Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:812
2026-08-28
Civiel recht; Personen- en familierecht
25/04180
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wvggz. Wijziging zorgmachtiging (art. 8:12 Wvggz). Tenuitvoerlegging zorgmachtiging (art. 8:1 lid 1 Wvggz). Over te leggen stukken bij verzoek tot wijziging. ICT-problemen bij OM.
Citeert (15)
- ECLI:NL:PHR:2026:736 Parket bij de Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:738 Parket bij de Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:RBROT:2025:10638 Rechtbank Rotterdam 18-08-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:2769 Rechtbank Oost-Brabant 13-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2020:356 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2020
- ECLI:NL:HR:2021:1357 Hoge Raad 24-09-2021
- ECLI:NL:HR:2022:390 Hoge Raad 18-03-2022
- ECLI:NL:HR:2025:1664 Hoge Raad 07-11-2025
- ECLI:NL:HR:2021:1357 Hoge Raad 24-09-2021
- ECLI:NL:HR:2022:390 Hoge Raad 18-03-2022
- ECLI:NL:HR:2025:1664 Hoge Raad 07-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2026:736 Parket bij de Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:738 Parket bij de Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:HR:2021:226 Hoge Raad 12-02-2021
- ECLI:NL:HR:2022:390 Hoge Raad 18-03-2022
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2026:848 Parket bij de Hoge Raad 04-09-2026
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.963 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04180
Zitting 28 augustus 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,
hierna: de officier van justitie,
advocaat: mr. R. de Graaff.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank de ten aanzien van betrokkene bestaande zorgmachtiging gewijzigd, in die zin dat daaraan ‘insluiting’ als vorm van verplichte zorg is toegevoegd. In cassatie zijn in twee onderdelen klachten tegen de beslissing van de rechtbank gericht.
1.2
In het eerste onderdeel klaagt betrokkene dat de rechtbank de zorgmachtiging niet kon wijzigen, omdat de officier van justitie de zorgmachtiging niet binnen veertien dagen ten uitvoer heeft gelegd (art. 8:1 lid 1 Wvggz). Dit onderdeel slaagt niet, nu de zorgmachtiging wel tijdig ten uitvoer is gelegd.
1.3
In het tweede onderdeel klaagt betrokkene dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot een beoordeling van het wijzigingsverzoek en tot toewijzing ervan, omdat bij het wijzigingsverzoek, in strijd met vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet de stukken die ten grondslag lagen aan de bestaande zorgmachtiging zijn overgelegd. De kern van het verweer van de officier van justitie tegen deze klacht is gelegen in de ICT-problemen die ten tijde van de indiening van het verzoekschrift bij het openbaar ministerie speelden. Deze ICT-problemen rechtvaardigen in deze zaak mijns inziens geen uitzondering op de regel dat de stukken die ten grondslag lagen aan de bestaande zorgmachtiging bij het wijzigingsverzoek moeten worden overgelegd. Het tweede onderdeel slaagt.
1.4
De kwestie van bij het verzoekschrift ontbrekende stukken is ook aan de orde in de zaak 25/04403, waarin ik binnenkort zal concluderen.
2Feiten en procesverloop
2.1
De rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 23 juni 2025 – en op schrift gesteld op 30 juni 2025 – ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, dus tot en met 23 december 2025 (hierna ook: de zorgmachtiging). Met betrekking tot de verzochte vormen van verplichte zorg heeft de rechtbank als volgt overwogen:
“3.7. (…) De rechtbank is (…) van oordeel dat in ieder geval de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
3.8.
Daarnaast acht de rechtbank ook de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk indien het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- opnemen in een accommodatie.”
2.2
In het dictum is vermeld dat de rechtbank de zorgmachtiging verleent, “wat inhoudt dat de maatregelen die in 3.7. en 3.8. staan kunnen worden toegepast”.
2.3
Bij verzoekschrift, ingekomen op 15 augustus 2025 bij de griffie van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank), heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de zorgmachtiging te wijzigen, in die zin dat insluiting wordt toegevoegd aan de vormen van verplichte zorg voor de resterende duur van de machtiging.
2.4
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, een psychiater en een arts. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Bij beschikking van 18 augustus 2025 (hierna ook: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de zorgmachtiging conform het verzoek gewijzigd.
2.6
Bij procesinleiding, binnengekomen bij de griffie op 18 november 2025 heeft betrokkene – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking.
2.7
De officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
Onderdeel I: overschrijding termijn voor tenuitvoerlegging (artikel 8:1 lid 1 Wvggz)
3.2
Onderdeel I is gericht tegen r.o. 2.4 tot en met 2.5.3 van de bestreden beschikking. Deze luiden:
“2.4. Primair stelt de advocaat dat de zorgmachtiging van 23 juni 2025, die ten grondslag ligt aan het thans voorliggende verzoek, niet binnen twee weken ten uitvoer is gelegd, de zorgmachtiging daardoor is vervallen en zodoende niet kan worden uitgebreid met een aanvullende zorgvorm, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Niet duidelijk is wanneer begonnen is met de tenuitvoerlegging van de verplichte zorg. Wel staat vast dat betrokkene momenteel pas een week is opgenomen, terwijl de machtiging al op 23 juni 2025 is verleend. Daarmee staat vast, aldus de raadsman, dat de termijn van twee weken waarbinnen de tenuitvoerlegging van de machtiging op grond van artikel 8:1 lid 1 van de Wvggz had moeten aanvangen, ruimschoots is overschreden, zodat de machtiging geacht moet worden niet meer te bestaan. Een zorgmachtiging die niet meer bestaat, kan ook niet worden gewijzigd.
2.5.
De rechtbank gaat niet mee in het verweer en overweegt als volgt.
2.5.1.
Aan de overschrijding van de twee weken termijn als bedoeld in artikel 8:1 lid 1 Wvggz is in de Wvggz niet de sanctie verbonden dat een zorgmachtiging komt te vervallen. Alhoewel de bedoeling van de wetgever is geweest dat zo spoedig mogelijk zorg dient te worden verleend (Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 126), bepaalt de Wvggz, anders dan de Wet zorg en dwang en de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, niet dat een zorgmachtiging komt te vervallen als de machtiging niet binnen twee weken feitelijk ten uitvoer is gelegd.
2.5.2.
