Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:871
2026-09-29
Strafrecht
25/00418
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Jaddoe. Mishandeling van drie kinderen (opzettelijke benadeling van de gezondheid, art. 300 lid 4 Sr) door de ouders. Drie middelen. Middel 1 richt zich tegen de kwalificatie van de strafverhogende omstandigheid van art. 304 onder 1 Sr (‘zijn kind’). Middel 2 komt op tegen het oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de benadeling van de gezondheid van zijn kinderen. Beide middelen falen volgens de AG. Middel 3 klaagt terecht over een overschrijding van de inzendtermijn, maar hoeft niet tot strafvermindering te leiden, omdat een voorwaardelijke taakstraf is opgelegd. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 25/00417.
Citeert (8)
- ECLI:NL:HR:2003:AF0736 Hoge Raad 21-01-2003
- ECLI:NL:HR:2012:BX6916 Hoge Raad 25-09-2012
- ECLI:NL:HR:1993:ZC9566 Hoge Raad 23-11-1993
- ECLI:NL:HR:2016:1005 Hoge Raad 07-06-2016
- ECLI:NL:HR:2016:2058 Hoge Raad 13-09-2016
- ECLI:NL:HR:2008:BD2578 Hoge Raad 17-06-2008
- ECLI:NL:HR:2024:492 Hoge Raad 26-03-2024
- ECLI:NL:HR:2023:40 Hoge Raad 24-01-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (43.404 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00418
Zitting 29 september 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte
1Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 23 januari 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-002798-23) wegens “mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van zestig uren (subsidiair dertig dagen hechtenis), met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest overeenkomstig art. 27 Sr.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 25/00417. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
2De tenlastelegging
2.1
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 september 2021 tot en met 10 december 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft/hebben mishandeld door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (langdurig)
- in een vervuilde en onhygiënische woning te laten leven, te laten slapen en/of te laten verblijven en/of
- de (noodzakelijke) medische zorg en/of (noodzakelijke) tandheelkundige zorg en/of (noodzakelijke) psychische zorg en/of (noodzakelijke) lichamelijke verzorging te onthouden en/of
- onvoldoende en/of niet constant en/of niet adequaat lichamelijke verzorging te bieden en/of
- te weinig en/of onregelmatig eten te geven
ten gevolge waarvan de gezondheid van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] opzettelijk is benadeeld.”
2.2
De advocaat-generaal heeft op de terechtzitting van 9 januari 2025 de zaak voorgedragen en, blijkens het proces-verbaal van die zitting, vervolgens medegedeeld:
“In de tenlastelegging ontbreekt het woord “kinderen”. Ik doe daarom een mondelinge wijziging tenlastelegging, in die zin dat na het woord “telkens” het woord “kinderen” aan de tenlastelegging moet worden toegevoegd.”
2.3
Het arrest van het hof houdt hierover het volgende in:
“Voorts heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting opgemerkt dat de tenlastelegging niet met zoveel woorden vermeldt dat het feit is begaan tegen verdachtes kinderen. De advocaat-generaal heeft deze strafverzwarende omstandigheid alsnog mondeling ten laste gelegd. De verdediging heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Het hof heeft ter terechtzitting niet met zoveel woorden beslist op de vordering, maar het constateert dat de namen van verdachtes kinderen in de tenlastelegging zijn opgenomen en dat daaronder ook wordt verwezen naar artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof leest daarom de tenlastelegging zo, dat de strafverzwarende omstandigheid al in de dagvaarding is opgenomen. Dat is niet strijdig of onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging en verdachte is daardoor niet in zijn belangen geschaad.”
3De bewezenverklaring, bewijsvoering en kwalificatie door het hof
3.1
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 1 september 2021 tot en met 10 december 2021, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, telkens [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] langdurig
- in een vervuilde en onhygiënische woning te laten leven, te laten slapen en te laten verblijven en
- onvoldoende, niet constante en niet adequate lichamelijke verzorging te bieden
ten gevolge waarvan de gezondheid van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] opzettelijk is benadeeld.”
3.2
De bewijsoverwegingen van het hof houden in:
“Feiten
Uit het dossier blijkt dat de school van de kinderen zich zorgen maakte om de gezondheid en de leefomgeving van de kinderen. Aanleiding hiertoe was dat de kinderen er, volgens de medewerkers van de school, onverzorgd uitzagen met rotte tanden en kiezen, vieze gezichtjes, vieze handen en voeten, vieze kleding en een ernstige lichaamsgeur om zich heen. Ook hadden de kinderen op school aangegeven dat zij geen eigen bed hadden om in te slapen, op de bank of in een kamer sliepen met “heel veel dozen” en vaak niet ontbeten. Verder maakte de school zich zorgen om het (ziekte)verzuim van de kinderen en zou het jongste kind gedurende aanzienlijke tijd op te kleine schoenen naar school zijn gekomen. Dit heeft voor school de aanleiding gevormd om met de ouders van de kinderen, verdachte en medeverdachte, in gesprek te willen gaan teneinde te pogen hier verandering in te brengen. Dergelijke gesprekken kwamen niet of moeizaam tot stand en, voor zover zij al tot stand kwamen, hadden zij niet het gewenste resultaat. Dit heeft ervoor gezorgd dat de school zich genoodzaakt voelde om Veilig Thuis in te schakelen door het doen van een melding. Na deze melding bleven medewerkers van de school de kinderen thuis opzoeken in hun woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , wanneer zij door ziekmelding thuis zaten, om huiswerk of om cadeautjes in verband met het Sinterklaasfeest te brengen. Op al deze momenten kregen medewerkers de kinderen zelf niet te zien, waardoor zij zich ernstige zorgen maakten. Ook dit werd bij Veilig Thuis gemeld.
Uit het dossier blijkt dat Veilig Thuis toen heeft besloten zelf een onderzoek te starten door meerdere huisbezoeken af te leggen aan de woning aan de [a-straat 1] . Ook de medewerkers van Veilig Thuis werden echter niet toegelaten tot de woning en kregen de kinderen niet te zien, omdat verdachte en medeverdachte weigerden mee te werken en de ramen van de woning bedekt waren. Dit heeft ertoe geleid dat Veilig Thuis een melding heeft gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Evenals Veilig Thuis heeft ook de Raad gepoogd in contact te komen met de ouders (verdachte en medeverdachte) en kinderen. Zij zijn hiertoe langs de woning van het gezin aan de [a-straat 1] gegaan, maar ook dit was tevergeefs. Ondertussen liepen de zorgen voor (het welzijn van) de kinderen bij school hoog op, omdat verdachte en medeverdachten de kinderen niet meer naar school lieten gaan en hen uitschreven bij de school. Nu de situatie zich dusdanig had ontwikkeld, heeft de Raad via de kinderrechter gezorgd voor een voorlopige ondertoezichtstelling en een voorlopige uithuisplaatsing van de kinderen, waarna zij op 10 december 2021 zijn opgehaald. Zij bevonden zich op dat moment in de woning van [getuige 1] en [getuige 2] , de vader en moeder van medeverdachte en de opa en oma van de kinderen. Ondertussen had Veilig Thuis ook een melding gedaan bij de politie van de vermeende mishandeling van de drie kinderen. Verdachte is vervolgens samen met medeverdachte op verdenking hiervan aangehouden in hun woning.
Uit het dossier blijkt verder dat de woning aan de [a-straat 1] , na aanhouding van verdachte en medeverdachte, is doorzocht. De verbalisanten relateren dat tijdens de doorzoeking bleek dat de woning sterk vervuild was. Er werden in de woning aangetroffen: meerdere vuilniszakken met daarin kleding en afval, vervuild en gebruikt servies, aangebroken potten chocoladepasta, boter en andere etenswaren alsmede lege (gebruikte) petflessen op de vloer. In de keuken bevond zich een fornuis met aangekoekt vuil, kapotte keukenkastjes, verschillende vuilniszakken, vuile vaat en verspreid over het aanrecht en de vloer lagen aangebroken etenswaren en etensresten. De bijkeuken was slecht te bereiken doordat er meerdere stukken kleding en andere voorwerpen op de grond lagen. Ook stond er een koelkast in de bijkeuken waar een, voor verbalisanten waarneembare, bedorven lucht uit kwam. Het toilet op de begane grond had geen wc-bril en op de muur en het toilet zat bruine aanslag. Naast het toilet bevond zich een plastic bak met daarin gebruikte luiers en maandverband. Op de eerste verdieping, waar de slaapkamers zich bevonden, was de overloop bezaaid met (vuile) kledingstukken en andere voorwerpen. In de (slaap)kamers op de bovenverdieping lagen overal spullen, petflessen, etensresten en (vuile) kledingstukken verspreid door de verschillende kamers. De bedden waren niet opgemaakt en de matrassen waren vuil en gevlekt. In de badkamer zagen verbalisanten verfspullen en gereedschap liggen en waren zowel de wc, badkuip en wasbak ernstig bevuild met bruine vlekken. Her en der zagen zij afgeknipte plukken mensenharen op de badkamervloer liggen.
Hetgeen verbalisanten over de staat van de woning hebben geverbaliseerd wordt bevestigd door de foto’s in het dossier, waarop de staat van de ernstig vervuilde woning te zien is. Op de foto’s is eveneens te zien dat er schimmelvorming was in verschillende ruimtes van de woning en een vies bad en toilet in de badkamer op de eerste verdieping. Met name het toilet is erg aangetast door bruine aanslag, zowel aan de binnenkant, als aan de buitenkant van het toilet.
