Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:848
2026-09-04
Civiel recht; Personen- en familierecht
25/04403
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wvggz. Zorgmachtiging aansluitend op een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel (art. 7:11 Wvggz). Ontbrekende politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens (art. 7:11 lid 4 in verbinding met art. 5:17 lid 3, onder f, en art. 5:4 lid 1, onder c, Wvggz). ICT-problemen OM. Gedwongen repatriëring onder de Wvggz (art. 3:2 lid 2, onder h, Wvggz)?
Citeert (21)
- ECLI:NL:PHR:2026:812 Parket bij de Hoge Raad 28-08-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:736 Parket bij de Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:738 Parket bij de Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4966 Rechtbank Noord-Nederland 03-09-2025
- ECLI:NL:RBROT:2021:813 Rechtbank Rotterdam 15-01-2021
- ECLI:NL:RBROT:2022:7268 Rechtbank Rotterdam 18-08-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1399 Hoge Raad 07-10-2022
- ECLI:NL:HR:2023:1047 Hoge Raad 07-07-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1850 Hoge Raad 09-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:786 Parket bij de Hoge Raad 02-09-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:7268 Rechtbank Rotterdam 18-08-2022
- ECLI:NL:HR:2023:1047 Hoge Raad 07-07-2023
- ECLI:NL:RBROT:2022:7268 Rechtbank Rotterdam 18-08-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2021:1122 Rechtbank Amsterdam 05-03-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2025:3102 Rechtbank Amsterdam 09-05-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:8732 Rechtbank Amsterdam 07-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4507 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-06-2024
- ECLI:NL:RBROT:2020:1833 Rechtbank Rotterdam 12-02-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2024:6000 Rechtbank Amsterdam 25-09-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2025:10873 Rechtbank Amsterdam 17-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4507 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (88.692 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04403
Zitting 4 september 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,hierna: betrokkene,advocaat: mr. M.E. Bruning
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland,
hierna: de officier van justitie,
advocaat: mr. G.J. Harryvan.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging aansluitend op een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend. Betrokkene komt uit Engeland. In de bestreden beschikking is onder meer de volgende vorm van verplichte zorg toegewezen (vgl. art. 3:2 lid 2, onder h, Wvggz):
“- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het meewerken aan de terugkeer naar Engeland, waarbij betrokkene door twee zorgmedewerkers wordt begeleid tot aan de overdracht aan de Engelse zorgverleners op het vliegveld in Engeland.”
1.2
In cassatie klaagt betrokkene ten eerste dat de rechtbank niet had mogen overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, omdat daarbij niet de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens waren gevoegd (art. 7:11 lid 4 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3, onder f, Wvggz en art. 5:4 lid 1, onder c, Wvggz). Deze klacht slaagt mijns inziens.
1.3
Ten tweede klaagt betrokkene dat de rechtbank ten onrechte of op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat sprake is van ernstig nadeel. Het betreffende onderdeel faalt grotendeels. Slechts voor zover in het onderdeel ook de klacht moet worden gelezen dat de rechtbank aan de beoordeling van het ernstig nadeel niet ook de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens ten grondslag heeft gelegd, slaagt deze in het voetspoor van de eerste klacht.
1.4
Ten derde klaagt betrokkene in de kern, zo begrijp ik, dat de rechtbank ten onrechte repatriëring als vorm van verplichte zorg in de zorgmachtiging heeft opgenomen. Deze klacht slaagt. Repatriëring is niet aan te merken als een vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2, in het bijzonder onder h, Wvggz. De Wvggz biedt mijns inziens geen grondslag voor een gedwongen repatriëring.
1.5
De kwestie van bij het verzoekschrift ontbrekende stukken – vanwege de landelijke ICT-problemen bij het openbaar ministerie in de zomer van 2025 – is ook aan de orde in de zaak 25/04180, waarin ik op 28 augustus jl. heb geconcludeerd (ECLI:NL:PHR:2026:812).
2Feiten en procesverloop
2.1
Betrokkene is op 23 juli 2025 opgenomen met een crisismaatregel vanwege een paranoïde psychose met manische kenmerken. Op 29 juli 2025 is voor betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel afgegeven.
2.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie op 18 augustus 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging die aansluit op een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van zes maanden. De officier heeft verzocht een aantal vormen van verplichte zorg op te nemen in de zorgmachtiging, waaronder het “aanbrengen van beperkingen het eigen leven in te richten”.
2.3
Bij het verzoekschrift zijn als bijlagen gevoegd: het zorg-/behandelplan van 15 augustus 2025, de medische verklaring van 18 augustus 2025 en de bevindingen van de geneesheer-directeur van 18 augustus 2025.
2.4
De politiegegevens en de strafvorderlijke en justitiële gegevens zijn niet als bijlagen bij het verzoekschrift gevoegd. Het verzoekschrift vermeldt daarover:
“Het is op dit moment niet mogelijk om de politie, justitiële en strafvorderlijke gegevens bij te voegen. Mochten deze gegevens noodzakelijk lijken voor de beoordeling/beslissing, kan telefonisch contact met het OM worden opgenomen.”
2.5
De mondelinge behandeling van het verzoek vond plaats op 3 september 2025 in de accommodatie waar betrokkene op dat moment verbleef. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal, een psychiater en een arts. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.6
Bij beschikking van 3 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de verzochte zorgmachtiging verleend en bepaald dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 3 oktober 2025. Daarbij heeft de rechtbank beslist dat de zorgmachtiging inhoudt dat bij wijze van verplichte zorg een aantal maatregelen gedurende de looptijd van de machtiging kunnen worden getroffen, waaronder, voor zover in cassatie van belang:
“- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het meewerken aan de terugkeer naar Engeland, waarbij betrokkene door twee zorgmedewerkers wordt begeleid tot aan de overdracht aan de Engelse zorgverleners op het vliegveld in Engeland.”
2.7
Ten aanzien van de bij het verzoekschrift ontbrekende politiegegevens en strafvorderlijke en justitiële gegevens heeft de rechtbank in de bestreden beschikking het volgende overwogen (voetnoot in het citaat van mij):
“1.4. De rechtbank constateert dat het verzoekschrift van de officier van justitie, als gevolg van een landelijke stoornis, incompleet is. De volgende stukken ontbreken:
- de politiegegevens als bedoeld in de Wet Politiegegevens;
- de strafvorderlijke en justitiële gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;
(…)
1.5.
Ondanks het ontbreken van de hiervoor genoemde stukken, is de rechtbank ervan overtuigd dat het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging inhoudelijk behandeld kan worden.”
2.8
In het kader van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek heeft de rechtbank in de bestreden beschikking, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“4.2. Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Er is bij betrokkene sprake van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en een stoornis in het gebruik van middelen (cannabis). Betrokkene betwist de diagnose. De rechtbank heeft op grond van de medische verklaring en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken geen reden om aan de gestelde diagnose en het daaruit voortvloeiende ernstig nadeel te twijfelen.
4.3.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
4.4.
Ter toelichting op het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt.
Betrokkene is een 47-jarige man die op 23 juli 2025 is opgenomen met een crisismaatregel vanwege een paranoïde psychose met manische kenmerken. Voorafgaand aan de opname heeft betrokkene in een verwarde toestand auto’s aangehouden. Daarnaast heeft hij overlast veroorzaakt in een Bed & Breakfast, door te schreeuwen en op de deuren te kloppen. Ook had hij kinderen van andere gasten in zijn kamer uitgenodigd. Betrokkene had aangegeven dat hij voor de CIA werkte en op missie was om andere mensen in de gaten te houden en miljoenen te verdienen. Ook sprak hij over een derde wereldoorlog, die hij door de opname niet tegen kan houden. Betrokkene is afkomstig uit Engeland en volgens zijn familie kampte hij daar ook met psychoses en is hij uit Engeland in een psychotische toestand vertrokken.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de psychiater aangegeven dat het psychiatrisch toestandsbeeld van betrokkene langzaam verdwijnt en dat hij uitbehandeld is in de kliniek. Omdat betrokkene niet woonachtig is in Nederland, kan er geen ambulante zorg voor betrokkene opgezet worden, terwijl dit wel noodzakelijk wordt geacht. Er zijn stappen gezet om betrokkene te repatriëren naar Engeland, omdat hij daar een lopende zorgmachtiging heeft. Daarvoor zijn al vergevorderde afspraken gemaakt door de Nederlandse en Engelse zorgverleners. Binnenkort kan betrokkene onder begeleiding gerepatrieerd worden omdat het toestandsbeeld stabieler is vanwege de (medicamenteuze) behandeling in de kliniek. In Engeland zal betrokkene worden overgedragen aan de lokale psychiatrische zorg. Omdat betrokkene hier niet aan mee wil werken, is een zorgmachtiging noodzakelijk waarin ook repatriëring mogelijk wordt gemaakt.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene zorg nodig heeft om het ernstig nadeel af te kunnen wenden.
4.7.
Gebleken is dat er op dit moment geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene is het niet eens met verdere behandeling en met de repatriëring. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene terug moet keren naar Engeland, zodat hij kan worden overgedragen aan de lokale psychiatrische zorg en de noodzakelijke (medicamenteuze) behandeling kan krijgen. Als betrokkene geen zorgmachtiging krijgt, zal hij de kliniek verlaten, niet terugkeren naar het land waar hij al een zorgmachtiging heeft, zijn medicatie staken en zal het ernstig nadeel opnieuw intreden. Gelet op het voorgaande is verplichte zorg noodzakelijk.
4.8.
Gedurende de mondelinge behandeling is de verzochte verplichte zorg besproken. De rechtbank is van oordeel dat de verzochte verplichte zorg kan worden verleend.
4.9.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
4.10.
De in het dictum opgenomen vormen van verplichte zorg zijn evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
4.11.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Omdat betrokkene binnenkort zal worden gerepatrieerd naar Engeland zal de zorgmachtiging voor een maand worden verleend.”
2.9
Betrokkene heeft bij procesinleiding van 3 december 2025 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 3 september 2025.
2.10
De officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend.
2.11
Betrokkene heeft een schriftelijke toelichting gegeven.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 valt in drie subonderdelen uiteen. In de eerste plaats komt betrokkene op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij, ondanks het ontbreken van de strafvorderlijke en justitiële gegevens bij het verzoekschrift van de officier van justitie, kon overgaan tot de inhoudelijke behandeling van het verzoek (onderdeel 1.a). Daarnaast klaagt betrokkene dat de rechtbank ten onrechte en onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat sprake is van ernstig nadeel (onderdeel 1.b). Ook bestrijdt betrokkene het opnemen van de repatriëring van betrokkene naar Engeland in de zorgmachtiging (onderdeel 1.c). Onderdeel 2 bevat een voortbouwklacht. In dit onderdeel klaagt betrokkene dat het oordeel van de rechtbank vanwege het voorgaande strijdig is met artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.
Onderdeel 1.a: ontbrekende politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens
3.2
Onderdeel 1.a bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoekschrift, terwijl de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens niet bij het verzoekschrift waren gevoegd (art. 5:17 lid 3, onder f, in verbinding met artikel 5:4 lid 1, onder c, Wvggz). Volgens betrokkene had de rechtbank de behandeling moeten aanhouden om de officier in de gelegenheid te stellen alle ontbrekende gegevens (alsnog) in het geding te brengen.
3.3
Betrokkene wijst ter toelichting op deze klacht naar de wetsgeschiedenis van de Wvggz, waaruit blijkt dat de officier in het kader van zijn regiefunctie bij de totstandkoming van “een goed onderbouwd verzoekschrift” onder artikel 5:17 Wvggz verplicht is “de informatie en deskundigheid” in te brengen “die te maken heeft met de handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde, zoals politiemutaties en rapportages van de persoon afkomstig uit strafzaken”, wat dient bij te dragen aan een inschatting van het gevaar. Op grond van artikel 5:4 lid 1, onder c, Wvggz kan slechts een uitzondering op deze informatieplicht worden gemaakt in gevallen waarin het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich daartegen verzet, en van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake, aldus betrokkene. Ook voert betrokkene aan dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat door de landelijke storing sprake was van een langdurige (overmachts)situatie die zou (hebben kunnen) rechtvaardigen dat de betreffende gegevens ontbraken. Voor zover de rechtbank geoordeeld heeft dat de officier van justitie niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan omdat het verzoekschrift als gevolg van de landelijke “storing” niet compleet was, getuigt het oordeel van de rechtbank volgens betrokkene van een onjuiste rechtsopvatting, omdat die situatie niet valt onder artikel 5:4 lid 1, onder c, Wvggz.
3.4
Bij de bespreking van de klacht stel ik het volgende voorop.
3.5
Artikel 5:4 lid 1, aanhef en onder c, Wvggz schrijft voor dat de officier van justitie, zodra hij met de voorbereiding van een zorgmachtiging begint, nagaat of er politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens over betrokkene zijn die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het ernstig nadeel en de te leveren zorg, en dat hij die gegevens verstrekt aan de geneesheer-directeur, tenzij het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich daartegen verzet. In de wetsgeschiedenis is hierover het volgende opgemerkt:
“Tevens verstrekt de officier van justitie aan deze geneesheer-directeur de zelfbindingsverklaring, voor zover aanwezig, en de relevante politie-, justitiële en strafvorderlijke gegevens. Het is aan de officier van justitie om te beoordelen of beschikbare gegevens relevant kunnen zijn. Verstrekking dient enkel plaats te vinden voor zover noodzakelijk in verband met de beoordeling van het ernstig nadeel of te leveren zorg. Niet alle aanwezige politie- en justitiegegevens hoeven dus te worden gedeeld. Alleen die gegevens die noodzakelijk zijn voor de geneesheer-directeur om zijn taken op grond van dit wetsvoorstel goed te kunnen uitvoeren. Er kan ook sprake zijn van een ander zwaarwegend belang, dat zich tegen het delen van de gegevens verzet. Dat is het geval indien het verstrekken van de gegevens het belang van een strafrechtelijk onderzoek zou kunnen doorkruisen. Op de plicht de relevante gegevens aan de geneesheer-directeur te verstrekken is dan ook een uitzondering opgenomen voor het geval het belang van een strafrechtelijk onderzoek zich tegen het verstrekken verzet. Of dat het geval is, staat eveneens ter beoordeling aan de officier van justitie. Met het delen van deze informatie wordt tegemoet gekomen aan een belangrijke aanbeveling van de Commissie Hoekstra, die constateerde dat de informatie-uitwisseling tussen de ggz en het openbaar ministerie alsmede de politie moest worden verbeterd.”
