Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5102

2026-05-06 Civiel recht C/08/335458 / HA ZA 25-225
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-05-06
Publicatiedatum
2026-08-20
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/08/335458 / HA ZA 25-225
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Discussie over diverse financieringsverhoudingen, de vraag of er nog vorderingen resteren en welke zekerheden daarvoor mogen worden uitgewonnen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (134.866 tekens)
RECHTBANK Overijssel


Civiel recht



Zittingsplaats Almelo



Zaaknummer: C/08/335458 / HA ZA 25-225




Vonnis van 12 augustus 2026




in de zaak van





1de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RABO GROEN BANK B.V.,
gevestigd te Utrecht,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
eiseres sub 1 hierna te noemen: Rabobank,
eiseres sub 2 hierna te noemen: Rabo Groen,
eiseressen hierna samen te noemen: Rabobank c.s.,
advocaat: mr. R.M. Vermaire en mr. R.E. de Groot,



tegen





1
[partij A 1],

wonend te [woonplaats 1],2. [partij A 2],
wonend te [woonplaats 2],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
gedaagde sub 1 hierna te noemen: [partij A 1],
gedaagde sub 2 hierna te noemen: [partij A 2],
gedaagden sub 1 en 2 hierna samen te noemen: [partij A 1] en [partij A 2],
advocaat: mr. W.B. Brusse,



en





3
[partij B],

wonend te [woonplaats 3],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B]
advocaat: mr. W.M. Schonewille LLM.









1De zaak in het kort


1.1
Rabobank heeft in het verleden meerdere financieringen aan [partij A 1] en [partij A 2] verstrekt, waarvoor diverse zekerheiden zijn gevestigd. Partijen hebben al jarenlang verschillende geschillen over de (resterende) rente- en aflossingsverplichtingen en de uitwinning van de zekerheden. Daarover zijn diverse procedures gevoerd. In deze procedure stelt Rabobank uit hoofde van verschillende financieringsovereenkomsten vorderingen te hebben op [partij A 1] en [partij A 2] en dat [partij B] verplicht is medewerking te verlenen aan de executie van het derden hypotheekrecht. Zij betwisten dit. De rechtbank oordeelt dat [partij A 1] en [partij A 2] nog verschillende betalingsverplichtingen hebben jegens Rabobank, maar dat niet alle door Rabobank gevorderde bedragen kunnen worden toegewezen. Rabobank is bevoegd het hypotheekrecht te executeren voor hetgeen zij nog van [partij A 1] en [partij A 2] te vorderen heeft. De vordering dat [partij B] deze executie moet gedogen wijst de rechtbank af. De rechtbank wijst ook de vorderingen van [partij B] af ter vaststelling van de executiewaarde teneinde te kunnen lossen. Hierna licht de rechtbank toe hoe zij tot dit oordeel komt.





2De procedure


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 30 juni 2025 met producties 1 tot en met 43;


de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [partij A 1] en [partij A 2] met producties 1 tot en met 37;


de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [partij B] met productie 1 tot en met 3;


de brief van 1 oktober 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;


de conclusie van antwoord in reconventie in de zaak [partij A 1] en [partij A 2] namens Rabobank met producties 44 tot en met 64;


de conclusie van antwoord in reconventie in de zaak [partij B] namens Rabobank c.s.


de conclusie van antwoord in reconventie;


het bericht van 15 januari 2026 met productie 38 van [partij A 1] en [partij A 2];


de spreekaantekeningen van Rabobank c.s.;


de pleitaantekeningen van [partij B];


de pleitaantekeningen van [partij A 1] en [partij A 2], inclusief het slotpleidooi van [partij A 1] en [partij A 2];


het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 januari 2026.




2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.





3De feiten


3.1

[partij A 1] was directeur-grootaandeelhouder van de [bedrijf 1]. De [bedrijf 1] dreef een assurantiebedrijf en een makelaarskantoor. Daarnaast hield zij zich bezig met vastgoedactiviteiten.



3.2
Op 17 mei 2000 hebben de Coöperatieve Rabobank Oost Twente U.A. (hierna: Rabobank Oost Twente) en Rabohypotheekbank een lening van fl. 600.000,- (€ 272.268,13) verstrekt aan [partij A 1] en [partij A 2]. De voorwaarden waaronder deze lening is verstrekt zijn vastgelegd in een schuldbekentenis met nummer 1303.973.510 (hierna: lening I).



3.3
Op 23 oktober 2000 hebben Rabobank Oost Twente en Rabohypotheekbank een lening van fl. 1.000.000,- (€ 453.780,22) verstrekt aan [partij A 1] en [partij A 2]. De voorwaarden waaronder deze lening is verstrekt zijn vastgelegd in een schuldbekentenis met nummer 1303.918.846 (hierna: lening II).



3.4
Op 1 november 2000 is een hypotheek gevestigd ten gunste van Rabohypotheekbank en Rabobank Oost Twente en ten laste van [partij A 1] en [partij A 2] op onder meer het onroerend goed aan het Transportcentrum 10 te Enschede (hierna: het Transportcentrum). De hypotheek is gevestigd voor een bedrag van fl. 1.000.000,- (€ 453.780,-) te vermeerderen met rente en kosten begroot op fl. 350.000,- (€ 158.823,-).



3.5
Op 13 november 2001 hebben Rabobank Oost Twente en Rabohypotheekbank een financiering (met nummer 1303.949.962) van € 1.650.000,- verstrekt aan [partij A 1] en [partij A 2] (hierna: lening III). Met deze financiering worden een tweetal geldleningen afgelost en de overige leningen, waaronder lening I en II, blijven gehandhaafd. Een van de voorwaarden van de financiering is dat er een bankhypotheek wordt verstrekt eerste in rang op de percelen aan/nabij de [adres] in [plaats 1] en tweede in rang op het Transportcentrum ten gunste van onder meer Rabobank Oost Twente en Rabohypotheekbank en ten laste van [partij A 1] en [partij A 2]. Na verstrekking van deze financiering bedraagt de totale financiering van [partij A 1] en [partij A 2] bij Rabobank Oost Twente en Rabohypotheekbank € 2.627.670,-.



3.6
Bij akte van 21 november 2001 (hierna: de hypotheekakte van 21 november 2001) wordt de bankhypotheek gevestigd voor een bedrag van € 3.000.000,- te vermeerderen met rente en kosten welke worden begroot op € 1.050.000,-, waardoor de totale hypothecaire inschrijving € 4.050.000,- bedraagt. In de hypotheekakte is opgenomen dat het hypotheekrecht op de volgende percelen rust:



‘De boerderij, bestaande uit het woonhuis met kantoren, verdere opstallen, ondergrond, erf, tuin, bos, bouw- en weiland, staande en gelegen aan en nabij de [adres] te [plaats 1], gemeente [plaats 2], kadastraal bekend: [locatie 1], tezamen groot drieëntwintig hectaren en vierenveertig centiaren, zulks met uitzondering van een gedeelte groot ongeveer vijftig aren van het perceel H nummer 6628, zoals in erfpacht uitgegeven, blijkens een akte op heden voor verleden voor mij, notaris en een gedeelte groot ongeveer twintig aren van het perceel [locatie 2], zoals is afgestaan blijkens een akte van levering, op heden verleden voor mij, notaris.


(…)


Percelen grond, gelegen alsvoren, kadastraal bekend [locatie 3], tezamen groot acht hectaren zesennegentig aren en drieënzestig centiaren.’




De percelen zullen hierna verder worden genoemd: percelen [adres].




3.7
Op 28 maart 2002 hebben [partij A 1] en [partij A 2] de percelen [adres] in eigendom overgedragen aan [partij B] Het hypotheekrecht is op de percelen [adres] blijven rusten en is vanaf die datum een derdenhypotheek.



3.8
Op 25 april 2002 heeft de Coöperatieve Rabobank Ootmarsum-Denekamp U.A. (hierna: Rabobank Denekamp) onder voorwaarden de kredietfaciliteit van de [bedrijf 1] verhoogd met € 450.000,-. Een van de voorwaarden is het verstrekken van een hypotheek op het Transportcentrum. Dit hypotheekrecht wordt bij akte van 8 mei 2002 gevestigd, waarbij Rabohypotheekbank en Rabobank Denekamp hypotheekhouder en [partij A 1] en [partij A 2] hypotheekgever zijn.



3.9
Nadat de [bedrijf 1] in financieel zwaar weer is komen te verkeren, sluiten onder meer Rabobank Denekamp, de [bedrijf 1], [partij A 1] en de belangrijkste verzekeraars op 27 juni 2002 een convenant (hierna: het convenant) om het faillissement van de [bedrijf 1] te voorkomen. Rabobank Denekamp heeft onder voorwaarden aanvullende financiering aan de [bedrijf 1] en [partij A 1] verstrekt.



3.10
Op 17 september 2002 hebben Rabobank Denekamp en Rabohypotheekbank een (her)financiering (met onder andere nummer 1272.22.774) van in totaal € 2.042.560,- verstrekt aan enkele vennootschappen van de [bedrijf 1] en [partij A 1] (hierna: lening IV).



3.11
Op 30 september 2002 hebben Rabobank Denekamp en Rabohypotheekbank een bedrag van € 900.000,- geleend aan [partij A 1] De voorwaarden waaronder deze lening is verstrekt zijn vastgelegd in een schuldbekentenis met nummer 1107.917.484 (hierna: lening V). [partij A 1] heeft dit bedrag vervolgens, zoals afgesproken, doorgeleend aan de [bedrijf 1].



3.12
Op 28 december 2002 heeft [partij A 1] de opbrengst van het Jufferbeek project, zijnde een bedrag van € 883.042,-, rechtstreeks laten overboeken op de rekening van de [bedrijf 1].



3.13
Bij brief van 31 december 2002 (productie 24 bij conclusie van antwoord van [partij A 1] en [partij A 2]) heeft Rabobank aan [partij A 1] bericht dat het bedrag van € 883.042,- door [bedrijf 2] B.V. aan haar is betaald. Van dit bedrag is € 453.780,- in mindering gebracht op lening IV. Het restantbedrag is in mindering gebracht op een andere lening.



3.14
In maart 2003 is de [bedrijf 1] in staat van faillissement verklaard.



3.15
Bij vonnis van 15 februari 2006 heeft de rechtbank Almelo [partij A 1] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 992.850,-, uit hoofde van lening V aan Rabobank Denekamp te vermeerderen met 5,2% rente vanaf 1 december 2004 tot de dag der betaling. De vorderingen van [partij A 1] op Rabobank Denekamp zijn door de rechtbank afgewezen. [partij A 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.



3.16
Hangende het hoger beroep heeft [partij A 1] op 1 augustus 2006 het Transportcentrum verkocht en geleverd. De opbrengst heeft [partij A 1] gebruikt om onder andere aan zijn verplichtingen uit hoofde van het vonnis van 15 februari 2006 te voldoen.


3.17
Op 31 maart 2008 zijn Rabobank Oost Twente, als verkrijgende coöperatie, en Rabobank Ootmarsum-Denekamp, als verdwijnende coöperatie, gefuseerd. Op diezelfde datum heeft Rabobank Oost Twente haar naam gewijzigd in Coöperatieve Rabobank Twente Oost U.A. (hierna: Rabobank Twente Oost).



3.18
In het hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem op 23 november 2010 arrest gewezen, waarbij het hof het vonnis van 15 februari 2006 heeft vernietigd. Het gerechtshof heeft [partij A 1] veroordeeld om uit hoofde van lening V een bedrag van € 297.855,- aan Rabobank Denekamp te betalen te vermeerderen met 5,2% rente vanaf 1 december 2004 tot aan de dag van betaling. Het gerechtshof heeft Rabobank Denekamp veroordeeld tot vergoeding van de schade aan [partij A 1] als gevolg van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit het convenant. Het gerechtshof heeft beslist dat de schade nader zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet.



3.19
Rabobank heeft tegen het arrest van 23 november 2010 cassatie ingesteld. Bij arrest van 20 april 2012 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen.



3.20
Bij vonnis van 7 januari 2015 heeft de rechtbank Overijssel de vordering uit hoofde van schadevergoeding van [partij A 1] als gevolg van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit het convenant afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 9 juli 2019 het vonnis van de rechtbank Overijssel bekrachtigd en de Hoge Raad heeft bij arrest van 18 december 2020 het door [partij A 1] ingestelde cassatieberoep verworpen.



3.21
Op 31 december 2015 is Rabobank Twente Oost, als verdwijnende coöperatie, gefuseerd met Coöperatieve Centrale Raiffeisen Boerenleenbank B.A., als verkrijgende coöperatie. Op dezelfde datum heeft Coöperatieve Centrale Raiffeisen Boerenleenbank B.A. haar naam gewijzigd in Rabobank.



3.22
Op 30 november 2018 is Rabohypotheekbank, als verdwijnende rechtspersoon, gefuseerd met Rabobank, als verkrijgende rechtspersoon.



3.23
Bij brief van 3 mei 2019 heeft Rabobank lening I, II, III en V opgezegd tegen 3 augustus 2019. Nadien heeft Rabobank, bij brief van 19 augustus 2019, [partij A 1] en [partij A 2] nog een keer tot 1 september 2019 de gelegenheid geboden om alle leningen inclusief rente en bijkomende kosten terug te betalen.



3.24
Bij exploot van 11 februari 2022 heeft Rabobank onder meer aanspraak gemaakt op betaling van lening I, II, III, IV en V en is aangezegd dat op 14 maart 2022 de openbare verkoop zal plaatsvinden van vier van de dertien percelen [adres].



3.25
Na afloop van de openbare verkoop heeft Rabobank besloten om de vier percelen niet te gunnen tegen het hoogste bedrag op de veiling.



3.26
Tussen [partij B] en Rabobank zijn nadien verschillende procedures gevoerd in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie. In die procedures stonden het hypotheekrecht, de uitwinningsmogelijkheden daarvan en de lossing van het hypotheekrecht centraal.






4Het geschil



Wat willen Rabobank c.s. van [partij A 1] en [partij A 2] (vordering in conventie)?




