Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27259

2026-09-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.30572 NL26.30573
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.30572 NL26.30573
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Frankrijk. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser beroept zich op het AIDA-rapport van mei 2026 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 17 augustus 2026 voor wat betreft de verder verslechterde opvangcapaciteit van de Dublinterugkeerders. De minister wijst op de recente uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2026 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 26 augustus 2026 waarin is geoordeeld dat het AIDA-rapport Frankrijk van mei 2026 geen wezenlijk ander beeld schetst wat betreft de opvang van asielzoekers, en meer in het bijzonder Dublinterugkeerders, in Frankrijk, dan in de eerder gepubliceerde AIDA-rapporten. De rechtbank volgt de minister in zijn uitleg en sluit zich aan bij het latere oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 10 september 2026. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het AIDA-rapport Frankrijk van mei 2026 dat het door eiser genoemde percentage van 20.2% ziet op Dublin ‘applicants’ en niet op Dublin ‘returnees’ ofwel Dublinterugkeerders.

Citeert (13)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.710 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht


Zaaknummers: NL26.30572 (beroep)
NL26.30573 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] ,

Geboren op [geboortedatum] 1992, van Gambiaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna eiser
(gemachtigde: mr. A.A. Ubbergen),



en




de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L.F. Ludwig).



Inleiding


1. Bij besluit van 1 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de beslissing op het beroep in Nederland mag afwachten.



1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, B.J. Kane als tolk Wolof en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden eiser zijn asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen.



2.1.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toepasselijk recht




3. Op 12 juni 2026 is de AMBV in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.




3.1.
Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Het verzoek van eiser om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.



3.2.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van het beleid dat is opgenomen in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire, zoals dat luidde vóór 12 juni 2026. Dit is overigens niet tussen partijen in geschil.



Totstandkoming van het besluit



4. Eiser heeft op 16 maart 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen, omdat de autoriteiten van Frankrijk volgens de minister verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, die is afgewezen. Daarom heeft Nederland op 21 april 2026 de autoriteiten van Frankrijk verzocht eiser terug te nemen. Op 6 mei 2026 zijn de autoriteiten van Frankrijk hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.



Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?



5. Eiser voert aan dat in Frankrijk de detentie- en leefomstandigheden waaraan hij zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asiel- en opvangprocedure in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU-Handvest. Eiser heeft in Frankrijk geen werk, zodat hij niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Daarnaast heeft hij geen opvang en medische zorg daar. Eiser heeft het in Frankrijk slecht gehad. Zijn asielaanvraag is daar afgewezen en na zijn tweede afwijzing moest hij de opvang en het land verlaten. Eiser heeft twee weken op straat moeten rondzwerven. In Frankrijk vreest eiser voor de maffiagroep Seniss waar hij gedwongen deel van uit maakt en niet uit kan stappen. In Frankrijk zullen ze hem vinden.

Volgens eiser zijn er ernstige tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure in Frankrijk waardoor de minister niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. In
Frankrijk is geen adequate of aanwezige rechtsbijstand en opvang voorhanden. Er is sprake van overvolle opvangcentra zonder basale voorzieningen, lange wachttijden, discriminatie, rellen, en mensenrechtenschendingen. Klagen bij de Franse autoriteiten heeft geen zin. Dan zal eiser uitgezet worden naar Gambia. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat hij als bijzonder kwetsbaar aangemerkt moet worden in de zin van het arrest Tarakhel en dat de minister aanvullende garanties aan Frankrijk had moeten vragen.




Interstatelijk vertrouwensbeginsel





5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister mag er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening, waaronder ook Frankrijk, hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Frankrijk in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest en het Vluchtelingenverdrag. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan omdat de asielprocedure in Frankrijk een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo.



5.2.
Namens eiser is ter zitting aangevoerd dat de opvang van Dublinterugkeerders in Frankrijk dusdanig ontoereikend is, dat niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij is gewezen op een passage op pagina 130 van het AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025), waaruit volgt: ‘Asylum seekers who fall under the Dublin procedure in France can in theory benefit from emergency accommodation up until the notification of the decision of transfer, while Dublin returnees are treated as regular asylum seekers and therefore benefit from the same reception conditions granted to asylum seekers under the regular or the accelerated procedure. In practice, however, many persons subject to Dublin procedures (applicants or returnees) live on the streets or in squats because of the overall lack of places. At the end of 2025, only 4,887 out of 24,174 asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated (20.2%). No such detailed data are available for 2024.”Eiser heeft verder gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 17 augustus 2026, waarin staat dat de rechtbank dit rapport zo leest dat het percentage van 20,2 procent op zowel Dublinterugkeerders ziet als asielzoekers die in Frankrijk in de Dublin-procedure worden behandeld en vanuit Frankrijk worden overgedragen aan een andere lidstaat. In deze uitspraak staat verder dat uit dit AIDA-rapport blijkt dat het theoretische onderscheid tussen aanvragers en terugkeerders in de praktijk anders uitpakt, nu beide groepen volgens het rapport op straat of in kraakpanden moeten leven wegens het tekort aan opvangplekken. Daarnaast is de rechtbank in deze uitspraak van oordeel dat het AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025) een wezenlijk ander beeld (verder verslechterd) schetst van de opvangruimte van de Dublinterugkeerders dan het AIDA-rapport van juni 2025 (update 2024).



