Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27758

2026-09-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.37948 en NL26.37949
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.37948 en NL26.37949
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

interstatelijk vertrouwensbeginsel, arrest C.K., zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.805 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.37948 en NL26.37949


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiser]
, V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. H. Hassan)


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Erdal).




Inleiding





1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 juli 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk ervoor verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.



1.1

De rechtbank heeft het beroep van eiser 20 augustus 2026 op zitting behandeld.
De gemachtigde van eiser en eiser zelf zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O.O. Owolabi.





1.2

Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.37949) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.






Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op 8 mei 2026 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Frankrijk asiel heeft aangevraagd. Frankrijk is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers.



Wat vindt eiser in beroep?



2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser stelt namelijk dat zijn medische situatie onvoldoende is beoordeeld door verweerder. Eiser heeft vóór de beschikking uitdrukkelijk aangevoerd dat hij diabetes heeft en dat hij in Frankrijk geen medicatie meer kreeg. Eiser stelt dat overdracht daarom niet los kan worden gezien van de vraag of hij in Frankrijk onmiddellijk en ononderbroken toegang zal hebben tot medische zorg en medicatie. Eiser stelt dat verweerder, na ontvangst van de correcties en aanvullingen op 1 juli 2026, al op 2 juli 2026 heeft beslist en hem daardoor geen redelijke termijn heeft geboden om de medische stukken over te leggen. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, waaruit volgt dat verweerder onder omstandigheden voor het nemen van een overdrachtsbesluit de gelegenheid moet bieden om de aangekondigde medische informatie over te leggen. Eiser stelt dat verweerder het ontbreken van medische stukken niet zonder meer aan eiser kon tegenwerpen. Volgens eiser had verweerder concreet moeten onderzoeken in welke juridische en feitelijke positie eiser na overdracht terechtkomt. Eiser stelt dat klagen in Frankrijk niet voorkomt dat eiser onmiddellijk na aankomst zonder noodzakelijke medicatie of medische begeleiding komt te zitten. Tot slot stelt eiser dat verweerder niet had mogen volstaan met een abstracte verwijzing naar gegevensoverdracht, maar had verweerder concreter moeten motiveren waarom in dit geval geen reëel overdrachtsrisico bestaat.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel


5. Ten aanzien eisers stelling dat ten aanzien van Frankrijk niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank als volgt. In onderhavige zaak geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Gelet op het voornoemd beginsel is het ook bij medische problemen aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de voor zijn medische aandoening benodigde medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat ontbreekt.


5.1.
Allereerst verwijst de rechtbank naar de Afdelingsuitspraken van 30 augustus 2024 en 31 juli 2025, waarin is geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Verder volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat ten aanzien van Frankrijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, waarin met verwijzing naar het meeste recente AIDA-rapport is geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk niet van voornoemd beginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze uitspraak te volgen. In de daarin aangehaalde passage uit het AIDA-rapport van mei 2026 wordt een percentage genoemd van 20,2 procent waarvan niet geheel duidelijk is of het uitsluitend ziet op asielzoekers die onder de Dublinprocedure in Frankrijk vallen of ook op Dublinterugkeerders: “At the end of 2025, only 4,887 out of 24,174 asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated (20.2%)”.Echter ook als ervan uit wordt gegaan dat daar ook Dublinterugkeerders onder vallen geldt dat de daling van dit percentage met bijna 10 procent ten opzichte van 2024 (toen werd melding gemaakt van 29,4%) die de rechtbank vervolgens signaleert, niet exclusief ziet op Dublinterugkeerders maar op alle asielverzoekers die onder de Dublinverordening vallen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat de opvangmogelijkheden voor Dublinterugkeerder dusdanig zijn verslechterd dat anders dan voorheen sprake is van structurele tekortkomingen die een reëel risico opleveren dat eiser in een situatie terechtkomt in strijd met artikel 4 van het Handvest als hij wordt overgedragen. Daarnaast stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat uit dit rapport blijkt dat aan 70 procent van de asielzoekers onderdak wordt geboden. Dit percentage laat een lichte verbetering zien ten opzichte van het AIDA-rapport van juni 2025, waarin nog aan 64 procent van de asielzoekers onderdak werd geboden. Dit bevestigt dat de opvangsituatie in Frankrijk niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Bovendien volgt hieruit dat de Franse autoriteiten niet geheel onverschillig staan tegenover de bestaande tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, zodat niet geoordeeld kan worden dat het bij voorbaat zinloos is om daarover te klagen bij die autoriteiten in het geval eiser onverhoopt niet direct een opvangplek krijgt toegewezen.



