Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28229

2026-09-25 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.49813 en NL26.49814
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-25
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.49813 en NL26.49814
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

AMBV Duitsland, beroep en vovo, indirect réfoulement, discretionaire bevoegdheid, bezwaar, ongegrond

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.071 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht


Zaaknummers: NL26.49813 (beroep) en NL26.49814 (voorlopige voorziening)


V-nummer: [V nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),


en




de minister van Asiel en Migratie, de minister.



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.



1.1.
Eiser heeft op 17 juli 2026 verzocht om een verblijfsvergunning asiel. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 20 augustus 2026 niet in behandeling genomen omdat Bondsrepubliek Duitsland (hierna: Duitsland) verantwoordelijk is voor de aanvraag.



1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden tot op zijn beroep is beslist.



1.3.
De rechtbank doet op grond van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Totstandkoming van het besluit



4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van na 12 juni 2026 en heeft de minister dit besluit dus ook genomen met toepassing van de AMBV. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit daarom op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV.


4.1.
Op grond van de AMBV neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft het verzoek geaccepteerd op grond van artikel 13 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055.



Indirect réfoulement




5. Eiser voert aan dat zijn overdracht aan Duitsland een risico op indirect réfoulement betekent, omdat hij bang is dat hij dan gedwongen wordt om terug te keren naar Irak. Eiser heeft geen vertrouwen in de behandeling van zijn asielverzoek in Duitsland, nu hij daar al eerder een asielverzoek heeft ingediend.




5.1.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. De minister mag ten opzichte van Duitsland in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met bepalingen van het EU-Handvest, het EVRM en het Vluchtelingenverdrag zullen behandelen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat de asielprocedure in Duitsland een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo.



5.2.
De rechtbank volgt eiser niet. Eiser heeft immers niet onderbouwd dat voor Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister mag er daarom van uitgaan dat Duitsland eisers asielaanvraag zorgvuldig en volgens de daarvoor geldende Europese regels zal behandelen. Nu de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect réfoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, geoordeeld dat binnen de AMBV-procedure geen ruimte is voor een beoordeling van het risico op indirect réfoulement als er van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ook onder de nieuwe AMBV is deze uitspraak onverkort van toepassing. Duitsland heeft met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser na zijn overdracht aan Duitsland problemen ervaart bij de opvang- of asielprocedure, kan hij daarover klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties.



Discretionaire bevoegdheid




6. Eiser stelt verder dat het voor de hand zou liggen als Nederland de asielaanvraag zou afhandelen. De IND heeft namelijk de mogelijkheid om een aanvraag zelf in behandeling te nemen om proceseconomische redenen en één van de doelen van het migratiepact is spreiding van de asielaanvragen. Eiser heeft nooit asiel aan willen vragen in Duitsland en Nederland is inmiddels al bekend met zijn zaak.




6.1.
De rechtbank oordeelt als volgt.



6.2.
De draagwijdte van het beroep is volgens artikel 43, eerste lid, van de AMBV, beperkt tot drie aspecten, namelijk of:


de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;


er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;


inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.





6.3.
Uit paragraaf C2/3.3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt verder dat de IND in de regel geen gebruikt maakt van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de IND vanwege proceseconomische redenen aangewezen is.



6.4.
De rechtbank stelt vast dat wat eiser in beroep aanvoert ziet op de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de AMBV en het in dat kader door de minister gevoerde beleid zoals dat volgt uit paragraaf C2/3.3.6 van de Vc. Door artikel 35 van de AMBV niet te noemen in artikel 43, eerste lid, van de AMBV heeft de Uniewetgever uitdrukkelijk de keuze gemaakt om het al dan niet gebruik maken van de discretionaire bevoegdheid uit te sluiten van rechterlijke toetsing. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.



Bezwaar




7. Ten slotte voert eiser aan dat het niet indienen van bezwaar in zijn geval niet betekent dat er geen bezwaren zijn tegen de overdracht aan Duitsland. Eiser heeft geen bezwaar ingediend omdat de uitnodiging van zijn gemachtigde naar Ter Apel was verstuurd, omdat eiser daar zou verblijven en daar naar een nieuwe locatie toe zou gaan. Eiser, de IND of het COA hebben dit echter niet aan eisers gemachtigde doorgegeven, waarna het besluit snel volgde en eisers gemachtigde dit niet meer met hem kon bespreken.




7.1.

Het is de rechtbank niet geheel duidelijk wat eiser met het voorgaande beoogt. Voor zover eiser heeft willen betogen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, is de rechtbank van oordeel dat dit betoog niet slaagt. Uit het dossier valt af te leiden dat eiser op
21 juli 2026 is geïnformeerd over de voorgenomen overdracht aan Duitsland. Ook blijkt uit het dossier dat eiser op 30 juli 2026 op de hoogte is gesteld van zijn gemachtigde. Eiser had dus in elk geval vanaf dat moment de mogelijkheid om aan zijn gemachtigde door te geven waar hij verbleef en op welke wijze contact met hem opgenomen kon worden. Daarnaast had eiser de mogelijkheid om in deze beroepsprocedure zijn bezwaren tegen de overdracht naar Duitsland naar voren te brengen. Eiser heeft daarmee voldoende gelegenheid gehad zijn bezwaren kenbaar te maken.





Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep (NL26.49813) ongegrond.


De voorzieningenrechter:


- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.49814) af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.



Verordening (EU) nr. 604/2013.


Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met Rectificatie (EU) 2025/90929.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.


CLI:C:EU:2019:218.


Vgl. de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:588) en 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4770).


ECLI:NL:RVS:2024:2359.


ECLI:EU:C:2023:934.


De Immigratie- en Naturalisatiedienst.


Centraal Orgaan opvang asielzoekers.