Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:6222

2026-08-26 Civiel recht C-01-407311 - HA ZA 24-513
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C-01-407311 - HA ZA 24-513
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Burenrecht. Geschil over erfgrens en schutting. Beroep op verjaring gaat niet op. Overhangende takken. Snoeikosten.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (46.182 tekens)
RECHTBANK Oost-Brabant


Civiel recht



Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Zaaknummer: C/01/407311 / HA ZA 24-513




Vonnis van 26 augustus 2026




in de zaak van





1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,

beide wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. T.P.M. Kouwenaar,



tegen





1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] ,

beide wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ; hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. W.A. van Sambeek.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met 4 producties;- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met 24 producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met 1 productie;
- de akte wijziging van eis in reconventie tevens overlegging producties 25 tot en met 33 van [gedaagden] ,
- de akte vermeerdering van eis van [eisers] , met producties 6 tot en met 9;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, bij welke gelegenheid de advocaten van beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd, en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis zal worden uitgesproken.





2De feiten


2.1.
Partijen zijn buren van elkaar.



2.2.

[eisers] wonen aan de [adres 1] te [plaats] (het perceel kadastraal aangeduid als Gemeente [plaats] , [kadastrale aanduiding 1] ).



2.3.

[gedaagde 1] woont aan de [adres 2] te [plaats] (kadastraal aangeduid als Gemeente [plaats] , [kadastrale aanduiding 2] ). [gedaagde 2] woont aan de [adres 3] te [plaats] (kadastraal aangeduid als Gemeente [plaats] , [kadastrale aanduiding 3] ). [gedaagde 1] is de zoon van [gedaagde 2] . De percelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren voorheen één geheel, maar deze zijn gesplitst in de zojuist genoemde percelen.



2.4.
Bezien vanaf de [straatnaam] wonen [eisers] rechts en [gedaagden] links ( [gedaagde 2] linksvoor, en [gedaagde 1] linksachter). Een en ander is weergegeven op deze situatietekening:








2.5.
Op het perceel van [eisers] bevindt zich een woning. Op de percelen van [gedaagden] bevinden zich een woning, een zwembad en een bijgebouw.



2.6.
Tussen de percelen van [eisers] en [gedaagden] bevindt zich een schutting. Tussen partijen is niet in discussie dat deze schutting in circa 1982 is geplaatst.



2.7.
Door het kadaster is een grensreconstructie uitgevoerd. Uit deze reconstructie volgt dat de schutting tussen de percelen niet op de kadastrale erfgrens staat, maar op de percelen van [gedaagden] Een en ander is weergegeven op de volgende tekening:








2.8.
Tussen de schutting en de kadastrale erfgrens bevindt zich een smal strookje grond (hierna: het strookje). Het strookje is ongeveer 20 cm breed en 400 cm lang. Partijen hebben discussie over de eigendom van het strookje.



2.9.
Op het perceel van [eisers] staan bomen. Volgens [gedaagden] geven die bomen overlast. Partijen hebben hierover gediscussieerd. Ter voorkoming van herhaling zal de rechtbank hier in hoofdstuk 4 van dit vonnis verder op ingaan.



2.10.
Partijen hebben door middel van hun advocaten veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd over deze kwesties, maar zij zijn niet tot een vergelijk gekomen.






3Het geschil



in conventie




3.1.

[eisers] vorderen - samengevat en na vermeerdering van eis - het volgende:


I. Een verklaring voor recht dat het strookje door verjaring eigendom is geworden van [eisers] ;
II. De vaststelling van de erfgrens – kort aangeduid – conform de plaats van de schutting; zoals uitgewerkt in de dagvaarding;
III. Een veroordeling van gedaagden om mee te werken aan aanpassing van de kadastrale tekening conform het vonnis;
IV. Een veroordeling van [gedaagden] om een ondoorzichtige houten schutting te plaatsen en geplaatst te houden tussen de percelen van partijen, op de door de rechtbank in dit geschil vast te stellen erfgrens, op straffe van dwangsommen;
V. Een verbod voor [gedaagden] om zonder uitdrukkelijke toestemming van [eisers] het perceel van [eisers] zelf of middels derden te betreden of planten of bomen te snoeien of te verwijderen, op straffe van dwangsommen;
VI. Veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.



3.2.

[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.



in reconventie





3.3.

[gedaagden] vorderen - samengevat en na vermeerdering van eis - het volgende:



Een veroordeling van [eisers] om de percelen van [gedaagden] te ontruimen tot aan de kadastrale erfgrens, op straffe van dwangsommen;


Een veroordeling van [eisers] tot betaling van € 786,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van instellen van de eis in reconventie;



[eisers] te gebieden om binnen twee weken de bomen in zijn tuin te (laten) snoeien en voortaan gesnoeid te houden zodat geen takken meer overhangen over de perceelgrenzen met [gedaagde 1] , op straffe van dwangsommen;



[eisers] te gebieden om de libanon ceder boom te (laten) kappen, op straffe van dwangsommen;


Een verklaring voor recht dat [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld door misbruik te maken van hun bevoegdheid tot het indienen en doorzetten van het handhavingsverzoek, bezwaar en beroep met betrekking tot [adres 2] ;