3.6
De relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens behoren tot de bijlagen die de officier van justitie op grond van artikel 5:17 lid 3 Wvggz in elk geval bij een verzoek om een zorgmachtiging moet voegen (art. 5:17 lid 3, aanhef en onder f Wvggz). Deze gegevens moet de officier van justitie ook bij een verzoekschrift voor een zorgmachtiging die aansluit op een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel voegen (art. 7:11 lid 4 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3, onder f, Wvggz).
3.7
Over de bijlagen die de officier van justitie op grond van artikel 5:17 lid 3 Wvggz aan het verzoekschrift voor een zorgmachtiging moet toevoegen, waaronder de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens, is in de wetsgeschiedenis het volgende opgemerkt (onderstrepingen en voetnoot in het citaat van mij):
“Met het nieuwe onderdeel f wordt aan het verzoekschrift tevens toegevoegd (…) relevante politie- en justitiegegevens. (…)
Uitgangspunt is dat de officier van justitie zorgt draagt voor een zo volledig mogelijk verzoekschrift waarmee de rechter op basis van een zo breed mogelijk beeld van de betrokkene een beslissing kan nemen. (…) Noodzakelijkerwijs is er sprake van een samenwerking door meerdere betrokken partijen, waarbij in het bijzonder de GGZ. De officier van justitie zal in nauwe samenwerking met de geneesheer-directeur bij het verzoekschrift onderbouwen waarom verplichte zorg noodzakelijk is. De officier brengt zelf de informatie en deskundigheid in die te maken heeft met de handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde, zoals politiemutaties en rapportages van de persoon afkomstig uit strafzaken. Hiermee draagt de officier van justitie bij aan een inschatting van het gevaar. De onafhankelijk psychiater en de geneesheer-directeur doen de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis en de mate waarin als gevolg van die psychische stoornis in de toekomst een dreigend gevaar oplevert voor de persoon zelf of anderen. Die inschatting is primair de expertise en de verantwoordelijkheid van de deskundigen in de GGZ. De officier van justitie (of ondersteuning secretaris) is beschikbaar voor overleg omtrent en bespreekt de inhoud en juridische kwaliteit van de dossiers die benodigd is om een zorgmachtiging van de rechter te verkrijgen. Uiteindelijk zal door nauwe samenwerking tussen alle betrokkenen beide partijen een goed onderbouwd verzoekschrift tot stand komen. De officier van justitie zal hier de regie op voeren.”
3.8
Uit artikel 5:4 lid 1, onder c, Wvggz, vloeit voort dat de officier van justitie moet bepalen of hij aanwezige politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens relevant acht voor de beoordeling van zijn verzoekschrift. Uit gepubliceerde rechtspraak blijkt dat de officier van justitie de rechtbank informeert wanneer er geen relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn. De rechtbank vermeldt dan bij de bij het verzoekschrift overgelegde bijlagen “het bericht dat er geen relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn”.
3.9
De overige gegevens die de officier van justitie op grond van artikel 5:17 lid 3 Wvggz bij het verzoekschrift voor een zorgmachtiging moet voegen, betreffen de volgende zorginhoudelijke stukken, te weten: de medische verklaring, de zorgkaart en het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur (art. 5:17 lid 3, aanhef en onder a-e, Wvggz).
3.10
In 2022 boog de Hoge Raad zich over de vraag of een zorgmachtiging verleend kan worden in geval van het ontbreken van de bevindingen van de geneesheer-directeur bij het verzoekschrift (art. 5:17 lid 3, onder e Wvggz). De Hoge Raad oordeelde:
“3.1.3 Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het voorbereiden van een zorgmachtiging nauw overleg vraagt tussen de officier van justitie en de geneesheer-directeur, omdat de geneesheer-directeur het zorginhoudelijke deel van de zorgmachtiging voorbereidt en de officier van justitie het verzoekschrift opstelt en indient. Gezamenlijk dragen zij er zorg voor dat de rechter beschikt over een volledig dossier, waarin alle relevante informatie, waaronder de zorginhoudelijke, is gebundeld ten behoeve van de rechterlijke toets. Uitgangspunt is daarbij dat de officier van justitie zorg draagt voor een zo volledig mogelijk verzoekschrift waarmee de rechter op basis van een zo breed mogelijk beeld van de betrokkene een beslissing kan nemen.
3.1.4
Gelet op het voorgaande volgt uit het wettelijk stelsel dat de rechter geen zorgmachtiging kan verlenen als de bevindingen van de geneesheer-directeur ontbreken. Het onderdeel slaagt dan ook.”
3.11
In een redactionele noot onder deze beschikking in JGz wordt opgemerkt dat deze uitspraak van de Hoge Raad duidelijk maakt dat de rechtbank niet kan beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging als niet alle stukken genoemd in artikel 5:17 lid 3 Wvggz bij het verzoek zijn overgelegd, dus, naar ik begrijp, ook de relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens.
3.12
Baken merkt op dat, naast de bevindingen van de geneesheer-directeur, ook de overige zorginhoudelijke stukken altijd bij het verzoekschrift voor een zorgmachtiging gevoegd moeten worden, daarbij in het midden latend of dit ook geldt voor de relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens geldt.
3.13
Het behoeft geen betoog dat de zorginhoudelijke stukken de belangrijkste stukken zijn die bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd. Hiertoe behoren immers de stukken die zijn opgesteld met de voorbereiding van het verzoek om de zorgmachtiging als specifiek doel, zoals de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur.
3.14
De politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens zijn niet opgesteld met het oog op de voorbereiding van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging. Het karakter van deze gegevens is dan ook meer aanvullend en ondersteunend.
3.15
De Hoge Raad heeft zich nog niet hoeven uitlaten over de vraag of de rechtbank tot de inhoudelijke beoordeling van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging kan overgaan, terwijl politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens ontbreken en niet expliciet blijkt dat er geen relevante gegevens van deze aard zijn of dat is voldaan aan de uitzondering dat het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich verzet tegen het verstrekken van deze gegevens (vgl. hiervoor onder 3.5 en 3.8).
3.16
Enerzijds zou er, gelet op dit meer aanvullende en ondersteunende en niet zorginhoudelijke karakter van politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens, wellicht wat voor te zeggen dat de rechtbank de vrijheid zou moeten hebben om tot een inhoudelijke beoordeling van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging over te gaan, indien zij zich ook zonder deze gegevens voldoende ingelicht acht.
3.17
Anderzijds bieden de wettekst en de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten voor een dergelijke, minder strenge opvatting, waarbij in feite de rechtbank en niet de officier van justitie bepaalt of de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens relevant zijn, zonder deze bovendien gezien te hebben.
3.18
Omwille van de rechtszekerheid opteer ik toch voor de strenge en meer formele lijn, waarbij de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens behoren tot de gegevens die noodzakelijk zijn om de toewijsbaarheid van het verzoek te kunnen beoordelen, tenzij expliciet blijkt dat er geen relevante gegevens van deze aard zijn of dat is voldaan aan de uitzondering dat het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich verzet tegen het verstrekken van deze gegevens.
3.19
Ik keer terug naar de bespreking van onderdeel 1.a. Dit onderdeel slaagt.
3.20
Uit de vaststelling van de rechtbank in r.o. 1.4 volgt dat de politiegegevens en de strafvorderlijke en justitiële gegevens niet bij het verzoekschrift voor een zorgmachtiging zijn gevoegd.
3.21
Het oordeel van de rechtbank in r.o. 1.5 kan ik niet anders lezen dan dat daarin besloten ligt dat de rechtbank zich voldoende geïnformeerd achtte om het verzoek inhoudelijk te kunnen beoordelen, ook al ontbreken de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens. Hoewel ik enig begrip kan opbrengen voor de pragmatische route die de rechtbank in deze zaak heeft gekozen, getuigt het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande (zie in het bijzonder onder 3.5-3.8 en 3.17-3.18), mijns inziens van een onjuiste rechtsopvatting. Niet blijkt immers dat er geen relevante gegevens van deze aard zijn of dat is voldaan aan de uitzondering dat het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich verzet tegen het verstrekken van deze gegevens.
3.22
Dat de rechtbank in r.o. 1.4 constateert dat het verzoekschrift als gevolg van een landelijke storing incompleet is, rechtvaardigt het ontbreken van de desbetreffende ontbrekende stukken niet. De rechtbank had deze immers kunnen, en ook moeten, opvragen bij de officier van justitie. Ik wijs hiertoe op het hiervoor onder 2.4 geciteerde tekstblok in het verzoekschrift voor de zorgmachtiging waarin wordt vermeld dat de rechtbank telefonisch contact kan opnemen met het openbaar ministerie, mochten de politie-, justitiële en strafvorderlijke gegevens noodzakelijk lijken voor de beoordeling van en de beslissing op het verzoek.
3.23
Gelet op het voorgaande volgt uit het wettelijk stelsel dat de rechtbank het verzoek niet inhoudelijk had mogen beoordelen en geen zorgmachtiging had mogen verlenen nu de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens ontbreken.
3.24
Ondanks het slagen van onderdeel 1.a., ga ik over tot een bespreking van de andere onderdelen, mede gelet op de procedure na terugwijzing.
Onderdeel 1.b: ernstig nadeel
3.25
Dit onderdeel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.3, waarin de rechtbank volgens betrokkene ten onrechte dan wel op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat de stoornis van betrokkene leidt tot het door de rechtbank beschreven ernstig nadeel. De rechtbank heeft miskend dat het psychiatrisch toestandsbeeld van betrokkene langzaam verdween en hij uitbehandeld was in de kliniek, waardoor niet (meer) werd voldaan aan alle criteria en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz, omdat kennelijk geen sprake was van een situatie waarin de stoornis leidde tot ernstig nadeel waarvoor verplichte zorg noodzakelijk was, aldus betrokkene. Betrokkene wijst in dit verband op de door de rechtbank in r.o. 4.5 weergegeven verklaring van de psychiater ter zitting “dat het psychiatrisch toestandsbeeld van betrokkene langzaam verdwijnt en dat hij uitbehandeld is in de kliniek” (zie hiervoor onder 2.8). Een en ander klemt volgens betrokkene temeer omdat de rechtbank niet de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens in haar beoordeling heeft kunnen betrekken.
3.26
Voor zover betrokkene met een rechtsklacht klaagt dat de rechtbank, gelet op de verklaring van de psychiater ter zitting, ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van het genoemde ernstig nadeel omdat daarvan “kennelijk” geen sprake was, kan deze klacht niet slagen. Het antwoord van de rechtbank op de vraag of sprake is van ernstig nadeel dat een zorgmachtiging rechtvaardigt, is immers een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
3.27
Ook de motiveringsklacht kan niet slagen.
3.28
Daarbij stel ik voorop dat ik de beschikking van de rechtbank niet anders kan lezen dan dat de rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van ernstig nadeel dat noodzaakt tot verplichte zorg, die onder meer inhoudt dat betrokkene wordt gerepatrieerd naar Engeland. Ik lees de beschikking dus zo, dat de noodzaak voor de zorgmachtiging niet slechts in de repatriëring zit, maar ook (en primair) in de aanwezigheid van ernstig nadeel dat verplichte zorg in algemene zin (in Nederland of Engeland) rechtvaardigt. Zou dat niet het geval zijn, dan zou er immers ook geen reden zijn om betrokkene onder de Wvggz te repatriëren naar Engeland om daar de nodige ambulante zorg te krijgen die in Nederland niet geboden kan worden, nu betrokkene hier niet woonachtig is.
3.29
Voor de bespreking van de motiveringsklacht wijs ik verder op de volgende passages in de stukken van het geding in eerste aanleg.
3.30
De officier van justitie heeft verzocht om een zorgmachtiging voor zes maanden, waarbij wat betreft de duur niet wordt aangesloten bij de verwachte termijn waarop repatriëring kan plaatsvinden. In het verzoekschrift is het aanbrengen van beperkingen om het eigen leven in te richten opgenomen als een van de in de zorgmachtiging op te nemen vormen van verplichte zorg, zonder expliciete vermelding van repatriëring.
3.31
In het zorgplan van 15 augustus 2025, is in de probleemomschrijving door de zorgverantwoordelijke onder meer het volgende te lezen:
“3. Probleembeschrijving
a. Probleembeschrijving volgens zorgverantwoordelijke
(…)
Het is tot nu toe niet gelukt hem uit zijn psychose te krijgen. Er zijn nog steeds uitgebreide paranoïde wanen dat hij voor de CIA werkt en grootheidswanen dat hij miljoenen gaat verdienen. Binnen de tijd van de VCM is het niet gelukt hem te stabiliseren en evenmin hem te repatriëren naar Engeland. Er is meer tijd nodig om hem te behandelen en op een veilige manier terug te laten keren naar Engeland. Er is geen alternatief, zoals het beëindigen van de opname, omdat dit nadelen gaat geven die onder meer de grondslag voor de VCM gaven.”
3.32
Met betrekking tot (dreigend) ernstig nadeel is in het zorgplan het volgende vermeld:
“5. (Dreigend) ernstig nadeel
a. Welk gedrag dat voortvloeit uit de psychische stoornis leidt tot (dreigend) ernstig nadeel?
Betrokkene verkeert zo in zijn psychotische waanwereld, dat zijn denken en handelen bepaald wordt door wanen met achterdocht en grootheid en vandaaruit veel dreigen en agressie kan volgen.
b. Wat is het (dreigend) ernstig nadeel voor betrokkene of diens omgeving?
Dat hij agressie veroorzaakt of door zijn gedrag agressie van anderen uitlokt; dat hij overlast veroorzaakt; dat hij maatschappelijk verder teloorgaat.”
3.33
Met betrekking tot de zorg die nodig is om het ernstig nadeel af te wenden is in het zorgplan onder andere vermeld:
“6. Benodigde zorg om het (dreigend) ernstig nadeel weg te nemen
(…)
d. Toelichting
De toestand bij aanvang van de CM is nauwelijks verbeterd. Het is niet mogelijk hem nu te ontslaan, zonder dat nadelen ontstaan als geschetst. Dit brengt dus met zich mee dat genoemde maatregelen subsidiair, proportioneel zijn, waarbij medicatie ook volgens informatie van betrokkene zelf en zijn ouders in het verleden doelmatig is geweest.”
3.34
De medische verklaring van 18 augustus 2025 vermeldt met betrekking tot het ernstig nadeel:
“6. Ernstig nadeel
(…)
b. Zo ja: waaruit bestaat het ernstig nadeel?