4.1
Rabobank c.s. vorderen - samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:



primair:




I. voor recht te verklaren dat [partij A 1] en [partij A 2] per 1 mei 2025 hoofdelijk de volgende – per financiering respectievelijke kostenpost uitgewerkte – bedragen aan Rabobank c.s. verschuldigd zijn:
- Schuldbekentenis met nummer 1303.973.510: een bedrag van € 188.914,24 in hoofdsom, een bedrag ad € 79.621,06 aan vertragingsrente en een bedrag ad € 16.197,75 aan verzuimrente, in totaal derhalve € 284.733,05, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf 1 mei 2025 te vermeerderen met (thans 5,8%) vertragingsrente, verzuimrente en kosten;
- Schuldbekentenis met nummer 1303.918.846: een bedrag van € 22.810,50 in hoofdsom, een bedrag ad € 30.676,62 aan vertragingsrente en een bedrag ad € 16.412,19 aan verzuimrente, in totaal derhalve € 69.899,31, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf 1 mei 2025 te vermeerderen met (thans 5,8%) vertragingsrente, verzuimrente en kosten;
- Financiering met nummer 1303.949.962: een bedrag van € 1.170.763,53 in hoofdsom, een bedrag ad € 306.043,74 aan achterstallige contractuele rente, een bedrag ad € 642.909,70 aan vertragingsrente en een bedrag ad € 452.722,38 aan verzuimrente, in totaal derhalve € 2.572.439,35, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf 1 mei 2025 te vermeerderen met (thans 5,8%) vertragingsrente, verzuimrente en kosten;
- Vordering uit hoofde van kostenveroordeling gerechtelijke uitspraak: een bedrag van € 527,07, vanaf 1 mei 2025 te vermeerderen met lopende wettelijke rente;
- Vorderingen uit hoofde van roodstanden op diverse bankrekeningen: een bedrag van € 123,57, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
- Vordering uit hoofde van (veiling)kosten: een bedrag van € 64.345,98, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 maart 2022, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
- Vordering uit hoofde van gemaakte buitengerechtelijke kosten: een bedrag van € 292.514,36, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;



II. voor recht te verklaren dat [partij A 1] per 1 mei 2025 naast de vorderingen zoals genoemd onder I afzonderlijk de volgende – per financiering respectievelijk kostenpost uitgewerkte – bedragen aan Rabobank c.s. verschuldigd is:
- Schuldbekentenis met nummer 1107.917.484; een bedrag van € 297.855,- in hoofdsom en een bedrag ad € 574.522,86 aan achterstallige rente, in totaal derhalve € 872.377,86, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf 1 mei 2025 te vermeerderen met de rente ad 5,2% en kosten;
- De financiering met nummer 1272.22.774: een bedrag van € 395.072,- in hoofdsom, een bedrag ad € 90.829,25 aan vertragingsrente en een bedrag ad € 9.783,14 aan verzuimrente, in totaal derhalve € 495.684,39, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf 1 mei 2025 te vermeerderen met vertragingsrente en verzuimrente (thans 5,8%) en kosten;
- Vorderingen uit hoofde van kostenveroordelingen gerechtelijke uitspraken: een bedrag van € 121.921,- in hoofdsom en een bedrag ad € 36.236,88 aan achterstallige wettelijke rente, in totaal derhalve € 158.157,88, vanaf 1 mei 2025 te vermeerderen met de lopende wettelijke rente;



III. voor recht te verklaren dat de door de rechtbank onder I toegewezen vorderingen van Rabobank c.s. op [partij A 1] en [partij A 2] (hoofdelijk) tezamen en op [partij A 1] afzonderlijk volledig onder het hypotheekrecht van 21 november 2001 (een en ander tot het maximum bedrag voor de hoofdsom ad € 3.000.000,- en rente en kosten ad € 1.050.000,- zoals vermeld in de betreffende hypotheekakte) door Rabobank c.s. verhaald kunnen worden;




subsidiair:

voor recht te verklaren welk deel van de onder I toegewezen vorderingen van Rabobank op [partij A 1] en [partij A 2] (hoofdelijk) tezamen en welk deel van de onder II toegewezen vorderingen van Rabobank op [partij A 1] afzonderlijk onder het hypotheekrecht van 21 november 2001 (een en ander tot het maximum bedrag voor de hoofdsom ad € 3.000.000,- en rente en kosten ad € 1.050.000,- zoals vermeld in de betreffende hypotheekakte) door Rabobank c.s. verhaald kan worden;




Wat willen Rabobank c.s. van [partij B] (vordering in conventie)?





4.2
Rabobank c.s. vorderen, na wijziging van eis, – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [partij B] te veroordelen om de executie van het derde-hypotheekrecht voor de vorderingen van Rabobank c.s. op [partij A 1] en [partij A 2] zoals door de rechtbank vastgesteld en voor zover deze in de visie van de rechtbank door het derde-hypotheekrecht worden gedekt te gehengen en gedogen, een en ander op straffe van het verbeuren van een direct opeisbare dwangsom ad € 100.000,- per dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat [partij B] de executie van dit hypotheekrecht door Rabobank c.s. in feitelijke en/of juridische zin belemmert en/of frustreert, met een maximum van € 5.000.000,- althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, waarbij het hem zal zijn toegestaan om voor zijn rechten op te komen als hij meent dat Rabobank c.s. de wettelijke verplichtingen en voorschriften met betrekking tot de executieveiling niet op juiste wijze naleeft of (laat) naleven.



Wat willen Rabobank c.s. van [partij A 1] en [partij A 2] en [partij B] (vordering conventie)?





4.3

[partij A 1], [partij A 2] en [partij B] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf genoemde termijn voor voldoening.



4.4

[partij A 1] en [partij A 2] voeren verweer. [partij A 1] en [partij A 2] concluderen Rabobank c.s. niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans hun deze te ontzeggen, met veroordeling van Rabobank c.s. in de kosten van deze procedure.



4.5

[partij B] voert verweer. [partij B] concludeert Rabobank c.s. niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans hun deze te ontzeggen, met veroordeling van Rabobank c.s. in de kosten van de procedure.



Wat willen [partij A 1] en [partij A 2] van Rabobank c.s. (vordering in reconventie)?





4.6

[partij A 1] en [partij A 2] vorderen – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Rabobank te veroordelen om aan [partij A 1] en [partij A 2] te voldoen een bedrag van € 810.998,32 te vermeerderen met de hierover te berekenen wettelijke rente vanaf 31 maart 2008 tot aan de dag van voldoening met veroordeling van Rabobank c.s. in de kosten van de procedure.



4.7
Rabobank c.s. voeren verweer. Rabobank c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij A 1] en [partij A 2], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A 1] en [partij A 2], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A 1] en [partij A 2] in de kosten van deze procedure.



Wat wil [partij B] van Rabobank c.s. (vordering in reconventie)?





4.8

[partij B] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:



Primair:




a) voor recht te verklaren dat [partij B] bevoegd is jegens Rabobank c.s. tot lossing van het hypotheekrecht over te gaan tegen betaling van € 2.236.000,- dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;


b) Rabobank c.s. te veroordelen binnen twee weken na ontvangst van het op grond van het onder (a) bepaalde bedrag over te gaan tot doorhaling van het hypotheekrecht;


c) te bepalen dat bij gebreke van tijdige doorhaling het in deze kwestie te wijzen vonnis dezelfde kracht heeft als een voor doorhaling van het hypotheekrecht in wettige vorm opgemaakte akte van Rabobank c.s., zodat het vonnis als vervangende akte kan worden ingeschreven in het Kadaster.





Subsidiair:




a) voor recht te verklaren dat [partij B] bevoegd is jegens Rabobank c.s. tot lossing van het hypotheekrecht over te gaan voor een bedrag gelijk aan het hoogste bod plus de executiekosten op een door Rabobank te organiseren executieveiling;


b) Rabobank te verbieden binnen 48 uur na vaststelling van het hoogste bod op de executieveiling over te gaan tot gunning en/of toewijzing, welke termijn met vier werkdagen wordt verlengd vanaf het moment dat [partij B] Rabobank c.s. te kennen heeft gegeven tot lossing over te willen gaan;


c) te bepalen dat Rabobank c.s. bij overtreding van het onder (b) bedoelde verbod een dwangsom verbeurt van € 5.000.000,-.




Zowel primair als subsidiair met veroordeling van Rabobank c.s. in de kosten van de procedure.




4.9

Rabobank c.s. voeren verweer. Rabobank c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij B], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B]

5 De beoordeling





Rabobank c.s. / [partij A 1] en [partij A 2] (vordering in conventie)





5.1
Rabobank c.s. vorderen een verklaring voor recht dat [partij A 1] en/of [partij A 2] bedragen verschuldigd zijn aan Rabobank uit hoofde van schuldbekentenissen, financieringen, kostenveroordelingen in gerechtelijke uitspraken, roodstanden op bankrekeningen, kosten van een veiling en gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.



5.2

[partij A 1] en [partij A 2] voeren hiertegen aan dat zij nog een aanzienlijke vordering hebben op Rabobank die zij met het aan Rabobank c.s. verschuldigde bedrag kunnen verrekenen.



5.3
De rechtbank zal eerst ingaan op de vorderingen die Rabobank c.s. stellen te hebben op [partij A 1] en [partij A 2] (lening I, II en III). Daarna zal de rechtbank de vorderingen bespreken die Rabobank c.s. stellen te hebben op [partij A 1] (lening IV en V).



Hebben Rabobank c.s. een vordering op [partij A 1] en [partij A 2]?





Lening I





Standpunt Rabobank c.s.





5.4
Rabobank c.s. stellen dat aan lening I een zogenaamde Opmaat Verzekering was gekoppeld. Deze verzekering vertegenwoordigde ten tijde van het vrijvallen in 2018 een bedrag van € 178.216,73, welk bedrag conform de overeenkomst eerst is afgeboekt op de achterstallige rente en vervolgens op de hoofdsom. Nadien resteerde een hoofdsom van € 188.914,24. Per 1 mei 2025 zijn [partij A 1] en [partij A 2] uit hoofde van deze lening een bedrag van € 284.733,05 verschuldigd, bestaande uit de hoofdsom van € 188.914,24 en achterstallige rente van € 95.818,81 (bestaande uit € 79.621,06 vertragingsrente en € 16.197,75 verzuimrente). Vanaf 1 mei 2025 dient het nog verschuldigde bedrag te worden vermeerderd met de lopende vertragings- en verzuimrente die thans 5,8% bedraagt en de kosten. Rabobank c.s. vorderen daarom een verklaring voor recht dat [partij A 1] en [partij A 2] een bedrag van in totaal € 284.733,05 aan Rabobank c.s. verschuldigd zijn uit hoofde van lening I.



Standpunt [partij A 1] en [partij A 2]





5.5

[partij A 1] en [partij A 2] voeren verweer tegen de omvang van het verschuldigde bedrag uit hoofde van lening I. Volgens [partij A 1] en [partij A 2] bedroeg de vordering op 31 maart 2008 nog € 272.268,13 (fl. 600.000,-). Nadien heeft Rabobank volgens [partij A 1] en [partij A 2] het bedrag van € 178.216,73 ontvangen uit hoofde van de vrijgevallen Opmaat Verzekering. Volgens [partij A 1] en [partij A 2] dient dit bedrag in mindering te worden gebracht op de totale vordering van € 272.268,13. Daarnaast voeren [partij A 1] en [partij A 2] aan dat zij na 31 maart 2008 (onder protest) nog rente hebben betaald, welk bedrag in mindering moet worden gebracht op de vordering. Verder betwisten [partij A 1] en [partij A 2] dat zij vertragingsrente en verzuimrente verschuldigd zijn, omdat er geen sprake is van verzuim.



Het oordeel van de rechtbank





De hoofdsom





5.6
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vordering uit hoofde van lening I begin 2018 in hoofdsom nog € 272.268,13 bedroeg. Partijen twisten evenmin over het vrijvallen van de Opmaat Verzekering in 2018 ten bedrage van € 178.216,73. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het bedrag uit de Opmaat Verzekering (op juiste wijze) in mindering is gebracht op de lening. Uit de stukken die [partij A 1] en [partij A 2] hebben overgelegd blijkt dat de vordering uit hoofde van de geldlening op 11 januari 2018 € 272.268,13 bedroeg (productie 35 bijlage B bij conclusie van antwoord) en de OpMaat Verzekering op 1 januari 2018 is gestopt. Verder blijkt uit de brief van 8 januari 2018 (productie 35 bijlage C bij conclusie van antwoord) dat het bedrag uit de Opmaat Verzekering binnen zeven werkdagen zal worden overgemaakt. Dit betekent dat de Opmaat Verzekering uiterlijk 20 januari 2018 zal zijn uitgekeerd. Rabobank c.s. hebben een e-mail van 31 januari 2018 (productie 5 bij dagvaarding) overgelegd, waaruit volgt dat het bedrag uit de Opmaat Verzekering eerst is aangewend om de achterstallige rente van € 94.862,84 te voldoen en dat het restantbedrag van de Opmaat verzekering in mindering is gebracht op de hoofdsom. Vervolgens resteert per 1 februari 2018 nog een bedrag van € 188.914,24 in hoofdsom (productie 2 bij dagvaarding). De documenten waarnaar [partij A 1] en [partij A 2] verwijzen zijn van een eerdere datum (8 en 11 januari 2018), dan de e-mail van 31 januari 2018 van Rabobank c.s. In de tussenliggende periode is de Opmaat Verzekering uitgekeerd. [partij A 1] en [partij A 2] hebben de e-mail van 31 januari 2018 niet betwist en hebben geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vordering op 31 maart 2008 nog € 272.268,13 bedroeg.



5.7
De rechtbank volgt daarom het standpunt van Rabobank c.s. en gaat ervan uit dat de Opmaat Verzekering op of omstreeks 31 januari 2018 in mindering is gebracht op de lening en dat per 1 februari 2018 een hoofdsom resteert van € 188.914,24.



5.8
Lening I is destijds verstrekt door Rabobank Oost Twente en Rabohypotheekbank, welke Rabobank-entiteiten na verschillende fusies uiteindelijk verder zijn gegaan onder de naam Rabobank. Zowel in de schuldbetekenis die ten grondslag ligt aan lening I als in de fusies daarna is Rabo Groen niet als partij genoemd. De rechtbank is daarom van oordeel dat Rabo Groen geen schuldeiser is ten aanzien van lening I. De met lening I samenhangende vorderingen zal de rechtbank daarom enkel bespreken ten aanzien van Rabobank.



Vertragings- en verzuimrente en kosten





5.9
Rabobank vordert uit hoofde van lening I over de hoofdsom tot 1 mei 2025 een rente van € 95.818,21, bestaande uit € 79.621,06 (vertragingsrente) en € 16.197,75 (verzuimrente) en vanaf 1 mei 2025 vordert Rabobank een vertragings- en verzuimrente van 5,8%. Uit de specificatie van lening I die onderdeel is van productie 2 van de dagvaarding, leidt de rechtbank af dat Rabobank de vertragingsrente vanaf 1 april 2018 vordert en de verzuimrente vanaf 1 juni 2018.




Wat staat er in de schuldbekentenis?





5.10
In de schuldbekentenis zijn geen bepalingen opgenomen op basis waarvan [partij A 1] en [partij A 2] vertragingsrente en verzuimrente verschuldigd zijn. Wel wordt in de overeenkomst verwezen naar algemene voorwaarden, maar die algemene voorwaarden zijn door Rabobank niet overgelegd. De rechtbank kan daardoor niet beoordelen of en zo ja op basis van welke contractuele afspraken Rabobank aanspraak kan maken op de vertragingsrente en de verzuimrente. Rabobank heeft de contractuele grondslag van de gevorderde rente daarom onvoldoende gesteld. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de vertragingsrente en verzuimrente dan ook afwijzen. Dit geldt ook voor de kosten die worden gevorderd vanaf 1 mei 2025, omdat Rabobank niet heeft gesteld op basis waarvan [partij A 1] en [partij A 2] deze kosten verschuldigd zijn en wat de omvang is van deze kosten.



