Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:5356

2026-02-04 Civiel recht; Goederenrecht C/05/453399
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-02-04
Publicatiedatum
2026-07-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Goederenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/05/453399
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of eisers op grond van bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van een strook grond, dat onderdeel uitmaakt van het kadastrale perceel van gedaagde sub 1. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (43.905 tekens)
RECHTBANK Gelderland


Civiel recht



Zittingsplaats Zutphen



Zaaknummer: C/05/453399 / HZ ZA 25-166




Vonnis van 4 februari 2026




in de zaak van





1 [naam eiser in conventie 1] ,

te [woonplaats] ,2. [naam eiser in conventie 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
gedaagde partijen in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna afzonderlijk te noemen: [de eiser in conventie 1] en [de eiser in conventie 2] ,
hierna samen te noemen: [de eisers in conventie] ,
advocaat: mr. C.H.A. Steinmeier,



tegen





1 [naam gedaagde in conventie 1] ,

te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,hierna: [gedaagde in conventie 1]
2. [naam gedaagde in conventie 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde in conventie 1] en [gedaagde in conventie 2] ,
hierna samen te noemen: [de gedaagden in conventie] ,
advocaat: mr. M.C. Molenaar.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025;
- de brief van [de eisers in conventie] van 20 oktober 2025 met productie 20;
- de brief van [de eisers in conventie] van 31 oktober 2025 met producties 21 en 22;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 november 2025.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.







2De feiten


2.1.
Partijen zijn buren van elkaar.



2.2.

[de eisers in conventie] zijn sinds 1988 de eigenaren van het perceel grond met daarop een woning gelegen aan de [straatnaam] [huisnummer 1] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , [kadasterkenmerk 1] . Zij hebben het perceel in eigendom verkregen van de ouders van [de eiser in conventie 2] . [de eiser in conventie 2] woont al haar hele leven op het perceel.



2.3.

[gedaagde in conventie 1] is sinds 1 augustus 2016 eigenaar van het naastgelegen perceel grond met daarop een woning gelegen aan de [straatnaam] [huisnummer 2] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , [kadasterkenmerk 2] . [gedaagde in conventie 1] woont op het perceel samen met [gedaagde in conventie 2] .



2.4.
Ergens in de periode tussen 1967 en 1970 hebben de rechtsvoorgangers van [de eisers in conventie] op het perceel van [de eisers in conventie] een stenen bijgebouw gebouwd (hierna: het bijgebouw). Dit bijgebouw bestaat, gezien van bovenaf, uit twee delen. Op de kadastrale kaart (zie afbeelding bij rechtsoverweging 2.14.) is het achterste deel van het bijgebouw aangeduid als “schr” [schuur, toevoeging rechtbank] en het voorste deel van het bijgebouw aangeduid “gar” [garage, toevoeging rechtbank].



2.5.
Aan de zijde van het perceel van [gedaagde in conventie 1] is in dezelfde periode tegen de zijgevel van het bijgebouw een doodlopend tegelpad aangelegd. Om het hemelwater van het dak af te voeren, zijn aan de zijde van het perceel van [gedaagde in conventie 1] twee regenpijpen tegen de zijgevel van het bijgebouw bevestigd en aangesloten op de dakgoot. Het hemelwater wordt via deze regenpijpen bovengronds afgevoerd op het tegelpad.



2.6.
Op enig moment voor 1991 hebben (de rechtsvoorganger van) [de eisers in conventie] in het verlengde van de voorgevel van het bijgebouw een groen hekje – zonder slot – geplaatst. Dit hekje gaf toegang tot het tegelpad.



2.7.
In 1998 of 1999 is door de vorige eigenaren van het perceel van [gedaagde in conventie 1] een schutting geplaatst die liep van de achterzijde van het bijgebouw tot de voorgevel van de woningen op beide percelen. Deze schutting is door hen op ongeveer 95 centimeter afstand van de zijgevel van het voorste deel van het bijgebouw geplaatst, direct tegen het toen al aanwezige tegelpad aan. Deze schutting heeft er – in ieder geval gedeeltelijk – tot 23 juli 2023 gestaan. In het verlengde van het achterste deel van het bijgebouw staat een stenen muur die als erfafscheiding dient.



2.8.
In 2023 is tussen [de eisers in conventie] en [gedaagde in conventie 1] discussie ontstaan over de erfgrens en de eigendom van de strook grond ter hoogte van het tegelpad (incl. de aansluitende bestrating die toegang geeft tot het tegelpad) en die ligt tussen de kadastrale erfgrens en de hiervoor genoemde schutting (hierna: de strook grond).