Betrokkene presenteert zich verbaal en fysiek grensoverschrijdend bij tegenspraak, waarbij betrokkene veronderstelt dat anderen hem vijandig gestemd zijn.
c. Op grond van welke symptomen, gedragingen of feiten komt u tot uw oordeel?
1) 24 juli 2025 slaat meerdere keren op de tafel, loopt uiteindelijk zelf schreeuwend een separeerruimte in. Na sluiting van de deur springt hij meerdere keren tegen de deur van de separeer aan.
2) 12 augustus 2025 haalt betrokkene uit naar een verpleegkundige als medicatie wordt aangeboden.
3) Bij diverse gesprekken met betrokkene gaat hij op luid dreigende toon schreeuwen en schoppen en bonzen op deuren.
4) Betrokkene veroorzaakte in de [B&B] overlast: hij stond te schreeuwen en klopte 's avonds op deuren. Hij had kinderen van een andere gast op de kamer en nadien gaven de kinderen aan dat daar vervelende dingen waren gebeurd.”
3.35
Met betrekking tot de maatregelen ter afwending van het ernstig nadeel vermeldt de medische verklaring onder meer dat de psychiater het niet mogelijk acht de noodzakelijke zorg op vrijwillige basis te verlenen. Dit is als volgt toegelicht onder rubriek 7.d. van de medische verklaring:
“Er wordt onderzocht hoe betrokkene’s vervolgzorg vorm te geven. Betrokkene kan niet verplicht worden gerepatrieerd, hetgeen hij momenteel ook niet wil. Op dit moment wordt betrokkene’s belevingswereld nog volledig gekleurd door de paranoïde wanen, terwijl hij al enige tijd vrij van cannabis is. Hoewel ziektebesef voorheen ook afwezig was en ook niet te verwachten is dat dit nu plotseling zal ontstaan, staat zijn huidige functioneren terugkeer in de samenleving nog in de weg. Betrokkene is weliswaar voornemens Nederland snel te verlaten en ontstaat daarmee veiligheid voor mensen die zich in Nederland begeven, maar daarmee is betrokkene’s eigen psychisch functioneren nog niet afdoende hersteld. Betrokkene heeft eerder in psychotische episoden contact met ouders willen afhouden, maar in andere doen is er wel ruimte om met hen te spreken. Zo kan er wellicht naar langere behandeling ruimte ontstaan om met betrokkene te onderzoeken hoe hij weer zijn rondreis verder kan organiseren zonder zich weer met ernstig nadeel optredend bij psychotische episoden te presenteren. Ten tijde van de beoordeling geeft betrokkene aan niet opgenomen te willen zijn. Op de dag van beoordeling heeft betrokkene diverse malen medicatie geweigerd.”
3.36
In de bevindingen van de geneesheer-directeur van 18 augustus 2025 staat onder meer:
“(…) De verzochte duur is 3 maanden daar het aannemelijk is dat dit voldoende is voor adequate behandeling en stabilisatie waarna repatriëring kan plaatsvinden.
(…)”
3.37
Tijdens de mondelinge behandeling van 3 september 2025 heeft de psychiater blijkens het proces-verbaal, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (onderstrepingen van mij):
“Psychiater: betrokkene is als scout naar Nederland gekomen. Hij zocht kinderen voor voetbalteams. Hij wilde miljoenen investeren en hij was een programma aan het ontwikkelen voor een beter leven voor kinderen. Het gaat beter met betrokkene dan aan het begin van de opname. We zien een psychotisch beeld dat langzaam verbleekt. De psychotische uitspraken gaan meer naar de achtergrond. Betrokkene is het niet eens met de psychose, ook niet na een second opinion waar hetzelfde is uitgekomen. We hebben in de kliniek bereikt wat we konden bereiken. Wat hij aan ambulante zorg nodig heeft kan in Nederland niet gerealiseerd worden. Betrokkene heeft geen inkomen en geen netwerk in Nederland. Ambulante nazorg zou wel nodig zijn voor betrokkene. Er is contact geweest met zijn familie in Engeland. Zij onderschrijven de situatie. Ik heb begrepen dat de uitspraken juist zijn. Hij zou in Amerika hebben gewerkt als scout, maar ik weet niet of dit de laatste jaren ook zo was. Betrokkene doet losse psychotische uitspraken. Betrokkene heeft een zorgmachtiging in Engeland. Wij zijn al weken met hem in gesprek vanwege repatriëring. Hier verzet hij zich tegen, ik denk vanuit psychotische ideeën. Hij zegt nu dat hij een klokkenluider is, waardoor zijn leven in gevaar is. Eerder zei hij dat hij niet wilde. Ik denk wel dat dat nodig is. Dus daarom de vraag of wij hem mogen repatriëren naar Engeland onder de zorgmachtiging. Er is eerder een uitspraak van de rechtbank Rotterdam geweest, waardoor iemand onder repatriëring naar Engeland is gebracht, onder de zorgvorm aanbrengen beperkingen.
(…)
Psychiater: ik kan de zorg in Nederland niet verder vorm geven. Ik denk dat het medisch noodzakelijk is. We hebben gekeken naar vervoer, maar daarvoor willen we de juiste onderlegger hebben. Het zou binnen een week kunnen, ik denk via DTenV. Als hij hier zou wonen, zou hij met het FACT team met ontslag kunnen gaan, maar dat is niet het geval.
(…)
Psychiater: betrokkene heeft eerder gezegd dat hij naar Spanje zal gaan. In dat geval laten wij hem los. Wij hebben de zorgmachtiging nodig om betrokkene te repatriëren, verder niks. Wij hebben al het voorwerk al gedaan. Als de rechter zegt dat dit buitenproportioneel is, laten wij hem los. We weten niet hoe lang betrokkene al in Nederland is, maar hij heeft een chronisch psychotische stoornis. Hij is of weggelopen naar Nederland, of hij is hier voor een vakantie gekomen.
(…)
Psychiater: we weten dat betrokkene een zorgmachtiging heeft omdat we contact hebben gehad met het ziekenhuis en de behandelaren van betrokkene.
(…)
Psychiater: betrokkene staat op het punt om zijn visumvoorwaarden te schenden. Hij heeft een visum voor 90 dagen, daarna is hij ongewenst vreemdeling. Dan kunnen we volgens mij helemaal niks, maar het zit er wel aan te komen. Hier zijn wij achter gekomen nadat we contact hebben gehad met vervoerders om onze mogelijkheden uit te zoeken. Mensen die vanuit het Verenigd Koninkrijk komen kunnen 90 dagen een visum krijgen, daarna moet je weer terug.
(…)”
3.38
Waar het accent in het verzoekschrift en de bijgevoegde zorginhoudelijke stukken lag bij het intomen van de psychose van betrokkene, blijkt dat ten tijde van de mondelinge behandeling dat inmiddels sprake is van een langzaam verblekend psychotisch beeld, waarbij ambulante zorg noodzakelijk is. Daaruit kan echter, anders dan het middel betoogt, niet worden afgeleid dat geen sprake meer is van ernstig nadeel.
3.39
Gelet op de hiervoor geciteerde passages uit de stukken van het geding is het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.2 en 4.3 over het ernstig nadeel niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd in de daaropvolgende r.o. 4.4, 4.5 en 4.7. Ik wijs er in het bijzonder op dat de rechtbank overweegt dat het toestandsbeeld van betrokkene stabieler is vanwege de (medicamenteuze) behandeling in de kliniek (r.o. 4.5), maar dat het ernstig nadeel opnieuw zal intreden als hij de kliniek zal verlaten en zijn medicatie zal staken (r.o. 4.7).
3.40
Gelet op het voorgaande faalt onderdeel 1.b. grotendeels.
3.41
Voor zover in het onderdeel ook de klacht moet worden gelezen dat de rechtbank aan de beoordeling van het ernstig nadeel niet ook de politie-, strafrechtelijke en justitiële gegevens ten grondslag heeft gelegd, slaagt deze in het voetspoor van onderdeel 1.a.
Onderdeel 1.c: repatriëring onder de Wvggz?
3.42
In onderdeel 1.c klaagt betrokkene, zo begrijp ik, dat de rechtbank ten onrechte repatriëring als vorm van verplichte zorg in de zorgmachtiging heeft opgenomen. Volgens betrokkene miskent de rechtbank daarmee dat de Wvggz geen grondslag voor onvrijwillige repatriëring biedt. Repatriëring valt niet onder de in artikel 3:4 Wvggz limitatief opgesomde doelen van de Wvggz en ook maakt het geen deel uit van de taak van de zorgaanbieder. Repatriëring kan ook niet worden geschaard onder de vorm van verplichte zorg “het aanbrengen van beperkingen het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten” (art. 3:2 lid 2 onder h Wvggz). Die vorm van verplichte zorg is er slechts op gericht te bewerkstelligen dat een betrokkene het gedrag dat de maatregel beoogt te voorkomen voortaan doet of nalaat, aldus betrokkene.
3.43
Mijns inziens slaagt dit onderdeel. Ik licht dit als volgt toe.
3.44
Het oordeel van de rechtbank begrijp ik niet zo dat repatriëring van betrokkene naar Engeland het doel van de verplichte zorg is. Het door de rechtbank geformuleerde doel is het voorkomen van ernstig nadeel (r.o. 4.6 en vgl. art. 3:4, onder b, Wvggz), waarbij repatriëring door de rechtbank als een van de vormen van verplichte zorg is toegewezen om dit doel te bereiken. Voor zover dit onderdeel tot uitgangspunt neemt dat de rechtbank de repatriëring als doel op zich beschouwt, mist het feitelijke grondslag en kan het dus niet tot cassatie leiden. De vraag of repatriëring valt onder de doelen van de Wvggz als geformuleerd in artikel 3:4 Wvggz, hoeft dus niet te worden beantwoord. Overigens meen ik dat dit niet het geval is.
3.45
De vraag die wel moet worden beantwoord is of repatriëring als vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2 Wvggz moet worden gezien en aldus tegen de zin van een betrokkene kan plaatsvinden op basis van een zorgmachtiging. Deze vraag raakt ook aan de vraag of repatriëring een taak van de zorgaanbieder is.
3.46
Bij de bespreking van het onderdeel, voor zover dat op deze vragen ziet, stel ik het volgende voorop.
Verdragsrechtelijk kader: EVRM
3.47
Artikel 5 EVRM beschermt het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Artikel 5 EVRM biedt waarborgen voor de bescherming tegen de ontneming van vrijheid (zie ook art. 15 Grondwet). Het ziet niet op de beperking daarvan. Situaties van vrijheidsbeperking vallen onder artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM (hierna: VP), dat het recht om zich vrijelijk te bewegen en de vrijheid om een land te verlaten beschermt. Op grond van dit artikel heeft een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfsplaats te kiezen (lid 1). Ook heeft een ieder het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten (lid 2).
3.48
Het onderscheid tussen vrijheidsontneming en vrijheidsbeperking is niet altijd even duidelijk. Volgens het EHRM is er geen hard onderscheid tussen deze begrippen, maar is sprake van een gradueel verschil en moet aan de hand van de concrete omstandigheden van een geval worden bezien van welke situatie sprake is. Hoe meer de beperkingen lijken op detentie, hoe eerder sprake is van een vrijheidsontneming in de zin van artikel 5 EVRM. Daarbij moet worden gelet op omstandigheden als de aard, duur, gevolgen en wijze van uitvoering van de beperkingen. Zo heeft het EHRM in het kader van het vreemdelingenrecht geoordeeld dat het vasthouden van asielzoekers in de transitruimte van een vliegveld kan worden beschouwd als vrijheidsbeperking, maar dat het ook vrijheidsontneming kan zijn als dit voor langere tijd gebeurt.
3.49
Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat een gedwongen opname in een psychiatrische kliniek valt onder vrijheidsontneming in de zin van artikel 5 EVRM. Een overplaatsing van een gesloten afdeling in een psychiatrische kliniek naar een kliniek met een lichter regime was volgens het EHRM aan te merken als vrijheidsontneming omdat het de betrokkene niet was toegestaan de inrichting te verlaten. Een uitreisbeperking voor een psychiatrisch patiënt die in het thuisland gedwongen was opgenomen, viel volgens het EHRM onder het toepassingsbereik van artikel 2 VP.
3.50
Of een gedwongen repatriëring van een psychiatrisch patiënt een vrijheidsontneming of vrijheidsbeperking oplevert, is een vraag die naar mijn weten niet door het EHRM beantwoord is. Die vraag zal, gelet op het voorgaande, ook niet in algemene zin te beantwoorden zijn, maar afhangen van de omstandigheden van het geval. Zo is bijvoorbeeld relevant de vraag of in het land waarnaar de betrokkene gerepatrieerd wordt ook sprake zal zijn van een gedwongen opname of behandeling, of dat betrokkene daar op vrijwillige basis zorg zal ontvangen. Ook is relevant of de betrokkene rechtmatig verblijft in het land van waaruit de repatriëring plaatsvindt. Is dat niet het geval, dan mist artikel 2 VP immers sowieso toepassing (zie hiervoor onder 3.47).
3.51
Het onderscheid tussen vrijheidsontneming en vrijheidsbeperking is relevant omdat artikel 5 EVRM en artikel 2 VP andere voorwaarden kennen voor de beperking van de respectievelijke rechten. Voor beide bepalingen geldt in de eerste plaats dat slechts onder de voorwaarde van – kort gezegd – een wettelijke regeling beperkingen kunnen worden gemaakt. Zo schrijft artikel 5 lid 1 EVRM voor dat vrijheidsontneming is toegestaan in bepaalde, limitatief opgesomde gevallen, mits voldaan is aan het algemene vereiste dat dit overeenkomstig een wettelijk omschreven procedure geschiedt (‘a procedure prescribed by law’). Die wettelijke regeling moet bovendien voldoende voorzienbaar zijn om willekeur te voorkomen. Artikel 2 lid 3 VP laat beperkingen toe voor zover die zijn toegestaan op grond van een voorzienbare wettelijke regeling (voorzien bij wet, of ‘in accordance with law’), en de beperking noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid of openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, ter voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
3.52
Dat brengt mij weer bij de vraag of repatriëring kan worden gezien als toepassing van een door de Wvggz gereguleerde vorm van verplichte zorg. Daarbij komt ook de in klacht opgeworpen kwestie aan de orde of repatriëring tot de taak van de zorgaanbieder behoort.