5.11

[partij A 1] en [partij A 2] hebben aangevoerd dat zij na 31 maart 2008 nog (onder protest) rente hebben betaald over deze lening, waarbij het exacte bedrag [partij A 1] en [partij A 2] niet bekend is. Dit verweer kan, nu de gevorderde rente wordt afgewezen, onbesproken blijven.



Conclusie lening I





5.12
Op basis van vorenstaande zal de rechtbank de door Rabobank c.s. gevorderde verklaring voor recht toewijzen in zoverre dat [partij A 1] en [partij A 2] uit hoofde van lening I aan Rabobank een bedrag verschuldigd zijn van € 188.914,24 als hoofdsom.



Lening II





Standpunt Rabobank c.s.





5.13
Rabobank c.s. stellen dat uit hoofde van lening II per 1 mei 2025 in hoofdsom nog een bedrag van € 22.810,50 resteert en dat de achterstallige rente € 47.088,81 bedraagt (bestaande uit € 30.676,62 vertragingsrente en € 16.412,19 verzuimrente). Vanaf 1 mei 2025 dient het nog verschuldigde bedrag te worden vermeerderd met de lopende vertragings- en verzuimrente van thans 5,8% en de kosten. Rabobank c.s. vorderen een verklaring voor recht dat [partij A 1] en [partij A 2] deze bedragen aan haar verschuldigd zijn.



Standpunt [partij A 1] en [partij A 2]





5.14

[partij A 1] en [partij A 2] voeren verweer tegen de omvang van het verschuldigde bedrag. Volgens [partij A 1] en [partij A 2] bedroeg de vordering in hoofdsom op 31 maart 2008 € 43.337,17 en hebben zij nadien (onder protest) rente betaald over de lening die nog in mindering moet worden gebracht op de vordering.



Het oordeel van de rechtbank





De hoofdsom





5.15
Tussen partijen is niet in geschil dat er aflossingen op lening II hebben plaatsgevonden. Door [partij A 1] en [partij A 2] is aangevoerd dat de vordering per 31 maart 2008 nog een bedrag van € 43.337,17 vertegenwoordigde. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in waarom de stand van de lening per 31 maart 2008 van belang is. Rabobank c.s. stellen immers dat de vordering per 1 mei 2025 lager is dan de vordering op 31 maart 2008 was en vorderen een verklaring voor recht dat [partij A 1] en [partij A 2] het lagere bedrag zijn verschuldigd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het standpunt van [partij A 1] en [partij A 2] en oordeelt dat de hoofdsom per 1 mei 2025 een bedrag van € 22.810,50 vertegenwoordigt.



5.16
Uit de schuldbekentenis die ten grondslag ligt aan lening II volgt dat de lening is verstrekt door Rabobank Oost Twente en Rabohypotheekbank, die na verschillende fusies verder zijn gegaan onder de naam Rabobank. Door Rabobank c.s. is niet gemotiveerd op welke grond Rabo Groen schuldeiser is ten aanzien van lening II, waardoor de rechtbank enkel Rabobank zal aanmerken als schuldeiser. De met lening II samenhangende vorderingen zal de rechtbank dan ook enkel beoordelen ten aanzien van Rabobank.



Vertragings- en verzuimrente





5.17
Rabobank vordert over de hoofdsom tot 1 mei 2025 een rente van € 69.899,31, bestaande uit € 30.676,62 (vertragingsrente) en € 16.412,19 (verzuimrente). Vanaf 1 mei 2025 vordert Rabobank een vertragings- en verzuimrente van 5,8%.



5.18
Door Rabobank is niet gesteld op welke grond [partij A 1] en [partij A 2] vertragingsrente en verzuimrente zijn verschuldigd.



5.19
In de schuldbekentenis zijn geen bepalingen opgenomen op basis waarvan [partij A 1] en [partij A 2] de gevorderde vertragingsrente en verzuimrente verschuldigd zijn. In de schuldbekentenis is wel opgenomen dat [partij A 1] en [partij A 2] een rente van 5,4% op jaarbasis zijn verschuldigd, te voldoen op de laatste dag van elke maand. Door Rabobank wordt voor deze rente geen verklaring voor recht gevorderd. Hoewel in de schuldbekentenis ook algemene voorwaarden van toepassing worden verklaard, zijn die algemene voorwaarden niet door Rabobank overgelegd. Op basis van de stellingen van Rabobank en de door haar aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken kan de rechtbank niet beoordelen of en zo ja op welke grond Rabobank aanspraak kan maken op de vertragingsrente en de verzuimrente. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de vertragingsrente en verzuimrente dan ook afwijzen. Dit geldt ook voor de kosten die worden gevorderd vanaf 1 mei 2025, omdat Rabobank niet heeft gesteld op basis waarvan [partij A 1] en [partij A 2] deze kosten zijn verschuldigd en wat de omvang is van deze kosten.



Conclusie lening II





5.20
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de door Rabobank c.s. gevraagde verklaring voor recht toewijzen, in zoverre dat [partij A 1] en [partij A 2] uit hoofde van lening II aan Rabobank een bedrag van € 22.810,50 verschuldigd zijn als hoofdsom.




Lening III





Standpunt Rabobank c.s.





5.21
Rabobank c.s. stellen dat [partij A 1] en [partij A 2] vanaf april 2009 in verzuim zijn met de aflossingsverplichtingen uit hoofde van lening III. Op 3 mei 2019 hebben Rabobank c.s. de financiering met in achtneming van een termijn van drie maanden opgezegd, waardoor de lening vanaf 3 augustus 2019 opeisbaar is geworden. De hoofdsom bedraagt per 1 mei 2025 € 1.170.763,53. Daarnaast zijn [partij A 1] en [partij A 2] op grond van artikel 5 van de algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van Rabobankorganisatie een bedrag aan achterstallige contractuele rente van € 306.043,74 verschuldigd, een bedrag aan vertragingsrente over de achterstallige aflossing van € 642.909,70 en een bedrag aan verzuimrente over de achterstallige contractuele rente en de vertragingsrente over de achterstallige aflossing van € 452.722,38. De totale vordering uit hoofde van lening III bedraagt per 1 mei 2025 volgens Rabobank c.s. € 2.572.439,35 te vermeerderen met de lopende vertragingsrente en verzuimrente (5,8%) en kosten. De hoogte van de vertragingsrente wordt jaarlijks binnen Rabobank c.s. vastgesteld en geldt voor al haar klanten waarop de Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobankorganisatie van toepassing zijn. De voorwaarde dat Rabobank c.s. een hypotheek zou verkrijgen tweede in rang op het Transportcentrum betreft een opschortende voorwaarde die enkel is geschreven in het belang van Rabobank c.s. Het zijn dan ook enkel Rabobank c.s. die een beroep kunnen doen op het vestigen van het hypotheekrecht. Bovendien kunnen [partij A 1] en [partij A 2] het betreffende hypotheekrecht zelf vestigen en hebben zij dit nagelaten. Als Rabobank c.s. verplicht zouden zijn geweest het hypotheekrecht, tweede in rang, te vestigen op het Transportcentrum, dan hebben [partij A 1] en [partij A 2] niet tijdig geklaagd dat het hypotheekrecht niet is gevestigd. Volgens Rabobank c.s. hebben [partij A 1] en [partij A 2] het Transportcentrum op eigen initiatief verkocht en is dit niet in samenspraak met Rabobank Oost Twente gebeurd.



Standpunt [partij A 1] en [partij A 2]





5.22
Volgens [partij A 1] en [partij A 2] bedroeg de vordering in hoofdsom op 31 maart 2008 € 1.194.000,00. [partij A 1] en [partij A 2] voeren aan dat zij de verplichtingen uit de financiering zijn nagekomen, waardoor er geen sprake is van verzuim. [partij A 1] en [partij A 2] hebben destijds in gezamenlijk overleg met Rabobank Oost Twente besloten om het Transportcentrum te verkopen. Het is Rabobank Oost Twente die het hypotheekrecht niet juist heeft gevestigd en niet maximaal gebruik heeft gemaakt van het wel gevestigde hypotheekrecht. Daarnaast heeft Rabobank Oost Twente, bij de verkoop van het Transportcentrum, in strijd gehandeld met de in het verleden gemaakte afspraak met [partij A 1] dat de opbrengst van het Transportcentrum bestemd was om daarmee de privé leningen af te lossen. Verder voeren [partij A 1] en [partij A 2] aan dat Rabobank c.s. al twintig jaren geen gevolg geven aan de voortdurende sommaties en verzoeken van [partij A 1] en [partij A 2] tot verrekening van de financiering met het ten onrechte geïncasseerde bedrag van € 1.120.790,82 uit de verkoop van het Transportcentrum. Rabobank c.s. waren hiertoe verplicht vanwege de met [partij A 1] gemaakte afspraak om alles met elkaar te verrekenen per datum fusie (31 maart 2008). Daarnaast voeren [partij A 1] en [partij A 2] aan dat zij na 31 maart 2008 (onder protest) nog rente hebben betaald over de financiering die nog in mindering moet worden gebracht op de vordering.



Het oordeel van de rechtbank





Was Rabobank verplicht het hypotheekrecht te vestigen?





5.23
Op grond van artikel 3:260 BW wordt een hypotheek gevestigd door een tussen partijen opgemaakte notariële akte waarbij de hypotheekgever aan de hypotheekhouder een hypotheek verleent op een registergoed, gevolgd door haar inschrijving in de openbare registers.



5.24
De vestiging van het hypotheekrecht is het gevolg van een meerzijdige rechtshandeling, het betreft immers een akte die tussen partijen wordt opgemaakt. Dit betekent dat [partij A 1] en [partij A 2] niet zelfstandig, zonder betrokkenheid van Rabobank c.s., het hypotheekrecht hadden kunnen vestigen.



5.25

[partij A 1] en [partij A 2] hebben voldoende gemotiveerd gesteld dat zij belang hadden bij het vestigen van het hypotheekrecht. Als het hypotheekrecht was gevestigd, dan had Rabobank Oost Twente aanspraak kunnen maken op een groter deel van de opbrengst van het Transportcentrum met als gevolg dat een groter deel van de privé financiering van [partij A 1] en [partij A 2] afgelost had kunnen worden. Dat [partij A 1] en [partij A 2] er na verkoop van het Transportcentrum niet voor hebben gekozen om de overwaarde van het Transportcentrum aan te wenden voor de aflossing van de privé leningen doet hieraan niet af. Ten tijde van het overeenkomen van de voorwaarden voor het vestigen van het hypotheekrecht was het voor [partij A 1] en [partij A 2] van belang dat de hypothecaire inschrijving van Rabobank Oost Twente was opgehoogd naar € 3.000.000,-, zodat de privé leningen konden worden afgelost.



Hebben [partij A 1] en [partij A 2] tijdig geklaagd?





5.26
Uit artikel 6:89 BW volgt dat een schuldeiser geen beroep meer op een prestatie kan doen als hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken bij de schuldenaar heeft geprotesteerd.



5.27
Op 21 november 2001 is het hypotheekrecht gevestigd. Op basis van die akte hadden [partij A 1] en [partij A 2] kunnen weten dat het hypotheekrecht, tweede in rang op het Transportcentrum, niet was gevestigd. Daarna hebben zij op 8 mei 2002 een hypotheekakte en op 1 augustus 2006 een nota van afrekening ontvangen, op basis waarvan zij redelijkerwijs hadden kunnen ontdekken dat het betreffende hypotheekrecht niet is gevestigd door Rabobank. Pas in deze procedure (bijna 25 jaar na het aangaan van de lening en de verplichting tot het verstrekken van een hypotheekrecht) hebben [partij A 1] en [partij A 2] voor het eerst geklaagd dat het hypotheekrecht niet is gevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet binnen bekwame tijd, zoals in artikel 6:89 BW is bepaald. [partij A 1] en [partij A 2] hebben ook niet gemotiveerd waarom het zo lang heeft geduurd, voordat zij hebben geklaagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [partij A 1] en [partij A 2] niet tijdig hebben geklaagd en zij kunnen daarom geen beroep meer doen op het niet vestigen van het hypotheekrecht.




Is er afstemming geweest met Rabobank Oost Twente over de verkoop en aflossing van leningen?





5.28
Door Rabobank c.s. is betwist dat [partij A 1] afspraken heeft gemaakt met Rabobank Oost Twente over de verkoop van het Transportcentrum met als doel met de opbrengst zijn privé leningen aan Rabobank in zijn geheel af te lossen. Gelet op die betwisting lag het op de weg van [partij A 1] en [partij A 2] om hun standpunten nader te motiveren en onderbouwen. Weliswaar hebben [partij A 1] en [partij A 2] in dit kader brieven overgelegd (productie 32 bij conclusie van antwoord), maar daar blijkt enkel uit dat [partij A 1] bij brief van 16 oktober 2006 aan Rabobank Oost Twente het verzoek heeft gedaan tot een terugboeking/herstelboeking en dat Rabobank Oost Twente bij brief van 23 november 2006 aan [partij A 1] en [partij A 2] heeft bericht dat uitstel voor één jaar is verleend voor de aflossing van lening II en lening III. Hieruit volgt niet dat Rabobank Oost Twente afspraken heeft gemaakt met [partij A 1] en [partij A 2] over de verkoop van het Transportcentrum en de verdeling van de opbrengst. Evenmin hebben [partij A 1] en [partij A 2] documenten overgelegd waaruit blijkt dat het verzoek tot verrekening zou worden uitgesteld tot de fusiedatum van 31 maart 2008.



De hoofdsom





5.29
In het financieringsvoorstel is bepaald dat lening III maandelijks achteraf met een bedrag van € 6.500,- zal worden afgelost. Zonder nadere motivering van [partij A 1] en [partij A 2], die ontbreekt, ontgaat de rechtbank waarom de stand per 31 maart 2008 van belang is. Rabobank stelt immers dat de vordering per 1 mei 2025 lager is dan de vordering op 31 maart 2008 volgens [partij A 1] en [partij A 2] was en vordert een verklaring voor recht dat [partij A 1] en [partij A 2] het lagere bedrag zijn verschuldigd. De rechtbank is van oordeel dat de hoofdsom per 1 mei 2025 een bedrag van € 1.170.763,53 vertegenwoordigt.