2.9.
Bij brief van 15 maart 2023 heeft [gedaagde in conventie 1] aan [de eisers in conventie] laten weten dat hij de schutting op de kadastrale erfgrens wil plaatsen. Hij heeft [de eisers in conventie] daarbij verzocht om de strook grond daarom uiterlijk 15 april 2023 te ontruimen en eventueel straatwerk te verwijderen.



2.10.
Bij e-mailbericht van 11 april 2023 is door de (toenmalige) gemachtigde van [de eisers in conventie] bezwaar gemaakt tegen het verplaatsen van de schutting.



2.11.
Partijen zijn er vervolgens niet in geslaagd om overeenstemming te bereiken over het door [gedaagde in conventie 1] verplaatsen van de schutting.



2.12.
Bij brief van 13 juli 2023 heeft de advocaat van [de gedaagden in conventie] aan de gemachtigde van [de eisers in conventie] laten weten dat [gedaagde in conventie 1] in week 30 of 31 de schutting op de kadastrale erfgrens zal terugplaatsen en dat [de eisers in conventie] tot die tijd de gelegenheid hebben om hun bestrating daarop aan te passen.



2.13.
Op 26 juli 2023 heeft [gedaagde in conventie 1] de schutting op de strook grond verwijderd en halverwege het tegelpad een metalen hekwerk geplaatst, ongeveer 47,5 centimeter van de zijgevel van het voorste deel van het bijgebouw.



2.14.
Op 15 december 2023 is in opdracht van [de eisers in conventie] door het Kadaster een grensreconstructie uitgevoerd. In het relaas van bevindingen is een bewerkte kadastrale kaart opgenomen waarop de kadastrale erfgrens tussen de percelen van [de eisers in conventie] en [gedaagde in conventie 1] met een rode stippellijn is weergegeven:

[ Afbeelding geanonimiseerd]


Productie 10 bij dagvaarding.







3Het geschil



In conventie




3.1.


[de eisers in conventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat door (bevrijdende) verjaring de strook grond eigendom is geworden van [de eisers in conventie] ;
II. [gedaagde in conventie 1] veroordeelt tot medewerking aan de inmeting door het kadaster van de strook grond van [de eisers in conventie] met inachtneming van het hierboven onder sub I bepaalde en het inschrijven van dit eigendom door verjaring bij een door [de eisers in conventie] aan te wijzen notaris binnen zeven dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis en op straffe van een dwangsom van € 50,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, per (gedeelte van een) dag dat [de gedaagden in conventie] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
III. voor recht verklaart dat [de gedaagden in conventie] inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van [de eisers in conventie] door het verwijderen van (een gedeelte van) het door de rechtsvoorgangers van [de eisers in conventie] aangelegde straatwerk en het verwijderen van de mandelige schutting, en [de gedaagden in conventie] veroordeelt tot vergoeding van de schade van € 892,38, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
IV. [de gedaagden in conventie] veroordeelt tot het verwijderen van de bomen en heesters in de verboden zone, binnen zeven dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis en op straffe van een dwangsom van € 50,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, per (gedeelte van een) dag dat [de gedaagden in conventie] in gebreke blijft aan deze veroordeling te doen;
V. [de gedaagden in conventie] veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure inclusief het (na)salaris advocaat.




3.2.

[de eisers in conventie] leggen – samengevat – aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. [de eisers in conventie] zijn door bevrijdende verjaring eigenaar geworden van de strook grond. De strook grond is ondubbelzinnig in bezit genomen door de rechtsvoorgangers van [de eisers in conventie] door onder meer het aanleggen en gebruiken van het tegelpad. De strook grond was meer dan twintig jaar onderdeel van het perceel van [de eisers in conventie] en [de eisers in conventie] hebben zich in deze periode ook zo gedragen dat (de rechtsvoorgangers van) [de gedaagden in conventie] hebben moeten begrijpen dat [de eisers in conventie] zich steeds uitsluitend als eigenaar van de strook grond hebben beschouwd. [de gedaagden in conventie] hebben door het verwijderen van de schutting en een deel van het straatwerk, dat door de hun rechtsvoorgangers op de strook grond was aangelegd, inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [de eisers in conventie] Het herstellen van het straatwerk brengt kosten mee van € 892,38. Bovendien hebben [de gedaagden in conventie] na het verwijderen van de schutting beplanting aangebracht op hun perceel die te dicht op de erfgrens staat.



3.3.

[de gedaagden in conventie] voert verweer. [de gedaagden in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eisers in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eisers in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eisers in conventie] in de kosten van deze procedure.