Bovendien is de zorgmachtiging naar het oordeel van de rechtbank wel binnen de termijn van artikel 8:1 lid 1 Wvggz ten uitvoer gelegd. In artikel 1:1 sub s Wvggz staat namelijk dat tenuitvoerlegging het volgende inhoudt: ‘er voor zorg dragen dat de zorgaanbieder kan beginnen met de uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging’. In de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25, p. 95) wordt tenuitvoerlegging als volgt toegelicht: ‘Wat betreft de verantwoordelijkheid voor het feitelijk in gang zetten van de zorgverlening aan de betrokkene dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de tenuitvoerlegging en de uitvoering van de zorgmachtiging. De geneesheer-directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de zorgmachtiging. De tenuitvoerlegging is bij het openbaar ministerie belegd. Deze tenuitvoerlegging houdt in dat het openbaar ministerie een afschrift van de zorgmachtiging doet toekomen aan de in die zorgmachtiging opgenomen zorgaanbieder. Daarmee is de officier van justitie eindverantwoordelijke voor het proces en is de geneesheer-directeur eindverantwoordelijk voor de zorginhoud.’ Door middel van het, in de praktijk gebruikelijke, doen van de mondelinge uitspraak direct in aansluiting op de mondelinge behandeling, het direct daarop volgend verstrekken van een kennisgeving mondelinge uitspraak en/of het verzenden van een beschikking van de rechtbank, heeft de zorgaanbieder kennis genomen van de beslissing van de rechter en is hij in staat gesteld om te beginnen met het verlenen van zorg. In dit geval is de zorgmachtiging op 30 juni 2025 op schrift gesteld en op grond van art. 6:4 lid 7 sub h Wvggz aan onder meer de zorgaanbieder verzonden.
2.5.3.
Concluderend is de zorgmachtiging van 23 juni 2025 dan ook niet komen te vervallen, zodat een aanvulling op de daarin opgenomen zorgvormen kan worden verzocht.”
3.3
Betrokkene klaagt dat deze overwegingen onjuist, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn. De toelichting van betrokkene op deze klachten vat ik als volgt samen. Op grond van artikel 8:1 lid 1 Wvggz moest de officier van justitie binnen twee weken na afgifte van de zorgmachtiging door de rechter overgaan tot tenuitvoerlegging daarvan. De zorgmachtiging is verleend bij beschikking van 23 juni 2025. Die beschikking is op 30 juni 2025 verstrekt. Er is pas voor het eerst op 12 augustus 2025 verplichte zorg verleend. Daarmee is de termijn van veertien dagen als bedoeld in artikel 8:1 lid 1 Wvggz door de officier van justitie overschreden. Daardoor kan er niet van uitgegaan worden dat de zorgmachtiging op 12 augustus 2025 nog geldig was. De opname in de accommodatie is daarom, mede in het licht van artikel 5 EVRM, niet rechtmatig. De rechtbank heeft ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat wijziging van een niet meer geldige zorgmachtiging mogelijk is, althans is de beschikking dienaangaande onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel.
3.4
Bij de bespreking van deze klachten stel ik het volgende voorop.
3.5
Artikel 8:1 lid 1 Wvggz bepaalt:
De officier van justitie gaat onverwijld, doch uiterlijk binnen twee weken na afgifte door de rechter, over tot tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging.
3.6
In artikel 1:1 lid 1, onder s, Wvggz wordt “ten uitvoerlegging” als volgt gedefinieerd:
er voor zorg dragen dat de zorgaanbieder kan beginnen met de uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging.
3.7
Uit voorgaande bepalingen volgt dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging door de officier van justitie enerzijds en de uitvoering van een zorgmachtiging door de zorgaanbieder anderzijds.
3.8
Ook uit de wetsgeschiedenis van de Wvggz blijkt van dit onderscheid, waarbij nader wordt geconcretiseerd wat tenuitvoerlegging door de officier van justitie inhoudt (onderstreping van mij):
“Wat betreft de verantwoordelijkheid voor het feitelijk in gang zetten van de zorgverlening aan de betrokkene dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de tenuitvoerlegging en de uitvoering van de zorgmachtiging. De geneesheer-directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de zorgmachtiging. De tenuitvoerlegging is bij het openbaar ministerie belegd. Deze tenuitvoerlegging houdt in dat het openbaar ministerie een afschrift van de zorgmachtiging doet toekomen aan de in die zorgmachtiging opgenomen zorgaanbieder. Daarmee is de officier van justitie eindverantwoordelijke voor het proces en is de geneesheer-directeur eindverantwoordelijk voor de zorginhoud.
(…)
De tenuitvoerlegging omvat niet meer dan het zorg dragen dat de zorgaanbieder kan beginnen met de verlening van verplichte zorg.
(…).”
3.9
Het moment waarop voor het eerst verplichte zorg op grond van een machtiging wordt verleend door de zorgaanbieder is dus niet bepalend voor de vraag wanneer de zorgmachtiging ten uitvoer is gelegd in de zin van artikel 8:1 lid 1 Wvggz.
3.10
Wanneer de officier van justitie nalaat de zorgmachtiging tijdig ten uitvoer te leggen, heeft dit niet tot gevolg dat de zorgmachtiging komt te vervallen. Het niet tijdig ten uitvoer leggen van een zorgmachtiging behoort immers niet tot de in artikel 6:6 Wvggz limitatief opgesomde gevallen waarin een zorgmachtiging vervalt. Wel kan de betrokkene op grond van artikel 10:12 lid 3 Wvggz schadevergoeding verzoeken.
3.11
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten van onderdeel I. Deze klachten kunnen niet slagen.
3.12
De rechtbank is met haar oordeel in r.o. 2.5.2, dat de zorgmachtiging wel binnen de termijn van artikel 8:1 lid 1 Wvggz ten uitvoer is gelegd, niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Aan dat oordeel legt de rechtbank immers, onder verwijzing naar de hiervoor onder 3.8 aangehaalde wetsgeschiedenis, haar vaststelling ten grondslag dat de bij mondelinge uitspraak van 23 juni 2025 verleende zorgmachtiging op 30 juni 2025 op schrift is gesteld en aan onder meer de zorgaanbieder is verzonden. Gelet op deze in cassatie niet bestreden vaststelling, kan er in cassatie van worden uitgegaan dat de officier van justitie de zorgmachtiging tijdig ten uitvoer heeft gelegd, nu deze immers binnen twee weken na 23 juni 2025 een afschrift van de zorgmachtiging heeft doen toekomen aan de zorgaanbieder. De klacht neemt dus ten onrechte tot uitgangspunt dat de zorgmachtiging wegens overschrijding van de termijn van artikel 8:1 lid 1 Wvggz niet meer geldig was en dus niet voor wijziging vatbaar is. Er is immers geen sprake van een dergelijke termijnoverschrijding. Bovendien zou ook in geval van overschrijding van die termijn daarop niet de sanctie van verval of ongeldigheid van de zorgmachtiging staan.
3.13
Nu ook de motiveringsklacht overschrijding van de termijn van artikel 8:1 lid 1 Wvggz tot uitgangspunt neemt, kan ook deze niet tot cassatie leiden. Voor de volledigheid merk ik op dat ook overigens geen sprake is van een onbegrijpelijk oordeel in r.o. 2.4 tot en met 2.5.3, nu de rechtbank het verweer van betrokkene met betrekking tot de termijn van artikel 8:1 lid 1 Wvggz en de daaraan door betrokkene gekoppelde consequentie daarin kenbaar en voldoende gemotiveerd van de hand wijst.