Ook de verklaring van [getuige 1] bevestigt de slechte staat van de woning. Hij verklaart dat hij regelmatig in de woning van verdachte kwam en dat hij zag dat de situatie steeds verslechterde. Hij verklaart dat de woning steeds meer vervuild raakte en dat er overal ongewassen kinderkleding en rommel lag. Ook verklaart hij dat de keuken ernstig vervuild was, maar dat daarin toch voor de kinderen werd gekookt. [getuige 1] verklaart voorts dat hij verdachte hierop in de tenlastegelegde periode, in oktober 2021, heeft aangesproken, omdat hij van mening was dat het zo niet langer kon. Samen met verdachte heeft hij toen de woonkamer opgeruimd. [getuige 1] verklaart dat de woning daarna alsnog ernstig vervuild was, maar dat het in en voor oktober 2021, vóór het opruimen van de woonkamer, nog veel erger was.
Uit de forensische medische letselrapportages betreffende de drie kinderen in het dossier volgt voorts dat zij door een deskundige (kinderarts) lichamelijk zijn onderzocht. Bij alle drie de kinderen heeft de deskundige vastgesteld dat er tekenen zijn van verwaarlozing in de zin van: slechte hygiëne, slechte verzorging, het (gehad) hebben van luizen en ernstige cariës in het gebit. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft verdachte met betrekking tot de verzorging van het gebit van de kinderen verklaard dat zij de kinderen (fruit) lieten eten na het tandenpoetsen en voor het slapen gaan. Het wassen van de kinderen gebeurde in de badkamer. De moeder van de kinderen, medeverdachte, heeft in haar verhoor bij de politie aangegeven dat die muren zwart zagen. Het hof begrijpt dat dit schimmel betrof, nu zij hierbij aangaf zich ervan bewust te zijn dat dit niet gezond was en aangepakt diende te worden.
Benadeling van de gezondheid
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het tenlastegelegde feit dient allereerst vastgesteld te worden of sprake is geweest van benadeling van de gezondheid van de kinderen.
Uit de hierboven uiteengezette feiten die uit het dossier blijken, volgt dat de drie kinderen, in ieder geval gedurende de tenlastegelegde periode van drie maanden, hebben moeten leven, slapen en verblijven in een sterk vervuilde woning en onvoldoende, niet constante en niet adequate lichamelijke verzorging hebben ontvangen door het nalatige handelen van verdachte en medeverdachte, die niet alleen hebben nagelaten zelf de situatie in de woning voor de kinderen te verbeteren en hun de vereiste lichamelijke verzorging te bieden, maar ook iedere poging tot hulpverlening van buitenaf, van de school van de kinderen en van verschillende hulpverleningsinstanties, hebben afgehouden tot het moment waarop de omstandigheden noodzaakten tot de uithuisplaatsing van de kinderen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het voor de gezondheid van ieder mens benadelend is om, zeker gedurende een langere periode van drie maanden, te moeten leven, verblijven en slapen in dusdanig onhygiënische omstandigheden, als hiervoor omschreven. Dit wordt nog verstrekt als onvoldoende, niet constante en niet adequate lichamelijke verzorging, waaronder begrepen de verzorging van het gebit, wordt geboden. Dit geldt des te meer voor jonge kinderen, waarvan in de onderhavige zaak sprake is, die midden in een groeiproces zitten, dat ernstig verstoord kan worden door het leven in een vervuilde omgeving en het ontbreken van de nodige lichamelijke verzorging en die daarenboven sterk afhankelijk zijn van hun ouders voor zorg en begeleiding bij het groeiproces en het voorzien in hun primaire levensbehoeftes. Bovendien blijkt uit de verschillende letselrapportages van tekenen van verwaarlozing: slechte hygiëne, verzorging, cariës en luizen (hebben gehad).
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat, door het nalaten van verdachte en medeverdachte, sprake is geweest van de benadeling van de gezondheid van hun drie kinderen.
Opzet
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het tenlastegelegde feit dient naast de benadeling van de gezondheid van de kinderen vastgesteld te worden of verdachte opzet heeft gehad op deze benadeling. Het hof stelt in dit kader voorop dat hiervoor voldoende is dat komt vast te staan dat verdachte hier voorwaardelijk opzet op heeft gehad.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de benadeling van de gezondheid van de drie kinderen – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal hierbij moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Zoals hierboven overwogen is het een feit van algemene bekendheid dat het voor de gezondheid van, bij uitstek, jonge kinderen benadelend is om, zeker gedurende een langere periode, te moeten leven, verblijven en slapen in een ernstig vervuilde en onhygiënische omgeving, temeer als zij geen voldoende, constante en adequate lichamelijke verzorging geboden krijgen. Er is dan ook sprake van een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van jonge kinderen als die een langere periode, onder dergelijke omstandigheden moeten leven.
Nu het hier een feit van algemene bekendheid betreft, kan het niet anders zijn dan dat ook verdachte en medeverdachte wetenschap hebben gehad van het bestaan van de aanmerkelijke kans dat de gezondheid van hun kinderen door zijn en medeverdachtes nalaten zou worden benadeeld. Medeverdachte heeft bij de politie bovendien aangegeven zich ervan bewust te zijn dat het in huis niet veilig en gezond was voor de kinderen. Door desondanks, na vele interventiepogingen door de ouders van medeverdachte, de school van de kinderen en andere instanties, alsnog niet in te grijpen door de situatie in huis en de lichamelijke verzorging van de kinderen te verbeteren en elke poging tot het bieden van hulp hierbij door hulpverleningsinstanties af te houden, kan het niet anders zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de benadeling van de gezondheid van zijn drie kinderen bewust heeft aanvaard.
Het hof is, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat hetgeen verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.”
3.3
Het hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als:
“mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.”
3.4
Het arrest houdt over de toepasselijke wettelijke voorschriften het volgende in:
“Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.”
4Het verweer van de verdediging
4.1
Op de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2025 is door en namens de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. Het proces-verbaal van die zitting houdt daarover het volgende in:
“Op vragen van de voorzitter omtrent de feiten antwoordt de verdachte als volgt:
Ik meen dat het hele verhaal van de school van de kinderen niet goed naar voren komt in het dossier. Het waren tijden van Corona. Wij werden niet uitgenodigd door school om over bepaalde dingen te praten. U, voorzitter, houdt mij voor dat uit het dossier anders blijkt. Ik weet dat het lijkt alsof het wel zo was, daarom benoem ik het ook. Wij kregen op het schoolplein, waar anderen bij waren, dingen te horen. Dan geef je natuurlijk geen antwoord. Dat komt niet goed terecht. Zij zeiden dat de kinderen naar school moesten. Wij hielden de kinderen thuis als zij zich niet goed voelden. Dit heeft bij [slachtoffer 1] ook geleid tot een loyaliteitsconflict. Zij werd op school steeds apart gehaald en bevraagd. Wij gingen per e-mail in gesprek met de directeur. Hij gaf te kennen dat hij begreep dat wij kritisch waren over de maatregelen. Hij zei dat als onze kinderen ziek zijn of als er één of meerdere personen binnen het gezin ziek waren, dat zij dan niet naar school mochten. Iedere keer als wij de kinderen ziekmeldden, zijn wij ook gewoon naar de huisarts met hen geweest. Zij gingen ook naar de tandarts. Alle adviezen van de tandarts hebben wij opgevolgd. De tandarts zei dat er aan het melkgebit niks werd gedaan. [slachtoffer 2] werd ook doorverwezen naar de kaakchirurg.
U, voorzitter, vraagt mij wat wij zelf hebben gedaan toen wij bekend waren met de zorgen van school. Ik hoop dat duidelijk is dat ik zeker dingen heb gedaan. Ten eerste bleek dat mijn zoon zijn geslachtsdeel niet goed afveegde na het plassen. Dit heb ik extra aangekaart en ik heb schone onderbroeken meegegeven. Als hij gaat zweten, kan hij ook heel erg gaan stinken. Dat heb ik zelf ook wel waargenomen. U, voorzitter, houdt mij voor dat ook bij mijn dochters en in de woning een onaangename geur is waargenomen. Wij hebben onderzocht waar dat vandaan kwam. Wij kwamen erachter dat het bij de hond vandaan kwam. Hij was ziek. Wij waren blind geworden voor de geur. Het is natuurlijk ook zo dat de situatie slecht was. Ik ga dat niet ontkennen. Dit was echter totale overmacht. Wij leven van een bijstandsuitkering en konden financieel bijna niet rondkomen. De koelkast was kapot. Ook waren wij aan het verbouwen. Ik wilde dingen wel aanpakken, maar mijn lichaam werkte niet mee. Ik trok het niet. Ik wilde afval afvoeren, maar wij konden maar vier keer per jaar gratis naar de stort voor huisafval. Voor bouw- en sloopafval moet je altijd betalen. Er stonden verfblikken in huis. Ik was bezig met het bed. Ik wilde een nieuw bed maken. Er lag net een nieuwe vloer in. Ik was met van alles tegelijk bezig. Wij liepen helemaal vast. Wij zagen geen uitweg meer. Steeds weer kwam er wat bij. En dan kregen wij ook nog de school erbij. Wij kregen alleen maar het gevoel dat zij niet luisterden en de kinderen wilden ook niet meer naar school. Dan komen er mensen langs zonder dat zij een afspraak maken en stellen allemaal vragen. Ik ben geen monster. Ik snap wel dat zij zo handelen. Ik haat VT of de RvdK ook niet. Het is een wolk van ellende geweest die een overmachtssituatie heeft veroorzaakt. Hierdoor zag ik de oplossing en de juiste weg niet meer. Het is niet zo dat wij geen mensen in huis lieten omdat wij ons schaamden. Wij schaamden ons wel, maar soms was er ook gewoon iets. Soms zat ik in mijn onderbroek op de bank. Als ik een jichtaanval heb dan heb ik zo’n pijn dat ik geen broek aan kan doen. Ik neem dan pijnstillers, maar het duurt twee uren voor die werken.