Een verklaring voor recht dat [eisers] jegens [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld door het kort geding van maart 2026 aanhangig te maken;



[eisers] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 4.688,75, vermeerderd met wettelijke rente;



[eisers] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 6.541,12, vermeerderd met wettelijke rente,


Subsidiair, voor zover de schade nog niet volledig kan worden begroot, veroordeling van [eisers] tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat;


Proceskostenveroordeling van [eisers]


De grondslag voor de geldvordering onder 2 is dat [gedaagden] door onrechtmatig handelen of nalaten van [eisers] kosten heeft gemaakt voor het snoeien van bomen en dat [eisers] die kosten moet vergoeden. De grondslag voor de geldvorderingen onder 7 en 8 is dat [gedaagden] advocaatkosten heeft gemaakt voor een bestuursrechtelijk handhavingstraject (7) en voor een kort geding (8) en dat [eisers] deze kosten onrechtmatig heeft veroorzaakt.



3.4.

[eisers] voeren verweer. [eisers] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.








4De beoordeling



in conventie en in reconventie





Inleiding




4.1.
Partijen hebben over en weer vorderingen ingesteld over vier thema’s, te weten (1) de kwestie van de schutting en de erfgrens; (2) de bomen en het terugsnoeien; (3) de kosten voor het snoeien van overhangende takken in 2024; en (4) de gevoerde gerechtelijke procedures. De rechtbank zal deze vier thema’s achtereenvolgens bespreken en zal daarbij telkens de vorderingen in conventie en in reconventie, gelet op hun onderlinge samenhang, gezamenlijk behandelen.



Thema 1: De schutting en de erfgrens





4.2.
Partijen zijn het erover eens dat, zoals ook uit de kadastrale meting blijkt, de schutting tussen hun percelen niet op de kadastrale erfgrens staat. De vraag die partijen verdeeld houdt is wie eigenaar is van het strookje.



Standpunt [eisers]





4.3.

[eisers] stellen dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van het strookje grond. Volgens [eisers] wordt er sinds 1982 onafgebroken en ongehinderd gebruik gemaakt van het strookje. [eisers] kochten het perceel van [A] in februari 1988. [eisers] hebben de schutting, die er sinds 1982 stond, altijd als erfafscheiding gezien. Het bedoelde stukje aan de kant van [eisers] is altijd als één geheel als tuin bij hen in gebruik geweest. [gedaagden] hadden daar geen toegang toe. Toen [eisers] eigenaar werden van hun perceel, hebben zij het bezit van de strook grond voortgezet. [eisers] concluderen dat zij door verkrijgende, dan wel door bevrijdende, verjaring eigenaar zijn (geworden) van het strookje, nu zij – al dan niet tezamen met hun rechtsvoorganger - gedurende meer dan 10 jaar althans meer dan 20 jaar onafgebroken bezit hebben gehad van het strookje. Daarom moet, kort samengevat, voor recht worden verklaard dat zij eigenaar zijn van het strookje; dit moet worden vastgelegd en de kadastrale tekening moet zodanig worden aangepast (vorderingen I tot en met IV van [eisers]).



Standpunt [gedaagden]





4.4.

[gedaagden] hebben gemotiveerd betwist dat sprake is van eigendomsverkrijging door verjaring van [eisers] Dat komt omdat het strookje nooit in bezit is genomen door [eisers] danwel hun rechtsvoorganger, zodat van verkrijging door verjaring geen sprake kan zijn. [gedaagden] lichten toe dat zij op hun perceel wonen sinds 1978. De houten schutting is in 1982 gerealiseerd door [gedaagden] in samenspraak met de vorige eigenaar van het perceel van [eisers] , te weten de heer [A] . De schutting is in goed overleg geplaatst op het perceel van [gedaagden] , op de plek van het voormalig lage hekwerkje. De achtergrond van dit overleg was dat de echtgenote van [A] graag de honden van [gedaagden] uit hun tuin en uit hun zicht wilde houden. Door de schutting niet op de erfgrens te plaatsen maar op de eigen grond, is geen bezit van het strookje aan de zijde van [eisers] ontstaan. Er is zelfs geen sprake van bezit aan de zijde van de rechtsvoorganger van [eisers] , de heer [A] . Het was namelijk altijd duidelijk dat er nog een stukje van [gedaagden] was voorbij de schutting. Dit alles betekent dat van verjaring geen sprake is en de kadastrale erfgrens de (juiste) juridische erfgrens is. Daarom moet [eisers] worden veroordeeld om het strookje te ontruimen (vordering 1 van [gedaagden].).