3.14
Ten overvloede geldt het volgende. In het middel wordt tot uitgangspunt genomen dat vanaf 12 augustus 2025 – de datum van de opname van betrokkene – verplichte zorg is verleend. Voor de beoordeling van dit onderdeel kan in het midden blijven op welke datum voor het eerst verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging van 23 juni 2025 is verleend aan betrokkene en wanneer dus feitelijk uitvoering is gegeven aan de zorgmachtiging door de zorgaanbieder. In dit onderdeel wordt immers geklaagd over de te late tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging door de officier van justitie in de zin van artikel 8:1 lid 1 Wvggz. Uit artikel 8:1 lid 1 Wvggz vloeit niet voort dat binnen twee weken na afgifte van de zorgmachtiging deze ook feitelijk moet worden uitgevoerd door het verlenen van verplichte zorg door de zorgaanbieder. Een zorgmachtiging kan immers ook als vangnet of als stok achter de deur afgegeven worden, waarbij geen of niet alle toegewezen vormen van verplichte zorg verleend worden, zolang dat goed gaat.
Onderdeel II: ontbrekende stukken van te wijzigen zorgmachtiging
3.15
In onderdeel II klaagt betrokkene – zo begrijp ik – dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot een beoordeling van het wijzigingsverzoek en tot toewijzing van dit verzoek, omdat bij het wijzigingsverzoek niet alle stukken die ten grondslag lagen aan de te wijzigen zorgmachtiging zijn overgelegd. De beschikking van de rechtbank is daarmee in strijd met rechtspraak van de Hoge Raad, aldus luidt de rechtsklacht van dit onderdeel.
3.16
Dit onderdeel is terecht voorgesteld, zoals ik hierna zal toelichten.
Toepassing van vaste rechtspraak van de Hoge Raad op deze zaak
3.17
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten bij een verzoekschrift tot wijziging van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 8:12 lid 5 Wvggz – naast de in artikel 8:12 lid 3 Wvggz vermelde stukken – de bestaande zorgmachtiging en de stukken die daaraan ten grondslag hebben gelegen, worden overgelegd, voorzien van een actualisering daarvan met het oog op de vormen van verplichte zorg waarop het wijzigingsverzoek ziet. Deze gegevens zijn noodzakelijk om de toewijsbaarheid van het verzoek te kunnen beoordelen, aldus volgt uit deze vaste rechtspraak.
3.18
In deze zaak is in het verzoekschrift tot wijziging van de zorgmachtiging onder het kopje ‘Bijlagen’, voor zover hier relevant, het volgende tekstblok opgenomen:
“Het is op dit moment vanwege de verstoringen waarmee het OM te maken heeft, niet mogelijk om de beschikking en alle stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de te wijzigen zorgmachtiging te overleggen. Mochten deze gegevens noodzakelijk lijken voor de beoordeling/beslissing, kunt u telefonisch contact opnemen met het OM.”
3.19
In r.o. 1.1 van de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen:
“(…)
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de medische verklaring van 14 augustus 2025;
- het aangepaste zorgplan van 13 augustus 2025;
- de beslissing als bedoeld in art. 8:12, tweede lid, en art. 8:13, eerste, tweede en derde lid, van de Wvggz van 12 augustus 2025.
- de aanvraag van de zorgverantwoordelijke van 14 augustus 2025;
- het advies van de geneesheer-directeur van 14 augustus 2025;
- de bestaande zorgmachtiging.”
3.20
Nu de stukken die ten grondslag lagen aan de bestaande zorgmachtiging niet bij het verzoek tot wijziging zijn gevoegd en de rechtbank in haar beschikking ook geen melding maakt van die stukken, moet ervan worden uitgegaan dat deze niet zijn overgelegd. De rechtbank beschikte daarmee niet over de gegevens die volgens de hiervoor onder 3.17 genoemde vaste rechtspraak noodzakelijk zijn om de toewijsbaarheid van het verzoek te kunnen beoordelen.
Uitzondering op vaste rechtspraak van de Hoge Raad vanwege ICT-problemen?
3.21
In het verweerschrift in cassatie wijst de officier van justitie op de omstandigheid dat ten tijde van het indienen van het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging de ICT-systemen van het openbaar ministerie waren afgekoppeld van het internet wegens gesignaleerde kwetsbaarheden.
3.22
In het verweerschrift in cassatie vermeldt de officier van justitie hierover, voor zover voor de beoordeling van dit onderdeel van belang, het volgende (met weglating van de voetnoten):
“3.10 Het is algemeen bekend – ook bij de rechtbank – dat op 17 juli 2025 het College van procureurs-generaal zich genoodzaakt zag om de digitale omgeving van het OM los te koppelen van het internet, nadat een kwetsbaarheid was gesignaleerd in het ICT- systeem van het OM. Deze afsluiting heeft grote gevolgen gehad voor de toegankelijkheid van bepaalde systemen voor de medewerkers van het OM, waaronder officiers van justitie.
3.11
In de eerste dagen na de afsluiting is in afstemming met de rechtspraak een tijdelijke oplossing bedacht waarbij stukken fysiek werden ondertekend en ingediend bij de rechtbank. Deze arbeidsintensieve werkwijze bleek vanwege beperkte scancapaciteit en de vakantieperiode uiteindelijk niet houdbaar voor de griffie van de rechtbank. In overleg met de rechtspraak is toen besloten om vanaf 5 augustus 2025 de verzoekschriften als begeleidende mail bij een Zivver-bericht in te dienen. Dat is ook in deze zaak gebeurd. De rechtspraak heeft de Vereniging van Psychiatrisch Patiëntenrecht Advocaten Nederland op 4 augustus 2025 over deze werkwijze ingelicht, zodat mag worden aangenomen dat (de advocaat in feitelijke instantie van) betrokkene van deze werkwijze en de achtergrond daarvan op de hoogte was.
3.12
In de externe Zivver-omgeving, die speciaal buiten de ICT-omgeving van het OM toegankelijk was gemaakt, was het echter niet mogelijk om stukken te uploaden die enkel beschikbaar waren in de ICT-omgeving van het OM. De ICT-omgeving van het OM was immers losgekoppeld van het internet. Als een gevolg hiervan was het onmogelijk om oudere stukken uit het OM Zorg Informatie Systeem (hierna: OMZIS) - zoals in deze zaak de stukken omtrent de zorgmachtiging van 23 juni 2025 - tegelijk met het verzoekschrift via Zivver te delen met de rechtbank. Het steeds los (per post) nazenden van deze stukken uit OMZIS, was op basis van de werkafspraken met de rechtspraak niet mogelijk, nu de hiervoor beschreven alternatieve werkwijze voor de griffie alleen werkbaar was indien de stukken in één Zivver-bericht zouden worden ontvangen. Hierom is in verschillende zaken besloten om deze stukken middels het hierboven geciteerde tekstblok alsnog aan te bieden bij de rechtbank. Op verzoek zouden deze stukken dan alsnog worden verstrekt.
Overigens heeft de rechtbank de zorgmachtiging van 23 juni 2025 kennelijk zelf opgezocht en toegevoegd aan het dossier. Weliswaar overweegt de rechtbank dat deze zorgmachtiging als bijlage bij het verzoekschrift van 15 augustus 2025 was gevoegd (rov. 1.1). Maar wie de gedingstukken raadpleegt, constateert dat dit niet het geval is geweest. Als gezegd zijn de (nieuwe) stukken die relevant waren voor de beoordeling van het verzoekschrift van 15 augustus 2025 door het OM via Zivver ontvangen en (met het verzoekschrift) doorgestuurd aan de rechtbank.