5.30
Uit het financieringsvoorstel volgt dat lening III destijds is verstrekt door Rabobank Oost Twente en Rabohypotheekbank die na verschillende fusies verder zijn gegaan onder de naam Rabobank. Door Rabobank c.s. is niet gemotiveerd op welke grond Rabo Groen schuldeiser is ten aanzien van lening III, waardoor de rechtbank enkel Rabobank zal aanmerken als schuldeiser. De met lening III samenhangende vorderingen zal de rechtbank dan ook enkel beoordelen ten aanzien van Rabobank.



De rente





5.31
In lijn met het financieringsvoorstel zijn partijen overeengekomen dat de rente 5,2% op jaarbasis bedraagt, waarbij een rentevaste periode is overeengekomen van drie jaar. Rabobank vordert een vergoeding van rente over een tijdvak na afloop van de rentevast periode. Door Rabobank is niet gesteld dat er na afloop van deze periode een nieuwe rente is overeengekomen. Op basis van het financieringsvoorstel is de rechtbank van oordeel dat [partij A 1] en [partij A 2] contractuele rente zijn verschuldigd. De rechtbank kan de omvang van de contractuele rente niet beoordelen, omdat door Rabobank niet is gesteld welk rentepercentage partijen zijn overeengekomen na verloop van de rentevaste periode. De rechtbank zal de door Rabobank gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de contractuele rente dan ook afwijzen.



Is er sprake van verzuim?





5.32
Rabobank stelt dat [partij A 1] en [partij A 2] vanaf 2009 in verzuim zijn met hun aflossingsverplichtingen uit hoofde van lening III. Door [partij A 1] en [partij A 2] is niet aangevoerd dat zij na april 2009 nog aflossingen hebben gedaan. De rechtbank leidt hieruit af dat tussen partijen niet in geschil is dat vanaf april 2009 geen aflossingen meer zijn betaald. Rabobank heeft bij brief van 3 mei 2019, voor zover nodig, de financiering opgezegd met een termijn van drie maanden. Bij brief van 19 augustus 2019 heeft Rabobank die termijn nog verlengd tot 1 september 2019. [partij A 1] en [partij A 2] hebben de vordering uit hoofde van lening III niet binnen de gestelde termijn voldaan, waardoor zij per 1 september 2019 voor de voldoening van de volledige hoofdsom in verzuim verkeren.



Vertragingsrente





5.33
Rabobank heeft gemotiveerd gesteld dat [partij A 1] en [partij A 2] naast de contractuele rente op grond van artikel 5 van de algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobankorganisatie een vertragingsrente van ten hoogste 1% per maand zijn verschuldigd vanaf de vervaldag van een te late betaling (randnr. 3.8 dagvaarding). Later stelt Rabobank dat de vertragingsrente in 2009 14,9% bedroeg en in de daaropvolgende jaren is gedaald naar 5,8% (randnr. 3.11 dagvaarding). Zonder nadere motivering van Rabobank, die ontbreekt, kan de rechtbank Rabobank niet volgen in de berekening van het door haar gevorderde bedrag. Nu onduidelijk is gebleven wat de contractuele rente is, kan de rechtbank ook de vertragingsrente niet beoordelen. De rechtbank wijst de gevorderde verklaring voor recht dan ook af.



Verzuimrente





5.34
Door Rabobank is gesteld dat [partij A 1] en [partij A 2] – naast vertragingsrente – verzuimrente zijn verschuldigd over de vertragingsrente achterstallige aflossing en over de vertragingsrente achterstallige contractuele rente. Door Rabobank is niet gesteld op grond waarvan [partij A 1] en [partij A 2] deze verzuimrente in aanvulling op de vertragingsrente aan Rabobank zijn verschuldigd. De rechtbank is van oordeel dat Rabobank ten aanzien van de verzuimrente niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.



Conclusie lening III





5.35
Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [partij A 1] en [partij A 2] per 1 mei 2025 in hoofdsom een bedrag van € 1.170.763,53 verschuldigd zijn aan Rabobank uit hoofde van lening III.



Hebben Rabobank c.s. een vordering op [partij A 1]?





Lening IV en Lening V





5.36
Lening IV en lening V zijn beiden in september 2002 verstrekt. Lening V is aan [partij A 1] in privé verstrekt onder de voorwaarde dat hij het geleende bedrag (€ 900.000,-) aan de [bedrijf 1] ter beschikking zou stellen. Lening IV was een reeds bestaande lening, voor welke lening [partij A 1] zich in september 2002 in privé heeft mee verbonden.


5.37
Lening IV en lening V houden beiden verband met het convenant. Over het convenant, de inperking van het krediet en de schade is door partijen jarenlang geprocedeerd, hetgeen onder andere heeft geleid tot het vonnis van 15 februari 2006, het arrest van 23 november 2010, het arrest van 9 juli 2019 en het arrest van 18 december 2020.



5.38
In het arrest van 23 november 2010 is ook over lening V een beslissing gegeven. De rechtbank zal daarom eerst de vordering uit hoofde van lening V beoordelen en daarna de vordering uit hoofde van lening IV.



Lening V





Standpunt Rabobank c.s.





5.39
Volgens Rabobank c.s. hebben zij en [partij A 1] over lening V vanaf 2005 tot en met het arrest van de Hoge Raad in 2020 geprocedeerd. Over alle door [partij A 1], ook in deze procedure, gevoerde verweren is volgens Rabobank c.s. in de andere procedures al beslist. Van nieuwe feiten is geen sprake. Alle uitspraken hebben gezag van gewijsde. Ook het oordeel van het gerechtshof in het arrest van 23 november 2010 tussen Rabobank Denekamp en [partij A 1] is bindend tussen Rabobank c.s. en [partij A 1] Binnen de Rabobankorganisatie hebben in de periode maart 2008 tot november 2018 verschillende fusies plaatsgevonden. In het arrest van 23 november 2010 staat als procespartij Rabobank Denekamp vermeld. Als gevolg van de fusies zijn alle rechten en verplichtingen van Rabobank Denekamp (uiteindelijk) overgegaan op Rabobank c.s.



Standpunt [partij A 1]





5.40

[partij A 1] voert aan dat het arrest van 23 november 2010 is gewezen tegen een op dat moment niet meer bestaande partij. Dit betekent dat [partij A 1] niet kan worden gehouden aan de inhoud van het arrest, omdat een beslissing in beginsel alleen werkt tussen procederende partijen. Daarnaast voert [partij A 1] aan dat hij een nieuw feit heeft ontdekt, waarover het gerechtshof Arnhem niet heeft kunnen oordelen: Rabobank Denekamp heeft de convenantfinanciering namelijk niet uitgerold c.q. beschikbaar gesteld, waardoor de ongedekte fietsenportefeuille niet is overgenomen. Nu aan deze kernverplichting uit het convenant niet is voldaan, kan Rabobank c.s. [partij A 1] niet verplichten tot betaling van enig bedrag uit hoofde van welke verstrekte privé zekerheid dan ook. Daarnaast stelt [partij A 1] dat het gerechtshof er in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 23 november 2010 ten onrechte van is uitgegaan dat [partij A 1] Rabobank onvoldoende zou hebben ingelicht over de gevolgen van de opzegging van de volmacht door enkele verzekeraars en de omstandigheid dat [partij A 1] een nieuwe verzekeraar had gevonden. Verder voert [partij A 1] aan dat het gerechtshof hem niet had kunnen veroordelen om enig bedrag te voldoen uit hoofde van lening V, omdat Rabobank Denekamp ten tijde van de fusie niet meer over een vordering beschikte.



Het oordeel van de rechtbank?





Is [partij A 1] gebonden aan het arrest van 23 november 2010?





5.41
In artikel 2:309 BW is bepaald dat een fusie een rechtshandeling is van twee of meer rechtspersonen waarbij een van deze rechtspersonen het vermogen van de andere rechtspersoon onder algemene titel verkrijgt. Uit artikel 236 lid 2 Rv volgt dat onder partijen in een procedure mede worden begrepen de rechtverkrijgenden onder algemene titel.



5.42
Het arrest van 23 november 2010 is het gevolg van het hoger beroep dat is ingesteld tegen het vonnis van 15 februari 2006. Bij de procedure die heeft geleid tot het vonnis waren Rabobank Denekamp en [partij A 1] partij. [partij A 1] heeft op 10 mei 2006 hoger beroep ingesteld. Op dat moment was Rabobank Denekamp niet gefuseerd, die fusie heeft op 31 maart 2008 plaatsgevonden. Dit betekent dat het hoger beroep tegen de juiste procespartij is ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 236 Rv heeft (uiteindelijk) Rabobank als gevolg van de fusies de rechten en verplichtingen van Rabobank Denekamp onder algemene titel overgenomen. Voor die overgang is niet noodzakelijk dat de naam van de procespartij wordt gewijzigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [partij A 1] tegenover Rabobank gebonden is aan hetgeen in het arrest van 23 november 2010 is beslist.



5.43
Lening V is destijds verstrekt door Rabobank Denekamp en Rabohypotheekbank, welke Rabobank-entiteiten na verschillende fusies uiteindelijk verder zijn gegaan onder de naam Rabobank. In de schuldbekentenis die ten grondslag ligt aan lening V en in de fusies daarna is Rabo Groen niet als partij genoemd. Ook in de procedures die hebben geleid tot het arrest van 23 november 2010 is Rabo Groen geen partij. De rechtbank is daarom van oordeel dat Rabo Groen geen schuldeiser is ten aanzien van lening V. De met lening V samenhangende vorderingen zal de rechtbank daarom enkel bespreken ten aanzien van Rabobank.



Gezag van gewijsde





5.44
In artikel 236 lid 1 Rv is bepaald dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben.



Wat is er in de eerdere procedures beslist?





5.45
In het vonnis van 15 februari 2006 is [partij A 1] door de rechtbank veroordeeld om een bedrag van € 992.850,- uit hoofde van lening V te betalen aan Rabobank Denekamp, te vermeerderen met de rente van 5,2% daarover van 1 december 2004 tot de dag van betaling. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.



5.46
Door het gerechtshof is eerst een tussenarrest gewezen op 27 januari 2009. Dit arrest is door partijen niet in deze procedure overgelegd, waardoor de rechtbank de beslissingen van het hof in het tussenarrest niet in haar beoordeling kan betrekken. Nadien heeft het gerechtshof het arrest van 23 november 2010 gewezen. Uit dit arrest volgt dat Rabobank in conventie aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat [partij A 1] zijn verplichtingen uit lening V niet is nagekomen. [partij A 1] heeft als verweer in conventie een beroep gedaan op artikel 6:248 lid 2 BW. Volgens [partij A 1] was het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Rabobank Denekamp lening V van [partij A 1] zou kunnen terugvorderen. In reconventie heeft [partij A 1] een schadevergoeding gevorderd wegens een toerekenbare tekortkoming door Rabobank Denekamp in de nakoming van de verplichtingen uit het convenant.


5.47
In het arrest van 23 november 2010 staan de volgende beslissingen die van belang zijn voor de beoordeling van de vordering van Rabobank ten aanzien van lening V in de huidige procedure:



“2.1 Het hof verwijst en volhardt bij zijn tussenarrest van 27 januari 2009. Zoals daar in rov. 3.4 overwogen, strekte het convenant van 27 juni 2002 tot het ten principale temporiseren van openstaande schulden en het tijdelijk financieren ter overbrugging, zodanig dat in de volgende 18 maanden voldoende financieringsruimte zou ontstaan ter overleving van het assurantiebedrijf, de makelaardij en de vastgoedactiviteiten, alle deel uitmakend van de [bedrijf 1].





2.11

Eind december 2002/begin januari 2003 heeft de bank vervolgens het krediet ingeperkt en betalingsopdrachten niet meer uitgevoerd.




2.20

Als professionele partij en op grond van haar maatschappelijke rol behoorde de bank, gelet op de grote belangen die op het spel stonden, zich tevens de gerechtvaardigde belangen aan te trekken van de [bedrijf 1] en van [partij A 1] als zekerheidsverstrekker in privé, beide partij bij het convenant, en zich rekenschap te geven van de vraag wat voor hen de gevolgen zouden zijn van haar plotselinge kredietinperking en weigering om betalingsopdrachten uit te voeren. De bank behoorde dan ook redelijkerwijs te begrijpen dat haar kredietstop de liquiditeit van de [bedrijf 1] min of meer acuut in gevaar zou brengen, zeker wanneer deze kredietinperking onmiddellijk en niet gefaseerd inging. De conclusie moet zijn dat de bank aldus onder het convenant toerekenbaar is tekortgeschoten jegens partijen daarbij, namelijk de [bedrijf 1] en ook [partij A 1] persoonlijk, en dat zij daarvoor geen rechtvaardigingsgrond had.




2.21

Ter voldoening aan het convenant en de daarbij behorende financieringsrelatie tussen de bank en [partij A 1] had [partij A 1] in privé op 30 september 2002 € 900.000 van de bank geleend en dit bedrag doorgeleend aan de [bedrijf 1]. Na de ontvangst van het bedrag van € 883.042 tegen eind december 2002 heeft de bank de geldkraan dichtgedraaid.




2.22

Bij deze stand van zaken oordeelt het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de bank het door haar gevorderde bedrag van € 900.000 in hoofdsom inclusief rente van [partij A 1] in privé zou kunnen terugvorderen, zij het onder de volgende uitzondering.




2.23

De kredietstop van de bank is mede een gevolg geweest van de aan [partij A 1] toe te rekenen omstandigheid dat hij haar in december 2002 onvoldoende (gefundeerd en gedetailleerd) op de hoogte heeft gehouden van de ontwikkelingen, met name van de betekenis van de opzeggingen door de verzekeraars en de omstandigheden dat hij een nieuwe verzekeraar bereid gevonden had om de posities van de afhakende verzekeraars in te nemen. Naar analogie van artikel 6:101 lid 1 BW oordeelt het hof dat voormelde omstandigheden aan de zijde van [partij A 1] tot de kredietstop hebben bijgedragen voor 30%. Daarom is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de bank in conventie meer zou opvorderen dan 30% van het door haar aan [partij A 1] in privé in het kader van het convenant verstrekte krediet. Aan dit oordeel doet niet af dat onzeker is hoe het de [bedrijf 1] zou zijn vergaan – of zij op een later moment toch zou zijn gefailleerd – indien de bank zich van haar onder 2.20 bedoelde tekortkoming zou hebben onthouden.”



De rechtbank stelt vast dat Rabo Groen geen partij is geweest in de procedures die geleid hebben tot deze beslissingen. In het hierna volgende beperkt de rechtbank zich daarom tot Rabobank. Rabobank, dan wel haar voorgangers, was betrokken bij de procedures.




Is sprake van een nieuw feit?





5.48
In zijn arrest van 18 december 2020 heeft de Hoge Raad bepaald dat bij een beroep op gezag van gewijsde, als bedoeld in artikel 236 Rv, de feiten en omstandigheden die in de eerdere procedure niet ter staving van de gestelde grondslag zijn aangeleverd, in een ander geding niet alsnog in het kader van dezelfde grondslag aan de vordering ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij is niet alleen het dictum van het eerdere vonnis van belang, maar ook de dragende overwegingen daarvan.