3.4.

[de gedaagden in conventie] voert – samengevat – het volgende aan. [gedaagde in conventie 1] betwist dat (de rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] de strook grond op enig moment in bezit hebben genomen alsook gedurende minimaal twintig jaar onafgebroken in bezit hebben gehad. Volgens [gedaagde in conventie 1] is aan (de rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] toestemming gegeven door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde in conventie 1] om de strook te gebruiken. Deze toestemming staat in de weg aan bezitsverkrijging van de strook grond door (de rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] De schutting die op 23 juli 2023 door [gedaagde in conventie 1] werd verwijderd, was door de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conventie 1] geplaatst en kan daarom niet worden gezien als een bezitsdaad van [de eisers in conventie] Bij het plaatsen van de schutting is bovendien een schuttingpaneel ter hoogte van het raam in het midden van het voorste deel van het bijgebouw weggelaten, waardoor de strook grond nog steeds toegankelijk was vanaf het perceel van [gedaagde in conventie 1] . Daar is pas verandering is gekomen toen [gedaagde in conventie 1] het schuttingpaneel op enig moment heeft teruggeplaatst. [gedaagde in conventie 1] betwist ook beplanting te hebben aangebracht die te dicht op de erfgrens staat. Door [de gedaagden in conventie] wordt verder betwist dat zij schade hebben toegebracht aan eigendommen van [de eisers in conventie]



In (voorwaardelijke) reconventie





3.5.


[gedaagde in conventie 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor het geval de vorderingen onder I en II van het petitum in conventie mochten worden toegewezen, [de eisers in conventie] hoofdelijk veroordeelt tot (het onverkort medewerking verlenen aan) de teruglevering van de strook grond aan [gedaagde in conventie 1] en herstel van de kadastrale erfgrens, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [de eisers in conventie] nalaat hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,00;
II. [de eisers in conventie] hoofdelijk veroordeelt het onrechtmatig afwateren op het erf van [gedaagde in conventie 1] binnen tien dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis te staken en gestaakt te houden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat [de eiser in conventie 1] nalaat hieraan te voldoen, met een maximum van € 10.000,00.




3.6.

[gedaagde in conventie 1] legt – samengevat – aan zijn voorwaardelijke vordering het volgende ten grondslag. Wanneer [de eisers in conventie] door bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond, dan hebben [de eisers in conventie] de strook grond in bezit genomen wetende dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde in conventie 1] daarvan eigenaar waren. Daarmee hebben [de eisers in conventie] een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde in conventie 1] . Als schadevergoeding in natura vordert [gedaagde in conventie 1] in dat geval veroordeling van [de eisers in conventie] om medewerking te verlenen aan de teruglevering van de strook grond aan [gedaagde in conventie 1] en herstel van de kadastrale erfgrens.



3.7.

[gedaagde in conventie 1] legt aan zijn onvoorwaardelijke vordering ten grondslag dat het dak van het bijgebouw via de aan de zijde van het perceel van [gedaagde in conventie 1] aan de dakgoot bevestigde regenpijpen en het tegelpad afwatert op het perceel van [gedaagde in conventie 1] . Daarmee is sprake van onrechtmatige afwatering op het perceel van [gedaagde in conventie 1] .



3.8.

[de eisers in conventie] voert verweer. [de eisers in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conventie 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in conventie 1] , met veroordeling van [gedaagde in conventie 1] in de kosten van deze procedure.



3.9.

[de eisers in conventie] leggen – samengevat – het volgende aan hun verweer ten grondslag. [de eisers in conventie] beroepen zich op verjaring van de voorwaardelijke vordering tot opeising van de strook grond door [gedaagde in conventie 1] . Wat betreft de onvoorwaardelijke vordering van [gedaagde in conventie 1] , betwisten [de eisers in conventie] dat de afwatering plaatsvindt via het perceel van [gedaagde in conventie 1] , althans dat hen daarvan een verwijt treft. Het is [gedaagde in conventie 1] geweest die het straatwerk waarover tot 23 juli 2023 de afwatering plaatsvond deels heeft verwijderd, waardoor de afwatering is verstoord.



3.10.
Daarnaast voeren [de eisers in conventie] subsidiair verweer tegen de door [gedaagde in conventie 1] gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring.



In conventie en in (voorwaardelijke) reconventie





3.11.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie




4.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.