3.13
Met de hierboven beschreven oplossing heeft het OM op tijdelijke basis gepoogd het hoofd te bieden aan een acute crisissituatie. Een andere indieningswijze, waarbij alle onderliggende stukken direct zouden worden overgelegd, was onder de omstandigheden redelijkerwijs niet mogelijk. Vanzelfsprekend was het niet langer indienen van verzoekschriften geen optie: dit was niet in het belang geweest van de vaak kwetsbare personen die bij Wvggz-procedures zijn betrokken. Deze personen en hun directe omgeving hebben immers juist baat bij de verplichte zorg die via de verzoekschriften wordt verzocht.
Voor zover de bovenstaande gang van zaken niet reeds voldoende duidelijk blijkt uit de gedingstukken of niet heeft te gelden als feit van algemene bekendheid, staat dit er niet aan in de weg dat uw Raad acht slaat op deze feiten. De ICT-storing en de daaromtrent tussen het OM en de rechtspraak gemaakte werkafspraken zijn feiten waarmee de rechtbank rekening kon en moest houden. Dit heeft de rechtbank kennelijk ook gedaan.
3.14
Onder de gegeven omstandigheden kon de officier van justitie redelijkerwijs ermee volstaan om de stukken die betrekking hadden op de zorgmachtiging van 23 juni 2025 op deze wijze aan te bieden. Aan de in de rechtspraak van uw Raad geformuleerde regel dat bij een verzoekschrift tot wijziging van een zorgmachtiging de bestaande zorgmachtiging en de daaraan ten grondslag liggende stukken moeten worden overgelegd, ligt blijkens diezelfde rechtspraak immers de volgende ratio ten grondslag:
"Aldus is gewaarborgd dat de rechter ten aanzien van de aanvullend verzochte vormen van verplichte zorg kan beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid als bedoeld in de art. 2:2, 3:3 en 3:4, onder b-e, Wvggz (vgl. art. 6:4 lid 1 Wvggz)."
Met het tekstblok is tegemoetgekomen aan deze ratio.”
3.23
Met de door de officier in het verweerschrift naar voren gebrachte omstandigheden kan in cassatie slechts rekening worden gehouden voor zover deze omstandigheden blijken uit de gedingstukken (inclusief de bestreden beschikking) en het verhandelde ter zitting in eerste aanleg, of voor zover deze zijn aan te merken als feit van algemene bekendheid.Dàt sprake is geweest van ICT-problemen bij het openbaar ministerie, lijkt mij wel te beschouwen als feit van algemene bekendheid. Over de verdere door de officier van justitie in het verweerschrift in cassatie naar voren gebrachte omstandigheden rondom de (on)mogelijkheid om de vereiste stukken aan het verzoekschrift tot wijziging toe te voegen, blijkt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niets, op het hiervoor onder 3.18 geciteerde tekstblok in het verzoekschrift van de officier van justitie na.
3.24
In genoemd tekstblok wordt aangegeven dat de rechtbank telefonisch contact kan opnemen met het openbaar ministerie, mochten de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de te wijzigen zorgmachtiging noodzakelijk lijken voor de beoordeling van en de beslissing op het verzoek.
3.25
Gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie hiervoor onder 3.17) had de rechtbank hetzij gebruik kunnen maken van het in genoemd tekstblok gedane aanbod en de stukken alsnog kunnen opvragen, hetzij moeten motiveren waarom zij geen gebruik heeft gemaakt van dat aanbod. Uit de bestreden beschikking blijkt echter het één noch het ander. De rechtbank heeft immers niets overwogen met betrekking tot de ontbrekende stukken.
3.26
Nu de rechtbank in het kader van haar beslissing op het wijzigingsverzoek niets heeft overwogen met betrekking tot de ontbrekende stukken, getuigt haar oordeel dienaangaande van een onjuiste rechtsopvatting.
3.27
De ICT-problemen in de zomer van 2025 bij het openbaar ministerie rechtvaardigen in deze zaak dus geen uitzondering op voornoemde vaste rechtspraak van de Hoge Raad.
3.28
Tot slot merk ik nog op dat het voorgaande niet anders wordt, nu in eerste aanleg niet het verweer is gevoerd dat niet was voldaan aan het uit vaste rechtspraak voortvloeiende vereiste dat de rechtbank niet over de stukken beschikte die ten grondslag hebben gelegen aan de bestaande, te wijzigen zorgmachtiging. De rechtbank had ambtshalve moeten constateren dat aan dit vereiste niet was voldaan, nu hier het grondrecht in het geding is dat niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald (art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM en art. 15 Grondwet).
3.29
Nu het tweede onderdeel slaagt, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Naast deze twee zaken waarin stukken bij het verzoekschrift ontbreken, zijn er in ieder geval nog twee zaken waarin de ICT-problemen bij het openbaar ministerie een rol spelen (25/04253 en 25/04098). In deze andere zaken gaat het erom, voor zover hier van belang, dat het verzoekschrift niet is ondertekend door de officier van justitie. In deze laatstgenoemde zaken heb ik op 17 juli jl. geconcludeerd (ECLI:NL:PHR:2026:736 en ECLI:NL:PHR:2026:738).
Zaaknummer: C/16/594473 / FV RK 25-1393 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
ECLI:NL:RBROT:2025:10638, JGz 2025/71, m.nt. G.J. Baken.
Waarbij ik opmerk dat r.o. 2.4 slechts een weergave bevat van het verweer in eerste aanleg door de advocaat van betrokkene.
Kamerstukken II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 95 en 152 en 153.
Zo schrijft ook G.J. Baken in zijn JGz-noot onder de bestreden beschikking (JGz 2025/71), met verwijzing naar rb. Oost-Brabant 13 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2769, JGz 2025/55, m.nt. Baken. Zie ook V.C. Andeweg en G.L.A.M. van Doveren, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, commentaar bij art. 8:1 Wvggz (publicatiedatum 28 maart 2026).
Vgl. voormalig plv. P-G Langemeijer over de drie cirkels van zorg in zijn conclusie van 3 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:356, onder 3.15 en vgl. ook onder 3.18.
Betrokkene verwijst in dit verband naar HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1357, NJ 2021/385, m.nt. J.L. Legemaate, JGz 2021/79, m.nt. J.J. de Jong; HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:390, JGz 2022/19, m.nt. J.J. de Jong en HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1664, JGz 2026/4, m.nt. E. Plomp.
HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1357, NJ 2021/385, m.nt. J.L. Legemaate, JGz 2021/79, m.nt. J.J. de Jong, r.o. 3.3; HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:390, JGz 2022/19, m.nt. J.J. de Jong, r.o. 3.3 en HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1664, JGz 2026/4, m.nt. E. Plomp, r.o. 3.2.2 en 3.2.3.