U, voorzitter, houdt mij voor dat u begrijpt dat de situatie uitzichtloos leek, maar dat er dan een helpende hand wordt uitgereikt door de instanties en dat dat dan wordt afgehouden. Het voelde voor mij niet als een helpende hand. Er is geen hulp geboden. Het was alleen maar “wij willen dit” en “wij willen dat”. Het werd ons te veel. Het was niet dat wij niet wilden. Wij zijn ook mensen met gevoelens. Wij zagen door de bomen het bos niet meer. Wij probeerden van alles. Wij gingen met de kinderen naar de huisarts. Als één van de kinderen koorts had dan werd dat aan de andere kinderen doorgegeven. Wij hielden de kinderen dan thuis. Dat waren de maatregelen gewoon.
U, voorzitter, vraagt mij wat ik na het laatste begeleidingstraject heb geleerd met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de kinderen en of dat voor mij een eyeopener was. Voor mij was het niet zo zeer een eyeopener. Ik heb in een eerdere relatie meegemaakt dat er zorgen geuit werden. Toen heb ik al veel geleerd en gezinshulp gekregen. Ik deed de kinderen ook twee keer per week in bad en ik deed ook het tandenpoetsen. Dit deed ik als ik met hen naar boven ging. Medeverdachte heeft het over vier keer badderen. Er is nooit vier keer gebadderd. Nu ook nog steeds niet. Ik doe het twee keer per week. Zij gaan in bad en ik ga er dan bij in om hen te verzorgen. Op de dagen dat zij niet in bad gaan, worden zij wel gewassen. Als ze erg smerig zijn worden zij gedoucht. De bedtijd van de kinderen is altijd 18.00 of 19.00 uur geweest. Soms 20.30 uur of later als zij niet kunnen slapen.
U, voorzitter, vraagt mij of ik ook iets heb geleerd over het laten zien van enge films aan de kinderen. Ja, daar heb ik over geleerd. Ik probeer het in de gaten te houden. Oudere kinderen laten de kinderen dingen zien op internet. Ik ben daar niet bij en dan is het lastig. Wij hebben thuis wel regels. Als het buiten slecht weer is dan mogen zij alleen op de tablet. Ik heb ook software, maar het is lastig om echt goed controle te houden op wat zij precies op de tablet doen. Ik zie dingen daarom soms ook pas achteraf. Onze kinderen zijn geen digibeten.
Ik ben momenteel tevreden met hoe het huis is. Ik kan alleen niks opknappen of verbouwen. Ik durf dit niet want ik ben bang dat ik het niet af kan voeren of dat ik het niet af kan maken en dat wij dan weer in dezelfde situatie terechtkomen.
Op vragen van de jongste raadsheer omtrent de feiten antwoordt de verdachte als volgt:
U, jongste raadsheer, vraagt mij of de kinderen daadwerkelijk in bad gingen omdat er in het dossier foto’s van het bad zijn opgenomen waarop te zien is dat het bad erg vies is. Ik blijf erbij dat de kinderen twee keer per week in bad gingen.
(…)
De raadsvrouw voeren het woord tot verdediging:
Met de advocaat-generaal ben ik van mening dat wij hier vandaag niet met z’n allen hadden moeten zijn. Dit is vandaag in hoger beroep ook weer waar het om draait. Wij zijn het met z’n allen eens dat dit niet had mogen gebeuren, maar mensen raken zo overspoeld dat hen dit niet verweten kan worden. De advocaat-generaal meent dat dit slechts meegewogen kan worden bij de strafmaat en dat het geen rechtvaardigingsgrond oplevert. De verdediging staat hier anders in. Er is onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden van de situatie. Een groot deel gaat over de tandartsbezoeken en de bezoeken aan de logopedist. Dat is volgens de ouders allemaal niet zo zwart-wit als dat het in het dossier staat. Ik verwijs in dit kader ook naar het Eindverslag hulpverleningsplan van 11 juli 2024. Er is spraken van cariës in het gebit van de kinderen, maar de tandarts doet er niks aan. Dat is het beleid wat gevoerd wordt ten aanzien van het melkgebit van kinderen. De situatie in de woning was vreselijk voor iedereen. Die is ontstaan door financiën, schaamte, gezondheid van verdachte, de moeder van medeverdachte die door haar werd verzorgd en de gezondheid van de moeder van verdachte. Het is niet alleen een verbouwing, het is een opstapeling van verschillende dingen. Hierdoor hebben de ouders niet meer kunnen zien hoe zij vooruit konden. De advocaat-generaal hoor ik zeggen dat er wel hulp werd aangeboden, maar dat dat niet werd aangenomen. Voor het aannemen van hulp moet er echter een gevoel van veiligheid en vertrouwen zijn. Dat vertrouwen hadden de ouders niet meer in school. Zij werden op het schoolplein, met andere ouders erbij, aangesproken op bepaalde dingen. De afstand tussen hen en school werd steeds groter. Het onaangekondigde bezoek van de RvdK werd door hen ervaren als een inval, niet als hulp. Zij hebben het daarvoor ook met elkaar erover gehad dat het anders moest en de grootvader van de kinderen heeft dat ook gezegd. Verdachte kreeg echter een jichtaanval en er kon geen afvalcontainer worden geregeld. Dan ligt de boel stil. Op 10 december 2021 is de stekker eruit getrokken door de RvdK. Dat was een eyeopener. Dan wordt er gevraagd wat er door de ouders is geleerd na dit alles. Verdachte zegt dan dat hij niks heeft geleerd. Hiermee bedoelt hij dat hij al wist hoe het moest, maar dat het voor hem en medeverdachte gewoon niet haalbaar was om uit te voeren. Medeverdachte was bezig met de mantelzorg van haar moeder en kwam thuis en was dan erg moe. Verdachte heeft last van zijn jicht. Zij wisten gewoon niet hoe zij het moesten gaan doen samen. Zij proberen dan toch iets te doen, maar dat is onvoldoende gebleken. Dat is echter geen onwil, maar onmacht. Kan het voorwaardelijke opzet dan worden bewezen? Ik meen net als de rechtbank van niet. Zij hebben het verslechteren van de gezondheid van de kinderen niet op de koop toegenomen. Zij zaten er zelf ook middenin. Zij zaten even diep in dezelfde ellende en wisten niet hoe zij eruit moesten komen. Toen de beerput eenmaal open was en een deel van de schaamte weg was, was het makkelijker om vooruit te gaan. Na de uithuisplaatsing van de kinderen kwamen er ook allerlei soorten hulp in beeld voor de ouders die eerst niet in beeld waren. Er kwam een container zodat zij samen met hun netwerk konden gaan opruimen. De container was voor hun een begin naar verbetering. Al met al wil ik u vragen om de uitspraak van de rechtbank te bevestigen omdat verdachte en medeverdachte de kinderen dit niet met opzet hebben laten doormaken.”
5Het eerste middel
5.1
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, door het bewezen verklaarde feit te kwalificeren als ‘mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd’, terwijl uit die bewezenverklaring niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat de daarin genoemde betrokkenen de kinderen van de verdachte zijn en dat deze de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt.
5.2
Mishandeling is strafbaar gesteld in art. 300 Sr. Ingevolge art. 300 lid 4 Sr wordt met mishandeling gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid. In het geval sprake is van een van de in art. 304 Sr genoemde gevallen, kan het strafmaximum met een derde worden verhoogd. Art. 304 Sr luidt – voor zover hier van belang:
“De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:
1° ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn moeder, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, zijn echtgenoot, zijn levensgezel, zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin of een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;”
5.3
Dit hogere strafmaximum is enkel van toepassing wanneer de strafverzwarende bestanddelen ten laste zijn gelegd.
5.4
Op grond van art. 312 Sv kan de officier van justitie nadat de dagvaarding is uitgebracht een strafverzwarende omstandigheid toevoegen aan de tenlastelegging. Art. 312 Sv luidt:
“Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens de wet tot verzwaring van straf grond opleveren, is de officier van justitie bevoegd deze alsnog mondeling ten laste te leggen.”
5.5
Deze bepaling is ingevolge art. 415 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding in hoger beroep.
5.6
De mondelinge aanvulling van de tenlastelegging is een zelfstandige bevoegdheid van de officier van justitie. De rechter heeft slechts te beoordelen of de aanvulling een strafverzwarende omstandigheid betreft en zo ja, of deze bewezen kan worden. Anders dan bij een vordering tot wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in art. 313 Sv is toewijzing door de rechter dus niet vereist.
5.7
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2025 (zie randnummer 2.2) houdt – kort gezegd – in dat de advocaat-generaal mondeling aan de tenlastelegging het woord “kinderen” heeft toegevoegd na het woord “telkens”. Het hof heeft in zijn bestreden arrest ten aanzien van deze toevoeging allereerst vastgesteld dat de advocaat-generaal de bedoelde strafverzwarende omstandigheid alsnog mondeling ten laste heeft gelegd en dat de verdediging daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Vervolgens heeft het hof overwogen dat het niet met zoveel woorden heeft beslist op “de vordering”, maar dat het constateert dat de namen van de kinderen van de verdachte in de tenlastelegging zijn opgenomen en dat daaronder – ik lees: onderaan de tenlastelegging – ook wordt verwezen naar art. 304 Sr. Gelet hierop heeft het hof de tenlastelegging zo gelezen dat de strafverzwarende omstandigheid al in de dagvaarding is opgenomen. Dat is niet strijdig of onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging en de verdachte is daardoor niet in zijn belangen geschaad, aldus het hof.