5.49
In het hiervoor geciteerde arrest van 23 november 2010 is door het hof reeds geoordeeld dat Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit het convenant jegens onder meer [partij A 1] Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat het daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als Rabobank lening V van [partij A 1] zou kunnen terugvorderen.



5.50
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A 1] verklaard dat hij met het door hem gestelde ‘nieuwe’ feit bekend is geraakt, nadat hij nog een keer alle documentatie heeft doorgenomen. Hieruit leidt de rechtbank af dat dit feit ook tijdens de eerdere procedures aangevoerd had kunnen worden. [partij A 1] had immers bekend kunnen zijn met dit nieuwe feit, aangezien [partij A 1] het heeft ontdekt toen hij alle bestaande documentatie nogmaals heeft doorgenomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het hof reeds heeft geoordeeld over de uitvoering van het convenant en de toerekenbare tekortkoming door Rabobank in de nakoming van het convenant. Gelet op het bepaalde in artikel 236 Rv heeft die beoordeling bindende kracht, waardoor de rechtbank hierover geen beslissing kan geven.



5.51
Dat geldt ook voor de overweging van het gerechtshof dat aan de zijde van [partij A 1] sprake is van eigen schuld, omdat hij Rabobank onvoldoende op de hoogte heeft gehouden over de betekenis van de opzegging door de verzekeraars en de omstandigheid dat [partij A 1] een nieuwe verzekeraar bereid gevonden had om de posities van de afhakende verzekeraars in te nemen. De stellingen van [partij A 1] die erop zien dat het gerechtshof ten onrechte is uitgegaan van dit gegeven, zullen vanwege het gezag van gewijsde van het arrest buiten beschouwing worden gelaten. Ook de rechtbank is gebonden aan hetgeen het gerechtshof hierover eerder heeft beslist. Dit geldt ook voor het oordeel van het gerechtshof dat [partij A 1] nog een bedrag van € 297.855,- uit hoofde van lening V is verschuldigd.



5.52
De rechtbank is dan ook van oordeel dat ten aanzien van deze beslissing van het gerechtshof in het arrest van 23 november 2010 sprake is van gezag van gewijsde en stelt vast dat in de eerdere procedures reeds een oordeel is gegeven over de verplichtingen van [partij A 1] uit hoofde van lening V. Op basis van het arrest van 23 november 2010 is [partij A 1] gehouden om uit hoofde van lening V een bedrag van € 297.855,- aan Rabobank te betalen, te vermeerderen met 5,2% rente per jaar vanaf 1 december 2004 tot aan de dag van volledige voldoening.



5.53
Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat er discussie bestaat of deze vordering reeds is voldaan door [partij A 1]



Beschikt Rabobank nog over een vordering uit hoofde van lening V?





Standpunt [partij A 1]





5.54
Volgens [partij A 1] beschikt Rabobank niet (meer) over een vordering uit hoofde van lening V. Deze vordering stond op 31 maart 2008 en op 23 november 2010 op nihil in de boeken van Rabobank Denekamp. Rabobank Denekamp had [partij A 1] immers gedwongen om met de verkoopopbrengst van het Transportcentrum aan de veroordeling uit het vonnis van 15 februari 2006 te voldoen.



Standpunt Rabobank





5.55
Rabobank voert het volgende aan. Het vonnis van 15 februari 2006 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het bedrag waartoe [partij A 1] is veroordeeld om aan Rabobank te betalen, heeft Rabobank kort na het vonnis ontvangen. Nadat in het arrest van 23 november 2010 het vonnis van 15 februari 2006 is vernietigd, heeft Rabobank op 10 december 2010 een bedrag van € 997.120,88 op de derdengeldenrekening van de advocaat van [partij A 1] gestort. Begin 2011 heeft Rabobank aanvullend het bedrag van € 405.487,26 op de derdengeldenrekening van de advocaat van [partij A 1] voldaan. Daarmee heeft Rabobank het bedrag dat zij op basis van het vonnis van 15 februari 2006 van [partij A 1] heeft ontvangen, volledig terugbetaald inclusief rente.



Het oordeel van de rechtbank over lening V





5.56
In het petitum van het arrest van 23 november 2010 heeft het gerechtshof de volgende beslissing opgenomen:



“Het hof, recht doende in hoger beroep:





Vernietigt het eindvonnis van de rechtbank Almelo van 15 februari 2006, behoudens de veroordeling in conventie tot betaling van het bedrag van € 22.792,86 met de daarbij behorende rente en doet opnieuw recht:





in conventie:





veroordeelt [partij A 1] om aan de bank een bedrag te betalen van € 297.855, vermeerderd met de overeengekomen rente (van 5,2% per jaar) daarover van 1 december 2004 tot de dag van betaling;





verstaat dat deze veroordeling is opgeschort in verband met de veroordeling in reconventie onder de condities als vermeld in rov. 2.25.;





wijst het meer of anders gevorderde af;





5.57
De rechtbank leidt uit het arrest van 23 november 2010 af dat het gerechtshof heeft geoordeeld dat [partij A 1] nog een bedrag van € 297.855,- uit hoofde van lening V moet betalen aan Rabobank. Verder volgt uit het arrest dat het vonnis van 15 februari 2006 is vernietigd. In dit vonnis is ten aanzien van lening V bepaald dat [partij A 1] aan Rabobank Denekamp een bedrag van € 992.850,- moet betalen. Dit betrof de volledige vordering uit hoofde van lening V. [partij A 1] heeft met de opbrengst van het Transportcentrum in augustus 2006 aan het vonnis voldaan. Door deze betaling had Rabobank Denekamp ten tijde van de fusie in maart 2008 geen vordering meer op [partij A 1] uit hoofde van lening V in haar administratie staan. Het gerechtshof heeft het vonnis van 15 februari 2006 in 2010 vernietigd. Nadien heeft Rabobank in twee etappes het op basis van het vonnis van 15 februari 2006 ontvangen bedrag inclusief rente aan [partij A 1] (terug)betaald. Daarbij is van belang dat het gerechtshof heeft geoordeeld dat [partij A 1] uit hoofde van lening V een bedrag van € 297.855,- aan Rabobank moet voldoen. Door het gerechtshof is deze betalingsverplichting opgeschort ter verrekening van een nog vast te stellen vordering uit hoofde van schadevergoeding van [partij A 1] op Rabobank. Uiteindelijk is door de Hoge Raad in het arrest van 18 december 2020 geoordeeld dat [partij A 1] geen schade heeft geleden door het handelen van Rabobank, waardoor [partij A 1] op basis van het arrest van 23 november 2010 verplicht is een bedrag van € 297.855,- te voldoen aan Rabobank.



De rente





5.58
Door Rabobank is een concreet bedrag aan rente gevorderd tot 1 mei 2025 die verschuldigd is over de hoofdsom van lening V. De rechtbank kan de juistheid van dit bedrag niet rijmen met het terecht gestelde en door het hof toegewezen rentepercentage van 5,2% per jaar. Nu de rechtbank het rentebedrag niet exact kan vaststellen, volstaat de rechtbank met toewijzen van het rentepercentage van 5,2 % met ingang van 1 december 2004.



Conclusie lening V





5.59
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de door Rabobank gevraagde verklaring voor recht toewijzen, inhoudende dat [partij A 1] een bedrag van € 297.855,- uit hoofde van lening V verschuldigd is aan Rabobank, vermeerderd met de overeengekomen rente (van 5,2% per jaar) daarover vanaf 1 december 2004.



Lening IV





Standpunt Rabobank





5.60
Volgens Rabobank c.s. resteert er voor lening IV nog een bedrag van € 392.072,-, exclusief rente. Deze lening is sinds het faillissement op 10 april 2003 van Bouwbeheer Nederland B.V., een van de hoofdelijk schuldenaren, opeisbaar geworden. [partij A 1] heeft zich hoofdelijk verbonden voor lening IV, die is gedekt door het hypotheekrecht van 21 november 2001. Ook bij lening IV is Rabohypotheekbank aangemerkt als schuldeiser. Er is dus sprake van een met hypotheek gedekte vordering, waardoor de verjaringstermijn twintig jaren bedraagt. Voor het verstrijken van de termijn hebben Rabobank c.s. de verjaring bij brief van 5 mei 2021, dan wel bij exploot van 11 februari 2022, gestuit, waardoor een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. Ten aanzien van lening IV mag Rabobank c.s. kiezen welke hoofdelijk schuldenaren zij aanspreekt. Rabobank c.s. hebben ervoor gekozen om eerst Bouwbeheer Nederland B.V. aan te spreken en zich op de door haar verstrekte zekerheden te verhalen. Rabobank c.s. hebben daarmee een behoorlijke opbrengst gerealiseerd. De vordering van Rabobank c.s. op Bouwbeheer Nederland B.V. bedroeg bij het aangaan van de financiering namelijk € 1.135.000,- en nu resteert nog een bedrag van € 395.072,-. [partij A 1] heeft als mede hoofdelijk schuldenaar geen belang bij inzage in de opbrengst van de uitgewonnen zekerheden. Daarnaast is [partij A 1] (vertragings)rente en verzuimrente verschuldigd, waardoor de totale vordering uit hoofde van lening IV per 1 mei 2025 € 495.684,39 bedraagt. Per 1 mei 2025 mag dit bedrag worden vermeerderd met de lopende vertragingsrente en verzuimrente die thans 5,8% bedraagt alsmede de kosten.



Standpunt [partij A 1]





5.61

[partij A 1] voert het volgende aan. Lening IV is niet gedekt door een hypotheek, omdat Rabohypotheekbank het convenant niet heeft getekend. De vordering kent daardoor een verjaringstermijn van vijf jaren, waardoor de vordering reeds is verjaard. Daarnaast hebben Rabobank c.s. [partij A 1] geen inzage gegeven in de opbrengst van alle uitgewonnen zakelijke zekerheden. Dit is volgens [partij A 1] wel van belang, omdat de waarde van de zakelijke zekerheden hoger zou zijn dan de totaal openstaande schuld, waardoor de totale schuld bij Rabobank c.s. moet zijn voldaan uit die zekerheden. Daarbij geldt dat Rabobank c.s. eerst de zakelijke zekerheden moet uitwinnen, voordat zij de zekerheden van [partij A 1] mag uitwinnen. Verder voert [partij A 1] aan dat voor lening IV hetzelfde geldt als het gerechtshof Arnhem heeft beslist over lening V. Het is naar maatsteven van redelijkheid en billijkheid onaanvaard indien [partij A 1] gehouden zou zijn een bedrag uit hoofde van lening IV aan Rabobank te voldoen.



Het oordeel van de rechtbank





5.62
Ten tijde van de procedure die heeft geleid tot het arrest van 23 november 2010 was [partij A 1] nog niet als hoofdelijk schuldenaar tot aflossing van (het restant van) lening IV aangesproken door Rabobank c.s. [partij A 1] is hierover bij brief van 5 mei 2021 voor het eerst geïnformeerd. Hieruit leidt de rechtbank af dat [partij A 1] ten tijde van de eerdere procedures, die zijn geëindigd met het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020, niet wist dat hij uit hoofde van lening IV als hoofdelijk schuldenaar zou worden aangesproken tot terugbetaling. Dit heeft tot gevolg dat van [partij A 1] niet verwacht had mogen worden lening IV te betrekken in de eerdere procedures. Weliswaar had [partij A 1] kunnen weten dat hij zich voor lening IV hoofdelijk had verbonden, maar Rabobank c.s. hebben hem tot de brief van 5 mei 2021 niet geïnformeerd over deze lening en de opbrengst van de uitgewonnen zakelijke zekerheden. Er waren, zo blijkt uit de overeenkomst, meerdere schuldenaren, waardoor het voor [partij A 1] onzeker was of en zo ja, voor welk bedrag hij zou worden aangesproken. Bovendien verkeerde [partij A 1] in de veronderstelling dat de andere zekerheden voldoende waarde vertegenwoordigen om lening IV volledig af te lossen.



5.63
De rechtbank is van oordeel dat het arrest van 23 november 2010 wel van belang is voor de beoordeling van de vordering uit hoofde van lening IV, omdat die lening, net als lening V, ook verband houdt met het convenant. Op basis van de afspraken in het convenant heeft [partij A 1] zich hoofdelijk verbonden voor de reeds bestaande lening IV, waardoor de verhaalsmogelijkheden van Rabobank zijn vergroot. Zonder die hoofdelijkheid had Rabobank zich voor lening IV niet kunnen verhalen op het vermogen van [partij A 1], althans op de door hem verstrekte zekerheden.



5.64
In het arrest van 23 november 2010 is geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Rabobank meer dan 30% van [partij A 1] in privé terugvordert ten aanzien van lening V. Enerzijds omdat Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit het convenant door de onmiddellijke kredietstop en anderzijds omdat [partij A 1] de bank onvoldoende heeft geïnformeerd waardoor sprake is van eigen schuld. Gelet op het eerdere oordeel van het gerechtshof, de verbondenheid van lening IV aan het convenant en de vergelijkbare gevolgen van lening IV en V voor de posities van Rabobank (verbetering zekerheden) en [partij A 1] (grotere schuld aan Rabobank waarvoor (deels) zekerheden zijn verstrekt), is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van lening IV naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [partij A 1] meer dan 30% aan Rabobank moet betalen.



5.65
Dit betekent dat [partij A 1] in beginsel verplicht is om 30% van lening IV terug te betalen aan Rabobank.



Is de vordering uit hoofde van lening IV verjaard?





5.66
Bij hypotheekakte van 21 november 2001 (productie 8 bij dagvaarding) hebben [partij A 1] en [partij A 2] een hypotheekrecht gevestigd ten behoeve van onder meer Rabohypotheekbank en Rabobank Oost Twente op onder meer de percelen [adres]. Uit de hypotheekakte volgt dat de hypotheek strekt tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen, onder meer, Rabohypotheekbank en Rabobank Oost Twente blijkens haar administratie te vorderen heeft of zal krijgen van [partij A 1] en/of [partij A 2]. Lening IV is op 17 september 2002 door [partij A 1] als schuldenaar en Rabobank Denekamp en Rabohypotheekbank als schuldeiser gesloten. Dit betekent dat Rabohypotheekbank uit hoofde van lening IV in beginsel een vordering heeft op [partij A 1], welke vordering onder het op 21 november 2001 gevestigde hypotheekrecht valt. Dat Rabohypotheekbank het convenant niet heeft ondertekend doet hieraan niet af. In het convenant (productie 18 bij conclusie van antwoord van [partij A 1] en [partij A 2]) is bepaald dat de onderliggende documenten onderdeel uitmaken van het convenant. Een van die onderliggende documenten is de schuldbekentenis die ten grondslag ligt aan lening IV, waarin Rabohypotheekbank staat vermeld als schuldeiser.