Vgl. mijn conclusies van 17 juli jl., ECLI:NL:PHR:2026:736, m.n. nrs. 5.9 en 5.14 en ECLI:NL:PHR:2026:738, m.n. nrs. 4.56-4.60 met betrekking het ontbreken van een handtekening van de officier van justitie als gevolg van de ICT-problemen bij het openbaar ministerie.
Vgl. HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:226, NJ 2021/63, r.o. 3.4. Vgl. ook HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:390, JGz 2022/19, m.nt. J.J. de Jong, r.o. 3.3 en (per abuis ook doorgenummerd als) 3.3, in welke zaak evenmin in eerste aanleg het verweer gevoerd lijkt te zijn dat dat de rechtbank niet over de stukken beschikte die ten grondslag hebben gelegen aan de te wijzingen zorgmachtiging.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04180
Zitting 28 augustus 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,
hierna: de officier van justitie,
advocaat: mr. R. de Graaff.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank de ten aanzien van betrokkene bestaande zorgmachtiging gewijzigd, in die zin dat daaraan ‘insluiting’ als vorm van verplichte zorg is toegevoegd. In cassatie zijn in twee onderdelen klachten tegen de beslissing van de rechtbank gericht.
1.2
In het eerste onderdeel klaagt betrokkene dat de rechtbank de zorgmachtiging niet kon wijzigen, omdat de officier van justitie de zorgmachtiging niet binnen veertien dagen ten uitvoer heeft gelegd (art. 8:1 lid 1 Wvggz). Dit onderdeel slaagt niet, nu de zorgmachtiging wel tijdig ten uitvoer is gelegd.
1.3
In het tweede onderdeel klaagt betrokkene dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot een beoordeling van het wijzigingsverzoek en tot toewijzing ervan, omdat bij het wijzigingsverzoek, in strijd met vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet de stukken die ten grondslag lagen aan de bestaande zorgmachtiging zijn overgelegd. De kern van het verweer van de officier van justitie tegen deze klacht is gelegen in de ICT-problemen die ten tijde van de indiening van het verzoekschrift bij het openbaar ministerie speelden. Deze ICT-problemen rechtvaardigen in deze zaak mijns inziens geen uitzondering op de regel dat de stukken die ten grondslag lagen aan de bestaande zorgmachtiging bij het wijzigingsverzoek moeten worden overgelegd. Het tweede onderdeel slaagt.
1.4
De kwestie van bij het verzoekschrift ontbrekende stukken is ook aan de orde in de zaak 25/04403, waarin ik binnenkort zal concluderen.
2Feiten en procesverloop
2.1
De rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 23 juni 2025 – en op schrift gesteld op 30 juni 2025 – ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, dus tot en met 23 december 2025 (hierna ook: de zorgmachtiging). Met betrekking tot de verzochte vormen van verplichte zorg heeft de rechtbank als volgt overwogen:
“3.7. (…) De rechtbank is (…) van oordeel dat in ieder geval de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
3.8.
Daarnaast acht de rechtbank ook de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk indien het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- opnemen in een accommodatie.”
2.2
In het dictum is vermeld dat de rechtbank de zorgmachtiging verleent, “wat inhoudt dat de maatregelen die in 3.7. en 3.8. staan kunnen worden toegepast”.
2.3
Bij verzoekschrift, ingekomen op 15 augustus 2025 bij de griffie van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank), heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de zorgmachtiging te wijzigen, in die zin dat insluiting wordt toegevoegd aan de vormen van verplichte zorg voor de resterende duur van de machtiging.
2.4
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, een psychiater en een arts. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Bij beschikking van 18 augustus 2025 (hierna ook: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de zorgmachtiging conform het verzoek gewijzigd.
2.6
Bij procesinleiding, binnengekomen bij de griffie op 18 november 2025 heeft betrokkene – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking.
2.7
De officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
Onderdeel I: overschrijding termijn voor tenuitvoerlegging (artikel 8:1 lid 1 Wvggz)
3.2
Onderdeel I is gericht tegen r.o. 2.4 tot en met 2.5.3 van de bestreden beschikking. Deze luiden:
“2.4. Primair stelt de advocaat dat de zorgmachtiging van 23 juni 2025, die ten grondslag ligt aan het thans voorliggende verzoek, niet binnen twee weken ten uitvoer is gelegd, de zorgmachtiging daardoor is vervallen en zodoende niet kan worden uitgebreid met een aanvullende zorgvorm, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Niet duidelijk is wanneer begonnen is met de tenuitvoerlegging van de verplichte zorg. Wel staat vast dat betrokkene momenteel pas een week is opgenomen, terwijl de machtiging al op 23 juni 2025 is verleend. Daarmee staat vast, aldus de raadsman, dat de termijn van twee weken waarbinnen de tenuitvoerlegging van de machtiging op grond van artikel 8:1 lid 1 van de Wvggz had moeten aanvangen, ruimschoots is overschreden, zodat de machtiging geacht moet worden niet meer te bestaan. Een zorgmachtiging die niet meer bestaat, kan ook niet worden gewijzigd.
2.5.
De rechtbank gaat niet mee in het verweer en overweegt als volgt.
2.5.1.
Aan de overschrijding van de twee weken termijn als bedoeld in artikel 8:1 lid 1 Wvggz is in de Wvggz niet de sanctie verbonden dat een zorgmachtiging komt te vervallen. Alhoewel de bedoeling van de wetgever is geweest dat zo spoedig mogelijk zorg dient te worden verleend (Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 126), bepaalt de Wvggz, anders dan de Wet zorg en dwang en de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, niet dat een zorgmachtiging komt te vervallen als de machtiging niet binnen twee weken feitelijk ten uitvoer is gelegd.
2.5.2.
Bovendien is de zorgmachtiging naar het oordeel van de rechtbank wel binnen de termijn van artikel 8:1 lid 1 Wvggz ten uitvoer gelegd. In artikel 1:1 sub s Wvggz staat namelijk dat tenuitvoerlegging het volgende inhoudt: ‘er voor zorg dragen dat de zorgaanbieder kan beginnen met de uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging’. In de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25, p. 95) wordt tenuitvoerlegging als volgt toegelicht: ‘Wat betreft de verantwoordelijkheid voor het feitelijk in gang zetten van de zorgverlening aan de betrokkene dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de tenuitvoerlegging en de uitvoering van de zorgmachtiging. De geneesheer-directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de zorgmachtiging. De tenuitvoerlegging is bij het openbaar ministerie belegd. Deze tenuitvoerlegging houdt in dat het openbaar ministerie een afschrift van de zorgmachtiging doet toekomen aan de in die zorgmachtiging opgenomen zorgaanbieder. Daarmee is de officier van justitie eindverantwoordelijke voor het proces en is de geneesheer-directeur eindverantwoordelijk voor de zorginhoud.’ Door middel van het, in de praktijk gebruikelijke, doen van de mondelinge uitspraak direct in aansluiting op de mondelinge behandeling, het direct daarop volgend verstrekken van een kennisgeving mondelinge uitspraak en/of het verzenden van een beschikking van de rechtbank, heeft de zorgaanbieder kennis genomen van de beslissing van de rechter en is hij in staat gesteld om te beginnen met het verlenen van zorg. In dit geval is de zorgmachtiging op 30 juni 2025 op schrift gesteld en op grond van art. 6:4 lid 7 sub h Wvggz aan onder meer de zorgaanbieder verzonden.