Wet en wetsgeschiedenis
3.53
Artikel 3:2 lid 2 Wvggz bevat een limitatieve opsomming van de vormen van verplichte zorg die kunnen worden verleend op grond van de Wvggz:
a. toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
b. beperken van de bewegingsvrijheid;
c. insluiten;
d. uitoefenen van toezicht op betrokkene;
e. onderzoek aan kleding of lichaam;
f. onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
g. controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
h. aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
i. beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;
j. opnemen in een accommodatie;
k. ontnemen van de vrijheid van betrokkene door hem over te brengen naar een plaats die geschikt is voor tijdelijk verblijf als bedoeld in artikel 7:3, derde lid.
3.54
Uit de memorie van toelichting van de Wvggz volgt dat verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 3 Wvggz niet alleen “zorg in de zin van een medische behandeling gericht op het wegnemen van de psychische stoornis” omvat. Het kan ook om andere interventies gaan, bijvoorbeeld met betrekking tot de beveiliging van zorgverleners en/of de personen die samen met de betrokkene in de accommodatie verblijven.
3.55
In de tweede nota van wijziging is het volgende opgemerkt met betrekking tot de keuze van de wetgever om de vormen van verplichte zorg niet meer in detail in de wet te omschrijven:
“De dwangmaatregelen die onder verplichte zorg vallen, zijn limitatief opgesomd. Dat is gedaan om betrokkene meer rechtswaarborgen te bieden over de dwangmaatregelen die toegepast kunnen worden. Er zijn dus geen andere dwangmaatregelen mogelijk dan de maatregelen die hier worden genoemd. Daarmee wordt voor een deel tegemoet gekomen aan de aanbeveling van ZonMw om de vormen van verplichte zorg preciezer te omschrijven. Er is echter niet voor gekozen om de afzonderlijke vormen van verplichte zorg (nog) verder te detailleren, omdat dat nieuwe, positieve, ontwikkelingen in het professionele veld in de weg zou kunnen staan. Een voorbeeld waar verdere detaillering belemmerend zou kunnen werken, is de in het oorspronkelijke wetsvoorstel opgenomen maatregel «afzondering of separatie in een daartoe geschikte verblijfsruimte». Daarom wordt voorgesteld deze maatregel niet specifiek te benoemen, maar te scharen onder het meer algemene «insluiten». Hiermee worden allerlei positieve ontwikkelingen zoals de separatie ruimtes die worden vervangen door zogenoemde «extra beveiligde kamer» en het ontstaan van afdelingen met «high intensive care» voor deze doelgroep, niet in de weg gestaan. Bovendien kan een verdergaande detaillering betrokkene de mogelijkheid ontnemen om – indien mogelijk – te kiezen voor een alternatief dat hij als minder belastend ervaart.”
3.56
In de wetsgeschiedenis komt de vraag of repatriëring kan worden aangemerkt als een van de vormen van verplichte zorg van artikel 3:2 lid 2 Wvggz niet aan de orde. Ook zijn in de wetsgeschiedenis geen aanwijzingen te vinden dat een vergaande inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van een betrokkene als repatriëring kan worden aangemerkt als vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2 Wvggz. Daarbij heb ik in het bijzonder gezocht naar aanwijzingen voor de mogelijkheid van repatriëring op grond van artikel 3:2 lid 2, onder h Wvggz: het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg heeft dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank de gedwongen repatriëring immers onder deze vorm van verplichte zorg geschaard. In de tweede nota van wijziging wordt bij deze zorgvorm bijvoorbeeld gedacht aan douchen onder dwang, een praktische vorm van zorg die slechts beperkt ingrijpt in het leven van betrokkene.
3.57
Slechts wanneer repatriëring als verplichte vorm van zorg onder de zorgmachtiging zou vallen, zouden de zorgaanbieder, de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke bij de uitvoering van de zorgmachtiging zo nodig de hulp inroepen van personen met kennis en ervaring met het verlenen van zorg en verplichte zorg en van ambtenaren van politie om een betrokkene te begeleiden bij het vervoer naar het buitenland (art. 8:10 Wvggz). Blijkens de wetsgeschiedenis ziet deze bepaling mede op het vervoer van een betrokkene door bijvoorbeeld ambulancepersoneel. De wetsgeschiedenis biedt echter geen aanwijzingen dat het hierbij ook om vervoer voorbij de landsgrenzen zou gaan.
3.58
Van een beslissing tot overplaatsing door de geneesheer-directeur op grond van artikel 8:16 Wvggz kan slechts sprake zijn bij het toewijzen van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging aan een andere geneesheer-directeur, zorgaanbieder of zorgverantwoordelijke. Gelet op de begripsbepalingen in artikel 1:1, onder i, w en aa, Wvggz betreft dit de overdracht naar andere personen en instanties in Nederland.
3.59
Voor zover repatriëring al onder een van de zorgvormen van artikel 3:2 lid 2 Wvggz te brengen zou zijn, zou artikel 8:16 van de Wvggz dus niet voorzien in een beslissing tot overplaatsing naar een buitenlandse zorgaanbieder.
Rechtspraak
3.60
De Hoge Raad heeft zich nog niet eerder hoeven uitlaten of het toepassingsbereik van de Wvvgz (of de Wzd of de Wet Bopz) zich uitstrekt tot gedwongen repatriëring.
3.61
In een uitspraak uit 2022 heeft de Hoge Raad zich wel gebogen over een andere ingrijpende maatregel: gedwongen anticonceptie. Uit die uitspraak over de vraag of gedwongen anticonceptie onder het toepassingsbereik van de Wvggz valt, vloeit voort dat de Hoge Raad uiterst terughoudend is met het bevestigend beantwoorden van die vraag, zich bewust van de politieke afwegingen en keuzes dienaangaande die op de weg van de wetgever liggen:
“3.2.1 Art. 8 lid 1 EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn briefwisseling. Art. 8 EVRM beschermt onder meer het recht om over het eigen lichaam te beschikken en keuzes te maken rond het stichten van een gezin, waaronder het recht om zelf te beslissen om al dan niet zwanger te worden en om wel of niet genetisch ouder te worden. De aan art. 8 EVRM te ontlenen rechten en vrijheden zijn niet absoluut: zij kunnen beperkt worden als dat noodzakelijk is in een democratische samenleving in het belang van, onder meer, de bescherming van de gezondheid en de rechten en vrijheden van anderen (art. 8 lid 2 EVRM). Daartoe is vereist dat de beperking bij wet is voorzien, en voldoet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Het vereiste dat de beperking bij wet is voorzien houdt mede in dat de beperking daaruit met een in de gegeven omstandigheden redelijke mate van voorzienbaarheid voortvloeit.
3.2.2
De politieke afwegingen en keuzes die verbonden zijn aan beantwoording van de vragen of, en zo ja, op welke wijze, bij wet moet worden voorzien in een inmenging in het recht zelf te beslissen om al dan niet zwanger te worden, liggen op de weg van de wetgever. De Wvggz bevat geen bepaling of regeling die specifiek ziet op het gedwongen toepassen van anticonceptiemiddelen. In de parlementaire geschiedenis van de Wvggz is geen aandacht besteed aan de vraag of het gedwongen toepassen van anticonceptiemiddelen kan gelden als vorm van verplichte zorg onder de Wvggz. Gelet op het hiervoor in 3.2.1 genoemde vereiste dat gedwongen anticonceptie, als beperking van de aan art. 8 EVRM te ontlenen rechten, bij wet is voorzien, betekent dit dat, behoudens in de hierna in 3.2.3 te bespreken gevallen, de Wvggz geen wettelijke grondslag biedt voor gedwongen anticonceptie. In het bijzonder biedt de Wvggz geen wettelijke grondslag voor het verplicht toepassen van anticonceptiemiddelen ter voorkoming van zogenoemd onverantwoord ouderschap of van ernstige nadelen die voor de betrokkene zouden zijn verbonden, niet zozeer aan de zwangerschap of de bevalling zelf, maar aan het krijgen van een kind. De Wvggz biedt evenmin een grondslag voor verplichte anticonceptie ter voorkoming van ernstig nadeel voor een toekomstig kind.
3.2.3
Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin een zwangerschap voor de betrokkene medisch onverantwoord is omdat de zwangerschap of de bevalling zelf een aanzienlijk risico op levensgevaar of op ernstig lichamelijk letsel of ernstige psychische schade voor de betrokkene meebrengt, en waarin het voorkomen van een zwangerschap daarom noodzakelijk is. In zodanig geval kan, indien de betrokkene lijdt aan een psychische stoornis als bedoeld in art. 3:3 Wvggz, anticonceptie (waaronder niet begrepen sterilisatie) worden aangemerkt als ‘het toedienen van medicatie dan wel het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening’ als bedoeld in art. 3:2 lid 2, onder a, Wvggz. Een medische behandeling van een psychische stoornis of lichamelijke aandoening kan immers ook gericht zijn op voorkoming van gezondheidsschade als gevolg van die stoornis of aandoening.
Het ontbreken van een bepaling in de Wvggz die specifiek ziet op gedwongen anticonceptie staat niet eraan in de weg om te aanvaarden dat voor de hier bedoelde gevallen van dreigende ernstige gezondheidsschade als gevolg van de zwangerschap of bevalling zelf, voldoende duidelijk en voorzienbaar is dat de Wvggz – mits tevens voldaan is aan de overige voorwaarden van de Wvggz voor het toepassen van verplichte zorg – op basis van een door de rechter verleende machtiging toepassing van anticonceptiemiddelen als vorm van verplichte zorg als bedoeld in art. 3:2 lid 2, onder a, Wvggz, mogelijk maakt. De Wvggz moet daarom geacht worden voor deze gevallen wel een wettelijke grondslag te vormen als geëist door art. 8 lid 2 EVRM (zie hiervoor in 3.2.2).
Voor andere gevallen van ‘ernstig nadeel’, genoemd in art. 1:1 lid 2 Wvggz, dan een aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel of ernstige psychische schade als gevolg van de zwangerschap of bevalling zelf biedt de Wvggz niet die voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag.
(…)”
3.62
Vervolgens gaat de Hoge Raad in op de vraag onder welke vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2 Wvggz verplichte anticonceptie bij ernstig nadeel door zwangerschap of bevalling valt:
“3.2.5 Verplichte anticonceptie kan, anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, niet worden aangemerkt als ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten’ als bedoeld in art. 3:2 lid 2, onder h, Wvggz. Omdat ‘het toedienen van medicatie dan wel het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen’ reeds als vorm van verplichte zorg is geregeld in art. 3:2 lid 2, onder a, Wvggz, moet worden aangenomen dat ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten’ als bedoeld onder h van die bepaling, slechts ziet op andere zorgvormen dan het verrichten van medische handelingen en therapeutische maatregelen. Ook in zoverre treft het onderdeel doel.”
3.63
De Hoge Raad volgt daarmee de lijn van A-G Lückers in haar conclusie. Ook zij ziet een mogelijkheid om gedwongen anticonceptie in gevallen van ernstig nadeel te scharen onder artikel 3:2 lid 2,onder a, Wvggz. Daarbij merkt zij wel op dat gedwongen anticonceptie volgens haar specifieke wetgeving vereist.
3.64
In zijn NJ-annotatie bij deze uitspraak merkt Legemaate op dat het oordeel van de Hoge Raad – dat artikel 3:2 lid 2, onder a Wvggz de door artikel 8 lid 2 EVRM vereiste wettelijke grondslag biedt en het om een beperking (gedwongen anticonceptie) gaat die met een in de gegeven omstandigheden redelijke mate van voorzienbaarheid uit die wettelijke grondslag voortvloeit – een “tikje onbevredigend” is. Daarbij wijst Legemaate naar “het nogal specifieke rijtje van vormen van verplichte zorg dat te vinden is in art. 3:2 lid 2 Wvggz”. Volgens Legemaate zou het beter zijn dat de wetgever naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad de optie van verplichte anticonceptie expliciet opneemt.
Toepassing van artikel 3:2 lid 2, onder h, Wvggz in de rechtspraak
3.65
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de gedwongen repatriëring tot aan de overdracht aan de Engelse zorgverleners op het vliegveld in Engeland geschaard onder het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten (art. 3:2 lid 2, onder h, Wvggz).
3.66
Naast de besteden beschikking trof ik in de rechtspraak één ander voorbeeld aan van een zaak waarin de rechtbank repatriëring verplicht stelde op grond van de Wvggz. De rechtbank Rotterdam bracht in die zaak de gedwongen repatriëring ook onder de verplichte zorgvorm van art. 3:2 lid 2, onder h, Wvggz:
“2.6. De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
(…)
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het meewerken aan de terugkeer naar het VK, waarbij betrokkene door twee verpleegkundigen wordt begeleid tot aan de overdracht aan de Britse zorgverleners op het vliegveld in het VK;
(…)”
3.67
De rechtbank Rotterdam wijdt verder geen overwegingen aan hetgeen zij kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen, namelijk dat repatriëring valt onder het toepassingsbereik van de Wvggz.
3.68
Uit overige rechtspraak blijkt dat onder de verplichte zorgvorm van artikel 3:2 lid 2, onder h, Wvggz minder ingrijpende maatregelen dan gedwongen repatriëring worden toegewezen, zoals ik hierna toelicht.
3.69
In 2023 oordeelde de Hoge Raad dat het afsluiten van de watertoevoer op de kamer van betrokkene kan worden aangemerkt als een vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2, onder h Wvggz. Een dergelijke maatregel is immers erop gericht te bewerkstelligen dat de betrokkene het gedrag dat de maatregel beoogt te voorkomen voortaan nalaat, aldus de Hoge Raad.
3.70
In de feitenrechtspraak zijn verder als vormen verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2, onder h, Wvggz aangemerkt onder andere: toestaan van begeleiding in de zelfzorg, zich houden aan afspraken met het FACT-team, de inname van een bankpas accepteren, de beperking van de vrijheid om een auto te besturen, de verplichting om dagelijks elders naar een dagbesteding te gaan om thuis agressie te voorkomen en tijdelijke ontzegging van toegang tot de kliniek wegens afdelingsontwrichtend gedrag. Ook kan het gaan om een beperking in het gebruik van communicatiemiddelen, zoals een telefoon of laptop.
Repatriëring in de feitenrechtspraak
3.71
Zoals hiervoor onder 3.66 bleek, is mij naast de bestreden beschikking, slechts één andere, Rotterdamse, uitspraak bekend waarin gedwongen repatriëring als vorm van verplichte zorg is toegewezen.