5.67
In artikel 3:323, derde lid, BW is bepaald dat een vordering, waarvoor een hypotheekrecht tot zekerheid strekt, niet verjaart voordat twintig jaren zijn verstreken na de aanvang van de dag volgend op die waarop de hypotheek aan de verbintenis is verbonden. De hypotheek is bij akte van 21 november 2001 gevestigd en lening IV, waarvoor het hypotheekrecht onder meer tot zekerheid dient, is door [partij A 1] aangegaan op 17 september 2002. Dit betekent dat de vordering (uit hoofde van lening IV) op zijn vroegst op 17 september 2002 aan het hypotheekrecht kan zijn verbonden, waardoor de verjaring vanaf 18 september 2002 is gaan lopen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Rabobank c.s. op 5 mei 2021 in een brief aan de advocaat van [partij A 1] en in een later exploot van 11 februari 2022 jegens [partij A 1] nadrukkelijk aanspraak hebben gemaakt op betaling van het bedrag uit hoofde van lening IV. Gelet op het bepaalde in artikel 3:307 BW heeft Rabobank c.s. door deze brief/het exploot de verjaring tijdig gestuit, waardoor er een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering uit hoofde van lening IV niet is verjaard.



5.68
Lening IV is destijds verstrekt door Rabobank Denekamp en Rabohypotheekbank, welke Rabobank-entiteiten na verschillende fusies uiteindelijk verder zijn gegaan onder de naam Rabobank. In het financieringsvoorstel die ten grondslag ligt aan lening V en in de fusies daarna is Rabo Groen niet als partij genoemd. De rechtbank is daarom van oordeel dat Rabo Groen geen schuldeiser is ten aanzien van lening IV. De met lening IV samenhangende vorderingen zal de rechtbank daarom enkel bespreken ten aanzien van Rabobank.



Moet Rabobank eerst alle zakelijke zekerheden uitwinnen?





5.69
In artikel 6:7 BW is bepaald dat indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, de schuldeiser tegenover ieder van recht heeft op nakoming van het geheel.



5.70

[partij A 1] heeft zich samen met andere vennootschappen, waaronder Bouwbeheer Nederland B.V., hoofdelijk verbonden ten aanzien van lening IV. Dit betekent dat Rabobank [partij A 1] kan aanspreken voor de terugbetaling van lening IV, zonder dat Rabobank eerst de andere hoofdelijk schuldenaren aanspreekt. Het is ook niet noodzakelijk dat Rabobank eerst alle zakelijke zekerheden uitwint, voordat de door [partij A 1] gestelde zekerheden uitwint. [partij A 1] heeft zich immers in privé verbonden als hoofdelijk schuldenaar.



Moet Rabobank inzage geven in de uitgewonnen zekerheden?





5.71
Op lening IV is reeds afgelost, waardoor volgens Rabobank c.s. nog een bedrag van € 395.072,- resteert. [partij A 1] voert aan dat hij de omvang van de vordering niet kan beoordelen, althans dat lening IV op basis van de gestelde zekerheden door de andere schuldenaren volledig had kunnen worden afgelost. Om dat te beoordelen wenst [partij A 1] graag inzage in de opbrengst van de zekerheden. Rabobank c.s. heeft gesteld dat zij de gevraagde informatie niet kan verstrekken, omdat zij door het verstrijken van de tijd niet meer over de administratie beschikt aangaande de uitgewonnen zekerheden. Naar het oordeel van de rechtbank komt het ontbreken van de administratie voor rekening en risico van Rabobank c.s. Uit de stellingen van Rabobank c.s. volgt dat zij zekerheden heeft uitgewonnen. [partij A 1] heeft gemotiveerd aangevoerd dat aan de hand van de gestelde zekerheden de vordering uit hoofde van lening IV volledig afgelost had kunnen zijn. Het is vervolgens aan Rabobank c.s. om aan te tonen dat de zekerheden minder hebben opgebracht dan verwacht. Daar komt bij dat Rabobank c.s. pas bij brief van 5 mei 2021 [partij A 1] voor het eerst heeft geïnformeerd dat hij wordt aangesproken tot terugbetaling van lening IV, waardoor van [partij A 1] niet had mogen worden verwacht dat hij eerder de (hoogte van de) vordering zou betwisten en de gevraagde informatie zou opvragen.



Conclusie lening IV





5.72
Nu Rabobank ten aanzien van deze vordering niet heeft toegelicht welke zekerheden zij heeft uitgewonnen en wat de opbrengst daarvan is geweest, kan de rechtbank niet vaststellen in hoeverre Rabobank nog een vordering heeft uit hoofde van lening IV. De rechtbank zal de door Rabobank c.s. gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van lening IV dan ook afwijzen. Dit heeft tot gevolg dat de overige vorderingen en verweren verband houdend met lening IV geen bespreking meer behoeven.



Bankrekeningen van [partij A 1] en/of [partij A 2] met debet en creditstanden





Standpunt Rabobank c.s.





5.73
Rabobank c.s. vorderen van [partij A 1] en [partij A 2] een bedrag van € 123,57 en stellen daartoe dat [partij A 1] en [partij A 2] vanwege roodstanden op ‘sommige’ bankrekeningen nog enkele bedragen aan Rabobank c.s. zijn verschuldigd. Deze bedragen worden verrekend met het creditsaldo. Rabobank c.s. verwijzen hiervoor naar productie 2 bij dagvaarding.



Het oordeel van de rechtbank





5.74
Hoewel Rabobank c.s. niet concreet hebben gesteld welke bankrekeningen zij bedoelen mee te nemen in hun vordering, leidt de rechtbank uit productie 2 bij dagvaarding voor de gezamenlijke rekening van [partij A 1] en [partij A 2] af dat er ten aanzien van rekeningnummer eindigend op .823 sprake is van een debetsaldo van € 54,11 en op rekeningnummer eindigend op .478 van een debetsaldo van € 69,46 (gezamenlijk € 123,57). De rechtbank gaat er vanuit dat Rabobank c.s. de vordering op deze twee bankrekeningen baseert. Uit het overzicht van productie 2 blijkt verder dat rekeningnummers eindigend op .235 en .404 een creditsaldo hebben van respectievelijk € 2.047,50 en € 4.20. Het creditsaldo is daarmee hoger dan het debetsaldo. Door Rabobank is niet gesteld dat zij het creditsaldo reeds heeft verwerkt in één van haar vorderingen. De rechtbank kan daardoor niet uitsluiten dat het creditsaldo nog in mindering kan worden gebracht op het debetsaldo, waardoor de juistheid van de stellingen van Rabobank c.s. niet kan komen vast te staan. De rechtbank zal daarom de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de debetstanden afwijzen.



Vorderingen uit hoofde van proceskostenveroordelingen





Standpunt Rabobank c.s.





5.75
Rabobank c.s. stellen dat zij meerdere vorderingen op [partij A 1] hebben uit hoofde van proceskostenveroordelingen uit eerdere procedures. Volgens Rabobank gaat het om een totaalbedrag van € 158.157,88 inclusief rente tot 1 mei 2025, vanaf 1 mei 2025 te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter onderbouwing van deze vorderingen (allen opgenomen in productie 32 bij dagvaarding) verwijst Rabobank naar het vonnis van de rechtbank Almelo van 7 januari 2015, het arrest van 9 juli 2019 en het arrest van 18 december 2020. Verder stelt Rabobank dat zij een vordering heeft op [partij A 1] en [partij A 2] uit hoofde van proceskostenveroordelingen uit eerdere procedures. Na verrekening stelt Rabobank nog een bedrag van € 527,07 te vorderen te hebben van [partij A 1] en [partij A 2], vanaf 1 mei 2025 te vermeerderen met de wettelijke rente. In het vonnis in kort geding van 10 maart 2022 zijn [partij A 1] en [partij A 2] veroordeeld in de proceskosten van € 1.819,- te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan. In een vonnis van 4 april 2022 is Rabobank veroordeeld om een bedrag van € 1.330,- uit hoofde van proceskosten aan [partij A 1] en [partij A 2] te betalen. Rabobank stelt zich op verrekening te hebben beroepen, waarna er nog een vordering voor Rabobank resteert van € 527,07.



Standpunt [partij A 1] en [partij A 2]





5.76

[partij A 1] en [partij A 2] hebben geen verweer gevoerd tegen deze vorderingen.



Het oordeel van de rechtbank





5.77
De rechtbank stelt vast dat de door Rabobank c.s. genoemde bedragen inderdaad volgen uit de door Rabobank c.s. aangevoerde uitspraken. Uit het vonnis van de rechtbank Almelo van 7 januari 2015 en het arrest van 9 juli 2019 volgt echter niet dat er wettelijke rente is toegewezen over de proceskostenveroordeling. Door Rabobank is niet gesteld dat zij [partij A 1] een termijn hebben gesteld om aan deze kostenveroordeling te voldoen en dat [partij A 1] vervolgens de wettelijke rente verschuldigd is geraakt doordat hij niet aan zijn betalingsverplichting voldoet. De rechtbank zal daarom de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van het vonnis van 7 januari 2015 en het arrest van 9 juli 2019 toewijzen voor zover zij ziet op de proceskostenveroordeling voor een bedrag van (€ 3.621,- + € 61.407,50 + € 22.477,- + € 5.160,- + € 19.253,50) € 111.919,- en afwijzen ten aanzien van de gevorderde rente.



5.78
In het arrest van 18 december 2020 is de wettelijke rente toegewezen over de proceskosten ten bedrage van (€ 6.802,34 + € 2.200,-) € 9.002,43, indien [partij A 1] niet binnen veertien dagen na het arrest aan de proceskostenveroordeling heeft voldaan. Uit productie 2 bij dagvaarding volgt dat Rabobank c.s. vanaf 22 januari 2021 de wettelijke rente berekenen over de proceskosten, waardoor de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht zal toewijzen voor zowel het bedrag als de rente.



5.79
Ten aanzien van de vorderingen uit hoofde van proceskosten tussen enerzijds Rabobank en anderzijds [partij A 1] en [partij A 2] heeft Rabobank gesteld dat na verrekening een bedrag van € 527,07 resteert. [partij A 1] en [partij A 2] hebben hiertegen geen verweer gevoerd, waardoor de rechtbank deze vordering zal toewijzen.



Veilingkosten





Standpunt Rabobank c.s.





5.80
Rabobank c.s. stellen dat [partij A 1] en [partij A 2] gehouden zijn om de kosten van de veiling op 14 maart 2022 te voldoen. Rabobank c.s. zijn overgegaan tot veiling van een deel van de oorspronkelijk door [partij A 1] en [partij A 2] verhypothekeerde zaken om voldoening van haar vorderingen te verkrijgen. De veilingkosten bedragen € 64.345,98. In geval van parate executie kunnen Rabobank c.s. op grond van de wet aanspraak maken op deze kosten.



Standpunt [partij A 1] en [partij A 2]





5.81

[partij A 1] en [partij A 2] voeren aan dat de gevorderde veilingkosten niet kunnen worden toegewezen, omdat Rabobank c.s. geen vordering hebben op [partij A 1] die onder een hypotheekrecht uitgewonnen kan worden. Rabobank c.s. dienen zelf deze kosten te dragen.



Het oordeel van de rechtbank





5.82
In artikel 3:270 BW is bepaald dat de kosten van de executie uit de koopprijs worden voldaan. De koper voldoet de koopprijs aan de notaris en de notaris betaalt hieruit als eerste de kosten van de executie, waaronder begrepen de veilingkosten.



5.83
De veiling op 14 maart 2022 is niet doorgegaan, omdat Rabobank c.s. op basis van het hoogste bod zelf heeft besloten om niet tot gunning over te gaan. Dit betekent dat er geen verkoop heeft plaatsgevonden en evenmin een koopprijs is betaald. De kosten van executie kunnen daarmee ook niet worden voldaan uit de opbrengst. Uit niets blijkt dat deze kosten dan voor rekening van [partij A 1] en [partij A 2] moeten komen. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de kosten van executie dan ook afwijzen.



Buitengerechtelijke incassokosten





Standpunt Rabobank c.s.





5.84
Rabobank c.s. vorderen 10% van het totaalbedrag dat [partij A 1] en [partij A 2] verschuldigd zijn uit hoofde van lening I, II, III, IV en V. De vordering hebben Rabobank c.s. gebaseerd op artikel 24 van de Algemene Voorwaarden rekening-courant van de Rabobankorganisatie 2001.



Standpunt [partij A 1] en [partij A 2]





5.85

[partij A 1] en [partij A 2] voeren aan dat het door Rabobank c.s. gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten in strijd is met het Besluit vergoeding Buitengerechtelijke incassokosten.



Het oordeel van de rechtbank





5.86
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen de toepasselijkheid van de Algemene Voorwaarden rekening-courant van de Rabobankorganisatie 2001 (productie 35 bij dagvaarding) niet ter discussie staat ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten. In artikel 24 van die algemene voorwaarden is bepaald dat alle kosten waartoe de rekening-courantovereenkomst en/of een kredietfaciliteit en de daardoor te stellen of gestelde zekerheden aanleiding geven, voor rekening zijn van de rekeninghouder, in dit geval [partij A 1] en [partij A 2]. Verder is bepaald dat de buitengerechtelijke incassokosten 10% bedragen van het te incasseren bedrag.



5.87
Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [partij A 1] en [partij A 2] nog een bedrag van (in hoofdsom lening I € 188.914,24, lening II € 22.810,50, lening III € 1.170.763,53) € 1.382.488,27 aan Rabobank verschuldigd zijn. Op basis van de algemene voorwaarden maakt Rabobank aanspraak op een bedrag van 10% van de aan Rabobank verschuldigde hoofdsom, hetgeen zou resulteren in een bedrag van € 138.248,83 aan buitengerechtelijke incassokosten. Echter, aan de vordering van Rabobank uit hoofde van de buitengerechtelijke kosten liggen leningen I, II, III ten grondslag. Rabobank heeft in deze procedure benadrukt dat de financieringsrelaties tussen [partij A 1] en [partij A 2] en Rabobank tot de privésfeer behoren. De rechtbank is daarom van oordeel dat [partij A 1] en [partij A 2] moeten worden aangemerkt als consument in de zin van artikel 7:57 BW. Dit betekent dat het besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten dwingend recht bevat en dat daarvan in de algemene voorwaarde niet ten nadele van de consument mag worden afgeweken. Op basis van het besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten heeft Rabobank recht op de maximale vergoeding van € 6.775,-. Dit bedrag ligt lager dan het bedrag waarop de Rabobank op basis van de algemene voorwaarden recht zou hebben. De rechtbank zal daarom de gevorderde verklaring voor recht tot het bedrag van € 6.775,- toewijzen en voor het overige afwijzen.