Oordeel rechtbank





4.5.
De vraag is of [eisers] door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar zijn (geworden) van de strook grond. De stelplicht en bewijslast dat aan de vereisten voor verkrijgende of bevrijdende verjaring is voldaan, rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op de partij die zich erop beroept dat een goed door verjaring is verkregen. Dat is in dit geval [eisers]



4.6.
De rechtbank stelt vast dat de feitelijke situatie die volgens [eisers] de verjaring tot verkrijging van de strook grond heeft doen aanvangen, dateert van vóór 1 januari 1992. [eisers] hebben aan hun beroep op verjaring namelijk ten grondslag gelegd dat sinds 1982 door de rechtsvoorganger van [eisers] gebruik wordt gemaakt van het strookje. Destijds was het oude Burgerlijk Wetboek (BW) nog van toepassing. Met dien verstande dat de voltooiing van de verjaringstermijn is ná inwerkingtreding van het huidig BW, zodat dan het overgangsrecht geldt (artikelen 73 en 93 Overgangswet nieuw BW). Ingevolge artikel 3:105 BW (huidig) kan eigendom van een goed worden verkregen indien de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Op grond van artikel 3:306 BW (huidig) verjaart de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit door verloop van twintig jaar. In het oude recht gold dat voor een verkrijging een onafgebroken bezit te goeder trouw van twintig jaren nodig was. Het oude recht onthield namelijk verkrijgende verjaring aan bezitters te kwader trouw. Wel kende het oude recht een regeling van bevrijdende verjaring waarvoor de eis van goede trouw niet gold (artikel 2004 oud BW), inhoudende dat rechtsvorderingen strekkende tot beëindiging van bezit door verloop van dertig jaren verjaarden. Volgens het oude recht had deze bevrijdende verjaring geen eigendomsverkrijging tot gevolg. Artikel 93 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek bepaalt echter dat artikel 3:105 BW één jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet (dus per 1 januari 1993) van toepassing is met betrekking tot degene die op dat moment een goed bezit, indien de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit is voltooid. In een dergelijk geval heeft de bevrijdende verjaring ook verkrijgende verjaring tot gevolg.



4.7.
Zowel voor het slagen van het beroep op verkrijgende verjaring als voor dat op bevrijdende verjaring moet sprake zijn van bezit. De vraag of sprake was/is van bezit kan, ook naar oud recht, worden beantwoord aan de hand van de maatstaven die voor het huidige recht zijn neergelegd in de artikelen 3:107 e.v. BW. Artikel 3:107 BW omschrijft het bezit als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de regels die in de op artikel 3:108 BW volgende artikelen worden gegeven, en op grond van uiterlijke feiten. De interne, niet naar buiten kenbaar gemaakte wil om als rechthebbende op te treden is voor het bestaan van bezit niet relevant. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen de wil kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Het bezit moet openbaar en ondubbelzinnig zijn.



4.8.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van inbezitneming door [eisers] en hun rechtsvoorgangers. [eisers] hebben zelf gesteld dat de schutting door [gedaagden] en de heer [A] samen is geplaatst in 1982. Op de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] toegelicht dat de bouw van de schutting destijds in overleg gegaan is. [gedaagden] hebben het volgende daarover verteld. Het echtpaar [gedaagde 1] (wijlen de heer [gedaagde 1] (senior) en mevrouw [gedaagde 2] ) hebben de houten schutting, samen en in overleg met [A] , geplaatst op hun perceel. Dit kwam omdat de echtgenote van [A] graag de honden van het echtpaar [gedaagde 1] buiten haar tuin en buiten haar zicht wilde houden. De schutting plaatsten zij op de plek van het lage hekwerkje. Het lage hekwerkje (en daarna dus ook de schutting) stond geheel op het perceel van [gedaagden] ; dat was bekend omdat de buitenste kadasterpaaltjes van het gehele perceel op dat moment nog aanwezig waren. [gedaagden] en [A] wilden er geen beplanting uithalen, en daarom is in samenspraak met [A] gezegd dat de schutting werd neergezet op de plek van het lage hekwerkje. Aldus steeds [gedaagden] [eisers] hebben deze gang van zaken niet weersproken, zodat er vanuit gegaan moet worden dat van inbezitneming geen sprake is. De rechtbank moet het ervoor houden dat het ging in goed overleg, dat de rechtsvoorganger van [eisers] niets heeft gedaan om het recht van [gedaagden] ondubbelzinnig tegen te spreken, en dat [gedaagden] op geen moment een ondubbelzinnig signaal hebben gehad dat hun bezit in gevaar kwam, waardoor een verjaringstermijn zou gaan lopen. [eisers] brengen weliswaar naar voren dat zij niet beter wisten dan dat hun gehele tuin tot aan de schutting bij hun perceel hoorde, en dat hun tuin niet bereikbaar was voor [gedaagden] , maar deze feiten, als zij al vast staan, zijn niet genoeg om het recht van [gedaagden] ondubbelzinnig tegen te spreken, omdat de impliciete toestemming voor het gebruik van de ruimte aan die zijde voortvloeit uit het goede overleg over de schutting. De conclusie is dat de rechtsvoorganger van [eisers] met toestemming houder van het strookje was, en dat [eisers] dat zijn gebleven. Van inbezitneming is dus geen sprake. Van een voltooide verjaring kan, gelet op het voorgaande, geen sprake zijn.