3.72
Uit de feitenrechtspraak onder de Wvggz, waarin een voorgenomen repatriëring aan de orde kwam, blijkt dat in de meeste van die gevallen de zorgmachtiging wordt aangewend om (ook) toe te werken naar een vrijwillige en veilige repatriëring, waarbij die repatriëring geen niet als verplichte zorgvorm wordt toegewezen. Ook komt het voor dat een machtiging wordt verleend ter overbrugging van de periode tot repatriëring.
3.73
Daarnaast is de rechtbank Amsterdam tweemaal inhoudelijk ingegaan op de kwestie van gedwongen repatriëring. De eerste zaak betrof een klachtzaak waarin aan de orde gesteld werd of het besluit van de geneesheer-directeur tot gedwongen repatriëring van betrokkene naar Zweden ten onrechte genomen was omdat een wettelijke grondslag in de Wvggz daarvoor ontbrak. De rechtbank beantwoordde die vraag bevestigend en kende – onder meer maar met name vanwege de onterechte repatriëring – een relatief hoge schadevergoeding toe aan betrokkene:
“2.4.2. De vraag is vervolgens of het besluit tot repatriëring had mogen worden genomen op grond van de Wvggz. Het besluit tot repatriëring kan allereerst niet worden beschouwd als een beslissing tot overplaatsing in de zin van artikel 8:16 van de Wvggz. Artikel 8:16 ziet immers op overdracht aan een andere zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke. Op grond van de in artikel 1:1 van de Wvggz genoemde begripsbepalingen dienen onder deze begrippen personen en instanties te worden verstaan die zijn aangewezen in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (voor zover het de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke betreft), dan wel een rechtspersoon die vrijwillige en verplichte zorg kan verlenen zoals bedoeld in artikel 3:2 van de Wvggz (voor zover het de zorgaanbieder betreft). Het betreft hier personen en instanties in Nederland. Artikel 8:16 van de Wvggz voorziet niet in overdracht naar een buitenlandse zorgaanbieder. Dit artikel is dan ook niet van toepassing in de onderhavige situatie.
2.4.3.
De stelling van Arkin dat, nadat klaagster de kliniek heeft verlaten, DT&V de verantwoordelijkheid voor klaagster heeft overgenomen en in zoverre mogelijk verantwoordelijk is geworden voor de repatriëring, vindt evenmin een wettelijke grondslag in de Wvggz. Daartoe geldt het volgende. Op grond van artikel 8:10 Wvggz mogen de geneesheer-directeur, de zorgverantwoordelijke en de zorgaanbieder bij de uitvoering van de crisismaatregel of zorgmachtiging de hulp inroepen van personen met kennis en ervaring met het verlenen van zorg en verplichte zorg en van ambtenaren van politie. Blijkens de toelichting op dit wetsartikel wordt hiermee ook het vervoer bedoeld door bijvoorbeeld ambulancepersoneel vanuit een ambulante situatie naar een kliniek. In zoverre kan de verplichte zorgvorm ‘beperken van de bewegingsvrijheid’, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, in sommige gevallen en onder strikte voorwaarden wel buiten de kliniek worden toegepast, bijvoorbeeld bij het vervoeren van een betrokkene. Hierbij geldt altijd dat de algemene uitgangspunten zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wvggz in acht dienen te worden genomen. Nu zoals hierboven is overwogen, de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel niet was beëindigd, moet ook het vervoer van klaagster van de kliniek naar het vliegveld en zelfs verder tot aan de grens begrepen worden als een gevolg van de beslissing van Arkin om klaagster te repatriëren. Van een zelfstandige beslissing van DT&V is immers op geen enkele manier sprake.
2.4.4.
Op grond van het voorgaande was de Wvggz van toepassing op de situatie van klaagster. In de Wvggz is echter geen grondslag te vinden voor een besluit tot repatriëring tegen iemands wil.
Vastgesteld moet dan ook worden dat klaagster als EU-onderdaan tegen haar wil naar Zweden is overgebracht terwijl daarvoor de wettelijke grondslag in de Wvggz ontbrak. Arkin heeft deze beslissing genomen, dat deze beslissing is uitgevoerd door DT&V maakt dit niet anders. De klacht van klaagster is dan ook gegrond.
2.4.5
Met betrekking tot de klacht over de beperking van de bewegingsvrijheid binnen de kliniek, in die zin dat klaagster voornamelijk binnen moest blijven en slechts zeer beperkt naar buiten kon, zal de rechtbank conform de beslissing van de klachtencommissie oordelen. Daarbij is voor de rechtbank van belang dat de beslissing om klaagster op deze manier te beperken in haar bewegingsvrijheid, niet is genomen in het kader van het verlenen van noodzakelijke zorg aan klaagster, maar in het kader van de aanstaande repatriëring. Gevreesd werd immers dat zij de kliniek zou verlaten voordat de repatriëring zou plaatsvinden. Nu het besluit tot repatriëren niet mocht worden genomen op grond van de Wvggz is ook het in het kader van die repatriëring toegepaste beperken van de bewegingsvrijheid geen proportionele maatregel geweest die in het kader van de zorg aan klaagster noodzakelijk was. Ook dit deel van de klacht is dan ook gegrond.
2.4.6.
Met name in de onterechte repatriëring ziet de rechtbank aanleiding om aan klaagster een schadevergoeding toe te kennen. Als gevolg van dit forse normovertredende en voor klaagster ingrijpende handelen heeft zij immers aanzienlijke immateriële schade geleden. Deze schade wordt begroot op het door klaagster verzochte bedrag van € 1700,- In dit bedrag is de schade geleden als gevolg van de onterechte beperking van de bewegingsvrijheid inbegrepen.”
3.74
Twee jaar later oordeelde rechtbank Amsterdam in vergelijkbare zin in het kader van een verzoek om een zorgmachtiging na een voortgezette crisismaatregel. De rechtbank wees het verzoek om in de machtiging een zorgvorm op te nemen op grond waarvan betrokkene kon worden verplicht terug te keren naar Finland af. De rechtbank oordeelde dat de Wvggz geen grondslag biedt voor repatriëring:
“2.3. (…)
In de Wvggz is geen grondslag te vinden voor een besluit tot repatriëring tegen iemands wil. Het besluit tot repatriëring kan allereerst niet worden beschouwd als een beslissing tot overplaatsing in de zin van artikel 8:16 van de Wvggz. Artikel 8:16 ziet immers op overdracht aan een andere zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke. Op grond van de in artikel 1:1 Wvggz genoemde begripsbepalingen dienen onder deze begrippen personen en instanties te worden verstaan die zijn aangewezen in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (voor zover het de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke betreft), dan wel een rechtspersoon die vrijwillige en verplichte zorg kan verlenen zoals bedoeld in artikel 3:2 Wvggz (voor zover het de zorgaanbieder betreft). Het betreft hier personen en instanties in Nederland. Artikel 8:16 Wvggz voorziet niet in overdracht aan een buitenlandse zorgaanbieder. Dit artikel is dan ook niet van toepassing in de onderhavige situatie. Gedwongen repatriëring valt ook niet onder de in artikel 3:2 Wvggz genoemde vormen van verplichte zorg, dan wel de in artikel 3:4 Wvggz genoemde doelen van verplichte zorg. Repatriëring is als zodanig niet specifiek genoemd in de wet en ook in de parlementaire geschiedenis van de Wvggz is geen steun te vinden voor de opvatting dat gedwongen repatriëring kan gelden als vorm van verplichte zorg onder de Wvggz. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het inzetten van verplichte zorg op grond van een Nederlandse (voortzetting) crisismaatregel en zorgmachtiging zich overigens ook beperkt tot de landsgrenzen. Buiten Nederland kan op basis van een (voortzetting) crisismaatregel of zorgmachtiging geen verplichte zorg worden verleend. Om die reden moet worden vastgesteld dat betrokkene niet op grond van de Wvggz tegen haar wil naar Finland kan worden overgebracht omdat er binnen de Wvggz geen wettelijke grondslag bestaat voor een gedwongen overbrenging. De omstandigheid dat de zorgaanbieder een zorgvuldig en overwogen protocol heeft ontworpen ten behoeve van verplichte repatriëring maakt dit oordeel niet anders, omdat alleen bij wet inbreuk mag worden gemaakt op de in het geding zijnde mensenrechten en grondrechten.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank repatriëring niet als (onderdeel van een) vorm van verplichte zorg of doel van verplichte zorg op kan nemen in de te verlenen voortzetting van de crisismaatregel.”
Literatuur
3.75
In zijn JGz-annotatie bij de hierboven beschreven klachtzaak die speelde bij de rechtbank Amsterdam onderschrijft Baken het oordeel van de rechtbank. Hij wijst erop dat terugkeer naar het land van herkomst geen doel is van de Wvggz en dat het uitzetten van personen geen taak is van de zorgaanbieder, maar van de minister van Asiel en Migratie. Zou repatriëring wel mogelijk zijn onder de Wvggz, dan zou dat volgens Baken een risico op oneigenlijk gebruik van de verplichte zorgmachtiging om asielzoekers met psychische problemen uit te zetten. Baken acht het terecht dat de rechtbank in deze zaak een relatief fors bedrag aan schadevergoeding toewees.
3.76
Van Sprundel-Jansen schrijft dat repatriëring van iemand tegen zijn wil naar diens land van herkomst “in ieder geval” niet onder een van de vormen van verplichte zorg van artikel 3:2 lid Wvggz valt, waarbij zij instemmend verwijst naar de genoemde Amsterdamse klachtzaak en de hierboven besproken annotatie van Bakens.
3.77
In een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant werd een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel verleend voor een week om, onder meer, opname van betrokkene tot de voorziene repatriëring naar Duitsland te bewerkstelligen. De repatriëring zelf maakte geen onderdeel uit van het verzoek dan wel de in de machtiging opgenomen vormen van verplichte zorg. In een redactionele JGz-noot onder deze uitspraak wordt gepleit voor een pragmatische en menselijke oplossingsrichting ten aanzien van repatriëring:
“Men zou zich nog kunnen afvragen of ten aanzien van de voorgenomen repatriëring de verplichte zorgvorm ‘beperken van de vrijheid het eigen leven in te richten (…)’ niet toegewezen had kunnen worden c.q. passend was geweest? Wellicht verzette betrokkene zich weliswaar tegen opname, maar niet tegen terugkeer naar zijn vertrouwde woon- en leefomgeving, daarover wordt in de beschikking niets genoemd. Ook kan men opwerpen dat de legitimatie van verplichte zorg op grond van de onderhavige beschikking gelimiteerd is tot de Nederlandse landsgrenzen. In de praktijk blijkt echter dat wanneer een persoon eenmaal (een eind) onderweg is naar de regio van herkomst, het zelden tot (hernieuwd) verzet komt.
De belangrijkste boodschap is kortom, zeker voor de clinicus practicus, dat verplichte zorg binnen de grenzen van de Wvggz repatriëring naar het land van herkomst kan schragen, en zodoende kan bijdragen aan een pragmatische en menselijke oplossingsrichting, voor dikwijls uitermate on plezierige, door bijvoorbeeld vakantie- of door arbeidsmigratie bepaalde omstandigheden.”
Bespreking van onderdeel 1.c.
3.78
Ik keer terug naar de bespreking van het onderdeel. Daarbij draait het in het bijzonder om de vraag of gedwongen repatriëring kan worden aangemerkt als vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2 Wvggz.
3.79
Het scharen van repatriëring onder een van de vormen van verplichte zorg onder de Wvggz zou een pragmatische oplossing bieden voor situaties als aan de orde in deze zaak. Ik meen echter dat de Wvggz daarvoor geen grondslag biedt.
3.80
Of gedwongen repatriëring in dit geval moet worden aangemerkt als vrijheidsontneming dan wel vrijheidsbeperking, laat zich in cassatie niet goed beantwoorden. Zo is mij op basis van de gedingstukken duidelijk dat voor betrokkene ook in Engeland een zorgmachtiging is afgegeven, maar ik weet bijvoorbeeld niet of betrokkene in Engeland ook zou worden opgenomen of dat hij onder de Engelse zorgmachtiging ambulant zou worden geholpen. In het eerste geval meen ik dat sprake zou zijn van vrijheidsontneming in de zin van artikel 5 EVRM. In het tweede geval zou de gedwongen repatriëring, waarmee de gedwongen opname in Nederland wordt beëindigd, volgens mij aangemerkt moeten worden als vrijheidsbeperking in de zin van artikel 2 VP. Welk geval hier aan de orde is, kan voor de beoordeling van het cassatiemiddel echter in het midden blijven. Zowel artikel 5 EVRM als artikel 2 VP vereisen voor een beperking op de door deze bepalingen beschermde rechten immers een voorzienbare wettelijke basis.
3.81
Gedwongen repatriëring is een maatregel die diep ingrijpt in het leven van een persoon. Dat gedwongen repatriëring moet worden gezien als verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2, in het bijzonder onder h Wvggz, volgt allereerst niet uit de wettekst. Ook zijn hiervoor in de wetsgeschiedenis geen aanwijzingen te vinden. Het door de wetgever genoemde voorbeeld van “douchen onder dwang” wijst, als een zeer praktische vorm van zorg die slechts in beperkte mate ingrijpt in het leven van betrokkene, eerder op het tegendeel. Uit de rechtspraak blijkt dat de verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2, in het bijzonder onder h, Wvggz doorgaans vergelijkbare praktische en niet al te ingrijpende maatregelen omvat. In het geval van de wel zeer ingrijpende maatregel van gedwongen anticonceptie, oordeelde de Hoge Raad dat artikel 3:2 lid 2, onder a (en niet onder h) Wvggz, daarvoor in slechts zeer beperkte gevallen een grondslag biedt. Net als ten aanzien van gedwongen repatriëring, gaven wet en wetsgeschiedenis geen aanwijzingen voor toepasselijkheid van de Wvggz bij gedwongen anticonceptie.