Conclusie ten aanzien van de vorderingen van Rabobank c.s. op [partij A 1] en/of [partij A 2]





5.88
Op basis van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat Rabobank de volgende vorderingen heeft op [partij A 1] en [partij A 2]:


- lening I € 188.914,24;
- lening II € 22.810,50;
- lening III € 1.170.763,53;
- uit hoofde van proceskostenveroordelingen een bedrag van € 527,07
- uit hoofde van de buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 6.775,-.



Daarnaast heeft Rabobank de volgende vorderingen op [partij A 1]:



- lening V € 297.855,-, te vermeerderen met de overeengekomen rente (van 5,2% per jaar) daarover vanaf 1 december 2004;
- uit hoofde van proceskostenveroordelingen een bedrag van € 120.921,43, waarvan een bedrag van € 9.002,43 vanaf 22 januari 2001 mag worden verhoogd met de wettelijke rente.




5.89
Nu de rechtbank heeft vastgesteld welke bedragen [partij A 1] en/of [partij A 2] nog verschuldigd zijn aan Rabobank, zal de rechtbank hierna beoordelen welke van deze vorderingen door het hypotheekrecht van 21 november 2001 zijn gedekt.



Welke vorderingen vallen onder het hypotheekrecht?





Standpunt van Rabobank c.s.





5.90
Rabobank c.s. stellen dat Rabohypotheekbank te allen tijde hoofdelijk schuldeiser en hypotheekhouder bij alle financieringen en gevestigde hypotheekrechten is geweest (ongeacht door welke Rabobank entiteit de financiering mede werd verstrekt). Rabohypotheekbank kan op grond van de hypotheekakte van 21 november 2001 de daarin opgenomen zekerheden uitwinnen ten behoeve van al hetgeen Rabohypotheekbank te vorderen heeft van [partij A 1] en/of [partij A 2]. Na de fusie op 30 november 2018 zijn alle rechten van Rabohypotheekbank onder algemene titel overgegaan naar Rabobank. Rabobank c.s. vragen een verklaring voor recht dat haar vorderingen op [partij A 1] en [partij A 2] tot een maximum van € 3.000.000,- (hoofdsom) en € 1.050.000,- (rente en kosten) onder het hypotheekrecht van 21 november 2001 verhaald kunnen worden.




Standpunt van [partij A 1] en [partij A 2]





5.91

[partij A 1] en [partij A 2] betwisten dat Rabobank c.s. een vordering op [partij A 1] en/of [partij A 2] hebben die onder een (nog bestaande) hypotheek kan worden uitgewonnen. [partij A 1] en [partij A 2] voeren hiertoe het volgende aan. Op 21 juni 2001 sluiten de [bedrijf 1] en Rabobank Denekamp een integrale financieringsovereenkomst onder non recourse, waardoor [partij A 1] en [partij A 2] niet zijn mee verbonden voor de zakelijke financiering. Rabohypotheekbank was bij deze financiering niet betrokken. Bij een eventuele uitwinning kan Rabobank zich alleen verhalen op zekerheden die zijn verstrekt door de verbonden ondernemingen. Nadien hebben [partij A 1] en [partij A 2] met Rabobank Oost Twente de privé financieringen geherstructureerd om onder meer boerderij ‘De Duivelshof’ te kunnen financieren, hetgeen heeft geresulteerd in lening III. Bij deze financiering was Rabohypotheekbank ook betrokken als schuldeiser. Ter zekerheid van nakoming is een eerste recht van hypotheek op onder meer de percelen [adres] gevestigd en zou een tweede recht van hypotheek op het Transportcentrum kunnen worden gevestigd. Op die manier zouden [partij A 1] en [partij A 2] op een gunstig moment met de verkoop van het Transportcentrum de privéleningen kunnen aflossen. Verder voeren [partij A 1] en [partij A 2] aan dat gelet op de omstandigheden van het geval Rabobank c.s. in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelen als zij de borg aanspreken zonder eerst een poging te hebben gedaan die andere zekerheden uit te winnen. Volgens [partij A 1] en [partij A 2] moeten Rabobank c.s. daarom eerst aantonen dat zij een reële poging hebben ondernomen om alle gevestigde zakelijke zekerheden uit te winnen en tot welke opbrengst dat heeft geleid.



Het oordeel van de rechtbank





5.92
De rechtbank stelt het volgende vast.


In de schuldbekentenis die ten grondslag ligt aan lening I staat het volgende opgenomen:




‘Alle rechten, bevoegdheden en verplichtingen voor de bank uit de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde voorwaarden voortvloeiende kunnen hoofdelijk worden uitgeoefend door respectievelijk geldend gemaakt worden jegens de Rabohypotheekbank N.V., gevestigd te Amsterdam, namens welke vennootschap de bank mede als gevolmachtigde de overeenkomst ondertekent.’




Deze passage is ook opgenomen in de schuldbekentenissen die ten grondslag liggen aan lening II en lening III. Dit betekent dat Rabohypotheekbank als schuldeiser moet worden aangemerkt bij lening I, lening II, en lening III.




5.93
In de hypotheekakte van 21 november 2001 zijn als hypotheekgevers [partij A 1] en [partij A 2] opgenomen. Rabohypotheekbank, Rabo Groen, Rabobank Tante Agaath B.V., Rabobank Tante Agaath Plus B.V. en Rabobank Oost Twente staan als hypotheekhouder vermeld. Verder leidt de rechtbank uit de hypotheekakte af dat een zogenaamde bankhypotheek is verstrekt en daarom zekerheid biedt voor bestaande en nog te verstrekken financieringen. Door de vestiging van de bankhypotheek beschikt Rabobank na de vestiging van de hypotheek op 21 november 2001 over een zekerheidsrecht ten behoeve van lening I, II en III.



5.94
Nadien zijn lening IV en lening V verstrekt door Rabobank Denekamp en Rabohypotheekbank. Anders dan [partij A 1] en [partij A 2] aanvoeren doet hieraan niet af dat Rabobankhypotheek geen partij is bij de financieringsovereenkomst van 21 juni 2001 met de [bedrijf 1], waarbij tussen partijen een non-recourse afspraak is gemaakt. De hypotheekakte van 21 november 2001 en de financieringsovereenkomsten in 2002 (lening IV en V) zijn bedoeld om een (aanvullende) financiering aan te trekken en daarvoor heeft [partij A 1] zich in privé (mee) verbonden. Door het aangaan van lening IV en V, waarbij Rabohypotheekbank schuldeiser is, heeft [partij A 1] aanvaard dat deze vorderingen worden gedekt door het hypotheekrecht van 21 november 2001. Aan deze zekerheid doet evenmin af dat [partij A 1] en [partij A 2] aanvankelijk een ander plan (aflossing van privé financieringen) hadden met de vestiging van het hypotheekrecht. Door gewijzigde omstandigheden binnen de [bedrijf 1] heeft [partij A 1] zich genoodzaakt gezien om in privé (aanvullende) zekerheden te verstrekken aan Rabobank c.s.



5.95
Bij lening I tot en met V is Rabohypotheekbank naast een andere Rabobank-entiteit hoofdelijk schuldeiser. De rechtbank vat het verweer van [partij A 1] en [partij A 2] dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is als Rabobank niet eerst de zakelijke zekerheden uitwint op als een beroep op artikel 3:234 BW. Anders dan de borg (artikel 7:855 BW) is (ook) in geval van een (derden)hypotheek geen sprake van een subsidiair karakter. Wel heeft de wetgever in artikel 3:234 BW bepaald dat als voor eenzelfde vordering zowel goederen van de schuldenaar als van de derde zijn verpand of verhypothekeerd, de derde kan verlangen dat die van de schuldenaar mede in de verkoop worden begrepen en als eerst worden verkocht. [partij A 1] en [partij A 2] zijn in dit geval de schuldenaren van de leningen en niet de derde die een hypotheekrecht heeft verstrekt. Gelet op de positie van [partij A 1] en [partij A 2] is de rechtbank van oordeel dat zij geen beroep kunnen doen op het bepaalde in artikel 3:234 BW.



Kan Rabo Groen Bank het hypotheekrecht uitwinnen?





5.96
Rabobank c.s. vorderen ook ten aanzien van Rabo Groen een verklaring voor recht dat de bedragen van lening I tot en met V onder het hypotheekrecht verhaald kunnen worden. Zonder nadere motivering van Rabobank c.s., die ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen dat Rabo Groen schuldeiser is ten aanzien van een van de leningen. Nu de rechtbank dit niet kan vaststellen, zal de rechtbank de gevorderde verklaringen voor recht ten aanzien van Rabo Groen afwijzen.



Conclusie: voor welke vorderingen biedt het hypotheekrecht dekking





5.97
Op basis van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het hypotheekrecht zoals is gevestigd bij de akte van 21 november 2001 dekking biedt voor hetgeen Rabobank heeft te vorderen uit hoofde van lening I tot en met V als hoofdsom € 1.680.343,27 (waarbij Rabobank binnen het maximum van € 3.000.000,- blijft), gedeeltelijk te vermeerderen met de rente, alsmede de proceskosten van € 121.448,50.




Hebben [partij A 1] en/of [partij A 2] nog een vordering op Rabobank? (vordering in reconventie)





5.98

[partij A 1] en [partij A 2] stellen dat zij – na verrekening - nog een vordering hebben op Rabobank van € 883.042,- te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 31 maart 2008 tot aan de dag van betaling. [partij A 1] en [partij A 2] vorderen Rabobank te veroordelen om een bedrag van € 810.998,32 aan hen te voldoen. Ter onderbouwing van hun stellingen verwijzen [partij A 1] en [partij A 2] naar onderstaand overzicht (productie 35 bij conclusie van antwoord).



Verrekening vorderingen partijen per 31 maart 2008 datum fusie.





datum rekening bron zekerheid productie bedrag










Vorderingen uit administratie bank














31.12.08


1.303.949.962


bank afschrift


le hypotheek


B



€
1.194.000,00





11.01.08


1.303.973.510


bank afschrift


le hypotheek


A


€ 272.268,13




16.10.17


1.303.973.510


interpolis doe.


verp.polis


C


€ 178.216,73




31.03.08


1.303.918.846


bank afschrift


1e hypotheek


D



€43.337,17




















€ 1.331.388,57





Vorderingen Njjhuis_





01.08.06


1.303.949.962


Notaris afr.


reg.goed TCT


F


€ 1.120.790,82







01.03.08


wettelijke


rente









€ 104.884,69























€ 1.234.111,70


€ 1.234.111,70




28.12.02


1272.22.774


MvA gedaagde


convenant





€ 883.042,00







31.03.08


wettelijke


rente


convenant






€25.233,19























€ 908.275,19



€ 908.275,19





Te vorderen door [partij A 1] excl. Creditrekeningen en beslag en schade.





€ 810.998,32




18-9-2025 wettelijke rente






€ 622.096,67





na verrekening te ontvangen door [partij A 1]






€ 1.433.094,99










5.99
Rabobank betwist dat zij nog een bedrag verschuldigd is aan [partij A 1] en [partij A 2]. Ter onderbouwing verwijst Rabobank naar het door haar als productie 2 bij dagvaarding overgelegde overzicht. Volgens Rabobank is het hiervoor weergegeven overzicht van [partij A 1] en [partij A 2] gebaseerd op vele onjuiste en niet onderbouwde stellingen en is het overzicht onhoudbaar.


5.100 De rechtbank stelt vast dat de bedragen die door [partij A 1] en [partij A 2] in het overzicht zijn opgenomen, betrekking hebben op leningen I tot en met V. Uit het overzicht blijkt verder dat [partij A 1] en [partij A 2] ten aanzien van lening I, II en III van mening zijn dat zij nog een bedrag verschuldigd zijn aan Rabobank en dat zij uit hoofde van lening IV en V, nog een vordering hebben op Rabobank, waarbij de standpunten van [partij A 1] en/of [partij A 2] zijn betrokken. De rechtbank heeft hiervoor reeds gemotiveerd een oordeel gevormd over lening I tot V, en daarbij de stellingen van [partij A 1] en [partij A 2] betrokken die aan de door hen gestelde vordering ten grondslag liggen. Op basis daarvan is de rechtbank van oordeel dat [partij A 1] en [partij A 2] niet (meer) beschikken over een vordering op Rabobank. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit verweer van [partij A 1] en [partij A 2] en zal hun vordering in reconventie afwijzen.




In conventie ten aanzien van Rabobank jegens [partij B]




5.101 In het arrest van 28 maart 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat het hypotheekrecht van 21 november 2001 mede de percelen [adres] omvat. In de onderhavige procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat Rabobank uit hoofde van lening I tot en met V een vordering heeft op [partij A 1] en [partij A 2] van in hoofdsom € 1.680.343,21 en dat deze vorderingen onder het hypotheekrecht vallen. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat Rabo Groen niet over een vordering beschikt die gedekt wordt door het hypotheekrecht, waardoor de rechtbank in het navolgende enkel nog Rabobank zal noemen.



5.102 Dit betekent dat Rabobank bevoegd is het hypotheekrecht op de percelen [adres] te executeren.




Standpunt Rabobank




5.103 Rabobank wenst haar hypotheekrecht te executeren en vordert daarom dat [partij B] de executie van het hypotheekrecht moet gehengen en gedogen, waarbij het [partij B] zal zijn toegestaan bij de executie voor zijn rechten op te komen. Volgens Rabobank doet [partij B] er alles aan om te voorkomen dat Rabobank krachtens haar hypotheekrecht verhaal kan nemen. Dit heeft geresulteerd in veel procedures. Nu in deze procedure is komen vast te staan welke vorderingen Rabobank op [partij A 1] en/of [partij A 2] heeft en welke vorderingen onder het hypotheekrecht van 21 november 2001 vallen, heeft Rabobank er belang bij dat [partij B] wordt veroordeeld om de executie van het hypotheekrecht te gehengen en te gedogen. Volgens Rabobank maakt [partij B] misbruik van procesrecht door steeds opnieuw procedures te starten.




Standpunt [partij B]




5.104 [partij B] voert verweer. Volgens [partij B] heeft Rabobank geen belang bij haar vordering, omdat zij op basis van de wet al het recht heeft om het hypotheekrecht te executeren. De vordering van Rabobank leidt tot een procedeerverbod. Een dergelijk verbod is in strijd met artikel 6 EVRM. Een dergelijk verbod kan alleen in uitzonderlijke situaties worden toegewezen en die situaties doen zich hier niet voor. Bovendien wordt op deze manier afbreuk gedaan aan de wettelijke waarborgen van [partij B] en wordt aan [partij B] het fundamentele recht op lossing afgenomen.




Het oordeel van de rechtbank




5.105 Nu [partij A 1] en [partij A 2] in verzuim verkeren ten aanzien van de nakoming van hun verplichtingen jegens Rabobank, komt aan Rabobank het recht van parate executie toe, als bedoeld in artikel 3:268 BW. Dit betekent dat Rabobank zonder executoriale titel tot executie van de verhypothekeerde goed kan overgaan. Om tot verkoop van de percelen [adres] over te gaan heeft de Rabobank dus geen toestemming van de rechtbank nodig.



