Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20353

2026-03-31 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht N25.32357, NL25.63358 en NL25.63359
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-31
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
N25.32357, NL25.63358 en NL25.63359
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel; Azerbeidzjaanse nationaliteit; beroep tegen niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk; beroep tegen het besluit is ongegrond; identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig; medische situatie niet onderbouwd.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.396 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: N25.32357, NL25.63358 en NL25.63359


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. B. Anik),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag (zaaknummer: NL25.32357) en tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag (zaaknummer: NL25.63358). Ook beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser (zaaknummer: NL25.63359).

2. Eiser heeft op 15 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 19 juni 2025 heeft eiser verweerder een ingebrekestelling gestuurd en op 17 juli 2025 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank vanwege het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 december 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.


2.1.
De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Andres als tolk en de gemachtigde van verweerder. De partner van eiser was ook aanwezig, de beroepen van eiser en zijn partner zijn gelijktijdig op zitting behandeld.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?





Het asielrelaas


3. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1955 en de Azerbeidzjaanse nationaliteit te hebben. Eiser is geboren en getogen in [regio 1] , een regio die volgens hem oorspronkelijk deel uitmaakte van Armenië, maar door de Sovjet-Unie werd overgedragen aan Azerbeidzjan. Eiser, zijn echtgenote en twee zonen hebben tot 1992 in [regio 1] gewoond. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie begon Azerbeidzjan in de regio [regio 2] een oorlog tegen de Armeniërs, waardoor eiser, samen met veel anderen, gedwongen werd te vluchten naar de regio [regio 3] . Na jaren in [regio 3] te hebben gewoond, werd eiser in 2023 verdreven door Azerbeidzjan. Dankzij vrienden van zijn zoon vond eiser tijdelijk onderdak in een verlaten woning op Armeens grondgebied nabij de grens met [regio 3] , waar hij tot februari 2024 verbleef. Hierna is eiser met een vals paspoort naar Italië gegaan. Vrienden van de zoon van eiser hebben hem en zijn echtgenote geholpen bij zijn vertrek. Eiser verklaart te zijn gevlucht door de politieke situatie tussen de Armeniërs en Azerbeidzjan, verklaart te zijn gedeporteerd vanwege zijn afkomst en veel problemen te hebben gehad door zijn geloof en etniciteit. Eiser vreest bij terugkeer naar Azerbeidzjan te worden vermoord. Ook stelt eiser dat hij niet terug kan naar Armenië, omdat zijn echtgenote Azerbeidzjaanse afkomst heeft. Hij verklaart dat hij en zijn echtgenote in Armenië zullen worden gemarteld en gedood. Eisers echtgenote is tijdens de vlucht vanuit [regio 1] mishandeld omdat zij Azerbeidjaans is. Een van hun zoons is daarbij gevallen en overleden. Eiser verklaart daarnaast dat hij veel gezondheidsproblemen heeft. De echtgenote van eiser heeft ook een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, deze heeft verweerder afgewezen als kennelijk ongegrond, waartegen zij in beroep is gegaan.



Bestreden besluit


4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:


identiteit, nationaliteit en herkomst;


problemen vanwege etniciteit.




4.1.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig, omdat de tijdelijke identiteitskaart die eiser heeft overgelegd onvoldoende is om dit te onderbouwen. Ook heeft eiser geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven. Eiser heeft daarbij onvoldoende documenten gegeven zonder daarvoor een goede verklaring te hebben. De verklaringen van eiser vormen ook geen samenhangend en aannemelijk geheel. Daarnaast kan eiser in grote lijnen niet geloofwaardig worden beschouwd, omdat hij valse identiteitsgegevens heeft opgegeven.



4.2.
Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de gestelde problemen vanwege eisers etniciteit niet kunnen worden getoetst op geloofwaardigheid, omdat niet geloofwaardig is geacht dat eiser uit Azerbeidzjan afkomstig is en de gestelde problemen zich daar zouden afspelen.



4.3.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft eiser tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.



Wat vindt eiser in beroep?