4.2.
Bij de beoordeling daarvan stelt de rechtbank voorop dat op de mondelinge behandeling met partijen is vastgesteld dat het perceel [straatnaam] [huisnummer 2] te [woonplaats] uitsluitend toebehoort aan [gedaagde in conventie 1] . [de eisers in conventie] zijn daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen in conventie onder I, II en IV, voor zover die zijn gericht tegen [gedaagde in conventie 2] .



Inleiding





4.3.
Het gaat in deze zaak om de vraag wie juridisch gezien eigenaar is van de strook grond. [de eisers in conventie] menen dat zij op grond van verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond. [gedaagde in conventie 1] is van mening dat de kadastrale grens de juridische erfgrens is.



4.4.
De kadastrale grens zoals die door het kadaster is gemeten op 15 december 2023 staat tussen partijen niet ter discussie. Daarmee staat tussen partijen vast dat (de rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] een strook grond die kadastraal behoort tot het perceel van [gedaagde in conventie 1] tot 23 juli 2023 in gebruik hadden. Beoordeeld moet worden of [de eisers in conventie] eigenaar zijn geworden van de strook grond.



Eigendom van de strook grond





4.5.

[de eisers in conventie] beroepen zich erop dat zij de eigendom van de strook grond hebben verkregen door bevrijdende verjaring.



4.6.
Uit artikel 3:105 BW volgt dat iemand die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ongeacht of zijn bezit te goeder trouw was. Dit is een wijze van verkrijging die is gekoppeld aan de bevrijdende verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit. De verjaringstermijn van deze vorm van verkrijgende verjaring bedraagt 20 jaar (artikel 3:306 BW) en begint op de dag volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 BW).



4.7.
Beoordeeld moet dan ook worden of (de rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] de strook grond in bezit hebben genomen en meer dan twintig jaar onafgebroken in bezit hebben gehad. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 BW). Dat wil zeggen dat de feitelijke macht over een goed wordt uitgeoefend met de bedoeling rechthebbende te zijn. Inbezitneming vindt plaats doordat iemand zich de feitelijke macht over het goed verschaft (artikel 3:113 lid 1 BW). Voor inbezitneming van een goed zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter tenietdoet. De vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, moet volgens artikel 3:108 BW worden beantwoord naar de verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke bepalingen inzake het bezit en op grond van uiterlijke feiten. Er geldt een objectieve maatstaf. Bezit moet voor derden voldoende kenbaar zijn. Het gaat er daarbij dus niet om wat zich in het hoofd van de betrokkenen heeft afgespeeld (dat is subjectief) maar om de feitelijke situatie en om wat er is gedaan en is gebeurd. Dat wordt dan met de blik van buiten (dus objectief) uitgelegd: voor een buitenstaander moet uit het gedrag van de ander duidelijk zijn dat hij denkt de eigenaar te zijn (vgl. Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). Er is namelijk anders geen reden voor de rechthebbende om actie te ondernemen. Uit de handelingen moet dus een ondubbelzinnige intentie naar buiten blijken om het goed voor zichzelf te houden. Het laten aanvangen van bezit vereist een daad van inbezitneming van degene die zich op verjaring beroept.



4.8.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rusten op [de eisers in conventie] de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden die maken dat zij (en eventueel haar rechtsvoorgangers) de strook grond meer dan twintig jaar onafgebroken in bezit hebben gehad.



4.9.
Volgens [de eisers in conventie] hebben hun rechtsvoorgangers de strook grond in of omstreeks 1967 in gebruik – en daarmee in bezit – genomen met de aanleg van het tegelpad op de strook grond voor onderhoud aan het bijgebouw. Vanaf de aanleg van het tegelpad is de strook grond door (de rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] gebruikt als hun eigen grond. Zo is er op enig moment in het verlengde van de voorgevel van het bijgebouw een groen hekje geplaatst – dat toegang gaf tot het tegelpad vanaf hun perceel –, hebben [de eisers in conventie] het tegelpad onderhouden en hebben zij hun afvalcontainers op het tegelpad gepositioneerd. Door [de eisers in conventie] is verder aangevoerd dat door de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conventie 1] tegen het tegelpad aan in 1998 of 1999 een schutting is geplaatst. Tot dat moment bestond de erfafscheiding tussen de percelen van [de eisers in conventie] en [gedaagde in conventie 1] verder uit bomen en struiken. Hoewel [de eisers in conventie] erkennen dat tijdelijk een schuttingpaneel heeft ontbroken, is de strook grond volgens [de eisers in conventie] vanaf in ieder geval 2000 tot 23 juli 2023 omheind en ontoegankelijk vanaf het perceel van [gedaagde in conventie 1] geweest. Ter onderbouwing van de stelling dat [de eisers in conventie] (en hun rechtsvoorgangers) de strook grond gedurende meer dan twintig jaar onafgebroken in bezit hebben gehad zijn door [de eisers in conventie] foto’s en vijf verklaringen van familieleden in het geding gebracht.