5.8
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het enkele feit dat de advocaat-generaal tijdens de terechtzitting heeft getracht de grondslag te verruimen door mondeling het woord “kinderen” aan de tenlastelegging toe te voegen, niet dwingt tot het oordeel dat daarmee de grondslag is verruimd en de tenlastelegging daardoor de strafverzwarende omstandigheid van art. 304 Sr is gaan omvatten. De steller van het middel stelt zich op basis van het proces-verbaal van de terechtzitting op het standpunt dat de tenlastelegging niet is gewijzigd in de zin van art. 313 Sv en evenmin is aangevuld met een strafverzwarende omstandigheid in de zin van art. 312 Sv en dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door enerzijds deze strafverzwarende omstandigheid niet bewezen te verklaren maar anderzijds deze strafverzwarende omstandigheid wel op te nemen in de kwalificatie. Daarmee heeft het hof tevens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en aan de tenlastelegging een onbegrijpelijk uitleg gegeven, zo meent de steller van het middel.
5.9
Anders dan het middel voorstaat, leid ik uit het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van de terechtzitting af dat de advocaat-generaal de tenlastelegging mondeling heeft aangevuld met de strafverzwarende omstandigheid van art. 304 onder 1 Sr, op de wijze als omschreven in art. 312 Sv. De kwalificatie “mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd” sluit aldus aan bij de aangevulde tenlastelegging.
5.10
Dat neemt niet weg dat het hof – zoals de steller van het middel terecht opmerkt – deze strafverzwarende omstandigheid niet heeft bewezen verklaard en de kwalificatie op dit punt aldus strikt genomen geen grondslag vindt in de bewezenverklaring. Blijkens zijn hiervoor omschreven overwegingen is het hof ten onrechte er kennelijk van uitgegaan dat de aanvulling van de tenlastelegging een vordering tot wijziging van de tenlastelegging betreft in de zin van art. 313 Sv, waarop het hof had moeten beslissen. Het hof heeft vervolgens – bij gebreke aan een dergelijke beslissing – de oude tekst van de tenlastelegging als grondslag voor zijn beraadslaging gehanteerd en de bedoelde strafverzwarende omstandigheid daarin als het ware ingelezen. Daarmee heeft het hof de strekking van art. 312 Sv miskend. Het hof had in plaats daarvan de tenlastelegging moeten lezen met inbegrip van de woorden “zijn kinderen” en – nu het kennelijk van oordeel was dat deze (strafverzwarende) omstandigheid aan de orde is – dit ook met zoveel woorden kunnen bewezen verklaren.
5.11
Tot cassatie hoeft dat mijns inziens echter niet te leiden. Gelet op het feit dat de door het hof opgelegde straf beduidend lager is dan het in art. 300 Sr neergelegde strafmaximum en in cassatie niet is bestreden dat de kinderen in kwestie de (minderjarige) kinderen van de verdachte zijn, is het belang van de verdachte bij het cassatieberoep op dit punt niet evident. Het middel faalt.
6Het tweede middel
6.1
Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet. Geklaagd wordt dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte de (aanmerkelijke kans op) benadeling van de gezondheid van zijn kinderen bewust heeft aanvaard en dat het oordeel van het hof op dit punt blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
6.2
De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat ‘aanvaarden’ in deze context ‘accepteren’ betekent en dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de gevolgen van de tekortschietende verzorging van zijn kinderen accepteerde, maar hooguit dat hij daarin ‘berustte’. Daarvoor verwijst de steller van het middel naar de verklaring van de verdachte op zitting. Volgens de steller van het middel klinkt in deze verklaring van de verdachte vooral wanhoop en onmacht door. De verdachte wilde het wel anders, maar het lukte niet. Van het welbewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans is aldus geen sprake.
6.3
Het hof heeft vastgesteld dat de drie kinderen van de verdachte en de medeverdachte – in ieder geval in de ten laste gelegde periode van drie maanden – hebben moeten leven, slapen en verblijven in een sterk vervuilde woning en onvoldoende, niet constante en niet adequate lichamelijke verzorging hebben ontvangen door het nalatige handelen van de verdachte en medeverdachte. Zij hebben volgens het hof niet alleen nagelaten zelf de situatie in de woning voor de kinderen te verbeteren en hun de vereiste lichamelijke verzorging te bieden, maar ook iedere poging tot hulpverlening van buitenaf, van de school van de kinderen en van verschillende hulpverleningsinstanties, afgehouden tot het moment waarop de omstandigheden noodzaakten tot de uithuisplaatsing van de kinderen. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake geweest van de benadeling van de gezondheid van hun drie kinderen, hetgeen in cassatie niet wordt betwist. Ten aanzien van het vereiste (voorwaardelijk) opzet heeft het hof allereerst overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat het voor de gezondheid van jonge kinderen benadelend is om, zeker gedurende een langere periode, te moeten leven, verblijven en slapen in een ernstig vervuilde en onhygiënische omgeving, temeer als zij geen voldoende, constante en adequate lichamelijke verzorging geboden krijgen. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van jonge kinderen als die een langere periode onder dergelijke omstandigheden moeten leven. Vervolgens heeft het hof overwogen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte en de medeverdachte wetenschap hebben gehad van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het hof verwijst daarbij naar de verklaring van de medeverdachte bij de politie dat zij zich ervan bewust was dat het in huis niet veilig en gezond was voor de kinderen. Door desondanks, na vele interventiepogingen door de ouders van de medeverdachte, de school van de kinderen en andere instanties, alsnog niet in te grijpen om de situatie in huis en de lichamelijke verzorging van de kinderen te verbeteren en elke poging tot het bieden van hulp hierbij door hulpverleningsinstanties af te houden, kan het volgens het hof niet anders zijn dan dat zij de aanmerkelijke kans op de benadeling van de gezondheid van zijn drie kinderen bewust hebben aanvaard.
6.4
Daarmee heeft het hof binnen het juiste rechtskader geoordeeld dat sprake is van voorwaardelijk opzet. De omstandigheid dat de verdachte – aldus de steller van het middel – de benadeling van de gezondheid van zijn drie kinderen niet zou hebben gewild, maakt dat niet anders. Vooropgesteld moet worden dat ‘bewust aanvaarden’ of ‘op de koop toenemen’ in het kader van voorwaardelijk opzet een andere betekenis toekomt dan ‘willen’ in normaal spraakgebruik, al is het maar omdat de aanvaarding ziet op de kans op het gevolg, hetgeen ruimer is dan de aanvaarding van het gevolg zelf. Een ‘ten diepste willen’ is voor voorwaardelijk opzet aldus niet vereist. Het kan er ook om gaan dat een verdachte het als concreet mogelijk voorziene gevolg niet wil vermijden. Het ‘willen’ wordt in feite afgeleid uit het ‘weten’ en het alsnog doen (of nalaten). Het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van zijn drie kinderen heeft aanvaard, komt mij, in het licht van de vaststellingen van het hof dat de verdachte en de medeverdachte door (schoon)familie, school en andere instanties meermaals zijn aangesproken op de situatie thuis, maar desalniettemin geen actie hebben ondernomen om deze situatie te verbeteren, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd voor.
6.5
Voor zover wordt betoogd dat de verdachte in onmacht verkeerde en het hem dus (kennelijk) niet kan worden verweten dat hij niet ingreep, merk ik op dat dit niet van belang is voor de vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet. De verdediging heeft overigens ook niet (expliciet) een beroep gedaan op een schulduitsluitingsgrond.
6.6
Voor zover in de toelichting op het middel tot slot de overwegingen van de rechtbank in eerste aanleg, die de verdachte vrijsprak van het ten laste gelegde wegens het ontbreken van voorwaardelijk opzet, worden aangehaald, stel ik voorop dat deze overwegingen niet onderworpen zijn aan het oordeel van de Hoge Raad in cassatie en aldus niet ter zake doen. Voorts geldt, gelet op het uitgangspunt dat de selectie en waardering aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden, dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het ten laste gelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal – al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard – ook een andere (bewijs)beslissing toelaat. Het middel faalt.
7Het derde middel
7.1
Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
7.2
Namens de verdachte is op 6 februari 2025 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 12 december 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Gelet op het feit dat een geheel voorwaardelijke taakstraf is opgelegd, meen ik dat in dit geval kan worden volstaan met een constatering van de overschrijding.
8Slotsom
8.1
Het eerste en het tweede middel falen. Afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO ligt ten aanzien van het tweede middel niet voor de hand, omdat het gaat over een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Het derde middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.
8.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Volgens de bewezenverklaring heeft de verdachte dit feit ‘tezamen en in vereniging met een ander’ gepleegd, maar dat is niet terug te zien in de kwalificatie.
De verdachte is in eerste aanleg bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 25 mei 2023 (parketnr. 18.194921.22) vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
De door het hof gebezigde bewijsmiddelen zijn weergegeven in een aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a jo. 415 Sv door het opnemen van voetnoten bij de – gecursiveerde – reeds in het arrest opgenomen bewijsoverwegingen van het hof.
Zie F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 52 en de daar genoemde arresten HR 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0736 en HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6916, alsook HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9566, DD 94.133.
S.V. Pelsser, in: T&C Strafvordering, art. 312 Sv, aant. 5 (bijgewerkt t/m 1 maart 2026).