Conclusie rechtbank





4.9.
Gelet op dit oordeel zullen de vorderingen I, II en III van [eisers] worden afgewezen. De vordering 1 van [gedaagden] zal worden toegewezen omdat [gedaagden] , zo blijkt wel uit het hele debat in de zaak, de toestemming voor het gebruik van het strookje intrekken. Dat betekent dat [eisers] zullen worden veroordeeld om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de percelen van [gedaagden] , dus het strookje, te ontruimen tot aan de kadastrale erfgrens. [gedaagden] hebben gevorderd aan deze veroordeling een dwangsom te koppelen, waartegen door [eisers] geen specifiek verweer is geformuleerd. De rechtbank zal aan deze veroordeling dan ook een dwangsom koppelen, maar zal deze matigen zoals vermeld in de beslissing.



4.10.
Verder zal de rechtbank vordering IV van [eisers] toewijzen, zoals hierna omschreven. [eisers] verlangen namelijk medewerking door [gedaagden] aan plaatsing van een schutting tussen de percelen, zo begrijpt de rechtbank, en wel op de door de rechtbank in dit geschil vast te stellen erfgrens. [gedaagden] heeft tegen het oprichten van een schutting op zichzelf geen bezwaren geformuleerd. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de schutting moet worden geplaatst op de kadastrale erfgrens, nu in het oordeel van de rechtbank ligt besloten dat de kadastrale erfgrens de juridische erfgrens tussen de percelen is. De rechtbank wijst er verder op dat beide partijen moeten meewerken aan de plaatsing van de schutting, en dat zij de kosten voor (het plaatsen van) de schutting ieder voor de helft moeten dragen, conform de wet. Ten overvloede wijst de rechtbank er verder op dat partijen bij de constructie rekening moeten houden met het ladderrecht van [gedaagden] ( [gedaagde 1] moet aan de gevel van zijn woning namelijk onderhoud kunnen plegen). Een en ander betekent dat vordering VI wordt toegewezen, zoals vermeld onder de beslissing. Daarbij wordt geen dwangsom opgelegd, nu [gedaagden] expliciet hebben aangegeven een schutting te wensen.



Thema 2: De bomen en het terugsnoeien





4.11.
De rechtbank ligt vervolgens de vraag voor of de overlast die [gedaagden] ervaren van de bomen van [eisers] gekwalificeerd kan worden als onrechtmatige hinder in de zin van art. 5:37 BW. [gedaagden] hebben namelijk aan hun vordering tot terugsnoeien van alle bomen (vordering 3 van [gedaagden]) ten grondslag gelegd dat zij onrechtmatige hinder ondervinden van de bomen op het perceel van [eisers] , terwijl [eisers] betwisten dat er sprake is van hinder.



4.12.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het hier gaat om de rechten en verplichtingen die buren jegens elkaar hebben. De vrijheid die de eigenaar van een perceel grond heeft om zijn eigendom naar eigen inzicht in te richten en te gebruiken, vindt zijn beperking in de rechten en belangen van de eigenaar van een naburig perceel. Dit betekent dat [eisers] in beginsel het recht hebben hun tuin/perceel in te richten en te onderhouden zoals zij dat wensen. Dat recht wordt begrensd in die zin dat zij anderen, onder wie de buren, geen onrechtmatige hinder mogen toebrengen. Volgens artikel 5:37 BW, op welk artikel [gedaagden] hun vordering hebben gebaseerd, mag een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen.



4.13.
De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt volgens vaste jurisprudentie (HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0235) af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen. Uit deze maatstaf volgt dat niet iedere vorm van hinder of ondervonden overlast onrechtmatig is in de hiervoor bedoelde zin.



4.14.
De rechtbank acht voldoende gebleken dat de bomen van [eisers] onrechtmatige hinder veroorzaken en overweegt daartoe als volgt. [gedaagden] hebben hun stelling dat sprake is van hinder uitgebreid toegelicht. Zo hebben zij ter terechtzitting verklaard dat de bomen veel naalden en hars achterlaten in hun tuin en op hun oprit. Hoewel er in 2024 door [gedaagde 1] is overgegaan tot snoeien (zie ook hierna), zijn alle bomen inmiddels weer gegroeid, waardoor er volgens hen opnieuw sprake is van hinder. Daarnaast hebben [gedaagden] uitgebreid toegelicht dat de airco-unit er last van heeft en dat de pomp van het zwembad al meermaals kapot is gegaan door de vele naalden, hars en andere resten van de bomen. De overlast ziet volgens hen op alle bomen, waaronder ook de “Libanon Ceder” boom. [gedaagden] hebben hun stelling dat sprake is van hinder voorts voldoende onderbouwd aan de hand van foto’s. Op de door [gedaagden] overgelegde foto’s blijkt dat de takken van de bomen met naalden en bladeren aanzienlijk over het perceel van [gedaagden] hangen en zelfs tegen de bebouwing van [gedaagden] aan komen. Hierdoor is evident dat uitvallende naalden of bladeren op het perceel van [gedaagden] terechtkomen, en in het bijzonder bij de airco-unit en in het zwembad. Hier staat tegenover dat [eisers] hun betwisting dat sprake is van hinder, onvoldoende hebben gemotiveerd. Het enkele standpunt dat zij zich “niet kunnen voorstellen dat er (weer) sprake is van overlast”, is hiertoe onvoldoende.