2.5.3.
Concluderend is de zorgmachtiging van 23 juni 2025 dan ook niet komen te vervallen, zodat een aanvulling op de daarin opgenomen zorgvormen kan worden verzocht.”
3.3
Betrokkene klaagt dat deze overwegingen onjuist, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn. De toelichting van betrokkene op deze klachten vat ik als volgt samen. Op grond van artikel 8:1 lid 1 Wvggz moest de officier van justitie binnen twee weken na afgifte van de zorgmachtiging door de rechter overgaan tot tenuitvoerlegging daarvan. De zorgmachtiging is verleend bij beschikking van 23 juni 2025. Die beschikking is op 30 juni 2025 verstrekt. Er is pas voor het eerst op 12 augustus 2025 verplichte zorg verleend. Daarmee is de termijn van veertien dagen als bedoeld in artikel 8:1 lid 1 Wvggz door de officier van justitie overschreden. Daardoor kan er niet van uitgegaan worden dat de zorgmachtiging op 12 augustus 2025 nog geldig was. De opname in de accommodatie is daarom, mede in het licht van artikel 5 EVRM, niet rechtmatig. De rechtbank heeft ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat wijziging van een niet meer geldige zorgmachtiging mogelijk is, althans is de beschikking dienaangaande onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel.
3.4
Bij de bespreking van deze klachten stel ik het volgende voorop.
3.5
Artikel 8:1 lid 1 Wvggz bepaalt:
De officier van justitie gaat onverwijld, doch uiterlijk binnen twee weken na afgifte door de rechter, over tot tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging.
3.6
In artikel 1:1 lid 1, onder s, Wvggz wordt “ten uitvoerlegging” als volgt gedefinieerd:
er voor zorg dragen dat de zorgaanbieder kan beginnen met de uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging.
3.7
Uit voorgaande bepalingen volgt dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging door de officier van justitie enerzijds en de uitvoering van een zorgmachtiging door de zorgaanbieder anderzijds.
3.8
Ook uit de wetsgeschiedenis van de Wvggz blijkt van dit onderscheid, waarbij nader wordt geconcretiseerd wat tenuitvoerlegging door de officier van justitie inhoudt (onderstreping van mij):
“Wat betreft de verantwoordelijkheid voor het feitelijk in gang zetten van de zorgverlening aan de betrokkene dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de tenuitvoerlegging en de uitvoering van de zorgmachtiging. De geneesheer-directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de zorgmachtiging. De tenuitvoerlegging is bij het openbaar ministerie belegd. Deze tenuitvoerlegging houdt in dat het openbaar ministerie een afschrift van de zorgmachtiging doet toekomen aan de in die zorgmachtiging opgenomen zorgaanbieder. Daarmee is de officier van justitie eindverantwoordelijke voor het proces en is de geneesheer-directeur eindverantwoordelijk voor de zorginhoud.
(…)
De tenuitvoerlegging omvat niet meer dan het zorg dragen dat de zorgaanbieder kan beginnen met de verlening van verplichte zorg.
(…).”
3.9
Het moment waarop voor het eerst verplichte zorg op grond van een machtiging wordt verleend door de zorgaanbieder is dus niet bepalend voor de vraag wanneer de zorgmachtiging ten uitvoer is gelegd in de zin van artikel 8:1 lid 1 Wvggz.
3.10
Wanneer de officier van justitie nalaat de zorgmachtiging tijdig ten uitvoer te leggen, heeft dit niet tot gevolg dat de zorgmachtiging komt te vervallen. Het niet tijdig ten uitvoer leggen van een zorgmachtiging behoort immers niet tot de in artikel 6:6 Wvggz limitatief opgesomde gevallen waarin een zorgmachtiging vervalt. Wel kan de betrokkene op grond van artikel 10:12 lid 3 Wvggz schadevergoeding verzoeken.
3.11
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten van onderdeel I. Deze klachten kunnen niet slagen.
3.12
De rechtbank is met haar oordeel in r.o. 2.5.2, dat de zorgmachtiging wel binnen de termijn van artikel 8:1 lid 1 Wvggz ten uitvoer is gelegd, niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Aan dat oordeel legt de rechtbank immers, onder verwijzing naar de hiervoor onder 3.8 aangehaalde wetsgeschiedenis, haar vaststelling ten grondslag dat de bij mondelinge uitspraak van 23 juni 2025 verleende zorgmachtiging op 30 juni 2025 op schrift is gesteld en aan onder meer de zorgaanbieder is verzonden. Gelet op deze in cassatie niet bestreden vaststelling, kan er in cassatie van worden uitgegaan dat de officier van justitie de zorgmachtiging tijdig ten uitvoer heeft gelegd, nu deze immers binnen twee weken na 23 juni 2025 een afschrift van de zorgmachtiging heeft doen toekomen aan de zorgaanbieder. De klacht neemt dus ten onrechte tot uitgangspunt dat de zorgmachtiging wegens overschrijding van de termijn van artikel 8:1 lid 1 Wvggz niet meer geldig was en dus niet voor wijziging vatbaar is. Er is immers geen sprake van een dergelijke termijnoverschrijding. Bovendien zou ook in geval van overschrijding van die termijn daarop niet de sanctie van verval of ongeldigheid van de zorgmachtiging staan.
3.13
Nu ook de motiveringsklacht overschrijding van de termijn van artikel 8:1 lid 1 Wvggz tot uitgangspunt neemt, kan ook deze niet tot cassatie leiden. Voor de volledigheid merk ik op dat ook overigens geen sprake is van een onbegrijpelijk oordeel in r.o. 2.4 tot en met 2.5.3, nu de rechtbank het verweer van betrokkene met betrekking tot de termijn van artikel 8:1 lid 1 Wvggz en de daaraan door betrokkene gekoppelde consequentie daarin kenbaar en voldoende gemotiveerd van de hand wijst.
3.14
Ten overvloede geldt het volgende. In het middel wordt tot uitgangspunt genomen dat vanaf 12 augustus 2025 – de datum van de opname van betrokkene – verplichte zorg is verleend. Voor de beoordeling van dit onderdeel kan in het midden blijven op welke datum voor het eerst verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging van 23 juni 2025 is verleend aan betrokkene en wanneer dus feitelijk uitvoering is gegeven aan de zorgmachtiging door de zorgaanbieder. In dit onderdeel wordt immers geklaagd over de te late tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging door de officier van justitie in de zin van artikel 8:1 lid 1 Wvggz. Uit artikel 8:1 lid 1 Wvggz vloeit niet voort dat binnen twee weken na afgifte van de zorgmachtiging deze ook feitelijk moet worden uitgevoerd door het verlenen van verplichte zorg door de zorgaanbieder. Een zorgmachtiging kan immers ook als vangnet of als stok achter de deur afgegeven worden, waarbij geen of niet alle toegewezen vormen van verplichte zorg verleend worden, zolang dat goed gaat.
