Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26234
2026-09-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.37013 en NL26.37014
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin/AMbV, herhaald en ingelast, interstatelijk vertrouwensbeginsel Duitsland, medische omstandigheden, arrest C.K.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2025:588 Raad van State 14-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4770 Raad van State 08-10-2025
- ECLI:EU:C:2017:127
- ECLI:NL:RVS:2020:2580 Raad van State 30-10-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.011 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.37013 (beroep) en NL26.37014 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 20 augustus 2026 op zitting behandeld.
De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op
5 mei 2026 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Duitsland is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser verzoekt ten eerste dat al hetgeen hij eerder naar voren heeft gebracht in deze procedure hier als herhaald en ingelast beschouwd dient te worden. Verder meent eiser dat de bestreden beschikking in strijd is met het zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel. Verweerder heeft de beschikking afgewezen onder meer op het gegeven dat de door eiser aangevoerde medische omstandigheden onvoldoende zijn onderbouwd. Eiser voert aan dat verweerder zijn verklaringen ten aanzien van zijn medische omstandigheden heeft miskend en ten onrechte als innerlijk tegenstrijdig heeft bestempeld. Dat eiser zelf verklaringen over de oorzaak van zijn klachten aflegt, sluit niet uit dat daarnaast medisch onderzoek plaats kan vinden naar de oorzaak hiervan. De opmerkingen van gemachtigde hadden gelezen moeten worden als een reactie op de omstandigheid dat eiser nader wordt onderzocht. Gelet op eisers medische situatie had het op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek in te stellen via het BMA. Verder stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft gedaan om bescherming van de Duitse (hogere) autoriteiten te verkrijgen, nu klagen eerder geen resultaat opleverde. Verweerder heeft zonder nadere individuele beoordeling geconcludeerd dat eiser zich tot hogere autoriteiten en het EHRM had moeten wenden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Herhaald en ingelast
6. De rechtbank overweegt allereerst dat het uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze en de overige stukken naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat er in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.
7.1.
Eiser heeft verklaard dat hij zich in Duitsland bedreigd voelde en vreesde voor zijn veiligheid en dat de Duitse autoriteiten hem niet serieus hebben genomen toen hij verdere hulp en bescherming zocht. De rechtbank ziet in hetgeen eiser aanvoert geen aanleiding om niet langer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Eiser heeft zijn ervaringen in Duitsland niet (met stukken) onderbouwd. Uit de enkele, niet onderbouwde stelling dat klagen geen zin heeft, blijkt onvoldoende dat dit voor eiser onmogelijk is of dat de Duitse (hogere) autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Van eiser mag wel verwacht worden dat als hij problemen ervaart na zijn overdracht aan Duitsland, hij hierover klaagt bij de (hogere) Duitse autoriteiten of eventueel bij het EHRM. Verder heeft de Afdeling meermaals bevestigd dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat verweerder eisers verklaringen nader had moeten onderzoeken. Verweerder heeft het besluit op dit punt voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.
Medische omstandigheden
8. Ten aanzien van eisers stellingen over de oorzaak van zijn medische klachten, de door verweerder aangenomen tegenstrijdigheid in het kader van eisers verklaringen hierover en verweerders miskenning van de toelichtende passages van gemachtigde op eisers medische situatie, is de rechtbank van oordeel dat hierin geen aanwijzingen bestaan om te kunnen spreken van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek dat zou moeten leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser zijn medische situatie onvoldoende (met stukken) heeft geconcretiseerd en dat er op basis hiervan geen aanleiding bestaat om, mede gelet op de toegang die eiser heeft tot vergelijkbare medische voorzieningen in Duitsland, van de overdracht af te zien.
8.1.
Nu eiser stelt dat het op verweerders weg had gelegen een BMA-onderzoek in te stellen, stelt de rechtbank vast dat eiser hiermee een beroep doet op het arrest C.K. Uit dit arrest volgt dat de overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Eerst indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient verweerder het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit geldende jurisprudentie en de mede daarop gebaseerde Werkinstructie 2021/3.