4.15.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van art. 5:37 BW en zullen [eisers] worden veroordeeld om de onrechtmatige hinder op te heffen. Dat betekent dat [eisers] de bomen moet (laten) terugsnoeien. Voor zover [eisers] verder hebben bedoeld dat [gedaagden] misbruik van recht maken door nu snoei te verlangen, gaat de rechtbank daar niet in mee. Er is geen sprake van zodanige onevenredigheid tussen de belangen van beide partijen dat het eisen van snoeionderhoud als misbruik van recht kan worden beschouwd. De rechtbank acht de belangen van [gedaagden] (minder groenafval in de tuin, airco-unit en zwembadpomp niet vaker kapot) evident. Van enig belang van [eisers] is niet gebleken. Vordering 3 van [gedaagden] wordt toegewezen als na te melden.



4.16.
De rechtbank zal toelichten hoe [eisers] aan de veroordeling tot terugsnoeien moet voldoen, nu partijen daarover geen nadere standpunten hebben gepresenteerd maar [gedaagden] wel de belangen hebben toegelicht. [eisers] moeten alle bomen en alle beplanting op hun perceel – inclusief de Libanon Ceder boom – fors (laten) snoeien, en alle overhangende takken over het perceel van [gedaagden] (laten) verwijderen, zodat de onrechtmatige hinder wordt weggenomen. De rechtbank zal bepalen dat [eisers] binnen een termijn van zestig dagen na de datum van het vonnis hieraan moet voldoen. De rechtbank wijst erop dat [eisers] hun tuin ook daarna met enige regelmaat moeten blijven onderhouden om de hinder voor [gedaagden] zoveel mogelijk te beperken. De rechtbank zal daarom bij de veroordeling tot terugsnoeien ook bepalen dat [eisers] in ieder geval twee keer per jaar zoveel mogelijk moet (laten) snoeien, om te voorkomen dat de onrechtmatige hinder opnieuw intreedt. Het is overigens niet de bedoeling dat [eisers] , om aan de veroordelingen tot terugsnoeien te voldoen, zelf de percelen van [gedaagden] gaan betreden zonder toestemming van [gedaagden] Daarom moeten [eisers] voor eigen rekening een hovenier inschakelen om het bedoelde tuinonderhoud te plegen, waarna de hovenier in overleg met [gedaagden] een dag voor de werkzaamheden inplant.



4.17.

[gedaagden] hebben gevorderd om aan de veroordeling tot het terugsnoeien van de bomen een dwangsom te koppelen, in die zin dat aan [eisers] hoofdelijk een dwangsom van € 500,00 wordt opgelegd voor iedere dag of deel daarvan dat zij in strijd met de veroordeling handelen, met een maximum van € 50.000,- euro. Tegen de oplegging van een dwangsom zijn door [eisers] bezwaren geformuleerd. Volgens [eisers] zullen zij aan een veroordeling tot snoeien gehoor geven. Toch ziet de rechtbank aanleiding aan de veroordeling een dwangsom te koppelen. De rechtbank neemt daarbij de inhoud van het gehele dossier in aanmerking, waaruit volgt dat er tussen partijen al sinds 2024 discussie bestaat over snoei (zie ook hierna). Verder neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat [eisers] tijdens de zitting te kennen hebben gegeven al die tijd geen snoeiwerkzaamheden meer te hebben uitgevoerd. [eisers] hebben binnen deze procedure ook verder geen blijk gegeven te erkennen dat zij onderhoudsverplichtingen hebben met betrekking tot hun tuin. Dat geeft de rechtbank aanleiding te twijfelen of [eisers] vrijwillig gevolg zullen geven aan de veroordeling. De rechtbank zal om die reden aan de veroordeling een dwangsom verbinden, maar zal de dwangsom matigen zoals vermeld in de beslissing.



4.18.
Daarnaast is door [gedaagde 1] gevorderd (vordering 4) dat [eisers] de Libanon ceder boom geheel moet (laten) kappen. Voor toewijzing van die vordering is in deze procedure door [gedaagden] onvoldoende aangevoerd. Zo is niet voldoende onderbouwd waarom deze boom moet worden gekapt/verwijderd en waarom niet kan worden volstaan met snoeien. De door [gedaagde 1] overgelegde verklaring van een hovenier dat zeer aannemelijk is dat de boom door wortelopdruk schade aan kan richten aan het gebouw, is hiertoe niet afdoende. Dat is niet meer dan een algemene omschrijving van mogelijke risico’s, zonder concrete focus op een onmiddellijk dreigend gevaar of een risico dat daarmee op één lijn kan worden gesteld. De rechtbank vertrouwt er vooralsnog op dat met de regelmatige snoei van alle bomen - inclusief de Libanon Ceder boom - de door [gedaagden] ervaren hinder wordt weggenomen. Indien de overlast te ernstig blijft ondanks de in dit vonnis op te leggen veroordeling tot terugsnoeien, kunnen [gedaagden] beoordelen of nog een procedure moet worden gevoerd voor de gehele verwijdering van deze specifieke boom.