Onderdeel II: ontbrekende stukken van te wijzigen zorgmachtiging
3.15
In onderdeel II klaagt betrokkene – zo begrijp ik – dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot een beoordeling van het wijzigingsverzoek en tot toewijzing van dit verzoek, omdat bij het wijzigingsverzoek niet alle stukken die ten grondslag lagen aan de te wijzigen zorgmachtiging zijn overgelegd. De beschikking van de rechtbank is daarmee in strijd met rechtspraak van de Hoge Raad, aldus luidt de rechtsklacht van dit onderdeel.
3.16
Dit onderdeel is terecht voorgesteld, zoals ik hierna zal toelichten.
Toepassing van vaste rechtspraak van de Hoge Raad op deze zaak
3.17
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten bij een verzoekschrift tot wijziging van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 8:12 lid 5 Wvggz – naast de in artikel 8:12 lid 3 Wvggz vermelde stukken – de bestaande zorgmachtiging en de stukken die daaraan ten grondslag hebben gelegen, worden overgelegd, voorzien van een actualisering daarvan met het oog op de vormen van verplichte zorg waarop het wijzigingsverzoek ziet. Deze gegevens zijn noodzakelijk om de toewijsbaarheid van het verzoek te kunnen beoordelen, aldus volgt uit deze vaste rechtspraak.
3.18
In deze zaak is in het verzoekschrift tot wijziging van de zorgmachtiging onder het kopje ‘Bijlagen’, voor zover hier relevant, het volgende tekstblok opgenomen:
“Het is op dit moment vanwege de verstoringen waarmee het OM te maken heeft, niet mogelijk om de beschikking en alle stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de te wijzigen zorgmachtiging te overleggen. Mochten deze gegevens noodzakelijk lijken voor de beoordeling/beslissing, kunt u telefonisch contact opnemen met het OM.”
3.19
In r.o. 1.1 van de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen:
“(…)
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de medische verklaring van 14 augustus 2025;
- het aangepaste zorgplan van 13 augustus 2025;
- de beslissing als bedoeld in art. 8:12, tweede lid, en art. 8:13, eerste, tweede en derde lid, van de Wvggz van 12 augustus 2025.
- de aanvraag van de zorgverantwoordelijke van 14 augustus 2025;
- het advies van de geneesheer-directeur van 14 augustus 2025;
- de bestaande zorgmachtiging.”
3.20
Nu de stukken die ten grondslag lagen aan de bestaande zorgmachtiging niet bij het verzoek tot wijziging zijn gevoegd en de rechtbank in haar beschikking ook geen melding maakt van die stukken, moet ervan worden uitgegaan dat deze niet zijn overgelegd. De rechtbank beschikte daarmee niet over de gegevens die volgens de hiervoor onder 3.17 genoemde vaste rechtspraak noodzakelijk zijn om de toewijsbaarheid van het verzoek te kunnen beoordelen.
Uitzondering op vaste rechtspraak van de Hoge Raad vanwege ICT-problemen?
3.21
In het verweerschrift in cassatie wijst de officier van justitie op de omstandigheid dat ten tijde van het indienen van het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging de ICT-systemen van het openbaar ministerie waren afgekoppeld van het internet wegens gesignaleerde kwetsbaarheden.
3.22
In het verweerschrift in cassatie vermeldt de officier van justitie hierover, voor zover voor de beoordeling van dit onderdeel van belang, het volgende (met weglating van de voetnoten):
“3.10 Het is algemeen bekend – ook bij de rechtbank – dat op 17 juli 2025 het College van procureurs-generaal zich genoodzaakt zag om de digitale omgeving van het OM los te koppelen van het internet, nadat een kwetsbaarheid was gesignaleerd in het ICT- systeem van het OM. Deze afsluiting heeft grote gevolgen gehad voor de toegankelijkheid van bepaalde systemen voor de medewerkers van het OM, waaronder officiers van justitie.
3.11
In de eerste dagen na de afsluiting is in afstemming met de rechtspraak een tijdelijke oplossing bedacht waarbij stukken fysiek werden ondertekend en ingediend bij de rechtbank. Deze arbeidsintensieve werkwijze bleek vanwege beperkte scancapaciteit en de vakantieperiode uiteindelijk niet houdbaar voor de griffie van de rechtbank. In overleg met de rechtspraak is toen besloten om vanaf 5 augustus 2025 de verzoekschriften als begeleidende mail bij een Zivver-bericht in te dienen. Dat is ook in deze zaak gebeurd. De rechtspraak heeft de Vereniging van Psychiatrisch Patiëntenrecht Advocaten Nederland op 4 augustus 2025 over deze werkwijze ingelicht, zodat mag worden aangenomen dat (de advocaat in feitelijke instantie van) betrokkene van deze werkwijze en de achtergrond daarvan op de hoogte was.
3.12
In de externe Zivver-omgeving, die speciaal buiten de ICT-omgeving van het OM toegankelijk was gemaakt, was het echter niet mogelijk om stukken te uploaden die enkel beschikbaar waren in de ICT-omgeving van het OM. De ICT-omgeving van het OM was immers losgekoppeld van het internet. Als een gevolg hiervan was het onmogelijk om oudere stukken uit het OM Zorg Informatie Systeem (hierna: OMZIS) - zoals in deze zaak de stukken omtrent de zorgmachtiging van 23 juni 2025 - tegelijk met het verzoekschrift via Zivver te delen met de rechtbank. Het steeds los (per post) nazenden van deze stukken uit OMZIS, was op basis van de werkafspraken met de rechtspraak niet mogelijk, nu de hiervoor beschreven alternatieve werkwijze voor de griffie alleen werkbaar was indien de stukken in één Zivver-bericht zouden worden ontvangen. Hierom is in verschillende zaken besloten om deze stukken middels het hierboven geciteerde tekstblok alsnog aan te bieden bij de rechtbank. Op verzoek zouden deze stukken dan alsnog worden verstrekt.
Overigens heeft de rechtbank de zorgmachtiging van 23 juni 2025 kennelijk zelf opgezocht en toegevoegd aan het dossier. Weliswaar overweegt de rechtbank dat deze zorgmachtiging als bijlage bij het verzoekschrift van 15 augustus 2025 was gevoegd (rov. 1.1). Maar wie de gedingstukken raadpleegt, constateert dat dit niet het geval is geweest. Als gezegd zijn de (nieuwe) stukken die relevant waren voor de beoordeling van het verzoekschrift van 15 augustus 2025 door het OM via Zivver ontvangen en (met het verzoekschrift) doorgestuurd aan de rechtbank.
3.13
Met de hierboven beschreven oplossing heeft het OM op tijdelijke basis gepoogd het hoofd te bieden aan een acute crisissituatie. Een andere indieningswijze, waarbij alle onderliggende stukken direct zouden worden overgelegd, was onder de omstandigheden redelijkerwijs niet mogelijk. Vanzelfsprekend was het niet langer indienen van verzoekschriften geen optie: dit was niet in het belang geweest van de vaak kwetsbare personen die bij Wvggz-procedures zijn betrokken. Deze personen en hun directe omgeving hebben immers juist baat bij de verplichte zorg die via de verzoekschriften wordt verzocht.