4.10.

[gedaagde in conventie 1] heeft betwist dat (de rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] de strook grond in bezit hebben genomen en heeft daartoe aangevoerd dat er geen bezitsdaden door (de rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] zijn verricht. Het gebruik van de strook grond door (de rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] is volgens [gedaagde in conventie 1] te herleiden tot een afspraak tussen de rechtsvoorgangers van partijen die vervolgens is gecontinueerd. [gedaagde in conventie 1] heeft een verklaring van mevrouw [betrokkene] overgelegd die deze stelling volgens hem ondersteunt. [gedaagde in conventie 1] is van mening dat (de rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] slechts houder van de strook grond zijn geweest. Verder geeft [gedaagde in conventie 1] aan dat [de eisers in conventie] en hun rechtsvoorgangers nooit bezitsdaden ten aanzien van de strook grond hebben verricht. Het op de strook grond aangelegde tegelpad is volgens [gedaagde in conventie 1] door de rechtsvoorgangers van partijen gezamenlijk aangelegd om de rechtsvoorgangers van [de eisers in conventie] – met toestemming van de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conventie 1] – in staat te stellen het bijgebouw te onderhouden. De schutting is door de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conventie 1] geplaatst en sloot beide percelen niet geheel van elkaar af. Er was nog vrije doorgang mogelijk op de plaats waar een schuttingpaneel was weggelaten. [gedaagde in conventie 1] betwist dat dit schuttingpaneel in 2000 is teruggeplaatst. Volgens hem is het ontbrekende schuttingpaneel pas door hemzelf teruggeplaatst enige tijd nadat hij op zijn perceel is gaan wonen. De foto die door beide partijen is overgelegd van de schutting, waarop zichtbaar is dat een schuttingpaneel ontbreekt, is volgens [gedaagde in conventie 1] afkomstig uit de verkoopbrochure die door hem is ontvangen van de verkopend makelaar van zijn perceel. Het beroep op bevrijdende verjaring slaagt ook daarom niet, aldus [gedaagde in conventie 1] .



4.11.
Genoegzaam is gebleken dat [de eisers in conventie] en hun rechtsvoorgangers meer dan twintig jaar de strook grond in gebruik hebben gehad. Dit blijkt uit de foto’s uit 1991 waarop het groene hekje dat toegang gaf en geeft tot het tegelpad zichtbaar is en de verklaringen die over het gebruik van de strook grond door beide partijen in het geding zijn gebracht. Dit betekent echter niet dat [de eisers in conventie] en diens rechtsvoorgangers ook het bezit van de strook grond hebben verkregen. Daarvoor is vereist dat zij de strook grond in bezit hebben genomen door handelingen te verrichten waardoor het bezit van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde in conventie 1] onmiskenbaar tot een eind is gekomen. Daarvan is niet gebleken. Tekenend hiervoor is het feit dat de feitelijke scheiding tussen de percelen is ontstaan door handelingen van (de rechtsvoorgangers) [gedaagde in conventie 1] en niet van (rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] Door [de eiser in conventie 2] is namelijk tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de schutting die in 1998 of 1999 tegen het tegelpad is aan geplaatst, door de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conventie 1] daar is neergezet. Ook is door haar verklaard dat daaraan voorafgaand tussen partijen geen overleg heeft plaatsgevonden over het plaatsen van een schutting en dat de plaatsing daarvan door de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conventie 1] tijdens een vakantie van [de eisers in conventie] heeft plaatsgevonden. Het door de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conventie 1] plaatsen van de schutting op enige afstand van de kadastrale grens, kan niet als een bezitsdaad van [de eisers in conventie] worden aangemerkt. Ook kan in het plaatsen van de schutting en het al dan niet meer (kunnen) betreden van de strook grond daarachter niet het prijsgeven van het bezit van de strook worden gezien. Het gaat erom of (de rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] zich op een naar buiten toe kenbare wijze als bezitter van de strook grond hebben gemanifesteerd. De overige handelingen van (rechtsvoorgangers van) [de eisers in conventie] – het al dan niet met de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conventie 1] aanleggen van het tegelpad, het plaatsen van het groene hekje waarmee het tegelpad vanaf de voorzijde kon worden dichtgezet, het gebruik van het tegelpad voor onderhoud aan het bijgebouw, het onderhouden van het tegelpad en het plaatsen van afvalcontainers op het tegelpad – zijn onvoldoende om het bezit van [gedaagde in conventie 1] en diens rechtsvoorgangers te beëindigen. Dat zijn geen uiterlijke machtsuitoefeningen die passen bij de pretentie van eigenaarschap op basis waarvan [gedaagde in conventie 1] en zijn rechtsvoorgangers erop bedacht moesten zijn dat zij hun eigendom zouden gaan verliezen. Zouden [de eisers in conventie] bijvoorbeeld zelf een ondoordringbare afscheiding hebben geplaatst (tegen de schutting aan), dan zou dat wel als een relevant uiterlijk feit in de hiervoor bedoelde zin kunnen worden beschouwd. Voorstelbaar is dat [de eisers in conventie] gelet op de aanwezigheid van de schutting daarvan hebben afgezien, maar dat betekent niet dat dan minder zware eisen kunnen worden gesteld voor het aannemen van bezit.