3.82
Anders dan de Hoge Raad oordeelde in de gedwongen anticonceptiezaak, acht ik het niet goed voorstelbaar dat gedwongen repatriëring onder bijzondere omstandigheden tòch kan vallen onder een van de vormen van verplichte zorg. Voor het voorkomen van ernstig nadeel door zwangerschap of bevalling is maar één mogelijkheid: het niet laten ontstaan van een zwangerschap. Dit zou voor gedwongen repatriëring betekenen dat dit mogelijk zou zijn als het zich bevinden in Nederland ernstig nadeel voor een betrokkene oplevert, wat op zich wel denkbaar is, en dat dit alleen zal kunnen worden opgelost door betrokkene te repatriëren. Dat laatste vind ik moeilijk voorstelbaar. Zo is het bijvoorbeeld ook mogelijk om onder een zorgmachtiging toe te werken naar vrijwillige repatriëring. Dit zal in ieder geval eerst geprobeerd moeten worden. Bovendien geldt voor betrokkene zonder geldige verblijfstitel dat zij kunnen worden gerepatrieerd door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in overeenstemming met de daarvoor geldende procedurevoorschriften. En zo zullen er nog meer knoppen zijn waaraan in individuele gevallen gedraaid kan worden. Ik denk bijvoorbeeld aan het inschakelen van familie voor vrijwillige repatriëring.
3.83
Zou de wetgever gedwongen repatriëring mogelijk willen maken onder de Wvggz, dan zou dat volgens mij neergelegd moeten worden in een specifieke wettelijke regeling, waarin de voorwaarden waaronder dit kan plaatsvinden zijn neergelegd. Kan een betrokkene bijvoorbeeld gerepatrieerd worden naar ieder land, of dient het land een bepaalde kwaliteitstoets ten aanzien van geestelijke gezondheidszorg te kunnen doorstaan? En kan alleen worden gerepatrieerd als in het land van herkomst al een zorgmachtiging voor betrokkene geldt? Mag repatriëring alleen plaatsvinden als betrokkene zich nog maar kort in Nederland bevond en ook maar kort zou blijven, of is het ook mogelijk bij een betrokkene die pas net in Nederland verblijft, maar wel met het idee om zich hier permanent te vestigen?
3.84
Zou de wetgever gedwongen repatriëring ongeclausuleerd onder een van de vormen van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2 Wvggz scharen, dan zou dat betekenen dat het aan de zorgaanbieder, de officier van justitie en de rechter wordt overgelaten te oordelen over deze vragen en de overige voorwaarden voor gedwongen repatriëring. Dit is echter bij uitstek een taak van de wetgever. Zonder een specifieke regeling zou volgens mij niet worden voldaan aan de eis van voorzienbaarheid, die wordt gesteld aan inbreuk op de rechten beschermd door zowel artikel 5 EVRM als artikel 2 VP.
3.85
Voor zover de klacht inhoudt dat repatriëring niet kan worden geschaard onder de vorm van verplichte zorg “het aanbrengen van beperkingen het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten” (art. 3:2 lid 2 , onder h, Wvggz) en ook geen deel uitmaakt van de taak van de zorgaanbieder, slaagt deze. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en heeft zij ten onrechte in de zorgmachtiging de gedwongen repatriëring van betrokkene naar Engeland opgenomen, door te bepalen dat betrokkene moet meewerken aan de terugkeer naar Engeland, waarbij betrokkene door twee zorgmedewerkers wordt begeleid tot aan de overdracht aan de Engelse zorgverleners op het vliegveld in Engeland. Onderdeel 1.c. slaagt dus.
Onderdeel 2: artikel 5 EVRM
3.86
In onderdeel 2 klaagt betrokkene dat, vanwege het in onderdeel 1 aangevoerde, niet heeft geoordeeld en beslist ‘in accordance with a procedure prescribed by law’ en dat de vrijheidsbenemende maatregel (ik begrijp: de repatriëring) niet kan worden aangemerkt als ‘a lawful detention of [a person] of unsound mind’. Gelet op het slagen van onderdeel 1.c behoeft deze klacht geen bespreking meer. Volledigheidshalve verwijs ik naar 3.50 en 3.80, waarin ik inga op de vraag of (de onderhavige) repatriëring kan worden aangemerkt als vrijheidsontneming in de zin van artikel 5 EVRM en/of als vrijheidsbeperking in de zin van artikel 2 VP.
Slotsom
3.87
Nu de onderdelen 1.a. en 1.c. slagen en onderdeel 1.b. deels slaagt, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Naast deze twee zaken waarin stukken bij het verzoekschrift ontbreken, zijn er in ieder geval nog twee zaken waarin de ICT-problemen bij het openbaar ministerie een rol spelen (25/04253 en 25/04098). In deze andere zaken gaat het erom, voor zover hier van belang, dat het verzoekschrift niet is ondertekend door de officier van justitie. In deze laatstgenoemde zaken heb ik op 17 juli jl. geconcludeerd (ECLI:NL:PHR:2026:736 en ECLI:NL:PHR:2026:738).
Ontleend aan r.o. 4.4 van de bestreden beschikking. Deze vaststelling door de rechtbank is in cassatie niet bestreden.
Dit blijkt uit het verzoekschrift van de officier van justitie voor de zorgmachtiging in aansluiting op de machtiging voortzetting crisismaatregel.
Het proces-verbaal bevindt zich in het procesdossier van de officier van justitie. Het procesdossier van betrokkene bevat niet het proces-verbaal, omdat dit ten tijde van indiening van het procesdossier nog niet beschikbaar was (zie hierna voetnoot 8).
ECLI:NL:RBNNE:2025:4966. De beschikking is mondeling gegeven op 3 september 2025 en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 4 september 2025.
R.o. 5.2 van de bestreden beschikking (dictum).
Kennelijk bedoelt de rechtbank hier: storing.
Betrokkene heeft zich in zijn procesinleiding het recht voorbehouden om na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 september 2025 zijn cassatiemiddel aan te vullen dan wel te wijzingen, omdat het proces-verbaal nog niet beschikbaar was ten tijde van het indienen van de procesinleiding. Van dit voorbehoud heeft betrokkene geen gebruik gemaakt.
Betrokkene verwijst naar Kst. II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 165-166.
Kst. II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 162.
Kst. II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 166.
Deze kennelijke verschrijving heb ik laten staan. De bedoeling van de zin is duidelijk.
Zie bijv. rb. Rotterdam 15 januari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:813, JGz 2021/32 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 1.1 en rb. Rotterdam 18 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7268, r.o. 1.1.
De gegevens genoemd in deze bepaling onder g zijn hier niet relevant, nu deze stukken betreffen die vanuit het strafrechtelijke domein aanwezig zouden zijn.
HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1399, JGz 2022/48 m.nt. red.
De Hoge Raad verwijst hier naar Kst. II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 161 en 166.
JGz 2022/48.
G.J. Baken, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, commentaar bij art. 5:17 Wvggz, aant. 2 (publicatiedatum 30 april 2025).
Vgl. G.J. Baken, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, commentaar bij art. 6:4 Wvggz, aant. 1 (publicatiedatum 6 januari 2026).
Betrokkene verwijst in dit verband naar HR 7 juli 2013, ECLI:NL:HR:2023:1047, NJ 2023/796 m.nt. J.L. Legemaate, JGz 2023/41 m.nt. C.A. Grezel.
Vgl. EHRM 6 november 1980, nr. 7367/76 (Guzzardi/Italië) en EHRM 20 april 2010, nr. 19675/06 (Villa/Italië).
EHRM 25 juni 1996, nr. 19776/92 (Amuur/Frankrijk).
Zie o.m. EHRM 28 mei 1985, nr. 8225/78 (Ashingdane/VK). Zie ook J.M.W. Lindeman, Sdu Commentaar EVRM, commentaar bij art. 5 EVRM, aant. 2.2 (publicatiedatum 1 november 2019).
EHRM 28 mei 1985, nr. 8225/78 (Ashingdane/VK), par. 42.
ECieRM 20 mei 1997, nr. 31106/96 (Margango/Cyprus) en ECieRM 13 oktober 1993, nr. 19076/91 (Nordblad/Zweden).
Zie voor het toetsingskader van art. 5 EVRM J.W.M. Lindeman, Sdu Commentaar EVRM, commentaar bij art. 5 EHRM, m.n. aant. 3 en 5 (publicatiedatum 1 november 2019) en voor dat van artikel 2 VP J.H. Gerards, Sdu Commentaar EVRM, commentaar bij art. 2 VP, m.n. aant. 1.2.
Zie bijvoorbeeld EHRM 25 juni 1996, nr. 19776/92, (Amuur/Frankrijk), par. 50.
Artikel 2 lid 4 VP bevat voorwaarden voor beperkingen voor bijzondere situaties. Dergelijke situaties zijn in deze zaak niet aan de orde, dus dit artikellid blijft hier verder buiten bespreking.
Kst. II 2009-2010, 32 399, nr. 3, p. 55-56.
Kst. II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 156.
Vgl. Kst. II 2009-2010, 32 399, nr. 25, p. 157.
Kst. II 2009-2010, 32 399, nr. 3, p. 90.
HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1850, NJ 2023/6 m.nt. J.L. Legemaate, GJ 2023/1 m.nt. A.C. Hendriks.
De Hoge Raad verwijst hier naar EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (Sunday Times/Verenigd Koninkrijk).
Conclusie van voormalig A-G Lückers van 2 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:786, zie m.n.onder 3.53.
NJ 2023/6.
Rb. Rotterdam 18 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7268.
HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1047, JGz 2023/41 m.nt. C.A. Grezel, NJ 2023/276 m.nt. J.L. Legemaate, r.o. 3.2.2.
Dit overzicht is ontleend aan een overzicht van M.A.J.M. van Sprundel-Jansen, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, commentaar bij art. 3:2 Wvggz, aant. 3 (publicatiedatum 6 januari 2026), met verwijzingen naar de betreffende rechtspraak aldaar.
Rb. Rotterdam 18 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7268.
Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 5 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1122, r.o. 5.7; rb. Amsterdam 9 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3102, r.o. 4.7.
Zie bijvoorbeeld rb. Amsterdam 7 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8732, r.o. 2.6; rb. Zeeland-West-Brabant 13 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4507, JGz 2024/67 m.nt. red., r.o. 4.9, en rb. Rotterdam 12 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:1833, r.o. 2.1.2.
Rb. Amsterdam 25 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6000, JGz 2025/9 m.nt. G.J. Baken.
Rb. Amsterdam 17 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10873, r.o. 2.3.
JGz 2025/9.
M.A.J.M. van Sprundel-Jansen, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, commentaar bij artikel 3:2 Wvggz, aant. 3 (publicatiedatum 6 januari 2026).
Rb. Zeeland-West-Brabant 13 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4507, JGz 2024/67 m.nt. red.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04403
Zitting 4 september 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,hierna: betrokkene,advocaat: mr. M.E. Bruning
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland,
hierna: de officier van justitie,
advocaat: mr. G.J. Harryvan.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging aansluitend op een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend. Betrokkene komt uit Engeland. In de bestreden beschikking is onder meer de volgende vorm van verplichte zorg toegewezen (vgl. art. 3:2 lid 2, onder h, Wvggz):
“- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het meewerken aan de terugkeer naar Engeland, waarbij betrokkene door twee zorgmedewerkers wordt begeleid tot aan de overdracht aan de Engelse zorgverleners op het vliegveld in Engeland.”
1.2
In cassatie klaagt betrokkene ten eerste dat de rechtbank niet had mogen overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, omdat daarbij niet de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens waren gevoegd (art. 7:11 lid 4 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3, onder f, Wvggz en art. 5:4 lid 1, onder c, Wvggz). Deze klacht slaagt mijns inziens.
1.3
Ten tweede klaagt betrokkene dat de rechtbank ten onrechte of op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat sprake is van ernstig nadeel. Het betreffende onderdeel faalt grotendeels. Slechts voor zover in het onderdeel ook de klacht moet worden gelezen dat de rechtbank aan de beoordeling van het ernstig nadeel niet ook de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens ten grondslag heeft gelegd, slaagt deze in het voetspoor van de eerste klacht.
1.4
Ten derde klaagt betrokkene in de kern, zo begrijp ik, dat de rechtbank ten onrechte repatriëring als vorm van verplichte zorg in de zorgmachtiging heeft opgenomen. Deze klacht slaagt. Repatriëring is niet aan te merken als een vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2, in het bijzonder onder h, Wvggz. De Wvggz biedt mijns inziens geen grondslag voor een gedwongen repatriëring.
1.5
De kwestie van bij het verzoekschrift ontbrekende stukken – vanwege de landelijke ICT-problemen bij het openbaar ministerie in de zomer van 2025 – is ook aan de orde in de zaak 25/04180, waarin ik op 28 augustus jl. heb geconcludeerd (ECLI:NL:PHR:2026:812).
2Feiten en procesverloop
2.1
Betrokkene is op 23 juli 2025 opgenomen met een crisismaatregel vanwege een paranoïde psychose met manische kenmerken. Op 29 juli 2025 is voor betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel afgegeven.
2.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie op 18 augustus 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging die aansluit op een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van zes maanden. De officier heeft verzocht een aantal vormen van verplichte zorg op te nemen in de zorgmachtiging, waaronder het “aanbrengen van beperkingen het eigen leven in te richten”.
2.3
Bij het verzoekschrift zijn als bijlagen gevoegd: het zorg-/behandelplan van 15 augustus 2025, de medische verklaring van 18 augustus 2025 en de bevindingen van de geneesheer-directeur van 18 augustus 2025.
2.4
De politiegegevens en de strafvorderlijke en justitiële gegevens zijn niet als bijlagen bij het verzoekschrift gevoegd. Het verzoekschrift vermeldt daarover:
“Het is op dit moment niet mogelijk om de politie, justitiële en strafvorderlijke gegevens bij te voegen. Mochten deze gegevens noodzakelijk lijken voor de beoordeling/beslissing, kan telefonisch contact met het OM worden opgenomen.”
2.5
De mondelinge behandeling van het verzoek vond plaats op 3 september 2025 in de accommodatie waar betrokkene op dat moment verbleef. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal, een psychiater en een arts. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.6
Bij beschikking van 3 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de verzochte zorgmachtiging verleend en bepaald dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 3 oktober 2025. Daarbij heeft de rechtbank beslist dat de zorgmachtiging inhoudt dat bij wijze van verplichte zorg een aantal maatregelen gedurende de looptijd van de machtiging kunnen worden getroffen, waaronder, voor zover in cassatie van belang:
“- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het meewerken aan de terugkeer naar Engeland, waarbij betrokkene door twee zorgmedewerkers wordt begeleid tot aan de overdracht aan de Engelse zorgverleners op het vliegveld in Engeland.”
2.7
Ten aanzien van de bij het verzoekschrift ontbrekende politiegegevens en strafvorderlijke en justitiële gegevens heeft de rechtbank in de bestreden beschikking het volgende overwogen (voetnoot in het citaat van mij):
“1.4. De rechtbank constateert dat het verzoekschrift van de officier van justitie, als gevolg van een landelijke stoornis, incompleet is. De volgende stukken ontbreken:
- de politiegegevens als bedoeld in de Wet Politiegegevens;
- de strafvorderlijke en justitiële gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;
(…)
1.5.