4.19.
In het voorgaande oordeel ligt verder besloten dat de vordering van [eisers] om [gedaagden] te verbieden om op zijn perceel te komen om bomen te laten snoeien (vordering V van [eisers]), zal worden afgewezen. Deze vordering is geheel niet toegelicht. Niet duidelijk is of en waarom er een risico is dat [gedaagden] op onrechtmatige wijze op het perceel van [eisers] zou willen komen. Zoals hierboven al is beslist, moet [eisers] voortaan de bomen zelf laten snoeien. Hiervoor is niet nodig dat [gedaagden] op het perceel van [eisers] komen.



Thema 3: De kosten van het snoeien van de overhangende takken in 2024





4.20.

[gedaagden] . hebben verder in reconventie gevorderd om [eisers] te veroordelen tot betaling van de kosten van de snoei van de overhangende takken (vordering 2 van [gedaagden]). Volgens [gedaagden] hebben zij [eisers] in maart 2024 een laatste keer aangemaand om binnen een gestelde termijn de over de erfgrens heen hangende takken te snoeien, omdat deze hinder gaven. [eisers] gaven aan die aanmaning geen gehoor, waarop [gedaagden] vervolgens zelf de overhangende takken van de bomen van [eisers] hebben laten weghalen door een hovenier, op grond van het bepaalde in art. 5:44 BW. Volgens [gedaagden] dient [eisers] de kosten daarvan te vergoeden.



4.21.
Namens [eisers] is in eerste instantie – ongemotiveerd – aangegeven dat er geen aanmaning bekend is. Ter terechtzitting heeft de raadsman van [eisers] erkend dat er een aanmaning is gestuurd en daarin een termijn is gegeven. Verder hebben [eisers] hierover slechts aangevoerd dat zij zelf wel bereid waren om de snoeiwerkzaamheden uit te voeren, maar dat zij - in verband met een broedseizoen voor vogels vanaf 15 maart – een snoeiadvies wilden afwachten.



4.22.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 5:44 BW lid 1 de eigenaar van een erf de bevoegdheid geeft om over zijn perceel hangende takken zelf te verwijderen - zonder dat dit eigenrichting oplevert - indien de nabuur ondanks aanmaning nalaat deze overhangende takken te verwijderen. Ook kan de eigenaar van het perceel in rechte vorderen dat de nabuur de takken verwijdert. Artikel 5:44 BW biedt op zichzelf enkel een grondslag om zelf te snoeien, maar biedt geen grondslag voor een vergoeding van de daarmee gepaard gaande kosten. [gedaagden] hebben echter aangevoerd dat er is overgegaan tot snoei van de overhangende takken omdat die hinder gaven (te weten uitvallende naalden en hars op het perceel van [gedaagden] ) en er daardoor schade optrad (te weten de kapotte airco-unit en zwembadpomp). Daarom moet [eisers] de snoeikosten vergoeden, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [gedaagden] De rechtbank overweegt dat als de hinder van overhangende takken zodanig is dat deze als onrechtmatige hinder moet worden gekwalificeerd, recht op vergoeding van de snoeikosten kan bestaan. Op voet van artikel 5:37 BW in verbinding met artikel 6:162 BW kan in geval van onrechtmatige hinder namelijk sprake zijn van een onrechtmatige daad op basis waarvan schadevergoeding kan worden gevorderd. Schadevergoeding kan bestaan uit kosten die zijn gemaakt om schade te voorkomen (zie artikel 6:96 lid 2 BW).



4.23.
Naar het oordeel van de rechtbank is door [gedaagden] allereerst voldoende toegelicht en met stukken onderbouwd dat er correct is aangemaand om de overhangende takken te verwijderen. Voor zover [eisers] hebben bedoeld dat aan hen “onvoldoende gelegenheid” is gegeven de overhangende takken zelf te snoeien, volgt de rechtbank hen daarin niet. Daar is nu juist de aanmaning voor bedoeld. In het wettelijk systeem wordt de aanmaning vereist omdat het wegsnijden van overhangende beplanting kennis en zorg vereist, zodat de eigenaar van de beplanting eerst in staat moet worden gesteld om de vereiste werkzaamheden zelf te (laten) verrichten. Dat is in deze zaak meermaals gebeurd. Door [gedaagden] is onweersproken gesteld dat zij [eisers] het half jaar voorafgaand aan maart 2024 meermaals hebben gevraagd te snoeien, maar dat [eisers] daaraan nimmer gehoor gaven. Uit het dossier volgt verder dat [gedaagden] begin maart probeerden te starten met het verwijderen van de overhangende takken, maar dat de heer [eiser 1] hen toen de toegang belemmerde, waardoor er op dat moment niets is verwijderd. De raadsman van [gedaagden] heeft erop gewezen dat hij vervolgens op 18 maart 2024 voor het laatst schriftelijk heeft aangemaand en aan [eisers] een termijn tot 27 maart 2024 heeft gegeven om de overhangende takken te verwijderen. Tussen partijen is verder niet in discussie dat [eisers] hebben nagelaten de bomen zelf te (laten) snoeien (gedurende die termijn, ervoor of erna). Vervolgens zijn de snoeiwerkzaamheden op 28 maart 2024 gestart.