Ik geef toe dat discussie daarover mogelijk is. De advocaat-generaal bij het hof heeft de tenlastelegging slechts aangevuld met het woord ‘kinderen’. Dat sprake is van kinderen levert niet zonder meer een in art. 304 Sr genoemde strafverzwarende omstandigheid op. Uit het in het proces-verbaal van de terechtzitting weergegeven vervolg van de zitting, waaronder het requisitoir, maak ik echter op dat het gaat om de kinderen van de verdachte (dus ‘zijn kinderen’) en dat dat voor iedereen duidelijk was.
Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, rov 2.4.3 onder de kop ‘Kwalificatie’.
J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 259 en 267-268.
HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2058, rov. 3.5.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis; HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.5.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00418
Zitting 29 september 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte
1Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 23 januari 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-002798-23) wegens “mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van zestig uren (subsidiair dertig dagen hechtenis), met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest overeenkomstig art. 27 Sr.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 25/00417. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
2De tenlastelegging
2.1
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 september 2021 tot en met 10 december 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft/hebben mishandeld door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (langdurig)
- in een vervuilde en onhygiënische woning te laten leven, te laten slapen en/of te laten verblijven en/of
- de (noodzakelijke) medische zorg en/of (noodzakelijke) tandheelkundige zorg en/of (noodzakelijke) psychische zorg en/of (noodzakelijke) lichamelijke verzorging te onthouden en/of
- onvoldoende en/of niet constant en/of niet adequaat lichamelijke verzorging te bieden en/of
- te weinig en/of onregelmatig eten te geven
ten gevolge waarvan de gezondheid van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] opzettelijk is benadeeld.”
2.2
De advocaat-generaal heeft op de terechtzitting van 9 januari 2025 de zaak voorgedragen en, blijkens het proces-verbaal van die zitting, vervolgens medegedeeld:
“In de tenlastelegging ontbreekt het woord “kinderen”. Ik doe daarom een mondelinge wijziging tenlastelegging, in die zin dat na het woord “telkens” het woord “kinderen” aan de tenlastelegging moet worden toegevoegd.”
2.3
Het arrest van het hof houdt hierover het volgende in:
“Voorts heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting opgemerkt dat de tenlastelegging niet met zoveel woorden vermeldt dat het feit is begaan tegen verdachtes kinderen. De advocaat-generaal heeft deze strafverzwarende omstandigheid alsnog mondeling ten laste gelegd. De verdediging heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Het hof heeft ter terechtzitting niet met zoveel woorden beslist op de vordering, maar het constateert dat de namen van verdachtes kinderen in de tenlastelegging zijn opgenomen en dat daaronder ook wordt verwezen naar artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof leest daarom de tenlastelegging zo, dat de strafverzwarende omstandigheid al in de dagvaarding is opgenomen. Dat is niet strijdig of onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging en verdachte is daardoor niet in zijn belangen geschaad.”
3De bewezenverklaring, bewijsvoering en kwalificatie door het hof
3.1
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 1 september 2021 tot en met 10 december 2021, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, telkens [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] langdurig
- in een vervuilde en onhygiënische woning te laten leven, te laten slapen en te laten verblijven en
- onvoldoende, niet constante en niet adequate lichamelijke verzorging te bieden
ten gevolge waarvan de gezondheid van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] opzettelijk is benadeeld.”
3.2
De bewijsoverwegingen van het hof houden in:
“Feiten
Uit het dossier blijkt dat de school van de kinderen zich zorgen maakte om de gezondheid en de leefomgeving van de kinderen. Aanleiding hiertoe was dat de kinderen er, volgens de medewerkers van de school, onverzorgd uitzagen met rotte tanden en kiezen, vieze gezichtjes, vieze handen en voeten, vieze kleding en een ernstige lichaamsgeur om zich heen. Ook hadden de kinderen op school aangegeven dat zij geen eigen bed hadden om in te slapen, op de bank of in een kamer sliepen met “heel veel dozen” en vaak niet ontbeten. Verder maakte de school zich zorgen om het (ziekte)verzuim van de kinderen en zou het jongste kind gedurende aanzienlijke tijd op te kleine schoenen naar school zijn gekomen. Dit heeft voor school de aanleiding gevormd om met de ouders van de kinderen, verdachte en medeverdachte, in gesprek te willen gaan teneinde te pogen hier verandering in te brengen. Dergelijke gesprekken kwamen niet of moeizaam tot stand en, voor zover zij al tot stand kwamen, hadden zij niet het gewenste resultaat. Dit heeft ervoor gezorgd dat de school zich genoodzaakt voelde om Veilig Thuis in te schakelen door het doen van een melding. Na deze melding bleven medewerkers van de school de kinderen thuis opzoeken in hun woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , wanneer zij door ziekmelding thuis zaten, om huiswerk of om cadeautjes in verband met het Sinterklaasfeest te brengen. Op al deze momenten kregen medewerkers de kinderen zelf niet te zien, waardoor zij zich ernstige zorgen maakten. Ook dit werd bij Veilig Thuis gemeld.
Uit het dossier blijkt dat Veilig Thuis toen heeft besloten zelf een onderzoek te starten door meerdere huisbezoeken af te leggen aan de woning aan de [a-straat 1] . Ook de medewerkers van Veilig Thuis werden echter niet toegelaten tot de woning en kregen de kinderen niet te zien, omdat verdachte en medeverdachte weigerden mee te werken en de ramen van de woning bedekt waren. Dit heeft ertoe geleid dat Veilig Thuis een melding heeft gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Evenals Veilig Thuis heeft ook de Raad gepoogd in contact te komen met de ouders (verdachte en medeverdachte) en kinderen. Zij zijn hiertoe langs de woning van het gezin aan de [a-straat 1] gegaan, maar ook dit was tevergeefs. Ondertussen liepen de zorgen voor (het welzijn van) de kinderen bij school hoog op, omdat verdachte en medeverdachten de kinderen niet meer naar school lieten gaan en hen uitschreven bij de school. Nu de situatie zich dusdanig had ontwikkeld, heeft de Raad via de kinderrechter gezorgd voor een voorlopige ondertoezichtstelling en een voorlopige uithuisplaatsing van de kinderen, waarna zij op 10 december 2021 zijn opgehaald. Zij bevonden zich op dat moment in de woning van [getuige 1] en [getuige 2] , de vader en moeder van medeverdachte en de opa en oma van de kinderen. Ondertussen had Veilig Thuis ook een melding gedaan bij de politie van de vermeende mishandeling van de drie kinderen. Verdachte is vervolgens samen met medeverdachte op verdenking hiervan aangehouden in hun woning.
Uit het dossier blijkt verder dat de woning aan de [a-straat 1] , na aanhouding van verdachte en medeverdachte, is doorzocht. De verbalisanten relateren dat tijdens de doorzoeking bleek dat de woning sterk vervuild was. Er werden in de woning aangetroffen: meerdere vuilniszakken met daarin kleding en afval, vervuild en gebruikt servies, aangebroken potten chocoladepasta, boter en andere etenswaren alsmede lege (gebruikte) petflessen op de vloer. In de keuken bevond zich een fornuis met aangekoekt vuil, kapotte keukenkastjes, verschillende vuilniszakken, vuile vaat en verspreid over het aanrecht en de vloer lagen aangebroken etenswaren en etensresten. De bijkeuken was slecht te bereiken doordat er meerdere stukken kleding en andere voorwerpen op de grond lagen. Ook stond er een koelkast in de bijkeuken waar een, voor verbalisanten waarneembare, bedorven lucht uit kwam. Het toilet op de begane grond had geen wc-bril en op de muur en het toilet zat bruine aanslag. Naast het toilet bevond zich een plastic bak met daarin gebruikte luiers en maandverband. Op de eerste verdieping, waar de slaapkamers zich bevonden, was de overloop bezaaid met (vuile) kledingstukken en andere voorwerpen. In de (slaap)kamers op de bovenverdieping lagen overal spullen, petflessen, etensresten en (vuile) kledingstukken verspreid door de verschillende kamers. De bedden waren niet opgemaakt en de matrassen waren vuil en gevlekt. In de badkamer zagen verbalisanten verfspullen en gereedschap liggen en waren zowel de wc, badkuip en wasbak ernstig bevuild met bruine vlekken. Her en der zagen zij afgeknipte plukken mensenharen op de badkamervloer liggen.
Hetgeen verbalisanten over de staat van de woning hebben geverbaliseerd wordt bevestigd door de foto’s in het dossier, waarop de staat van de ernstig vervuilde woning te zien is. Op de foto’s is eveneens te zien dat er schimmelvorming was in verschillende ruimtes van de woning en een vies bad en toilet in de badkamer op de eerste verdieping. Met name het toilet is erg aangetast door bruine aanslag, zowel aan de binnenkant, als aan de buitenkant van het toilet.
Ook de verklaring van [getuige 1] bevestigt de slechte staat van de woning. Hij verklaart dat hij regelmatig in de woning van verdachte kwam en dat hij zag dat de situatie steeds verslechterde. Hij verklaart dat de woning steeds meer vervuild raakte en dat er overal ongewassen kinderkleding en rommel lag. Ook verklaart hij dat de keuken ernstig vervuild was, maar dat daarin toch voor de kinderen werd gekookt. [getuige 1] verklaart voorts dat hij verdachte hierop in de tenlastegelegde periode, in oktober 2021, heeft aangesproken, omdat hij van mening was dat het zo niet langer kon. Samen met verdachte heeft hij toen de woonkamer opgeruimd. [getuige 1] verklaart dat de woning daarna alsnog ernstig vervuild was, maar dat het in en voor oktober 2021, vóór het opruimen van de woonkamer, nog veel erger was.