5. Eiser voert aan dat de beslissing van verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en algemene beginselen van behoorlijk bestuur is genomen. Eiser verzoekt om alle eerdere stukken als herhaald en ingelast te beschouwen. Ten onrechte wordt de echt bevonden tijdelijke identiteitskaart van eiser terzijde geschoven, en daarom is de uitspraak waar eiser in zijn zienswijze op heeft gewezen wel relevant. Verder betwist eiser dat hij in 2013 in Nederland is geweest. Eiser heeft gebruik gemaakt van een vals paspoort en hij heeft dit niet overgelegd omdat dat niet kon. Daarnaast is het onzorgvuldig dat in het besluit ook de zienswijze van eisers partner wordt besproken. Ook moet eiser een verblijfsvergunning op humanitaire gronden krijgen vanwege zijn medische situatie. Verweerder moet tot slot het terugkeerbesluit intrekken.



Wat is het oordeel van de rechtbank over het beroep niet tijdig beslissen?



6. Een vreemdeling kan beroep instellen als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op zijn aanvraag. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). De vreemdeling kan pas beroep instellen als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen.



6.1.
Niet in geschil is dat de beslistermijn is verstreken op 15 september 2024 en dat eiser verweerder bij brief van 19 juni 2025 in gebreke heeft gesteld. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 17 juli 2025 beroep heeft ingesteld.



6.2.
Met het bestreden besluit van 19 december 2025 heeft verweerder alsnog op de aanvraag van eiser beslist. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij de boordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom niet-ontvankelijk.



6.3.
Aangezien de wettelijke beslistermijn is overschreden en verweerder pas na overschrijding van deze termijn een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van € 934,- per punt, wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.



Wat is het oordeel van de rechtbank?





Het bestreden besluit


7. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.



Zienswijze herhaald en ingelast


8. De rechtbank overweegt allereerst dat door het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, zij niet kan afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Een algemeen verzoek aan de rechtbank om een oordeel te geven op alle tegengeworpen punten in het voornemen is onvoldoende. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.



Identiteit, nationaliteit en herkomst


9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende en deugdelijk heeft gemotiveerd dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet heeft onderbouwd met objectieve stukken. Eiser heeft geen Azerbeidjaans of Armeens paspoort overgelegd. Verweerder heeft eiser ook mogen tegenwerpen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven en dat hij onvoldoende stukken heeft overgelegd zonder goede verklaring daarvoor te geven.



9.1.
Het door eiser overgelegde originele tijdelijke identiteitsbewijs uit 1991 heeft verweerder onvoldoende mogen vinden ter onderbouwing van zijn asielmotief. Het identiteitsbewijs is door Bureau Documenten als ‘neutraal’ beoordeeld en daarom kan hier niet de door eiser gewenste waarde aan worden gehecht. Bovendien is het document van 34 jaar geleden en de republiek Azerbeidzjan bestond toen nog niet. Daarom heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat uit dit document niet valt af te leiden of eiser de Azerbeidzjaanse nationaliteit heeft, of dat hij deze op een later moment heeft verworven.



9.2.
Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft er daarbij op kunnen wijzen dat eiser niet overeenkomstig de landeninformatie heeft verklaard. Als inwoner van Azerbeidzjan moet eiser volgens de landeninformatie een identiteitsdocument kunnen bemachtigen, in het Algemeen Ambtsbericht Azerbeidzjan van juni 2024 staat namelijk:


“De identiteitskaart en het paspoort gelden als identiteitsdocumenten. Volgens de Wet over de identiteitskaart moet iedere burger van de Republiek Azerbeidzjan die de leeftijd van vijftien jaar bereikt of een persoon die het staatsburgerschap van de Republiek Azerbeidzjan verwerft, binnen een maand een identiteitskaart aanvragen.”



Gelet op deze informatie mag verweerder van eiser verwachten dat hij een Azerbeidjaans identiteitsdocument heeft of kan aanvragen. Eiser heeft niet bestreden dat van deze landeninformatie uitgegaan mag worden. Ook heeft verweerder er ter op zitting op mogen wijzen dat hij geen tegenonderzoek heeft verricht of andersluidende landeninformatie heeft ingebracht. Dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat er bij het TOELT geen landenspecialist Armenië en Azerbeidzjan is, betekent niet dat verweerder zich niet op landeninformatie uit een Algemeen Ambtsbericht, opgesteld door het ministerie van Buitenlandse Zaken, mag baseren.