4.24.
Gelet op het voorgaande en indachtig het gehele procesdossier oordeelt de rechtbank dat [gedaagden] correct hebben aangemaand en een redelijke termijn hebben geboden en dus de overhangende takken zelf mochten (laten) verwijderen op grond van art. 5:44 BW. Voor zover door [eisers] nu wordt bedoeld dat het verwijderen van de overhangende takken door [gedaagden] niet goed is uitgevoerd of [gedaagden] daarmee misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid, gaat de rechtbank daar niet in mee. Het is niet gesteld of gebleken dat de uitoefening van het ‘wegsnijdrecht’ schade met zich heeft gebracht, in de eerste plaats nu duidelijk is dat de bomen inmiddels weer fors gegroeid zijn (zie eerder 4.14). In deze procedure hebben [gedaagden] bovendien onderbouwd gesteld dat door hun hovenier bij het snoeien geen vogelnesten zijn aangetroffen, en [eisers] hebben dat niet weersproken.



4.25.
Bovendien oordeelt de rechtbank dat voldoende is komen vast te staan dat de bomen onrechtmatige hinder geven (en ook in 2024 gaven). De rechtbank verwijst terug naar 4.11-4.15 van dit vonnis. Door [gedaagden] is namelijk aangevoerd dat de bomen voorheen ook de overlast veroorzaakten die zij nu weer veroorzaken. Dat is door [eisers] onvoldoende weersproken.



4.26.
Dat betekent aldus dat [eisers] de kosten van de snoeiwerkzaamheden aan [gedaagden] dient te vergoeden. Tegen de hoogte van het gevorderde bedrag is geen specifiek verweer gevoerd. De rechtbank acht de gemaakte snoeikosten van € 786,50 ook redelijk; er is immers schade ingetreden door de onrechtmatige hinder (door kapotte airco-unit en zwembadpomp, zie eerder 4.14) en het snoeien diende ter voorkoming van verdere schade. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [eisers] de door [gedaagden] gemaakte snoeikosten moet vergoeden als zijnde een schadevergoeding in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a BW. Het gevorderde bedrag van € 786,50 wordt dan ook toegewezen. De rechtbank zal de termijn voor betaling van dit bedrag stellen op veertien dagen na betekening van het vonnis. Voor hantering van de gevorderde betaaltermijn van twee dagen, zoals door [gedaagden] ongemotiveerd is verzocht, bestaat geen aanleiding. De gevorderde wettelijke rente over het bedrag wordt toegewezen vanaf de dag van het instellen van de bedoelde vordering bij conclusie van eis in reconventie, 2 oktober 2024, nu daartegen geen verweer is geformuleerd.



Thema 4: de gerechtelijke procedures





4.27.

[gedaagden] hebben tot slot in reconventie vorderingen ingesteld die zien op de door [eisers] ingestelde gerechtelijke procedures (vorderingen 5 t/m 9 van [gedaagden] ). Zij vorderen verklaringen voor recht dat [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld c.q. misbruik van (proces)recht hebben gemaakt door twee procedures te starten. Het gaat om een kortgedingprocedure en een bestuursrechtelijk traject van handhaving, bezwaar en beroep. Verder moeten [eisers] worden veroordeeld tot vergoeding van de door [gedaagden] gemaakte advocaatkosten respectievelijk proceskosten, aldus [gedaagden] Aan al deze vorderingen hebben [gedaagden] ten grondslag gelegd dat [eisers] misbruik van procesrecht hebben gemaakt danwel onrechtmatig hebben gehandeld.



4.28.
Namens [eisers] is aangevoerd dat deze reconventionele vorderingen (te) laat zijn ingediend waardoor er strijd bestaat met de goede procesorde. De rechtbank volgt [eisers] hierin niet. Het recht om de eis in reconventie te vermeerderen komt [gedaagden] toe ingevolge artikel 130 lid 1 Rv. De vorderingen zijn ingesteld bij akte van 30 mei 2026, voorafgaand aan de mondeling behandeling. Door [gedaagden] is toegelicht waarom deze vorderingen niet eerder konden worden ingesteld, nu zij zien op gerechtelijke procedures die in maart 2026 nog aanhangig waren. Verder hebben [eisers] zich hier ter terechtzitting voldoende tegen kunnen verweren. Van omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van strijd met de goede procesorde, is dan ook onvoldoende gebleken.



4.29.
De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze reconventionele vorderingen van [gedaagden] en stelt daarbij het volgende voorop. Van misbruik van procesrecht is zelden sprake omdat procederen, ook als dat niet tot een gunstig resultaat leidt, op zichzelf niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Bovendien past bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Het is hierbij aan [gedaagden] om voldoende feiten te stellen, en eventueel te bewijzen, op grond waarvan tot een dergelijk misbruik kan worden geconcludeerd.