Uit de forensische medische letselrapportages betreffende de drie kinderen in het dossier volgt voorts dat zij door een deskundige (kinderarts) lichamelijk zijn onderzocht. Bij alle drie de kinderen heeft de deskundige vastgesteld dat er tekenen zijn van verwaarlozing in de zin van: slechte hygiëne, slechte verzorging, het (gehad) hebben van luizen en ernstige cariës in het gebit. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft verdachte met betrekking tot de verzorging van het gebit van de kinderen verklaard dat zij de kinderen (fruit) lieten eten na het tandenpoetsen en voor het slapen gaan. Het wassen van de kinderen gebeurde in de badkamer. De moeder van de kinderen, medeverdachte, heeft in haar verhoor bij de politie aangegeven dat die muren zwart zagen. Het hof begrijpt dat dit schimmel betrof, nu zij hierbij aangaf zich ervan bewust te zijn dat dit niet gezond was en aangepakt diende te worden.
Benadeling van de gezondheid
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het tenlastegelegde feit dient allereerst vastgesteld te worden of sprake is geweest van benadeling van de gezondheid van de kinderen.
Uit de hierboven uiteengezette feiten die uit het dossier blijken, volgt dat de drie kinderen, in ieder geval gedurende de tenlastegelegde periode van drie maanden, hebben moeten leven, slapen en verblijven in een sterk vervuilde woning en onvoldoende, niet constante en niet adequate lichamelijke verzorging hebben ontvangen door het nalatige handelen van verdachte en medeverdachte, die niet alleen hebben nagelaten zelf de situatie in de woning voor de kinderen te verbeteren en hun de vereiste lichamelijke verzorging te bieden, maar ook iedere poging tot hulpverlening van buitenaf, van de school van de kinderen en van verschillende hulpverleningsinstanties, hebben afgehouden tot het moment waarop de omstandigheden noodzaakten tot de uithuisplaatsing van de kinderen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het voor de gezondheid van ieder mens benadelend is om, zeker gedurende een langere periode van drie maanden, te moeten leven, verblijven en slapen in dusdanig onhygiënische omstandigheden, als hiervoor omschreven. Dit wordt nog verstrekt als onvoldoende, niet constante en niet adequate lichamelijke verzorging, waaronder begrepen de verzorging van het gebit, wordt geboden. Dit geldt des te meer voor jonge kinderen, waarvan in de onderhavige zaak sprake is, die midden in een groeiproces zitten, dat ernstig verstoord kan worden door het leven in een vervuilde omgeving en het ontbreken van de nodige lichamelijke verzorging en die daarenboven sterk afhankelijk zijn van hun ouders voor zorg en begeleiding bij het groeiproces en het voorzien in hun primaire levensbehoeftes. Bovendien blijkt uit de verschillende letselrapportages van tekenen van verwaarlozing: slechte hygiëne, verzorging, cariës en luizen (hebben gehad).
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat, door het nalaten van verdachte en medeverdachte, sprake is geweest van de benadeling van de gezondheid van hun drie kinderen.
Opzet
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het tenlastegelegde feit dient naast de benadeling van de gezondheid van de kinderen vastgesteld te worden of verdachte opzet heeft gehad op deze benadeling. Het hof stelt in dit kader voorop dat hiervoor voldoende is dat komt vast te staan dat verdachte hier voorwaardelijk opzet op heeft gehad.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de benadeling van de gezondheid van de drie kinderen – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal hierbij moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Zoals hierboven overwogen is het een feit van algemene bekendheid dat het voor de gezondheid van, bij uitstek, jonge kinderen benadelend is om, zeker gedurende een langere periode, te moeten leven, verblijven en slapen in een ernstig vervuilde en onhygiënische omgeving, temeer als zij geen voldoende, constante en adequate lichamelijke verzorging geboden krijgen. Er is dan ook sprake van een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van jonge kinderen als die een langere periode, onder dergelijke omstandigheden moeten leven.
Nu het hier een feit van algemene bekendheid betreft, kan het niet anders zijn dan dat ook verdachte en medeverdachte wetenschap hebben gehad van het bestaan van de aanmerkelijke kans dat de gezondheid van hun kinderen door zijn en medeverdachtes nalaten zou worden benadeeld. Medeverdachte heeft bij de politie bovendien aangegeven zich ervan bewust te zijn dat het in huis niet veilig en gezond was voor de kinderen. Door desondanks, na vele interventiepogingen door de ouders van medeverdachte, de school van de kinderen en andere instanties, alsnog niet in te grijpen door de situatie in huis en de lichamelijke verzorging van de kinderen te verbeteren en elke poging tot het bieden van hulp hierbij door hulpverleningsinstanties af te houden, kan het niet anders zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de benadeling van de gezondheid van zijn drie kinderen bewust heeft aanvaard.
Het hof is, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat hetgeen verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.”
3.3
Het hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als:
“mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.”
3.4
Het arrest houdt over de toepasselijke wettelijke voorschriften het volgende in:
“Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.”
4Het verweer van de verdediging
4.1
Op de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2025 is door en namens de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. Het proces-verbaal van die zitting houdt daarover het volgende in:
“Op vragen van de voorzitter omtrent de feiten antwoordt de verdachte als volgt:
Ik meen dat het hele verhaal van de school van de kinderen niet goed naar voren komt in het dossier. Het waren tijden van Corona. Wij werden niet uitgenodigd door school om over bepaalde dingen te praten. U, voorzitter, houdt mij voor dat uit het dossier anders blijkt. Ik weet dat het lijkt alsof het wel zo was, daarom benoem ik het ook. Wij kregen op het schoolplein, waar anderen bij waren, dingen te horen. Dan geef je natuurlijk geen antwoord. Dat komt niet goed terecht. Zij zeiden dat de kinderen naar school moesten. Wij hielden de kinderen thuis als zij zich niet goed voelden. Dit heeft bij [slachtoffer 1] ook geleid tot een loyaliteitsconflict. Zij werd op school steeds apart gehaald en bevraagd. Wij gingen per e-mail in gesprek met de directeur. Hij gaf te kennen dat hij begreep dat wij kritisch waren over de maatregelen. Hij zei dat als onze kinderen ziek zijn of als er één of meerdere personen binnen het gezin ziek waren, dat zij dan niet naar school mochten. Iedere keer als wij de kinderen ziekmeldden, zijn wij ook gewoon naar de huisarts met hen geweest. Zij gingen ook naar de tandarts. Alle adviezen van de tandarts hebben wij opgevolgd. De tandarts zei dat er aan het melkgebit niks werd gedaan. [slachtoffer 2] werd ook doorverwezen naar de kaakchirurg.
U, voorzitter, vraagt mij wat wij zelf hebben gedaan toen wij bekend waren met de zorgen van school. Ik hoop dat duidelijk is dat ik zeker dingen heb gedaan. Ten eerste bleek dat mijn zoon zijn geslachtsdeel niet goed afveegde na het plassen. Dit heb ik extra aangekaart en ik heb schone onderbroeken meegegeven. Als hij gaat zweten, kan hij ook heel erg gaan stinken. Dat heb ik zelf ook wel waargenomen. U, voorzitter, houdt mij voor dat ook bij mijn dochters en in de woning een onaangename geur is waargenomen. Wij hebben onderzocht waar dat vandaan kwam. Wij kwamen erachter dat het bij de hond vandaan kwam. Hij was ziek. Wij waren blind geworden voor de geur. Het is natuurlijk ook zo dat de situatie slecht was. Ik ga dat niet ontkennen. Dit was echter totale overmacht. Wij leven van een bijstandsuitkering en konden financieel bijna niet rondkomen. De koelkast was kapot. Ook waren wij aan het verbouwen. Ik wilde dingen wel aanpakken, maar mijn lichaam werkte niet mee. Ik trok het niet. Ik wilde afval afvoeren, maar wij konden maar vier keer per jaar gratis naar de stort voor huisafval. Voor bouw- en sloopafval moet je altijd betalen. Er stonden verfblikken in huis. Ik was bezig met het bed. Ik wilde een nieuw bed maken. Er lag net een nieuwe vloer in. Ik was met van alles tegelijk bezig. Wij liepen helemaal vast. Wij zagen geen uitweg meer. Steeds weer kwam er wat bij. En dan kregen wij ook nog de school erbij. Wij kregen alleen maar het gevoel dat zij niet luisterden en de kinderen wilden ook niet meer naar school. Dan komen er mensen langs zonder dat zij een afspraak maken en stellen allemaal vragen. Ik ben geen monster. Ik snap wel dat zij zo handelen. Ik haat VT of de RvdK ook niet. Het is een wolk van ellende geweest die een overmachtssituatie heeft veroorzaakt. Hierdoor zag ik de oplossing en de juiste weg niet meer. Het is niet zo dat wij geen mensen in huis lieten omdat wij ons schaamden. Wij schaamden ons wel, maar soms was er ook gewoon iets. Soms zat ik in mijn onderbroek op de bank. Als ik een jichtaanval heb dan heb ik zo’n pijn dat ik geen broek aan kan doen. Ik neem dan pijnstillers, maar het duurt twee uren voor die werken.