8.2.
De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van objectieve gegevens waaruit volgt dat een overdracht naar Duitsland zal leiden tot een onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser. Eiser heeft in de zienswijze en het aanmeldgehoor aangegeven stemmen in zijn hoofd te hebben en dat mensen in Italië en Duitsland naar hem op zoek zijn. Hij is ervan overtuigd dat de Duitse autoriteiten hem willen doden. Daarnaast ervaart hij ook lichamelijke sensaties en voelt hij pijn. Eiser heeft echter geen (medische) stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn medisch-psychische gezondheid en de stelling dat de overdracht een negatieve weerslag op zijn gezondheid zal hebben. Omdat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mag verweerder er in beginsel ook van uitgaan dat eiser daar de passende medische zorg zal ontvangen.
8.3.
Gemachtigde heeft verder ter zitting aangevoerd dat eiser geen besef heeft van zijn medisch-psychische situatie en dat hij zich ook de noodzaak voor het verkrijgen van medische stukken ter onderbouwing van zijn stellingen niet realiseert, waardoor het voor de gemachtigde niet mogelijk is gebleken om deze stukken met toestemming van eiser in het geding te brengen. Gemachtigde stelt daarom dat het op de weg van verweerder had gelegen om contact op te nemen met eiser en zijn gemachtigde, zodat eiser deze noodzaak beter zou begrijpen en zijn medewerking zou hebben geboden bij het verkrijgen van de stukken. De rechtbank volgt dit betoog niet en benadrukt – gelet op hetgeen overwogen in 8.1. – dat het aan eiser is om met (een begin van) bewijs te komen ten aanzien van zijn medische situatie en dat het de taak van gemachtigde is om eisers belangen in dit kader te behartigen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat gemachtigde op geen enkele wijze medewerking van eiser kon verkrijgen en dat hij hiervoor afhankelijk zou zijn van de hulp van verweerder, nog daargelaten dat de gemachtigde van eiser dit niet eerder in de procedure op deze wijze kenbaar heeft gemaakt aan verweerder.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
10. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)”, doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:588) en 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4770).
ECLI:EU:C:2017:127.
Zie uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580, r.o. 2.2.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.37013 (beroep) en NL26.37014 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 20 augustus 2026 op zitting behandeld.
De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op
5 mei 2026 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Duitsland is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser verzoekt ten eerste dat al hetgeen hij eerder naar voren heeft gebracht in deze procedure hier als herhaald en ingelast beschouwd dient te worden. Verder meent eiser dat de bestreden beschikking in strijd is met het zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel. Verweerder heeft de beschikking afgewezen onder meer op het gegeven dat de door eiser aangevoerde medische omstandigheden onvoldoende zijn onderbouwd. Eiser voert aan dat verweerder zijn verklaringen ten aanzien van zijn medische omstandigheden heeft miskend en ten onrechte als innerlijk tegenstrijdig heeft bestempeld. Dat eiser zelf verklaringen over de oorzaak van zijn klachten aflegt, sluit niet uit dat daarnaast medisch onderzoek plaats kan vinden naar de oorzaak hiervan. De opmerkingen van gemachtigde hadden gelezen moeten worden als een reactie op de omstandigheid dat eiser nader wordt onderzocht. Gelet op eisers medische situatie had het op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek in te stellen via het BMA. Verder stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft gedaan om bescherming van de Duitse (hogere) autoriteiten te verkrijgen, nu klagen eerder geen resultaat opleverde. Verweerder heeft zonder nadere individuele beoordeling geconcludeerd dat eiser zich tot hogere autoriteiten en het EHRM had moeten wenden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Herhaald en ingelast
6. De rechtbank overweegt allereerst dat het uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze en de overige stukken naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat er in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.
7.1.