Ondanks het ontbreken van de hiervoor genoemde stukken, is de rechtbank ervan overtuigd dat het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging inhoudelijk behandeld kan worden.”
2.8
In het kader van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek heeft de rechtbank in de bestreden beschikking, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“4.2. Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Er is bij betrokkene sprake van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en een stoornis in het gebruik van middelen (cannabis). Betrokkene betwist de diagnose. De rechtbank heeft op grond van de medische verklaring en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken geen reden om aan de gestelde diagnose en het daaruit voortvloeiende ernstig nadeel te twijfelen.
4.3.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
4.4.
Ter toelichting op het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt.
Betrokkene is een 47-jarige man die op 23 juli 2025 is opgenomen met een crisismaatregel vanwege een paranoïde psychose met manische kenmerken. Voorafgaand aan de opname heeft betrokkene in een verwarde toestand auto’s aangehouden. Daarnaast heeft hij overlast veroorzaakt in een Bed & Breakfast, door te schreeuwen en op de deuren te kloppen. Ook had hij kinderen van andere gasten in zijn kamer uitgenodigd. Betrokkene had aangegeven dat hij voor de CIA werkte en op missie was om andere mensen in de gaten te houden en miljoenen te verdienen. Ook sprak hij over een derde wereldoorlog, die hij door de opname niet tegen kan houden. Betrokkene is afkomstig uit Engeland en volgens zijn familie kampte hij daar ook met psychoses en is hij uit Engeland in een psychotische toestand vertrokken.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de psychiater aangegeven dat het psychiatrisch toestandsbeeld van betrokkene langzaam verdwijnt en dat hij uitbehandeld is in de kliniek. Omdat betrokkene niet woonachtig is in Nederland, kan er geen ambulante zorg voor betrokkene opgezet worden, terwijl dit wel noodzakelijk wordt geacht. Er zijn stappen gezet om betrokkene te repatriëren naar Engeland, omdat hij daar een lopende zorgmachtiging heeft. Daarvoor zijn al vergevorderde afspraken gemaakt door de Nederlandse en Engelse zorgverleners. Binnenkort kan betrokkene onder begeleiding gerepatrieerd worden omdat het toestandsbeeld stabieler is vanwege de (medicamenteuze) behandeling in de kliniek. In Engeland zal betrokkene worden overgedragen aan de lokale psychiatrische zorg. Omdat betrokkene hier niet aan mee wil werken, is een zorgmachtiging noodzakelijk waarin ook repatriëring mogelijk wordt gemaakt.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene zorg nodig heeft om het ernstig nadeel af te kunnen wenden.
4.7.
Gebleken is dat er op dit moment geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene is het niet eens met verdere behandeling en met de repatriëring. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene terug moet keren naar Engeland, zodat hij kan worden overgedragen aan de lokale psychiatrische zorg en de noodzakelijke (medicamenteuze) behandeling kan krijgen. Als betrokkene geen zorgmachtiging krijgt, zal hij de kliniek verlaten, niet terugkeren naar het land waar hij al een zorgmachtiging heeft, zijn medicatie staken en zal het ernstig nadeel opnieuw intreden. Gelet op het voorgaande is verplichte zorg noodzakelijk.
4.8.
Gedurende de mondelinge behandeling is de verzochte verplichte zorg besproken. De rechtbank is van oordeel dat de verzochte verplichte zorg kan worden verleend.
4.9.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
4.10.
De in het dictum opgenomen vormen van verplichte zorg zijn evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
4.11.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Omdat betrokkene binnenkort zal worden gerepatrieerd naar Engeland zal de zorgmachtiging voor een maand worden verleend.”
2.9
Betrokkene heeft bij procesinleiding van 3 december 2025 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 3 september 2025.
2.10
De officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend.
2.11
Betrokkene heeft een schriftelijke toelichting gegeven.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 valt in drie subonderdelen uiteen. In de eerste plaats komt betrokkene op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij, ondanks het ontbreken van de strafvorderlijke en justitiële gegevens bij het verzoekschrift van de officier van justitie, kon overgaan tot de inhoudelijke behandeling van het verzoek (onderdeel 1.a). Daarnaast klaagt betrokkene dat de rechtbank ten onrechte en onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat sprake is van ernstig nadeel (onderdeel 1.b). Ook bestrijdt betrokkene het opnemen van de repatriëring van betrokkene naar Engeland in de zorgmachtiging (onderdeel 1.c). Onderdeel 2 bevat een voortbouwklacht. In dit onderdeel klaagt betrokkene dat het oordeel van de rechtbank vanwege het voorgaande strijdig is met artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.
Onderdeel 1.a: ontbrekende politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens
3.2
Onderdeel 1.a bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoekschrift, terwijl de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens niet bij het verzoekschrift waren gevoegd (art. 5:17 lid 3, onder f, in verbinding met artikel 5:4 lid 1, onder c, Wvggz). Volgens betrokkene had de rechtbank de behandeling moeten aanhouden om de officier in de gelegenheid te stellen alle ontbrekende gegevens (alsnog) in het geding te brengen.
3.3
Betrokkene wijst ter toelichting op deze klacht naar de wetsgeschiedenis van de Wvggz, waaruit blijkt dat de officier in het kader van zijn regiefunctie bij de totstandkoming van “een goed onderbouwd verzoekschrift” onder artikel 5:17 Wvggz verplicht is “de informatie en deskundigheid” in te brengen “die te maken heeft met de handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde, zoals politiemutaties en rapportages van de persoon afkomstig uit strafzaken”, wat dient bij te dragen aan een inschatting van het gevaar. Op grond van artikel 5:4 lid 1, onder c, Wvggz kan slechts een uitzondering op deze informatieplicht worden gemaakt in gevallen waarin het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich daartegen verzet, en van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake, aldus betrokkene. Ook voert betrokkene aan dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat door de landelijke storing sprake was van een langdurige (overmachts)situatie die zou (hebben kunnen) rechtvaardigen dat de betreffende gegevens ontbraken. Voor zover de rechtbank geoordeeld heeft dat de officier van justitie niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan omdat het verzoekschrift als gevolg van de landelijke “storing” niet compleet was, getuigt het oordeel van de rechtbank volgens betrokkene van een onjuiste rechtsopvatting, omdat die situatie niet valt onder artikel 5:4 lid 1, onder c, Wvggz.
3.4
Bij de bespreking van de klacht stel ik het volgende voorop.
3.5
Artikel 5:4 lid 1, aanhef en onder c, Wvggz schrijft voor dat de officier van justitie, zodra hij met de voorbereiding van een zorgmachtiging begint, nagaat of er politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens over betrokkene zijn die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het ernstig nadeel en de te leveren zorg, en dat hij die gegevens verstrekt aan de geneesheer-directeur, tenzij het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich daartegen verzet. In de wetsgeschiedenis is hierover het volgende opgemerkt:
“Tevens verstrekt de officier van justitie aan deze geneesheer-directeur de zelfbindingsverklaring, voor zover aanwezig, en de relevante politie-, justitiële en strafvorderlijke gegevens. Het is aan de officier van justitie om te beoordelen of beschikbare gegevens relevant kunnen zijn. Verstrekking dient enkel plaats te vinden voor zover noodzakelijk in verband met de beoordeling van het ernstig nadeel of te leveren zorg. Niet alle aanwezige politie- en justitiegegevens hoeven dus te worden gedeeld. Alleen die gegevens die noodzakelijk zijn voor de geneesheer-directeur om zijn taken op grond van dit wetsvoorstel goed te kunnen uitvoeren. Er kan ook sprake zijn van een ander zwaarwegend belang, dat zich tegen het delen van de gegevens verzet. Dat is het geval indien het verstrekken van de gegevens het belang van een strafrechtelijk onderzoek zou kunnen doorkruisen. Op de plicht de relevante gegevens aan de geneesheer-directeur te verstrekken is dan ook een uitzondering opgenomen voor het geval het belang van een strafrechtelijk onderzoek zich tegen het verstrekken verzet. Of dat het geval is, staat eveneens ter beoordeling aan de officier van justitie. Met het delen van deze informatie wordt tegemoet gekomen aan een belangrijke aanbeveling van de Commissie Hoekstra, die constateerde dat de informatie-uitwisseling tussen de ggz en het openbaar ministerie alsmede de politie moest worden verbeterd.”
3.6
De relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens behoren tot de bijlagen die de officier van justitie op grond van artikel 5:17 lid 3 Wvggz in elk geval bij een verzoek om een zorgmachtiging moet voegen (art. 5:17 lid 3, aanhef en onder f Wvggz). Deze gegevens moet de officier van justitie ook bij een verzoekschrift voor een zorgmachtiging die aansluit op een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel voegen (art. 7:11 lid 4 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3, onder f, Wvggz).
3.7
Over de bijlagen die de officier van justitie op grond van artikel 5:17 lid 3 Wvggz aan het verzoekschrift voor een zorgmachtiging moet toevoegen, waaronder de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens, is in de wetsgeschiedenis het volgende opgemerkt (onderstrepingen en voetnoot in het citaat van mij):
“Met het nieuwe onderdeel f wordt aan het verzoekschrift tevens toegevoegd (…) relevante politie- en justitiegegevens. (…)
Uitgangspunt is dat de officier van justitie zorgt draagt voor een zo volledig mogelijk verzoekschrift waarmee de rechter op basis van een zo breed mogelijk beeld van de betrokkene een beslissing kan nemen. (…) Noodzakelijkerwijs is er sprake van een samenwerking door meerdere betrokken partijen, waarbij in het bijzonder de GGZ. De officier van justitie zal in nauwe samenwerking met de geneesheer-directeur bij het verzoekschrift onderbouwen waarom verplichte zorg noodzakelijk is. De officier brengt zelf de informatie en deskundigheid in die te maken heeft met de handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde, zoals politiemutaties en rapportages van de persoon afkomstig uit strafzaken. Hiermee draagt de officier van justitie bij aan een inschatting van het gevaar. De onafhankelijk psychiater en de geneesheer-directeur doen de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis en de mate waarin als gevolg van die psychische stoornis in de toekomst een dreigend gevaar oplevert voor de persoon zelf of anderen. Die inschatting is primair de expertise en de verantwoordelijkheid van de deskundigen in de GGZ. De officier van justitie (of ondersteuning secretaris) is beschikbaar voor overleg omtrent en bespreekt de inhoud en juridische kwaliteit van de dossiers die benodigd is om een zorgmachtiging van de rechter te verkrijgen. Uiteindelijk zal door nauwe samenwerking tussen alle betrokkenen beide partijen een goed onderbouwd verzoekschrift tot stand komen. De officier van justitie zal hier de regie op voeren.”
3.8
Uit artikel 5:4 lid 1, onder c, Wvggz, vloeit voort dat de officier van justitie moet bepalen of hij aanwezige politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens relevant acht voor de beoordeling van zijn verzoekschrift. Uit gepubliceerde rechtspraak blijkt dat de officier van justitie de rechtbank informeert wanneer er geen relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn. De rechtbank vermeldt dan bij de bij het verzoekschrift overgelegde bijlagen “het bericht dat er geen relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn”.
3.9
De overige gegevens die de officier van justitie op grond van artikel 5:17 lid 3 Wvggz bij het verzoekschrift voor een zorgmachtiging moet voegen, betreffen de volgende zorginhoudelijke stukken, te weten: de medische verklaring, de zorgkaart en het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur (art. 5:17 lid 3, aanhef en onder a-e, Wvggz).
3.10
In 2022 boog de Hoge Raad zich over de vraag of een zorgmachtiging verleend kan worden in geval van het ontbreken van de bevindingen van de geneesheer-directeur bij het verzoekschrift (art. 5:17 lid 3, onder e Wvggz). De Hoge Raad oordeelde:
“3.1.3 Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het voorbereiden van een zorgmachtiging nauw overleg vraagt tussen de officier van justitie en de geneesheer-directeur, omdat de geneesheer-directeur het zorginhoudelijke deel van de zorgmachtiging voorbereidt en de officier van justitie het verzoekschrift opstelt en indient. Gezamenlijk dragen zij er zorg voor dat de rechter beschikt over een volledig dossier, waarin alle relevante informatie, waaronder de zorginhoudelijke, is gebundeld ten behoeve van de rechterlijke toets. Uitgangspunt is daarbij dat de officier van justitie zorg draagt voor een zo volledig mogelijk verzoekschrift waarmee de rechter op basis van een zo breed mogelijk beeld van de betrokkene een beslissing kan nemen.
3.1.4
Gelet op het voorgaande volgt uit het wettelijk stelsel dat de rechter geen zorgmachtiging kan verlenen als de bevindingen van de geneesheer-directeur ontbreken. Het onderdeel slaagt dan ook.”
3.11
In een redactionele noot onder deze beschikking in JGz wordt opgemerkt dat deze uitspraak van de Hoge Raad duidelijk maakt dat de rechtbank niet kan beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging als niet alle stukken genoemd in artikel 5:17 lid 3 Wvggz bij het verzoek zijn overgelegd, dus, naar ik begrijp, ook de relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens.
3.12
Baken merkt op dat, naast de bevindingen van de geneesheer-directeur, ook de overige zorginhoudelijke stukken altijd bij het verzoekschrift voor een zorgmachtiging gevoegd moeten worden, daarbij in het midden latend of dit ook geldt voor de relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens geldt.
3.13
Het behoeft geen betoog dat de zorginhoudelijke stukken de belangrijkste stukken zijn die bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd. Hiertoe behoren immers de stukken die zijn opgesteld met de voorbereiding van het verzoek om de zorgmachtiging als specifiek doel, zoals de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur.
3.14
De politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens zijn niet opgesteld met het oog op de voorbereiding van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging. Het karakter van deze gegevens is dan ook meer aanvullend en ondersteunend.
3.15
De Hoge Raad heeft zich nog niet hoeven uitlaten over de vraag of de rechtbank tot de inhoudelijke beoordeling van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging kan overgaan, terwijl politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens ontbreken en niet expliciet blijkt dat er geen relevante gegevens van deze aard zijn of dat is voldaan aan de uitzondering dat het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich verzet tegen het verstrekken van deze gegevens (vgl. hiervoor onder 3.5 en 3.8).