U, voorzitter, houdt mij voor dat u begrijpt dat de situatie uitzichtloos leek, maar dat er dan een helpende hand wordt uitgereikt door de instanties en dat dat dan wordt afgehouden. Het voelde voor mij niet als een helpende hand. Er is geen hulp geboden. Het was alleen maar “wij willen dit” en “wij willen dat”. Het werd ons te veel. Het was niet dat wij niet wilden. Wij zijn ook mensen met gevoelens. Wij zagen door de bomen het bos niet meer. Wij probeerden van alles. Wij gingen met de kinderen naar de huisarts. Als één van de kinderen koorts had dan werd dat aan de andere kinderen doorgegeven. Wij hielden de kinderen dan thuis. Dat waren de maatregelen gewoon.
U, voorzitter, vraagt mij wat ik na het laatste begeleidingstraject heb geleerd met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de kinderen en of dat voor mij een eyeopener was. Voor mij was het niet zo zeer een eyeopener. Ik heb in een eerdere relatie meegemaakt dat er zorgen geuit werden. Toen heb ik al veel geleerd en gezinshulp gekregen. Ik deed de kinderen ook twee keer per week in bad en ik deed ook het tandenpoetsen. Dit deed ik als ik met hen naar boven ging. Medeverdachte heeft het over vier keer badderen. Er is nooit vier keer gebadderd. Nu ook nog steeds niet. Ik doe het twee keer per week. Zij gaan in bad en ik ga er dan bij in om hen te verzorgen. Op de dagen dat zij niet in bad gaan, worden zij wel gewassen. Als ze erg smerig zijn worden zij gedoucht. De bedtijd van de kinderen is altijd 18.00 of 19.00 uur geweest. Soms 20.30 uur of later als zij niet kunnen slapen.
U, voorzitter, vraagt mij of ik ook iets heb geleerd over het laten zien van enge films aan de kinderen. Ja, daar heb ik over geleerd. Ik probeer het in de gaten te houden. Oudere kinderen laten de kinderen dingen zien op internet. Ik ben daar niet bij en dan is het lastig. Wij hebben thuis wel regels. Als het buiten slecht weer is dan mogen zij alleen op de tablet. Ik heb ook software, maar het is lastig om echt goed controle te houden op wat zij precies op de tablet doen. Ik zie dingen daarom soms ook pas achteraf. Onze kinderen zijn geen digibeten.
Ik ben momenteel tevreden met hoe het huis is. Ik kan alleen niks opknappen of verbouwen. Ik durf dit niet want ik ben bang dat ik het niet af kan voeren of dat ik het niet af kan maken en dat wij dan weer in dezelfde situatie terechtkomen.
Op vragen van de jongste raadsheer omtrent de feiten antwoordt de verdachte als volgt:
U, jongste raadsheer, vraagt mij of de kinderen daadwerkelijk in bad gingen omdat er in het dossier foto’s van het bad zijn opgenomen waarop te zien is dat het bad erg vies is. Ik blijf erbij dat de kinderen twee keer per week in bad gingen.
(…)
De raadsvrouw voeren het woord tot verdediging:
Met de advocaat-generaal ben ik van mening dat wij hier vandaag niet met z’n allen hadden moeten zijn. Dit is vandaag in hoger beroep ook weer waar het om draait. Wij zijn het met z’n allen eens dat dit niet had mogen gebeuren, maar mensen raken zo overspoeld dat hen dit niet verweten kan worden. De advocaat-generaal meent dat dit slechts meegewogen kan worden bij de strafmaat en dat het geen rechtvaardigingsgrond oplevert. De verdediging staat hier anders in. Er is onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden van de situatie. Een groot deel gaat over de tandartsbezoeken en de bezoeken aan de logopedist. Dat is volgens de ouders allemaal niet zo zwart-wit als dat het in het dossier staat. Ik verwijs in dit kader ook naar het Eindverslag hulpverleningsplan van 11 juli 2024. Er is spraken van cariës in het gebit van de kinderen, maar de tandarts doet er niks aan. Dat is het beleid wat gevoerd wordt ten aanzien van het melkgebit van kinderen. De situatie in de woning was vreselijk voor iedereen. Die is ontstaan door financiën, schaamte, gezondheid van verdachte, de moeder van medeverdachte die door haar werd verzorgd en de gezondheid van de moeder van verdachte. Het is niet alleen een verbouwing, het is een opstapeling van verschillende dingen. Hierdoor hebben de ouders niet meer kunnen zien hoe zij vooruit konden. De advocaat-generaal hoor ik zeggen dat er wel hulp werd aangeboden, maar dat dat niet werd aangenomen. Voor het aannemen van hulp moet er echter een gevoel van veiligheid en vertrouwen zijn. Dat vertrouwen hadden de ouders niet meer in school. Zij werden op het schoolplein, met andere ouders erbij, aangesproken op bepaalde dingen. De afstand tussen hen en school werd steeds groter. Het onaangekondigde bezoek van de RvdK werd door hen ervaren als een inval, niet als hulp. Zij hebben het daarvoor ook met elkaar erover gehad dat het anders moest en de grootvader van de kinderen heeft dat ook gezegd. Verdachte kreeg echter een jichtaanval en er kon geen afvalcontainer worden geregeld. Dan ligt de boel stil. Op 10 december 2021 is de stekker eruit getrokken door de RvdK. Dat was een eyeopener. Dan wordt er gevraagd wat er door de ouders is geleerd na dit alles. Verdachte zegt dan dat hij niks heeft geleerd. Hiermee bedoelt hij dat hij al wist hoe het moest, maar dat het voor hem en medeverdachte gewoon niet haalbaar was om uit te voeren. Medeverdachte was bezig met de mantelzorg van haar moeder en kwam thuis en was dan erg moe. Verdachte heeft last van zijn jicht. Zij wisten gewoon niet hoe zij het moesten gaan doen samen. Zij proberen dan toch iets te doen, maar dat is onvoldoende gebleken. Dat is echter geen onwil, maar onmacht. Kan het voorwaardelijke opzet dan worden bewezen? Ik meen net als de rechtbank van niet. Zij hebben het verslechteren van de gezondheid van de kinderen niet op de koop toegenomen. Zij zaten er zelf ook middenin. Zij zaten even diep in dezelfde ellende en wisten niet hoe zij eruit moesten komen. Toen de beerput eenmaal open was en een deel van de schaamte weg was, was het makkelijker om vooruit te gaan. Na de uithuisplaatsing van de kinderen kwamen er ook allerlei soorten hulp in beeld voor de ouders die eerst niet in beeld waren. Er kwam een container zodat zij samen met hun netwerk konden gaan opruimen. De container was voor hun een begin naar verbetering. Al met al wil ik u vragen om de uitspraak van de rechtbank te bevestigen omdat verdachte en medeverdachte de kinderen dit niet met opzet hebben laten doormaken.”
5Het eerste middel
5.1
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, door het bewezen verklaarde feit te kwalificeren als ‘mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd’, terwijl uit die bewezenverklaring niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat de daarin genoemde betrokkenen de kinderen van de verdachte zijn en dat deze de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt.
5.2
Mishandeling is strafbaar gesteld in art. 300 Sr. Ingevolge art. 300 lid 4 Sr wordt met mishandeling gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid. In het geval sprake is van een van de in art. 304 Sr genoemde gevallen, kan het strafmaximum met een derde worden verhoogd. Art. 304 Sr luidt – voor zover hier van belang:
“De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:
1° ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn moeder, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, zijn echtgenoot, zijn levensgezel, zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin of een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;”
5.3
Dit hogere strafmaximum is enkel van toepassing wanneer de strafverzwarende bestanddelen ten laste zijn gelegd.
5.4
Op grond van art. 312 Sv kan de officier van justitie nadat de dagvaarding is uitgebracht een strafverzwarende omstandigheid toevoegen aan de tenlastelegging. Art. 312 Sv luidt:
“Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens de wet tot verzwaring van straf grond opleveren, is de officier van justitie bevoegd deze alsnog mondeling ten laste te leggen.”
5.5
Deze bepaling is ingevolge art. 415 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding in hoger beroep.
5.6
De mondelinge aanvulling van de tenlastelegging is een zelfstandige bevoegdheid van de officier van justitie. De rechter heeft slechts te beoordelen of de aanvulling een strafverzwarende omstandigheid betreft en zo ja, of deze bewezen kan worden. Anders dan bij een vordering tot wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in art. 313 Sv is toewijzing door de rechter dus niet vereist.
5.7
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2025 (zie randnummer 2.2) houdt – kort gezegd – in dat de advocaat-generaal mondeling aan de tenlastelegging het woord “kinderen” heeft toegevoegd na het woord “telkens”. Het hof heeft in zijn bestreden arrest ten aanzien van deze toevoeging allereerst vastgesteld dat de advocaat-generaal de bedoelde strafverzwarende omstandigheid alsnog mondeling ten laste heeft gelegd en dat de verdediging daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Vervolgens heeft het hof overwogen dat het niet met zoveel woorden heeft beslist op “de vordering”, maar dat het constateert dat de namen van de kinderen van de verdachte in de tenlastelegging zijn opgenomen en dat daaronder – ik lees: onderaan de tenlastelegging – ook wordt verwezen naar art. 304 Sr. Gelet hierop heeft het hof de tenlastelegging zo gelezen dat de strafverzwarende omstandigheid al in de dagvaarding is opgenomen. Dat is niet strijdig of onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging en de verdachte is daardoor niet in zijn belangen geschaad, aldus het hof.