5.2.
Ten aanzien van eisers stelling dat hij eerder in Frakrijk geen medicatie meer kreeg en geen toegang kreeg tot de noodzakelijke zorg, oordeelt de rechtbank als volgt. Eiser heeft niet met stukken of ander bewijs aannemelijk gemaakt dat aan hem de noodzakelijke medische zorg is geweigerd en dat hij geen medicatie ontving in Frankrijk. Zoals hiervoor is overwogen, kan ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan, waardoor ervan mag worden uitgegaan dat eiser in Frankrijk passende medische zorg zal ontvangen. Indien eiser meent dat Frankrijk tekortschiet in de toegang tot medische zorg, ligt het op de weg van eiser om zich daarover in Frankrijk bij de (hogere) autoriteiten te beklagen. Alhoewel eiser ter zitting heeft toegelicht dat hij heeft geprobeerd te klagen bij Assurance Maladie, heeft eiser dit niet onderbouwd met stukken.



Arrest C.K.

6. Voor zover eiser zich beroept op het arrest C.K. en stelt dat verweerder nader medisch advies moet inwinnen over de gevolgen van overdracht en eventueel noodzakelijke voorzorgsmaatregelen, overweegt de rechtbank als volgt.




6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser een samenvatting van zijn medisch dossier, gedateerd op 4 juli 2026, heeft overlegd. Hieruit blijkt dat eiser diabetes mellitus heeft en dat hij daarvoor medicatie krijgt. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij gedurende een periode van twee jaren met beperkte medicatie in Frankrijk heeft geleefd. De rechtbank is van oordeel dat uit het door eiser overgelegde medisch stuk en toelichting onvoldoende blijkt dat de overdracht een reëel risico op een verslechtering van eisers gezondheidstoestand kan opleveren. Daarnaast is niet gebleken dat eisers medische klachten niet in Frankrijk behandeld zouden kunnen worden.



6.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat de overdracht een reëel risico oplevert voor eisers gezondheid. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit waren (nog) geen medische stukken overlegd, waaruit de gestelde aandoening bleek.. De rechtbank moet het bestreden besluit naar de situatie van dit moment toetsen en in dit kader leidt het in beroep overgelegde medische stuk niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen medische stukken heeft overlegd waaruit volgt dat de overdracht mogelijk nadelige gevolgen heeft voor zijn gezondheid. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom de overdracht ondanks eisers medische aandoening door kan gaan. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder hierover geen medisch advies hoeven in te winnen.



Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel

7. Wat betreft eisers stelling dat hem geen redelijk termijn is aangeboden om het medisch stuk in te dienen en dat verweerder niet mocht volstaan met een standaardverwijzing omtrent de gegevensoverdracht, oordeelt de rechtbank als volgt.




7.1.
De uitspraak van de Afdeling waarnaar eiser in dit verband verwijst betreft een andere situatie met andere medisch-psychische omstandigheden. In onderhavige zaak had eiser ten tijde van de correcties en aanvullingen op het gehoor aangegeven dat hij lijdt aan diabetes. In hetgeen eiser hierbij stelt ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat voor verweerder voldoende duidelijk was dat eisers klachten zodanig ernstig zijn dat hij gehouden was langer te wachten met het nemen van het bestreden besluit. Mede gelet op het stuk dat eiser uiteindelijk heeft overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. Verweerder heeft kunnen volstaan met de vermelding dat de medische gegevens van eiser, met zijn toestemming, aan de Franse autoriteiten worden overgedragen. De enkele stelling dat de vermelding volgens eiser abstract is, maakt niet dat verweerder het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft hierbij ten slotte vermeld dat als bij het uitwisselen van de medische gegevens blijkt dat eiser bij aankomst in Frankrijk geen passende zorg kan krijgen, de overdracht wordt uitgesteld.





Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.

9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.

10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:








































Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)”, doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.


Zie artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2019:560.


ECLI:NL:RVS:2024:3552.


ECLI:NL:RVS:2025:3623.


Zie de uitspraak van 17 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23149.


AIDA Country report France, mei 2026 (update 2025), p. 130.


AIDA Country report France, mei 2026 (update 2025), p. 131.


AIDA Country report France, juni 2025 (update 2024), p. 125.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.