13794 Rechtbank Den Haag 28-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12625 Rechtbank Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10900 Rechtbank Den Haag 07-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11042 Rechtbank Den Haag 06-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9576 Rechtbank Den Haag 21-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8411 Rechtbank Den Haag 09-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9588 Rechtbank Den Haag 10-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9152 Rechtbank Den Haag 09-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3649 Rechtbank Den Haag 13-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2164 Rechtbank Den Haag 16-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24718 Rechtbank Den Haag 11-12-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (2.485 tekens)
BRS.25.001368 en BRS.25.001369
ECLI:NL:RVS:2025:4770
Datum uitspraak: 8 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 september 2025 in zaak nr. NL25.37009 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 17 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. van Erp, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 6, 8 en 9 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025
1048
ECLI:NL:RVS:2025:4770
Datum uitspraak: 8 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 september 2025 in zaak nr. NL25.37009 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 17 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. van Erp, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 6, 8 en 9 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025
1048