Eiser heeft verklaard dat hij zich in Duitsland bedreigd voelde en vreesde voor zijn veiligheid en dat de Duitse autoriteiten hem niet serieus hebben genomen toen hij verdere hulp en bescherming zocht. De rechtbank ziet in hetgeen eiser aanvoert geen aanleiding om niet langer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Eiser heeft zijn ervaringen in Duitsland niet (met stukken) onderbouwd. Uit de enkele, niet onderbouwde stelling dat klagen geen zin heeft, blijkt onvoldoende dat dit voor eiser onmogelijk is of dat de Duitse (hogere) autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Van eiser mag wel verwacht worden dat als hij problemen ervaart na zijn overdracht aan Duitsland, hij hierover klaagt bij de (hogere) Duitse autoriteiten of eventueel bij het EHRM. Verder heeft de Afdeling meermaals bevestigd dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat verweerder eisers verklaringen nader had moeten onderzoeken. Verweerder heeft het besluit op dit punt voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.
Medische omstandigheden
8. Ten aanzien van eisers stellingen over de oorzaak van zijn medische klachten, de door verweerder aangenomen tegenstrijdigheid in het kader van eisers verklaringen hierover en verweerders miskenning van de toelichtende passages van gemachtigde op eisers medische situatie, is de rechtbank van oordeel dat hierin geen aanwijzingen bestaan om te kunnen spreken van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek dat zou moeten leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser zijn medische situatie onvoldoende (met stukken) heeft geconcretiseerd en dat er op basis hiervan geen aanleiding bestaat om, mede gelet op de toegang die eiser heeft tot vergelijkbare medische voorzieningen in Duitsland, van de overdracht af te zien.
8.1.
Nu eiser stelt dat het op verweerders weg had gelegen een BMA-onderzoek in te stellen, stelt de rechtbank vast dat eiser hiermee een beroep doet op het arrest C.K. Uit dit arrest volgt dat de overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Eerst indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient verweerder het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit geldende jurisprudentie en de mede daarop gebaseerde Werkinstructie 2021/3.
8.2.
De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van objectieve gegevens waaruit volgt dat een overdracht naar Duitsland zal leiden tot een onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser. Eiser heeft in de zienswijze en het aanmeldgehoor aangegeven stemmen in zijn hoofd te hebben en dat mensen in Italië en Duitsland naar hem op zoek zijn. Hij is ervan overtuigd dat de Duitse autoriteiten hem willen doden. Daarnaast ervaart hij ook lichamelijke sensaties en voelt hij pijn. Eiser heeft echter geen (medische) stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn medisch-psychische gezondheid en de stelling dat de overdracht een negatieve weerslag op zijn gezondheid zal hebben. Omdat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mag verweerder er in beginsel ook van uitgaan dat eiser daar de passende medische zorg zal ontvangen.
8.3.
Gemachtigde heeft verder ter zitting aangevoerd dat eiser geen besef heeft van zijn medisch-psychische situatie en dat hij zich ook de noodzaak voor het verkrijgen van medische stukken ter onderbouwing van zijn stellingen niet realiseert, waardoor het voor de gemachtigde niet mogelijk is gebleken om deze stukken met toestemming van eiser in het geding te brengen. Gemachtigde stelt daarom dat het op de weg van verweerder had gelegen om contact op te nemen met eiser en zijn gemachtigde, zodat eiser deze noodzaak beter zou begrijpen en zijn medewerking zou hebben geboden bij het verkrijgen van de stukken. De rechtbank volgt dit betoog niet en benadrukt – gelet op hetgeen overwogen in 8.1. – dat het aan eiser is om met (een begin van) bewijs te komen ten aanzien van zijn medische situatie en dat het de taak van gemachtigde is om eisers belangen in dit kader te behartigen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat gemachtigde op geen enkele wijze medewerking van eiser kon verkrijgen en dat hij hiervoor afhankelijk zou zijn van de hulp van verweerder, nog daargelaten dat de gemachtigde van eiser dit niet eerder in de procedure op deze wijze kenbaar heeft gemaakt aan verweerder.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
10. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)”, doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:588) en 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4770).
ECLI:EU:C:2017:127.
Zie uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580, r.o. 2.2.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.