Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23149

2026-08-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.35581
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-17
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.35581
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser krijgt dus gelijk. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel

Citeert (3)

Geciteerd door (3)

Volledige tekst

Volledige tekst (12.023 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummers: NL26.35581 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas)



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. F. Gieskes).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser krijgt dus gelijk. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Eiser heeft op 18 mei 2026 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1993. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 23 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek toegewezen.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.





Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het besluit




3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateert de aanvraag van vóór 12 juni 2026. In eerste instantie is de - vanaf 12 juni 2026 niet meer bestaande - voornemenprocedure gevolgd en heeft verweerder in dat kader een voornemen uitgebracht op 5 juni 2026 en op 25 juni 2026 een besluit genomen. Vervolgens heeft verweerder een vervangend besluit genomen op 3 juli 2026 (het bestreden besluit), toen de AMBV al gold. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.



3.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk op 28 mei 2026 een verzoek om terugname gedaan, op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Frankrijk heeft dit verzoek op 10 juni 2026 op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening aanvaard.



Heeft verweerder uit kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?




4. Eiser voert aan dat uit het nieuwe AIDA-rapport volgt dat de opvang van Dublin-terugkeerders in Frankrijk dusdanig ontoereikend is, dat niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het AIDA-rapport volgt dat de asielzoekers die in Frankrijk onder de Dublinprocedure vallen in 4.887 van de 24.174 gevallen opvang krijgen. Dit komt neer op 20,2 procent. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook erkend dat ruim 20 procent van de terugkeerders en aanvragers die onder de Dublinverordening vallen opvang heeft gekregen. In het bestreden besluit verwijst verweerder naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 juli 2025. Bij die uitspraak is het nieuwe AIDA-rapport echter nog niet meegenomen.




4.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel ten opzichte van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eiser moet aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan.



4.2.
De rechtbank volgt de stelling van eiser en is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank is als volgt tot dit oordeel gekomen.



4.3.
Uit het AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025) volgt: ‘Asylum seekers who fall under the Dublin procedure in France can in theory benefit from emergency accommodation up until the notification of the decision of transfer, while Dublin returnees are treated as regular asylum seekers and therefore benefit from the same reception conditions granted to asylum seekers under the regular or the accelerated procedure. In practice, however, many persons subject to Dublin procedures (applicants or returnees) live on the streets or in squats because of the overall lack of places. At the end of 2025, only 4,887 out of 24,174 asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated (20.2%). No such detailed data are available for 2024.’



4.4.
De rechtbank leest het rapport zo dat het percentage van 20,2 procent ziet op zowel Dublinterugkeerders als asielzoekers die in Frankrijk in de Dublin-procedure worden behandeld en vanuit Frankrijk worden overgedragen aan een andere lidstaat. De rechtbank acht in dit kader van belang dat uit het AIDA-rapport blijkt dat het theoretische onderscheid tussen aanvragers en terugkeerders in de praktijk anders uitpakt, nu beide groepen volgens het rapport op straat of in kraakpanden moeten leven wegens het tekort aan opvangplekken. De rechtbank constateert dat verweerder zich in het bestreden besluit op pagina 6 ook op het standpunt heeft gesteld dat ‘Ruim 20% van alle terugkeerders en aanvragers heeft wel fysieke opvang verkregen’, terwijl verweerder ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat het percentage alleen ziet op personen die in Frankrijk asiel aanvragen en onder de Dublin (of AMBV) procedure vallen. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder ter zitting dus niet, en merkt op dat dit ook tegenstrijdig is met wat verweerder in het bestreden besluit heeft opgenomen.



4.5.
Daarnaast schetst het AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025) een ander beeld dan het AIDA-rapport van juni 2025 (update 2024). Uit het rapport update 2024 volgt dat van dezelfde groep een jaar eerder nog 29,6 procent werd opgevangen in Frankrijk. Dit is dus een daling van bijna 10 procent. De rechtbank kan daarom het standpunt van verweerder dat het AIDA-rapport van mei 2026 geen wezenlijk ander beeld schetst dan het rapport van juni 2025, niet volgen zonder een nadere motivering.



4.6.
De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, leidt ook niet tot een ander oordeel. De Afdeling heeft in deze uitspraak namelijk het vorige AIDA-rapport van juni 2025 (update 2024) betrokken. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de Afdeling voor het laatst inhoudelijk is ingegaan op de AIDA-rapporten over Frankrijk in haar uitspraak van 5 april 2023, waarin de overwegingen van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, worden overgenomen over het AIDA-rapport van april 2022 (update 2021). In dit rapport werden nog geen percentages genoemd, maar hierin werd wel al gesignaleerd dat zowel Dublinterugkeerders als -aanvragers op straat leefden.



4.7.
Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser kan klagen bij de bevoegde autoriteiten in Frankrijk over het uitblijven van opvang, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eerst gehouden is onderzoek te doen naar het gedaalde percentage van de groep die opvang krijgt en waar eiser als Dublinterugkeerder toe behoort, voordat van hem kan worden gevergd om te klagen bij de Franse autoriteiten. Hierbij acht de rechtbank van belang dat ongeveer 80 procent van de Dublinterugkeerders en -aanvragers blijkbaar geen opvang krijgt. Dat klagen een effectief rechtsmiddel is om een plek in de opvang te bewerkstelligen en te voorkomen om op straat te belanden acht de rechtbank in die situatie onvoldoende duidelijk.



Conclusie en gevolgen




5. Het beroep is gegrond omdat het besluit een motiveringsgebrek bevat. Dit betekent dat eiser gelijkt krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.




5.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1).





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 3 juli 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RBDHA:2026:21061.


Verordening (EU) nr. 604/2013.


Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met rectificatie 2025/90929.


AIDA Country report France, update on 2025, may 2026.


AIDA Country report France, update on 2025, may 2026, p. 130.


ECLI:NL:RVS:2025:3623.


Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


AIDA Country report France, update on 2025, may 2026, p. 130.


AIDA Country report France, update on 2024, june 2025, p. 124-125.


ECLI:NL:RVS:2023:1318.