Tussenconclusie





4.12.
Het voorgaande betekent dat [de eisers in conventie] niet door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond. De rechtbank zal de vorderingen in conventie onder I en II afwijzen. Aan de voorwaardelijke reconventionele vordering onder I komt de rechtbank niet toe.



Het verwijderde straatwerk en de verwijderde schutting





4.13.

[de eisers in conventie] vorderen een verklaring voor recht dat [de gedaagden in conventie] een inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van [de eisers in conventie] door het verwijderen van (een gedeelte van) het door de rechtsvoorgangers van [de eisers in conventie] op de strook grond aangelegde straatwerk alsook het verwijderen van de schutting. Voor de kosten gemoeid met het herstellen van het straatwerk vorderen [de eisers in conventie] een schadevergoeding van € 892,38.



4.14.

[de gedaagden in conventie] bestrijden dat de schutting mandelig was en dat zij een inbreuk hebben gemaakt op het eigendomsrecht van [de eisers in conventie] door het verwijderen van door de rechtsvoorgangers van [de eisers in conventie] op de strook grond aangelegd straatwerk.



4.15.
Zoals hiervoor uiteengezet is de strook grond eigendom van [gedaagde in conventie 1] . Dit betekent in de eerste plaats dat de schutting alleen zijn eigendom was. Ook betekent dit dat [gedaagde in conventie 1] op grond van natrekking eigenaar was van het straatwerk dat door [de gedaagden in conventie] op 23 juli 2023 is verwijderd. Het gaat immers om straatwerk gelegen op de strook grond. Het door hen verwijderde straatwerk is door [de gedaagden in conventie] bovendien (onweersproken) onbeschadigd verwijderd en opgestapeld achtergelaten op het perceel van [de eisers in conventie] Door [de gedaagden in conventie] is dan ook met het verwijderen van het straatwerk en de schutting geen inbreuk gemaakt op een eigendomsrecht van [de eisers in conventie] De door [de eisers in conventie] in conventie onder III gevorderde verklaring van recht alsook de gevorderde schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen.



Verwijdering van beplantingen in de verboden zone





4.16.

[de eisers in conventie] hebben de rechtbank verzocht om [de gedaagden in conventie] te veroordelen tot het verwijderen van de bomen en heesters in de verboden zone. Door [gedaagde in conventie 1] is betwist dat er bomen en heesters in de verboden zone staan.



4.17.
Op grond van artikel 5:42 lid 1 BW is het niet geoorloofd binnen de in lid 2 bepaalde afstand van de erfgrens bomen, heesters of heggen te hebben. In lid 2 is bepaald dat deze afstand voor bomen twee meter bedraagt en voor heesters en heggen een halve meter, tenzij op grond van een verordening of plaatselijke gewoonte een andere afstand is toegelaten. De buren kunnen zich op grond van lid 3 alleen verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters of heggen die hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven. De afstand van twee meter voor bomen en 50 centimeter voor struiken wordt ook wel de ‘verboden zone’ genoemd.



4.18.

[de eisers in conventie] hebben gesteld dat door [de gedaagden in conventie] na verwijdering van de schutting beplanting is aangebracht in de verboden zone. Ter onderbouwing van hun stelling is door [de eisers in conventie] slechts één foto in het geding gebracht waarop zichtbaar is dat beplanting (van beide partijen) boven het door [gedaagde in conventie 1] op zijn perceel geplaatste metalen hekwerk uitkomt. Daarop is niet zichtbaar om wat voor beplanting het gaat. Ook is daarop niet zichtbaar wat de afstand is van de betreffende beplanting tot de erfgrens, laat staan waar de erfgrens zich bevindt.