Voor zover de bovenstaande gang van zaken niet reeds voldoende duidelijk blijkt uit de gedingstukken of niet heeft te gelden als feit van algemene bekendheid, staat dit er niet aan in de weg dat uw Raad acht slaat op deze feiten. De ICT-storing en de daaromtrent tussen het OM en de rechtspraak gemaakte werkafspraken zijn feiten waarmee de rechtbank rekening kon en moest houden. Dit heeft de rechtbank kennelijk ook gedaan.
3.14
Onder de gegeven omstandigheden kon de officier van justitie redelijkerwijs ermee volstaan om de stukken die betrekking hadden op de zorgmachtiging van 23 juni 2025 op deze wijze aan te bieden. Aan de in de rechtspraak van uw Raad geformuleerde regel dat bij een verzoekschrift tot wijziging van een zorgmachtiging de bestaande zorgmachtiging en de daaraan ten grondslag liggende stukken moeten worden overgelegd, ligt blijkens diezelfde rechtspraak immers de volgende ratio ten grondslag:
"Aldus is gewaarborgd dat de rechter ten aanzien van de aanvullend verzochte vormen van verplichte zorg kan beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid als bedoeld in de art. 2:2, 3:3 en 3:4, onder b-e, Wvggz (vgl. art. 6:4 lid 1 Wvggz)."
Met het tekstblok is tegemoetgekomen aan deze ratio.”
3.23
Met de door de officier in het verweerschrift naar voren gebrachte omstandigheden kan in cassatie slechts rekening worden gehouden voor zover deze omstandigheden blijken uit de gedingstukken (inclusief de bestreden beschikking) en het verhandelde ter zitting in eerste aanleg, of voor zover deze zijn aan te merken als feit van algemene bekendheid.Dàt sprake is geweest van ICT-problemen bij het openbaar ministerie, lijkt mij wel te beschouwen als feit van algemene bekendheid. Over de verdere door de officier van justitie in het verweerschrift in cassatie naar voren gebrachte omstandigheden rondom de (on)mogelijkheid om de vereiste stukken aan het verzoekschrift tot wijziging toe te voegen, blijkt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niets, op het hiervoor onder 3.18 geciteerde tekstblok in het verzoekschrift van de officier van justitie na.
3.24
In genoemd tekstblok wordt aangegeven dat de rechtbank telefonisch contact kan opnemen met het openbaar ministerie, mochten de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de te wijzigen zorgmachtiging noodzakelijk lijken voor de beoordeling van en de beslissing op het verzoek.
3.25
Gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie hiervoor onder 3.17) had de rechtbank hetzij gebruik kunnen maken van het in genoemd tekstblok gedane aanbod en de stukken alsnog kunnen opvragen, hetzij moeten motiveren waarom zij geen gebruik heeft gemaakt van dat aanbod. Uit de bestreden beschikking blijkt echter het één noch het ander. De rechtbank heeft immers niets overwogen met betrekking tot de ontbrekende stukken.
3.26
Nu de rechtbank in het kader van haar beslissing op het wijzigingsverzoek niets heeft overwogen met betrekking tot de ontbrekende stukken, getuigt haar oordeel dienaangaande van een onjuiste rechtsopvatting.
3.27
De ICT-problemen in de zomer van 2025 bij het openbaar ministerie rechtvaardigen in deze zaak dus geen uitzondering op voornoemde vaste rechtspraak van de Hoge Raad.
3.28
Tot slot merk ik nog op dat het voorgaande niet anders wordt, nu in eerste aanleg niet het verweer is gevoerd dat niet was voldaan aan het uit vaste rechtspraak voortvloeiende vereiste dat de rechtbank niet over de stukken beschikte die ten grondslag hebben gelegen aan de bestaande, te wijzigen zorgmachtiging. De rechtbank had ambtshalve moeten constateren dat aan dit vereiste niet was voldaan, nu hier het grondrecht in het geding is dat niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald (art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM en art. 15 Grondwet).
3.29
Nu het tweede onderdeel slaagt, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Naast deze twee zaken waarin stukken bij het verzoekschrift ontbreken, zijn er in ieder geval nog twee zaken waarin de ICT-problemen bij het openbaar ministerie een rol spelen (25/04253 en 25/04098). In deze andere zaken gaat het erom, voor zover hier van belang, dat het verzoekschrift niet is ondertekend door de officier van justitie. In deze laatstgenoemde zaken heb ik op 17 juli jl. geconcludeerd (ECLI:NL:PHR:2026:736 en ECLI:NL:PHR:2026:738).
Zaaknummer: C/16/594473 / FV RK 25-1393 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
ECLI:NL:RBROT:2025:10638, JGz 2025/71, m.nt. G.J. Baken.
Waarbij ik opmerk dat r.o. 2.4 slechts een weergave bevat van het verweer in eerste aanleg door de advocaat van betrokkene.
Kamerstukken II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 95 en 152 en 153.
Zo schrijft ook G.J. Baken in zijn JGz-noot onder de bestreden beschikking (JGz 2025/71), met verwijzing naar rb. Oost-Brabant 13 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2769, JGz 2025/55, m.nt. Baken. Zie ook V.C. Andeweg en G.L.A.M. van Doveren, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, commentaar bij art. 8:1 Wvggz (publicatiedatum 28 maart 2026).
Vgl. voormalig plv. P-G Langemeijer over de drie cirkels van zorg in zijn conclusie van 3 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:356, onder 3.15 en vgl. ook onder 3.18.
Betrokkene verwijst in dit verband naar HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1357, NJ 2021/385, m.nt. J.L. Legemaate, JGz 2021/79, m.nt. J.J. de Jong; HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:390, JGz 2022/19, m.nt. J.J. de Jong en HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1664, JGz 2026/4, m.nt. E. Plomp.
HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1357, NJ 2021/385, m.nt. J.L. Legemaate, JGz 2021/79, m.nt. J.J. de Jong, r.o. 3.3; HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:390, JGz 2022/19, m.nt. J.J. de Jong, r.o. 3.3 en HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1664, JGz 2026/4, m.nt. E. Plomp, r.o. 3.2.2 en 3.2.3.
Vgl. mijn conclusies van 17 juli jl., ECLI:NL:PHR:2026:736, m.n. nrs. 5.9 en 5.14 en ECLI:NL:PHR:2026:738, m.n. nrs. 4.56-4.60 met betrekking het ontbreken van een handtekening van de officier van justitie als gevolg van de ICT-problemen bij het openbaar ministerie.
Vgl. HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:226, NJ 2021/63, r.o. 3.4. Vgl. ook HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:390, JGz 2022/19, m.nt. J.J. de Jong, r.o. 3.3 en (per abuis ook doorgenummerd als) 3.3, in welke zaak evenmin in eerste aanleg het verweer gevoerd lijkt te zijn dat dat de rechtbank niet over de stukken beschikte die ten grondslag hebben gelegen aan de te wijzingen zorgmachtiging.