5.3.
De rechtbank merkt op dat de aangehaalde passage op pagina 130 van het AIDA-rapport van mei 2026 grotendeels gelijkluidend is aan pagina 122 uit het AIDA-rapport van juni 2025 (update 2024) en pagina 107 uit het AIDA-rapport uit 2022. Wel is vermeld dat de opvang van “asylum applicants under Dublin procedure” verder is gedaald (van 29.6% naar 20.2%).



5.4.

De minister heeft ter zitting gewezen op de uitspraken van de Afdeling waarin de Afdeling ten aanzien van Frankrijk wel uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft ook gewezen op de recente uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2026 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 26 augustus 2026 waarin is geoordeeld dat het AIDA-rapport Frankrijk over 2025 geen wezenlijk ander beeld schetst wat betreft de opvang van asielzoekers, en meer in het bijzonder Dublinterugkeerders, in Frankrijk, dan in de eerder gepubliceerde AIDA-rapporten.
In aanvulling daarop is ook uitgelegd dat het percentage van 20.2% niet ziet op “Dublin returnees”. Daarbij gaat het om de volgende informatie:



Op blz. 130 is vermeld: “At the end of 2025, only 4,887 out of 24,174 asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated (20.2%).”


Dit getal komt als volgt terug op blz. 68: “In 2025, French authorities placed 24,174 persons under Dublin procedure (…)” en ziet op door Frankrijk zelf gelegde Dublinclaims;


Omdat “Dublin returnees” worden gezien als reguliere asielaanvragen vallen zij niet onder deze cijfers (de rechtbank leest op pagina. 78: “Applications of persons returned to France under the Dublin III Regulation are treated in the same way as any other asylum applications.”).


Gelet hierop moet voor “Dublin returnees” worden gekeken naar de percentages op pagina 128.


Het oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, in de uitspraak van 17 augustus 2026, dat het percentage van 20,2 procent ook op Dublinterugkeerders ziet, berust volgens de minister op een onvolledige lezing van het AIDA-rapport.





5.5.
De rechtbank volgt de minister in zijn uitleg en sluit zich aan bij het latere oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 10 september 2026. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het AIDA-rapport Frankrijk over 2025 dat het door eiser genoemde percentage van 20.2% ziet op Dublin ‘applicants’ en niet op Dublin ‘returnees’ ofwel Dublinterugkeerders. De rechtbank leest het volgende in het rapport: At the end of 2025, only 4,887 out of 24,174 asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated (20.2%).’Daar waar in de zin ervoor wordt gesproken van ‘applicants or returnees’, betreft de 20.2% naar het oordeel van de rechtbank alleen de ‘applicants’. Hieronder begrijpt de rechtbank asielzoekers die naar Frankrijk zijn gekomen om asiel aan te vragen en voor wie de Franse autoriteiten bij een ander land, of andere landen, een claimverzoek indienen. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd op twee andere plekken in het rapport, waar wordt gesproken van 30.084 claimverzoeken in het jaar 2025, voor 24.174 personen. In de gepresenteerde cijfers ziet de rechtbank geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers, en in het bijzonder de Dublinterugkeerders, in Frankrijk dan volgt uit de landeninformatie die al eerder door de Afdeling is beoordeeld.



5.6.
Als eiser toch problemen ervaart in het kader van de asielprocedure en/of de opvangvoorzieningen, dan ligt het op zijn weg om daarover de Franse autoriteiten te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Franse autoriteiten voor eiser niet mogelijk is of dat dit bij voorbaat zinloos zal zijn. Dat geldt ook voor eisers gestelde en niet verder onderbouwde vrees voor problemen met de maffiagroep Seniss. De beroepsgrond slaagt niet.



Arrest Tarakhel





5.7.
Als sprake is van een bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel kan dit ertoe leiden dat voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties van de verantwoordelijke lidstaat moeten worden verkregen. De betrokken persoon dient aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid en dat zonder deze garanties geen passende zorg- en opvangvoorzieningen beschikbaar zal zijn. Of sprake is van bijzondere kwetsbaarheid hangt af van de individuele omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de leeftijd, het geslacht en de gezondheidstoestand van de betrokken persoon van belang kunnen zijn. De minister heeft in het bestreden besluit erop gewezen dat eiser een alleenstaande volwassen man is en dat hij niet heeft aangetoond dat hij zonder garanties geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en bij gebrek aan onderbouwing van de gestelde kwetsbaarheid, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat eiser dit wel aannemelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

7. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.



Beslissing


De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL26.30572:

- verklaart het beroep ongegrond.


De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL26.30573:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.



Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.


Asiel- en Migratiebeheerverordening.


EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.


Verordening (EU) nr. 604/2013.


Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.


Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.


AIDA Country report France, update on 2025, may 2026.


ECLI:NL:RBDHA:2026:23149, r.o. 4.2 t/m 4.7.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724.


ECLI:NL:RVS:2024:4827.


ECLI:NL:RBDHA:2026:24135.


ECLI:NL:RBDHA:2026:26799.


Pagina 130 van het rapport.


Pagina 19 en 68 van het rapport.


Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4827.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, r.o. 5.5.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806, r.o. 1.1.


Vgl. de uitspraken van de Afdeling van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:816, van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863.