5.106 De rechtbank begrijpt de vordering, ondanks de eiswijziging tijdens de mondelinge behandeling, van Rabobank aldus dat zij feitelijk tegen [partij B] een toekomstig procedeerverbod vordert ten behoeve van de executie van het hypotheekrecht op de percelen [adres].



5.107 De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vorderingen voorop dat een onbelemmerde toegang tot de rechter tot de grondbeginselen van de rechtstaat behoort en is vastgelegd in artikel 17 van de Grondwet en in verdragen. In de lagere rechtspraak is een procedeerverbod dan ook slechts sporadisch toegewezen onder uitzonderlijke omstandigheden die als hoofdthema’s hebben juridische kansloosheid waardoor de bevoegdheid om te procederen wordt misbruikt (artikel 3:13 BW) en/of juridische stalking waarbij er systematisch onrechtmatig procedures worden ingesteld. De Hoge Raad heeft nog niet beslist over de vraag of een toekomstig procedeerverbod mogelijk is.



5.108 Een beroep op misbruik van bevoegdheid/onrechtmatige daad door het instellen van een procedure is wel bij de Hoge Raad aan de orde geweest in het kader van de procedure zelf, niet in het kader van een procedeerverbod voor toekomstige procedures. In dat verband heeft de Hoge Raad overwogen dat van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht tot toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Het recht op toegang tot de rechter is niet absoluut. Dit recht op toegang tot de rechter mag worden beperkt zonder dat dit in strijd is met artikel 6 EVRM, indien de beperkingen in essentie het recht op toegang tot de rechter niet schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn.



5.109 Door Rabobank is, gezien voornoemd kader, onvoldoende gesteld dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Het enkele feit dat [partij B] over het hypotheekrecht meerdere procedures is gestart tegen Rabobank is daarvoor onvoldoende. De rechtbank zal de vordering van Rabobank dan ook afwijzen.




In reconventie ten aanzien van [partij B] jegens Rabobank





Standpunt [partij B]




5.110 Volgens [partij B] kan de lossing van het hypotheekrecht op basis van artikel 3:269 BW ook plaatsvinden tegen executiewaarde. In dat geval komt de hypotheekhouder niet in een slechtere positie te verkeren dan het geval bij een executie, omdat voor Rabobank op die manier hetzelfde resultaat wordt bereikt. [partij B] wil het hypotheekrecht lossen op basis van een in opdracht van [partij B] door een makelaar getaxeerde executiewaarde. Het door het gerechtshof Amsterdam in het arrest van 11 maart 2025 (herstelarrest 25 maart 2025) bepaalde stadium is bereikt. Bovendien ziet Rabobank zich anders opnieuw geconfronteerd met de hoge kosten die gepaard gaan met een nieuwe executieveiling. Als lossing tegen de getaxeerde executieveiling niet mogelijk is, dan wil [partij B] lossen tegen het hoogste bod op de executieveiling. Door te lossen tegen het hoogste bod wordt de veiling voortijdig beëindigd. Het moment van gunnen is voor de executiewaarde niet bepalend, die blijkt immers al uit het hoogste bod. Daarbij speelt mee dat lossing na de gunning niet meer kan plaatsvinden.




Standpunt Rabobank




5.111 Rabobank voert aan dat op de vorderingen die [partij B] heeft ingesteld, reeds in kort geding en in een bodemprocedure is beslist. In het arrest van 11 maart 2025 (herstelarrest 25 maart 2025) heeft het gerechtshof Amsterdam bepaald dat lossing tegen ofwel het hoogste bod ter veiling vermeerderd met de veilingkosten (welk bod door Rabobank niet is geaccepteerd) ofwel tegen een via een door het gerechtshof benoemde deskundige getaxeerde waarde ofwel tegen een door een eigen makelaar van [partij B] eenzijdige bepaalde executiewaarde niet mogelijk is. Het arrest van 11 maart 2025 (en ook het herstelarrest van 25 maart 2025) heeft gezag van gewijsde gekregen, nu partijen geen cassatie hebben ingesteld tegen het arrest. Rabobank doet een beroep op dat gezag van gewijsde. Dit betekent dat [partij B] de in die arresten genomen beslissingen over de lossing niet opnieuw aan de orde kan stellen. Maar ook zonder dit gezag van gewijsde, zou de rechtbank moeten oordelen dat [partij B] niet kan lossen tegen de door hem bepleite taxatiewaarde of het hoogste bod ter veiling vermeerderd met de executiekosten. Lossing is slechts mogelijk tegen betaling van objectieve bedragen (de gehele vordering van de hypotheekhouder waarvoor het zekerheidsrecht gevestigd is of het maximumbedrag waarvoor het zekerheidsrecht gevestigd is). Als het om een bankhypotheek gaat, dan is voldoening van de uitstaande schuld tot het maximumbedrag waarvoor de hypotheek gevestigd is alsmede van de rente en kosten voldoende om uitwinning van het hypotheekrecht tegen te houden.




Het oordeel van de rechtbank




5.112 In artikel 3:269 BW is bepaald dat tot op het tijdstip van de toewijzing ter veiling of van de goedkeuring door de voorzieningenrechter voor de onderhandse verkoop de verkoop kan worden voorkomen door voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt, alsmede van de reeds gemaakte kosten van executie (lossing).



5.113 [partij B] heeft reeds eerder een procedure gevoerd tegen de Rabobank, waarbij een beroep op artikel 3:269 BW centraal stond. Deze procedure is geëindigd met het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2025 (herstelarrest van 25 maart 2025). Tegen dit arrest is door geen van partijen cassatie ingesteld, waardoor aan deze beslissingen van het hof gezag van gewijsde toekomt (artikel 236 Rv). Bij de beoordeling van de onderhavige vordering is de rechtbank in zoverre gebonden aan de beslissingen uit het arrest van 11 maart 2025 (herstelarrest van 25 maart 2025) van het gerechtshof Amsterdam.



5.114 In dit arrest heeft het gerechtshof ten aanzien van artikel 3:269 BW, voor zover van belang, het volgende opgemerkt:




‘Artikel 3:269 BW regelt (ter bescherming van de geëxecuteerde) dat en tot welk moment uitwinning kan worden voorkomen door betaling van “hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt” (lossing). (…) In de literatuur wordt daarnaast vrij algemeen aangenomen dat de bepaling redelijkerwijs zo moet worden (uitgelegd en) toegepast dat lossing ook mogelijk is door betaling van de executiewaarde (wat de hypotheekhouder “uit het goed kan verkrijgen”). Over de vraag hoe de executiewaarde moet worden bepaald, en wanneer deze vaststaat, heerst verdeeldheid. In het onderhavige geval heeft Rabobank c.s. in artikel 9 van de door haar gehanteerde veilingvoorwaarden (De Algemene Veilingvoorwaarde met internetbieden 2015 (AVVI 2015), zoals weergegeven onder 2.11 opgenomen dat de koopovereenkomst tot stand komt door de gunning, dat Rabobank c.s. gedurende de termijn van beraad (vijf werkdagen na de dag van de veilingperiode) het recht heeft te gunnen, niet te gunnen of zich omtrent het al of niet gunnen te beraden en dat indien Rabobank c.s. zich binnen deze termijn niet heeft uitgesproken omtrent het al of niet gunnen, zij wordt geacht niet te hebben gegund. (…)

Het hof is van oordeel dat de houder van een derdenhypotheek die niet wenst te gunnen (in beginsel) niet kan worden gedwongen door het hem te laag bevonden bedrag wel te aanvaarden als het ter lossing wordt betaald door (of namens) de geëxecuteerde). Ook jegens degene die wil lossen is het hoogste bod op de door de hypotheekhouder geëntameerde veiling niet bindend of bepalend voor wat de hypotheekhouder “uit het goed kan verkrijgen”. (…)

In dit geval kan niet tegen het hoogste bod ter veiling (vermeerderd met de veilingkosten) worden gelost. Dat kan naar het oordeel van het hof (in dit stadium) in evenmin tegen een door het hof te benoemen deskundige getaxeerde waarde van vier percelen die Rabobank c.s. in veiling heeft gebracht, en al helemaal niet tegen de door de eigen makelaar van [partij A 1] eenzijdig bepaalde executiewaarde.




5.115 De rechtbank stelt vast dat het gerechtshof reeds heeft geoordeeld dat lossing van het hypotheekrecht kan plaatsvinden tegen betaling van de executiewaarde. Ten aanzien van de vaststelling van de executiewaarde heeft het gerechtshof geoordeeld dat de executiewaarde niet kan worden bepaald tegen een door de eigen makelaar van [partij B] eenzijdig bepaalde executiewaarde. Die beslissing van het gerechtshof heeft voor de rechtbank bindende kracht, waardoor de rechtbank de primaire vordering van [partij B] zal afwijzen. De primaire vordering van [partij B] is immers gebaseerd op de eenzijdig bepaalde executiewaarde door een taxateur. Rabobank ofwel door Rabobank in te schakelen deskundigen zijn daar niet bij betrokken geweest. Bovendien blijkt uit het taxatierapport dat het doel van de taxatie is het vaststellen van de waarde ten behoeve van financieringsdoeleinden in opdracht van Grafschafter Volksbank eG. De taxatie is derhalve voor een ander doel verricht dan de lossing van het hypotheekrecht, waardoor de in het rapport opgenomen executiewaarde mogelijk niet overeenkomt met de onderhavige situatie waarin sprake is van lossing van een derdenhypotheek. Door [partij B] is ook niet gesteld waarom er nu sprake is van een ander stadium dan in de situatie die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof.



5.116 Nu de rechtbank de primaire vordering van [partij B] zal afwijzen, behoeven de daarmee verband houdende vorderingen en verweren geen bespreking meer.



5.117 Subsidiair vordert [partij B] dat hij bevoegd is te lossen tegen het hoogste bod op de veiling vermeerderd met de executiekosten. De rechtbank stelt vast dat het gerechtshof zich in het arrest van 11 maart 2025 (herstelarrest 25 maart 2025) ook heeft uitgelaten over lossing tegen het hoogste bod op de veiling. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat de lossing niet kan plaatsvinden tegen het hoogste bod op de veiling als de hypotheekhouder niet tot gunning overgaat. Ook aan die beslissing is de rechtbank gebonden, waardoor zij de subsidiaire vordering van [partij B] niet kan beoordelen. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank de subsidiaire vordering zal afwijzen.




Conclusie vordering in reconventie [partij B]




5.118 Ten aanzien van de vorderingen die door [partij B] zijn ingesteld heeft het gerechtshof reeds beslissingen genomen en voor die beslissingen geldt dat sprake is van gezag van gewijsde. Dat betekent dat de beslissingen voor de rechtbank bindende kracht hebben en de rechtbank de vorderingen van [partij B] niet (opnieuw) kan beoordelen. De rechtbank zal de vorderingen van [partij B] dan ook afwijzen.




Proceskosten





In conventie tussen Rabobank c.s. en [partij A 1] en/of [partij A 2]




5.119 Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.




In reconventie tussen [partij A 1] en/of [partij A 2] en Rabobank c.s.




5.120 [partij A 1] en [partij A 2] zijn de partijen die ongelijk krijgen in reconventie en zij zullen daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten in reconventie aan de zijde van Rabobank c.s. worden begroot op:










- salaris advocaat


€


9.262,00


(2 punten × € 4.631,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


9.451,00










5.121 De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.




in conventie tussen Rabobank c.s. en [partij B]




5.122 Rabobank c.s. zijn de partijen die ongelijk krijgen in conventie en zij zullen daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten in conventie aan de zijde van [partij B] begroot op:











- griffierecht


€


2.723,00







- salaris advocaat


€


9.262,00


(2 punten × € 4.631,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


12.174,00













In reconventie tussen [partij B] en Rabobank c.s.




5.123 [partij B] is de partij die ongelijk krijgt in reconventie en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten in reconventie aan de zijde van Rabobank c.s. begroot op:











- salaris advocaat


€


9.262,00


(2 punten × € 4.631,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


9.451,00










5.124 De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.







6De beslissing


De rechtbank




in conventie tussen Rabobank en [partij A 1] en/of [partij A 2]




6.1
verklaart voor recht dat [partij A 1] en [partij A 2] per 1 mei 2025 hoofdelijk verschuldigd zijn aan Rabobank:


- uit hoofde van lening I (schuldbekentenis met nummer 1303.973.510) een bedrag van € 188.914,24 in hoofdsom;
- uit hoofde van lening II (schuldbekentenis met nummer 1303.918.846) een bedrag van € 22.810,50 in hoofdsom;
- uit hoofde van lening III (financiering met nummer 1303.949.962) een bedrag van € 1.170.763,53 in hoofdsom,
- uit hoofde van proceskostenveroordelingen een bedrag van € 527,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025,
- uit hoofde van de gemaakte buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 6.775,-,




6.2
verklaart voor recht dat [partij A 1] per 1 mei 2025 verschuldigd is aan Rabobank:


- uit hoofde van lening V (schuldbekentenis met nummer 1107.917.484) een bedrag van € 297.855,- in hoofdsom, te vermeerderen met de overeengekomen rente (van 5,2% per jaar) daarover vanaf 1 december 2004,
- uit hoofde van proceskostenveroordelingen een bedrag van € 121.921,-, waarvan een bedrag van € 9.002,43 vanaf 22 januari 2021 mag worden verhoogd met de wettelijke rente,




6.3
verklaart voor recht dat de onder 6.1. en 6.2. genoemde vorderingen onder het hypotheekrecht van 21 november 2001 verhaald kan worden, een en ander tot een maximumbedrag voor de hoofdsom ad € 3.000.000,- en rente en kosten ad € 1.050.00,-.



6.4
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



6.5
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie tussen [partij A 1] en/of [partij A 2] en Rabobank





6.6
wijst de vorderingen van [partij A 1] en [partij A 2] af,



6.7
veroordeelt [partij A 1] en [partij A 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 9451,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A 1] en [partij A 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



6.8
veroordeelt [partij A 1] en [partij A 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



6.9
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.7. en 6.8. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,



6.10
wijst het meer of anders gevorderde af,



in conventie tussen Rabobank c.s. en [partij B]





6.11
wijst de vorderingen van Rabobank c.s. af,



6.12
veroordeelt Rabobank c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 12.174,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Rabobank c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



6.13
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.12. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,



in reconventie tussen [partij B] en Rabobank c.s.





6.14
wijst de vorderingen van [partij B] af,



6.15
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 9.451,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.16
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



6.17

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.15. en 6.16. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten, mr. A.M. van Diggele en mr. J.A.M. Egberink en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.




HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, r.o. 3.1.4. en 3.1.7.


HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, r.o. 5.1


HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516.