4.19.
Gelet op de onduidelijkheid over het soort beplanting, de afstand tussen de beplanting en de erfgrens, de relatief kleine afstand waarbinnen zich geen bomen en heesters van de erfgrens mogen bevinden en het ontbreken van een verdere toelichting en onderbouwing van [de eisers in conventie] , kan de rechtbank niet vaststellen dat er daadwerkelijk bomen en/of heesters binnen de verboden zone staan en welke bomen en/of heesters dat dan precies zijn. Het lag op de weg van [de eisers in conventie] om hun vordering handen en voeten te geven. Dat hebben [de eisers in conventie] niet, althans onvoldoende, gedaan. De vordering van [de eisers in conventie] onder IV is om die reden niet toewijsbaar, voor zover die is gericht tegen [gedaagde in conventie 1] .



De afwatering van het bijgebouw





4.20.

[gedaagde in conventie 1] vordert in reconventie hoofdelijke veroordeling van [de eisers in conventie] om het onrechtmatig afwateren op zijn perceel te staken en gestaakt te houden.



4.21.
Op grond van artikel 5:39 BW mag de eigenaar van een erf niet op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen door wijziging aan te brengen in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van over zijn erf stromend water. Of sprake is van onrechtmatige hinder hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden.



4.22.
Uit artikel 5:52 lid 1 BW volgt verder dat een eigenaar verplicht is om de afdekking van zijn gebouwen en werken zodanig in te richten, dat daarvan het water niet op het perceel van een ander afloopt. Dit geldt ook voor de bestrating van een perceel.



4.23.

[gedaagde in conventie 1] stelt dat het water van het dak van het bijgebouw via de aan de zijde van zijn perceel aan de dakgoot bevestigde regenpijpen afwatert op zijn perceel. Ter onderbouwing van zijn stelling zijn door [gedaagde in conventie 1] foto’s in het geding gebracht waarop te zien is dat het water over het tegelpad afloopt in de richting van zijn perceel.



4.24.

[de eisers in conventie] betwisten dat sprake is onrechtmatige afwatering op het perceel van [gedaagde in conventie 1] . Primair voeren zij aan dat geen sprake is van afwatering op het perceel van [gedaagde in conventie 1] . Daarbij gaan zij uit van het uitgangspunt dat de strook grond eigendom van [de eisers in conventie] is (geworden). Subsidiair voeren zij aan dat het voor rekening en risico van [gedaagde in conventie 1] komt dat het water van het dak van het bijgebouw afloopt richting het perceel van [gedaagde in conventie 1] . De afwatering van het dak van het bijgebouw is verstoord door toedoen van [gedaagde in conventie 1] . Doordat [gedaagde in conventie 1] door de rechtsvoorgangers van [de eisers in conventie] aangelegd straatwerk rond het door hem geplaatste metalen hekwerk heeft verwijderd, vloeit het water niet langer meer via de bestrating af op de openbare weg. [de eisers in conventie] hebben voldoende maatregelen getroffen om de door [gedaagde in conventie 1] veroorzaakte schade te beperken.



4.25.
Uit het door beide partijen in het geding gebrachte beeldmateriaal blijkt dat het water van het dak van het bijgebouw afloopt op het perceel van [gedaagde in conventie 1] . Dit lijkt enerzijds te worden veroorzaakt door de richting waarin de uitloop van de regenpijpen die bevestigd zijn tegen de zijgevel van het bijgebouw aan de zijde van het perceel van [gedaagde in conventie 1] zijn gemonteerd – deze zijn gemonteerd richting het perceel van [gedaagde in conventie 1] – en anderzijds te worden veroorzaakt door het door [de eisers in conventie] (nog) niet herstellen van de op het nog resterende tegelpad aansluitende bestrating (inclusief trottoirbanden).