9.3.
Verweerder heeft verder op zitting voldoende toegelicht waarom er bij gebrek aan een specialist geen taalanalyse is gedaan om de herkomst van eiser te kunnen beoordelen. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat nu eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn identiteit en nationaliteit onderbouwen en hij over het niet kunnen verkrijgen van een Azerbeidjaans paspoort niet overeenkomstig de landeninformatie heeft verklaard, de verklaringen van eiser over zijn herkomst ook niet worden gevolgd.



9.4.
Eiser stelt dat hij en zijn echtgenote met een vals paspoort naar Nederland zijn gereisd en dat zij dat paspoort aan de reisagent hebben teruggegeven. De enkele stelling dat eiser door de reisagent ter hand is genomen en dat hij niet was opgewassen tegen de reisagent en daarom het paspoort heeft afgegeven, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat eiser onder dwang moest handelen en niet uit vrije wil heeft kunnen handelen. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat van eiser verwacht mag worden dat hij het paspoort waarmee hij reist onder zich houdt. Eiser moet namelijk verweerder in het kader van de samenwerkingsverplichting in de gelegenheid stellen te onderzoeken of het document daadwerkelijk vals is. Dat verweerder dergelijk onderzoek niet heeft kunnen doen, komt voor rekening en risico van eiser. Daarbij heeft verweerder ook mogen tegenwerpen dat eiser summier heeft verklaard over het valse paspoort. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat van eiser verwacht mag worden dat hij meer kan verklaren over hoe het paspoort eruit zag, hoe hij eraan gekomen is en hoe hij daarmee zonder problemen door de beveiliging op het vliegveld is gekomen.



9.5.
Verweerder heeft eiser ook mogen tegenwerpen dat hij in 2013 in Nederland was en toen een andere naam, geboortedatum en nationaliteit gebruikte. Daarbij zijn gegevens uit een Armeens, nationaal identiteitsdocument overgenomen. Deze gegevens komen overeen met de gegevens die zijn geregistreerd op het nu door eiser gebruikte visum. Eiser betwist dat hij in 2013 in Nederland is geweest en dat de reisagent mogelijk gebruik heeft gemaakt van een vals paspoort met de gegevens van iemand die eerder in 2013 in Nederland is geweest. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Verweerder heeft namelijk uitgelegd dat eiser op drie verschillende momenten vingerafdrukken heeft afgegeven, zowel in 2013 als bij zijn recente inreis. Deze gegevens zijn opgeslagen in het EU-VIS en BVV-systeem. Verweerder mag in beginsel uitgaan van de juistheid van de informatie in deze systemen. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat hij dit visum - met andere naam, geboortedatum en nationaliteit - niet heeft aangevraagd en gebruikt. Daar is eiser niet in geslaagd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om verweerder te vragen hierover een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal over leggen, zoals de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gevraagd. Aangezien uit dactyloscopisch onderzoek blijkt dat het eiser betreft die in 2013 is ingereisd, zie de rechtbank ook geen aanleiding voor een foto-vergelijkend onderzoek.



9.6.
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder op goede gronden het standpunt ingenomen dat eiser hem heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft namelijk een visum aangevraagd met een paspoort waar andere gegevens in staan dan die hij heeft opgegeven bij zijn asielaanvraag, terwijl verweerder op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag aannemen dat de gegevens van het visum correct zijn. Ook heeft eiser belangrijke documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, zoals het Armeense paspoort, niet gegeven.



9.7.
Verweerder kon gelet op het voorgaande de gestelde problemen vanwege eisers etniciteit niet toetsen op geloofwaardigheid.



Medische omstandigheden

10. Eiser heeft zijn medische situatie niet met stukken onderbouwd. Ook niet is onderbouwd dat hij op dit moment een behandeling ondergaat. Verweerder heeft eiser dan ook geen verblijfsvergunning op humanitaire gronden hoeven verlenen.






Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag (zaaknummer: N25.32357) redelijkerwijs heeft moeten maken.

12. Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag (met zaaknummer: NL25.63358) is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

13. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening (met zaaknummer: NL25.63359). De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep NL25.32357 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep NL25.63358 ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 934,-;


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening NL25.63359 af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.



Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 1 november 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:14000).


Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3348.


Nader gehoor, p. 5.


Zie par. 2.1.2., p. 18.


Team Onderzoek en Expertise Land en Taal.


Het BVV-systeem (Basisvoorziening Vreemdelingen) is een centraal informatiebestand
van Justitie en Veiligheid met basisgegevens van vreemdelingen in Nederland.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:661.


Als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.