Raad van State
ECLI:NL:RVS:2019:3348
2019-10-04
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201805537/1/V1 en 201805537/3/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2019:3348 → ECLI:NL:RBDHA:2018:7926 meerdere afhandelingswijzen
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 22 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (45)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23158 Rechtbank Den Haag 14-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23365 Rechtbank Den Haag 29-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23371 Rechtbank Den Haag 29-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23368 Rechtbank Den Haag 15-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23367 Rechtbank Den Haag 29-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17690 Rechtbank Den Haag 09-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20353 Rechtbank Den Haag 31-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20354 Rechtbank Den Haag 31-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:620 Rechtbank Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24587 Rechtbank Den Haag 17-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22749 Rechtbank Den Haag 27-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27823 Rechtbank Den Haag 10-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10741 Rechtbank Den Haag 19-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8443 Rechtbank Den Haag 14-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6747 Rechtbank Den Haag 24-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6730 Rechtbank Den Haag 24-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7264 Rechtbank Den Haag 13-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4698 Rechtbank Den Haag 12-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3513 Rechtbank Den Haag 31-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17443 Rechtbank Den Haag 22-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16965 Rechtbank Den Haag 18-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:23425 Rechtbank Den Haag 17-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13788 Rechtbank Den Haag 02-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9034 Rechtbank Den Haag 11-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5741 Rechtbank Den Haag 16-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10558 Rechtbank Den Haag 16-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3708 Rechtbank Den Haag 30-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20754 Rechtbank Den Haag 20-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:21287 Rechtbank Den Haag 06-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18340 Rechtbank Den Haag 29-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:8910 Rechtbank Den Haag 20-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7964 Rechtbank Den Haag 05-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5514 Rechtbank Den Haag 20-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6230 Rechtbank Den Haag 05-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:647 Rechtbank Den Haag 20-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:995 Rechtbank Den Haag 04-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14522 Rechtbank Den Haag 15-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14520 Rechtbank Den Haag 15-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14521 Rechtbank Den Haag 15-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14519 Rechtbank Den Haag 15-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8583 Rechtbank Den Haag 26-08-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8584 Rechtbank Den Haag 26-08-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8554 Rechtbank Den Haag 19-08-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8555 Rechtbank Den Haag 19-08-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:13323 Rechtbank Den Haag 15-10-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (4.208 tekens)
201805537/1/V1 en 201805537/3/V1.
Datum uitspraak: 4 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juni 2018 in zaken nrs. NL18.3086 en NL18.3088 in het geding tussen:
[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
In zaak nr. 201805537/1/V1
Bij besluiten van 22 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 7 juni 2018 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A.W. Eikelboom, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.
In zaak nr. 201805537/3/V1
De vreemdelingen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit door de staatssecretaris naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 7 juni 2018.
Bij besluiten van 24 augustus 2019 heeft de staatssecretaris de aanvragen alsnog ingewilligd.
Overwegingen
In zaak nr. 201805537/1/V1
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
In zaak nr. 201805537/3/V1
3. Omdat de staatssecretaris alsnog besluiten op de aanvragen heeft genomen, hebben de vreemdelingen geen belang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarom verklaart de Afdeling dit beroep niet-ontvankelijk.
4. Daarnaast is de staatssecretaris de vreemdelingen met de besluiten van 24 augustus 2019 geheel tegemoetgekomen en hebben zij ook geen belang bij een beroep tegen die besluiten. Daardoor is tegen die besluiten geen beroep van rechtswege ontstaan als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, waarop nog moet worden beslist. Wel moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden.
5. De hoogte van die vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten is vastgesteld op basis van 1 punt voor het indienen van de schriftelijke uiteenzetting (met toepassing van wegingsfactor 1). De hoogte van de vergoeding voor de in beroep gemaakte proceskosten is vastgesteld op basis van 1 punt voor het indienen van een beroep wegens niet-tijdig beslissen (met toepassing van wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de aanvragen niet-ontvankelijk;
III. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 768,00 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Hoogvliet w.g. Schuurman
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2019
282-862.
Datum uitspraak: 4 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juni 2018 in zaken nrs. NL18.3086 en NL18.3088 in het geding tussen:
[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
In zaak nr. 201805537/1/V1
Bij besluiten van 22 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 7 juni 2018 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A.W. Eikelboom, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.
In zaak nr. 201805537/3/V1
De vreemdelingen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit door de staatssecretaris naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 7 juni 2018.
Bij besluiten van 24 augustus 2019 heeft de staatssecretaris de aanvragen alsnog ingewilligd.
Overwegingen
In zaak nr. 201805537/1/V1
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
In zaak nr. 201805537/3/V1
3. Omdat de staatssecretaris alsnog besluiten op de aanvragen heeft genomen, hebben de vreemdelingen geen belang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarom verklaart de Afdeling dit beroep niet-ontvankelijk.
4. Daarnaast is de staatssecretaris de vreemdelingen met de besluiten van 24 augustus 2019 geheel tegemoetgekomen en hebben zij ook geen belang bij een beroep tegen die besluiten. Daardoor is tegen die besluiten geen beroep van rechtswege ontstaan als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, waarop nog moet worden beslist. Wel moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden.
5. De hoogte van die vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten is vastgesteld op basis van 1 punt voor het indienen van de schriftelijke uiteenzetting (met toepassing van wegingsfactor 1). De hoogte van de vergoeding voor de in beroep gemaakte proceskosten is vastgesteld op basis van 1 punt voor het indienen van een beroep wegens niet-tijdig beslissen (met toepassing van wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de aanvragen niet-ontvankelijk;
III. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 768,00 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Hoogvliet w.g. Schuurman
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2019
282-862.