5.8
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het enkele feit dat de advocaat-generaal tijdens de terechtzitting heeft getracht de grondslag te verruimen door mondeling het woord “kinderen” aan de tenlastelegging toe te voegen, niet dwingt tot het oordeel dat daarmee de grondslag is verruimd en de tenlastelegging daardoor de strafverzwarende omstandigheid van art. 304 Sr is gaan omvatten. De steller van het middel stelt zich op basis van het proces-verbaal van de terechtzitting op het standpunt dat de tenlastelegging niet is gewijzigd in de zin van art. 313 Sv en evenmin is aangevuld met een strafverzwarende omstandigheid in de zin van art. 312 Sv en dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door enerzijds deze strafverzwarende omstandigheid niet bewezen te verklaren maar anderzijds deze strafverzwarende omstandigheid wel op te nemen in de kwalificatie. Daarmee heeft het hof tevens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en aan de tenlastelegging een onbegrijpelijk uitleg gegeven, zo meent de steller van het middel.
5.9
Anders dan het middel voorstaat, leid ik uit het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van de terechtzitting af dat de advocaat-generaal de tenlastelegging mondeling heeft aangevuld met de strafverzwarende omstandigheid van art. 304 onder 1 Sr, op de wijze als omschreven in art. 312 Sv. De kwalificatie “mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd” sluit aldus aan bij de aangevulde tenlastelegging.
5.10
Dat neemt niet weg dat het hof – zoals de steller van het middel terecht opmerkt – deze strafverzwarende omstandigheid niet heeft bewezen verklaard en de kwalificatie op dit punt aldus strikt genomen geen grondslag vindt in de bewezenverklaring. Blijkens zijn hiervoor omschreven overwegingen is het hof ten onrechte er kennelijk van uitgegaan dat de aanvulling van de tenlastelegging een vordering tot wijziging van de tenlastelegging betreft in de zin van art. 313 Sv, waarop het hof had moeten beslissen. Het hof heeft vervolgens – bij gebreke aan een dergelijke beslissing – de oude tekst van de tenlastelegging als grondslag voor zijn beraadslaging gehanteerd en de bedoelde strafverzwarende omstandigheid daarin als het ware ingelezen. Daarmee heeft het hof de strekking van art. 312 Sv miskend. Het hof had in plaats daarvan de tenlastelegging moeten lezen met inbegrip van de woorden “zijn kinderen” en – nu het kennelijk van oordeel was dat deze (strafverzwarende) omstandigheid aan de orde is – dit ook met zoveel woorden kunnen bewezen verklaren.
5.11
Tot cassatie hoeft dat mijns inziens echter niet te leiden. Gelet op het feit dat de door het hof opgelegde straf beduidend lager is dan het in art. 300 Sr neergelegde strafmaximum en in cassatie niet is bestreden dat de kinderen in kwestie de (minderjarige) kinderen van de verdachte zijn, is het belang van de verdachte bij het cassatieberoep op dit punt niet evident. Het middel faalt.
6Het tweede middel
6.1
Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet. Geklaagd wordt dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte de (aanmerkelijke kans op) benadeling van de gezondheid van zijn kinderen bewust heeft aanvaard en dat het oordeel van het hof op dit punt blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
6.2
De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat ‘aanvaarden’ in deze context ‘accepteren’ betekent en dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de gevolgen van de tekortschietende verzorging van zijn kinderen accepteerde, maar hooguit dat hij daarin ‘berustte’. Daarvoor verwijst de steller van het middel naar de verklaring van de verdachte op zitting. Volgens de steller van het middel klinkt in deze verklaring van de verdachte vooral wanhoop en onmacht door. De verdachte wilde het wel anders, maar het lukte niet. Van het welbewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans is aldus geen sprake.
6.3
Het hof heeft vastgesteld dat de drie kinderen van de verdachte en de medeverdachte – in ieder geval in de ten laste gelegde periode van drie maanden – hebben moeten leven, slapen en verblijven in een sterk vervuilde woning en onvoldoende, niet constante en niet adequate lichamelijke verzorging hebben ontvangen door het nalatige handelen van de verdachte en medeverdachte. Zij hebben volgens het hof niet alleen nagelaten zelf de situatie in de woning voor de kinderen te verbeteren en hun de vereiste lichamelijke verzorging te bieden, maar ook iedere poging tot hulpverlening van buitenaf, van de school van de kinderen en van verschillende hulpverleningsinstanties, afgehouden tot het moment waarop de omstandigheden noodzaakten tot de uithuisplaatsing van de kinderen. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake geweest van de benadeling van de gezondheid van hun drie kinderen, hetgeen in cassatie niet wordt betwist. Ten aanzien van het vereiste (voorwaardelijk) opzet heeft het hof allereerst overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat het voor de gezondheid van jonge kinderen benadelend is om, zeker gedurende een langere periode, te moeten leven, verblijven en slapen in een ernstig vervuilde en onhygiënische omgeving, temeer als zij geen voldoende, constante en adequate lichamelijke verzorging geboden krijgen. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van jonge kinderen als die een langere periode onder dergelijke omstandigheden moeten leven. Vervolgens heeft het hof overwogen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte en de medeverdachte wetenschap hebben gehad van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het hof verwijst daarbij naar de verklaring van de medeverdachte bij de politie dat zij zich ervan bewust was dat het in huis niet veilig en gezond was voor de kinderen. Door desondanks, na vele interventiepogingen door de ouders van de medeverdachte, de school van de kinderen en andere instanties, alsnog niet in te grijpen om de situatie in huis en de lichamelijke verzorging van de kinderen te verbeteren en elke poging tot het bieden van hulp hierbij door hulpverleningsinstanties af te houden, kan het volgens het hof niet anders zijn dan dat zij de aanmerkelijke kans op de benadeling van de gezondheid van zijn drie kinderen bewust hebben aanvaard.
6.4
Daarmee heeft het hof binnen het juiste rechtskader geoordeeld dat sprake is van voorwaardelijk opzet. De omstandigheid dat de verdachte – aldus de steller van het middel – de benadeling van de gezondheid van zijn drie kinderen niet zou hebben gewild, maakt dat niet anders. Vooropgesteld moet worden dat ‘bewust aanvaarden’ of ‘op de koop toenemen’ in het kader van voorwaardelijk opzet een andere betekenis toekomt dan ‘willen’ in normaal spraakgebruik, al is het maar omdat de aanvaarding ziet op de kans op het gevolg, hetgeen ruimer is dan de aanvaarding van het gevolg zelf. Een ‘ten diepste willen’ is voor voorwaardelijk opzet aldus niet vereist. Het kan er ook om gaan dat een verdachte het als concreet mogelijk voorziene gevolg niet wil vermijden. Het ‘willen’ wordt in feite afgeleid uit het ‘weten’ en het alsnog doen (of nalaten). Het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van zijn drie kinderen heeft aanvaard, komt mij, in het licht van de vaststellingen van het hof dat de verdachte en de medeverdachte door (schoon)familie, school en andere instanties meermaals zijn aangesproken op de situatie thuis, maar desalniettemin geen actie hebben ondernomen om deze situatie te verbeteren, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd voor.
6.5
Voor zover wordt betoogd dat de verdachte in onmacht verkeerde en het hem dus (kennelijk) niet kan worden verweten dat hij niet ingreep, merk ik op dat dit niet van belang is voor de vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet. De verdediging heeft overigens ook niet (expliciet) een beroep gedaan op een schulduitsluitingsgrond.
6.6
Voor zover in de toelichting op het middel tot slot de overwegingen van de rechtbank in eerste aanleg, die de verdachte vrijsprak van het ten laste gelegde wegens het ontbreken van voorwaardelijk opzet, worden aangehaald, stel ik voorop dat deze overwegingen niet onderworpen zijn aan het oordeel van de Hoge Raad in cassatie en aldus niet ter zake doen. Voorts geldt, gelet op het uitgangspunt dat de selectie en waardering aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden, dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het ten laste gelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal – al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard – ook een andere (bewijs)beslissing toelaat. Het middel faalt.
7Het derde middel
7.1
Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
7.2
Namens de verdachte is op 6 februari 2025 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 12 december 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Gelet op het feit dat een geheel voorwaardelijke taakstraf is opgelegd, meen ik dat in dit geval kan worden volstaan met een constatering van de overschrijding.
8Slotsom
8.1
Het eerste en het tweede middel falen. Afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO ligt ten aanzien van het tweede middel niet voor de hand, omdat het gaat over een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Het derde middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.
8.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Volgens de bewezenverklaring heeft de verdachte dit feit ‘tezamen en in vereniging met een ander’ gepleegd, maar dat is niet terug te zien in de kwalificatie.
De verdachte is in eerste aanleg bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 25 mei 2023 (parketnr. 18.194921.22) vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
De door het hof gebezigde bewijsmiddelen zijn weergegeven in een aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a jo. 415 Sv door het opnemen van voetnoten bij de – gecursiveerde – reeds in het arrest opgenomen bewijsoverwegingen van het hof.
Zie F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 52 en de daar genoemde arresten HR 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0736 en HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6916, alsook HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9566, DD 94.133.
S.V. Pelsser, in: T&C Strafvordering, art. 312 Sv, aant. 5 (bijgewerkt t/m 1 maart 2026).
Ik geef toe dat discussie daarover mogelijk is. De advocaat-generaal bij het hof heeft de tenlastelegging slechts aangevuld met het woord ‘kinderen’. Dat sprake is van kinderen levert niet zonder meer een in art. 304 Sr genoemde strafverzwarende omstandigheid op. Uit het in het proces-verbaal van de terechtzitting weergegeven vervolg van de zitting, waaronder het requisitoir, maak ik echter op dat het gaat om de kinderen van de verdachte (dus ‘zijn kinderen’) en dat dat voor iedereen duidelijk was.
Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, rov 2.4.3 onder de kop ‘Kwalificatie’.
J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 259 en 267-268.
HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2058, rov. 3.5.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis; HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.5.