4.30.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] door het starten van de kortgedingprocedure geen misbruik gemaakt van hun procesbevoegdheid. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat de kortgedingprocedure door [eisers] werd geëntameerd met het oog op de schutting die door [gedaagden] was verwijderd terwijl over de erfgrenskwestie nog niet definitief was beslist. Hoewel [gedaagden] in deze bodemprocedure ten aanzien van de erfgrens en schutting in het gelijk worden gesteld, wil dat nog niet zeggen dat [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld door hierover een kort geding aanhangig te maken. Niet concreet toegelicht is dat [eisers] opzettelijk hebben gehandeld om schade te veroorzaken (om [gedaagden] op kosten te jagen) of zonder een redelijke inschatting dat de zaak kon leiden tot een voor [eisers] gunstige uitkomst.



4.31.
Ten aanzien van het bestuursrechtelijke traject gaat eenzelfde redenering op. [gedaagden] hebben onvoldoende aangevoerd waarom sprake is van misbruik van procesrecht. De enkele stelling van [gedaagden] dat [eisers] de bestuursrechtelijke gang alleen hebben ingezet om hen “een lesje te leren” en dat zij daardoor nodeloos met kosten zijn belast, is in dit kader niet afdoende. Hoewel het bestuursrechtelijke handhavingsverzoek van [eisers] uiteindelijk is afgewezen en de bezwaren van [eisers] daartegen uiteindelijk ongegrond waren, is niet evident dat het inzetten van dit traject in alle gevallen geen kans van slagen zou hebben gehad. De afweging van het belang van [eisers] bij het verkrijgen van duidelijkheid over de status van de bewoning en het belang van [gedaagden] bij ongestoord wonen en het niet maken van kosten, leidt bovendien niet tot een dusdanige onevenredigheid dat [eisers] in redelijkheid niet tot uitoefening van hun bevoegdheid mochten komen. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat [gedaagden] in eigen hand hebben gehad welke kosten zij hebben gemaakt binnen het bestuursrechtelijke traject.



4.32.
Gelet op het voorgaande zullen alle vorderingen van [gedaagden] met betrekking tot de gevoerde gerechtelijke procedures (vorderingen 5 tot en met 9) worden afgewezen.



Slotsom





4.33.
De rechtbank komt tot de volgende slotsom. De conventionele vorderingen I, II, III en V van [eisers] worden afgewezen. De conventionele vordering IV wordt toegewezen als na te melden. De reconventionele vorderingen onder 1, 2 en 3 van [gedaagden] worden toegewezen. Alle andere reconventionele vorderingen worden afgewezen.



De proceskosten





4.34.

[eisers] zijn zowel in conventie als in reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld. Daarom moeten zij de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagden] in conventie worden als volgt begroot:










- griffierecht


€


320,00







- salaris advocaat


€


1.632,50


(2,5 punten × € 653,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.141,50











4.35.
De proceskosten in reconventie worden als volgt vastgesteld. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in reconventie en de vorderingen in conventie, zal er aan de conclusie van antwoord en aan de mondelinge behandeling slechts een half punt worden toegekend voor het gemachtigdensalaris dat toepasselijk is op de vordering. Dat betekent dat de proceskosten in reconventie worden begroot op € 653,00 (factor 0,5 x 2 punten x € 653,00).



4.36.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De rechtbank:




in conventie




5.1.
veroordeelt [gedaagden] hun medewerking te verlenen aan het plaatsen en geplaatst houden van een ondoorzichtige schutting tussen de percelen op de kadastrale erfgrens, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,



5.2.
verstaat dat [eisers] aan de plaatsing van de schutting meewerkt; en dat partijen de kosten voor de schutting en voor de plaatsing daarvan ieder voor de helft dragen;



5.3.
wijst de overige vorderingen van [eisers] af,



in reconventie





5.4.
veroordeelt [eisers] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de percelen van [gedaagden] te ontruimen tot de kadastrale erfgrens;



5.5.
veroordeelt [eisers] om aan [gedaagden] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoen aan de veroordeling onder 5.3, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,



5.6.
veroordeelt [eisers] om binnen zestig dagen na dit vonnis onderhoud aan hun tuin te (laten) plegen, met dien verstande dat

- zij alle bomen en alle beplanting op hun perceel, waaronder de Libanon Ceder boom, (laten) snoeien, en alle overhangende takken over het perceel van [gedaagden] (laten) verwijderen, zodat de onrechtmatige hinder als besproken in 4.14 en 4.15 van dit vonnis wordt weggenomen;

- en zij bovenstaande daarna ook met enige regelmaat, in ieder geval twee keer per jaar, onderhouden, om te voorkomen dat er opnieuw takken over het perceel van [gedaagden] hangen en om te voorkomen dat er opnieuw een situatie van onrechtmatige hinder als besproken in 4.14 en 4.15 van dit vonnis ontstaat;



5.7.
veroordeelt [eisers] om aan [gedaagden] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoen aan de veroordeling onder 5.5, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,



5.8.

veroordeelt [eisers] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagden] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 786,50,
ter vergoeding van door [gedaagden] gemaakte kosten ter voorkoming of beperking van schade (het verwijderen van de overhangende beplanting); te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 2 oktober 2024;




5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in conventie en in reconventie





5.10.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.794,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.11.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.12.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.N. van Haren en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026




Prod. 1 bij Dagvaarding.


Prod. 2 bij Dagvaarding.


Vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.