4.26.
De inrichting van (het dak van) het bijgebouw van [de eisers in conventie] is zodanig dat een deel van het hemelwater daarvan op dit moment afloopt op het perceel van [gedaagde in conventie 1] . Daarmee voldoen [de eisers in conventie] niet aan de in artikel 5:52 lid 1 BW opgenomen verplichting. Schending van dit artikel levert strijd op met een wettelijke plicht en is daarmee onrechtmatig. Voor zover [de eisers in conventie] met hun beroep op eigen schuld hebben bedoeld aan te voeren dat niet aan hen kan worden toegerekend dat het hemelwater van een deel van het dak van het bijgebouw afloopt op het perceel van [gedaagde in conventie 1] , miskennen [de eisers in conventie] dat het hun verantwoordelijkheid is om de afwatering daarvan zodanig in te richten dat het water niet op het perceel van [gedaagde in conventie 1] afloopt. Dat de oorspronkelijke afwatering is verstoord doordat [gedaagde in conventie 1] op 23 juli 2023 bestrating heeft verwijderd, doet daaraan niet af. [de eisers in conventie] hebben er zelf voor gekozen om hun bestrating niet aan te passen naar aanleiding van de aankondiging van de advocaat van [gedaagde in conventie 1] van 13 juli 2023. Ook hebben [de eisers in conventie] er zelf voor gekozen om de bestrating nog niet te herstellen op een wijze dat het hemelwater van het dak van het bijgebouw van [de eisers in conventie] weer afloopt richting de openbare weg.



4.27.
Omdat is vastgesteld dat er sprake is van een onrechtmatige toestand, zullen [de eisers in conventie] worden veroordeeld om die onrechtmatige toestand te staken en gestaakt te houden.



4.28.
Hoewel [de eisers in conventie] geen specifiek verweer hebben gevoerd tegen de gevorderde termijn van tien dagen waarbinnen de maatregelen om de onrechtmatige afwatering te staken genomen moeten zijn, moeten executieproblemen worden voorkomen. Een redelijke termijn waarbinnen [de eisers in conventie] de maatregelen moeten nemen, is tien weken na betekening van dit vonnis. Daarmee bedoelt de rechtbank dat [de eisers in conventie] ervoor moeten zorgen dat de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de afwatering van het dak van het bijgebouw niet langer op het perceel van [gedaagde in conventie 1] afwatert moeten zijn uitgevoerd binnen tien weken na betekening van dit vonnis.



4.29.
In het door [de eisers in conventie] tot op heden niet herstellen van de bestrating ziet de rechtbank aanleiding om de gevorderde dwangsom toe te wijzen. De dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd zoals hierna onder de beslissing is vermeld.



Uitvoerbaarheid bij voorraad





4.30.

[de eisers in conventie] hebben verweer gevoerd tegen de door [gedaagde in conventie 1] gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. [de eisers in conventie] voeren daarvoor als argument aan dat het moeten aanpassen van een en ander aan hun perceel kosten met zich brengt en dat het risico bestaat dat zij met dubbele lasten zullen worden geconfronteerd als zij vervolgens hoger beroep instellen.



4.31.
Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [de eisers in conventie] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van [de gedaagden in conventie] om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis.



4.32.
De door [de eisers in conventie] aangevoerde omstandigheden zijn niet zodanig dat in dit geval de belangen van [de eisers in conventie] zwaarder wegen dan de belangen bij [de gedaagden in conventie] bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. De gevolgen van een eventuele executie van het vonnis staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Daarom wordt het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [de eisers in conventie] kunnen dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als zij hoger beroep hebben ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist.



Proceskosten





4.33.

[de eisers in conventie] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom zowel in conventie als in (voorwaardelijke) reconventie de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.



4.34.
De proceskosten van [de gedaagden in conventie] in conventie worden begroot op:









- griffierecht


€


331,00







- salaris advocaat


€


1.306,00


(2 punten × € 653,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.826,00











4.35.
In (voorwaardelijke) reconventie worden de proceskosten van [gedaagde in conventie 1] begroot op € 554,00 (2 punten x factor 0,5 x € 554,00) aan salaris advocaat.





5De beslissing


De rechtbank




in conventie




5.1.
verklaart [de eisers in conventie] niet-ontvankelijk in hun vorderingen onder I, II en IV, voor zover die zijn gericht tegen [gedaagde in conventie 2] ,



5.2.
wijst de vorderingen van [de eisers in conventie] voor het overige af,



5.3.
veroordeelt [de eisers in conventie] hoofdelijk in de proceskosten van [de gedaagden in conventie] van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis,



in reconventie





5.4.
veroordeelt [de eisers in conventie] hoofdelijk om, binnen tien weken na betekening van dit vonnis, het afwateren van het dak van het bijgebouw op het perceel van [gedaagde in conventie 1] te staken en gestaakt te houden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag of gedeelte daarvan dat [de eisers in conventie] nalaat hieraan te voldoen, met een maximum van € 5.000,00;



5.5.
veroordeelt [de eisers in conventie] hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde in conventie 1] die tot op heden begroot worden op € 554,00, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,



in conventie en in reconventie





5.6.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. van Engelenhoven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.















































WE/KH