3.16
Enerzijds zou er, gelet op dit meer aanvullende en ondersteunende en niet zorginhoudelijke karakter van politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens, wellicht wat voor te zeggen dat de rechtbank de vrijheid zou moeten hebben om tot een inhoudelijke beoordeling van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging over te gaan, indien zij zich ook zonder deze gegevens voldoende ingelicht acht.
3.17
Anderzijds bieden de wettekst en de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten voor een dergelijke, minder strenge opvatting, waarbij in feite de rechtbank en niet de officier van justitie bepaalt of de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens relevant zijn, zonder deze bovendien gezien te hebben.
3.18
Omwille van de rechtszekerheid opteer ik toch voor de strenge en meer formele lijn, waarbij de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens behoren tot de gegevens die noodzakelijk zijn om de toewijsbaarheid van het verzoek te kunnen beoordelen, tenzij expliciet blijkt dat er geen relevante gegevens van deze aard zijn of dat is voldaan aan de uitzondering dat het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich verzet tegen het verstrekken van deze gegevens.
3.19
Ik keer terug naar de bespreking van onderdeel 1.a. Dit onderdeel slaagt.
3.20
Uit de vaststelling van de rechtbank in r.o. 1.4 volgt dat de politiegegevens en de strafvorderlijke en justitiële gegevens niet bij het verzoekschrift voor een zorgmachtiging zijn gevoegd.
3.21
Het oordeel van de rechtbank in r.o. 1.5 kan ik niet anders lezen dan dat daarin besloten ligt dat de rechtbank zich voldoende geïnformeerd achtte om het verzoek inhoudelijk te kunnen beoordelen, ook al ontbreken de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens. Hoewel ik enig begrip kan opbrengen voor de pragmatische route die de rechtbank in deze zaak heeft gekozen, getuigt het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande (zie in het bijzonder onder 3.5-3.8 en 3.17-3.18), mijns inziens van een onjuiste rechtsopvatting. Niet blijkt immers dat er geen relevante gegevens van deze aard zijn of dat is voldaan aan de uitzondering dat het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich verzet tegen het verstrekken van deze gegevens.
3.22
Dat de rechtbank in r.o. 1.4 constateert dat het verzoekschrift als gevolg van een landelijke storing incompleet is, rechtvaardigt het ontbreken van de desbetreffende ontbrekende stukken niet. De rechtbank had deze immers kunnen, en ook moeten, opvragen bij de officier van justitie. Ik wijs hiertoe op het hiervoor onder 2.4 geciteerde tekstblok in het verzoekschrift voor de zorgmachtiging waarin wordt vermeld dat de rechtbank telefonisch contact kan opnemen met het openbaar ministerie, mochten de politie-, justitiële en strafvorderlijke gegevens noodzakelijk lijken voor de beoordeling van en de beslissing op het verzoek.
3.23
Gelet op het voorgaande volgt uit het wettelijk stelsel dat de rechtbank het verzoek niet inhoudelijk had mogen beoordelen en geen zorgmachtiging had mogen verlenen nu de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens ontbreken.
3.24
Ondanks het slagen van onderdeel 1.a., ga ik over tot een bespreking van de andere onderdelen, mede gelet op de procedure na terugwijzing.
Onderdeel 1.b: ernstig nadeel
3.25
Dit onderdeel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.3, waarin de rechtbank volgens betrokkene ten onrechte dan wel op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat de stoornis van betrokkene leidt tot het door de rechtbank beschreven ernstig nadeel. De rechtbank heeft miskend dat het psychiatrisch toestandsbeeld van betrokkene langzaam verdween en hij uitbehandeld was in de kliniek, waardoor niet (meer) werd voldaan aan alle criteria en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz, omdat kennelijk geen sprake was van een situatie waarin de stoornis leidde tot ernstig nadeel waarvoor verplichte zorg noodzakelijk was, aldus betrokkene. Betrokkene wijst in dit verband op de door de rechtbank in r.o. 4.5 weergegeven verklaring van de psychiater ter zitting “dat het psychiatrisch toestandsbeeld van betrokkene langzaam verdwijnt en dat hij uitbehandeld is in de kliniek” (zie hiervoor onder 2.8). Een en ander klemt volgens betrokkene temeer omdat de rechtbank niet de politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens in haar beoordeling heeft kunnen betrekken.
3.26
Voor zover betrokkene met een rechtsklacht klaagt dat de rechtbank, gelet op de verklaring van de psychiater ter zitting, ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van het genoemde ernstig nadeel omdat daarvan “kennelijk” geen sprake was, kan deze klacht niet slagen. Het antwoord van de rechtbank op de vraag of sprake is van ernstig nadeel dat een zorgmachtiging rechtvaardigt, is immers een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
3.27
Ook de motiveringsklacht kan niet slagen.
3.28
Daarbij stel ik voorop dat ik de beschikking van de rechtbank niet anders kan lezen dan dat de rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van ernstig nadeel dat noodzaakt tot verplichte zorg, die onder meer inhoudt dat betrokkene wordt gerepatrieerd naar Engeland. Ik lees de beschikking dus zo, dat de noodzaak voor de zorgmachtiging niet slechts in de repatriëring zit, maar ook (en primair) in de aanwezigheid van ernstig nadeel dat verplichte zorg in algemene zin (in Nederland of Engeland) rechtvaardigt. Zou dat niet het geval zijn, dan zou er immers ook geen reden zijn om betrokkene onder de Wvggz te repatriëren naar Engeland om daar de nodige ambulante zorg te krijgen die in Nederland niet geboden kan worden, nu betrokkene hier niet woonachtig is.
3.29
Voor de bespreking van de motiveringsklacht wijs ik verder op de volgende passages in de stukken van het geding in eerste aanleg.
3.30
De officier van justitie heeft verzocht om een zorgmachtiging voor zes maanden, waarbij wat betreft de duur niet wordt aangesloten bij de verwachte termijn waarop repatriëring kan plaatsvinden. In het verzoekschrift is het aanbrengen van beperkingen om het eigen leven in te richten opgenomen als een van de in de zorgmachtiging op te nemen vormen van verplichte zorg, zonder expliciete vermelding van repatriëring.
3.31
In het zorgplan van 15 augustus 2025, is in de probleemomschrijving door de zorgverantwoordelijke onder meer het volgende te lezen:
“3. Probleembeschrijving
a. Probleembeschrijving volgens zorgverantwoordelijke
(…)
Het is tot nu toe niet gelukt hem uit zijn psychose te krijgen. Er zijn nog steeds uitgebreide paranoïde wanen dat hij voor de CIA werkt en grootheidswanen dat hij miljoenen gaat verdienen. Binnen de tijd van de VCM is het niet gelukt hem te stabiliseren en evenmin hem te repatriëren naar Engeland. Er is meer tijd nodig om hem te behandelen en op een veilige manier terug te laten keren naar Engeland. Er is geen alternatief, zoals het beëindigen van de opname, omdat dit nadelen gaat geven die onder meer de grondslag voor de VCM gaven.”
3.32
Met betrekking tot (dreigend) ernstig nadeel is in het zorgplan het volgende vermeld:
“5. (Dreigend) ernstig nadeel
a. Welk gedrag dat voortvloeit uit de psychische stoornis leidt tot (dreigend) ernstig nadeel?
Betrokkene verkeert zo in zijn psychotische waanwereld, dat zijn denken en handelen bepaald wordt door wanen met achterdocht en grootheid en vandaaruit veel dreigen en agressie kan volgen.
b. Wat is het (dreigend) ernstig nadeel voor betrokkene of diens omgeving?
Dat hij agressie veroorzaakt of door zijn gedrag agressie van anderen uitlokt; dat hij overlast veroorzaakt; dat hij maatschappelijk verder teloorgaat.”
3.33
Met betrekking tot de zorg die nodig is om het ernstig nadeel af te wenden is in het zorgplan onder andere vermeld:
“6. Benodigde zorg om het (dreigend) ernstig nadeel weg te nemen
(…)
d. Toelichting
De toestand bij aanvang van de CM is nauwelijks verbeterd. Het is niet mogelijk hem nu te ontslaan, zonder dat nadelen ontstaan als geschetst. Dit brengt dus met zich mee dat genoemde maatregelen subsidiair, proportioneel zijn, waarbij medicatie ook volgens informatie van betrokkene zelf en zijn ouders in het verleden doelmatig is geweest.”
3.34
De medische verklaring van 18 augustus 2025 vermeldt met betrekking tot het ernstig nadeel:
“6. Ernstig nadeel
(…)
b. Zo ja: waaruit bestaat het ernstig nadeel?
Betrokkene presenteert zich verbaal en fysiek grensoverschrijdend bij tegenspraak, waarbij betrokkene veronderstelt dat anderen hem vijandig gestemd zijn.
c. Op grond van welke symptomen, gedragingen of feiten komt u tot uw oordeel?
1) 24 juli 2025 slaat meerdere keren op de tafel, loopt uiteindelijk zelf schreeuwend een separeerruimte in. Na sluiting van de deur springt hij meerdere keren tegen de deur van de separeer aan.
2) 12 augustus 2025 haalt betrokkene uit naar een verpleegkundige als medicatie wordt aangeboden.
3) Bij diverse gesprekken met betrokkene gaat hij op luid dreigende toon schreeuwen en schoppen en bonzen op deuren.
4) Betrokkene veroorzaakte in de [B&B] overlast: hij stond te schreeuwen en klopte 's avonds op deuren. Hij had kinderen van een andere gast op de kamer en nadien gaven de kinderen aan dat daar vervelende dingen waren gebeurd.”
3.35
Met betrekking tot de maatregelen ter afwending van het ernstig nadeel vermeldt de medische verklaring onder meer dat de psychiater het niet mogelijk acht de noodzakelijke zorg op vrijwillige basis te verlenen. Dit is als volgt toegelicht onder rubriek 7.d. van de medische verklaring:
“Er wordt onderzocht hoe betrokkene’s vervolgzorg vorm te geven. Betrokkene kan niet verplicht worden gerepatrieerd, hetgeen hij momenteel ook niet wil. Op dit moment wordt betrokkene’s belevingswereld nog volledig gekleurd door de paranoïde wanen, terwijl hij al enige tijd vrij van cannabis is. Hoewel ziektebesef voorheen ook afwezig was en ook niet te verwachten is dat dit nu plotseling zal ontstaan, staat zijn huidige functioneren terugkeer in de samenleving nog in de weg. Betrokkene is weliswaar voornemens Nederland snel te verlaten en ontstaat daarmee veiligheid voor mensen die zich in Nederland begeven, maar daarmee is betrokkene’s eigen psychisch functioneren nog niet afdoende hersteld. Betrokkene heeft eerder in psychotische episoden contact met ouders willen afhouden, maar in andere doen is er wel ruimte om met hen te spreken. Zo kan er wellicht naar langere behandeling ruimte ontstaan om met betrokkene te onderzoeken hoe hij weer zijn rondreis verder kan organiseren zonder zich weer met ernstig nadeel optredend bij psychotische episoden te presenteren. Ten tijde van de beoordeling geeft betrokkene aan niet opgenomen te willen zijn. Op de dag van beoordeling heeft betrokkene diverse malen medicatie geweigerd.”
3.36
In de bevindingen van de geneesheer-directeur van 18 augustus 2025 staat onder meer:
“(…) De verzochte duur is 3 maanden daar het aannemelijk is dat dit voldoende is voor adequate behandeling en stabilisatie waarna repatriëring kan plaatsvinden.
(…)”
3.37
Tijdens de mondelinge behandeling van 3 september 2025 heeft de psychiater blijkens het proces-verbaal, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (onderstrepingen van mij):
“Psychiater: betrokkene is als scout naar Nederland gekomen. Hij zocht kinderen voor voetbalteams. Hij wilde miljoenen investeren en hij was een programma aan het ontwikkelen voor een beter leven voor kinderen. Het gaat beter met betrokkene dan aan het begin van de opname. We zien een psychotisch beeld dat langzaam verbleekt. De psychotische uitspraken gaan meer naar de achtergrond. Betrokkene is het niet eens met de psychose, ook niet na een second opinion waar hetzelfde is uitgekomen. We hebben in de kliniek bereikt wat we konden bereiken. Wat hij aan ambulante zorg nodig heeft kan in Nederland niet gerealiseerd worden. Betrokkene heeft geen inkomen en geen netwerk in Nederland. Ambulante nazorg zou wel nodig zijn voor betrokkene. Er is contact geweest met zijn familie in Engeland. Zij onderschrijven de situatie. Ik heb begrepen dat de uitspraken juist zijn. Hij zou in Amerika hebben gewerkt als scout, maar ik weet niet of dit de laatste jaren ook zo was. Betrokkene doet losse psychotische uitspraken. Betrokkene heeft een zorgmachtiging in Engeland. Wij zijn al weken met hem in gesprek vanwege repatriëring. Hier verzet hij zich tegen, ik denk vanuit psychotische ideeën. Hij zegt nu dat hij een klokkenluider is, waardoor zijn leven in gevaar is. Eerder zei hij dat hij niet wilde. Ik denk wel dat dat nodig is. Dus daarom de vraag of wij hem mogen repatriëren naar Engeland onder de zorgmachtiging. Er is eerder een uitspraak van de rechtbank Rotterdam geweest, waardoor iemand onder repatriëring naar Engeland is gebracht, onder de zorgvorm aanbrengen beperkingen.
(…)
Psychiater: ik kan de zorg in Nederland niet verder vorm geven. Ik denk dat het medisch noodzakelijk is. We hebben gekeken naar vervoer, maar daarvoor willen we de juiste onderlegger hebben. Het zou binnen een week kunnen, ik denk via DTenV. Als hij hier zou wonen, zou hij met het FACT team met ontslag kunnen gaan, maar dat is niet het geval.
(…)
Psychiater: betrokkene heeft eerder gezegd dat hij naar Spanje zal gaan. In dat geval laten wij hem los. Wij hebben de zorgmachtiging nodig om betrokkene te repatriëren, verder niks. Wij hebben al het voorwerk al gedaan. Als de rechter zegt dat dit buitenproportioneel is, laten wij hem los. We weten niet hoe lang betrokkene al in Nederland is, maar hij heeft een chronisch psychotische stoornis. Hij is of weggelopen naar Nederland, of hij is hier voor een vakantie gekomen.
(…)
Psychiater: we weten dat betrokkene een zorgmachtiging heeft omdat we contact hebben gehad met het ziekenhuis en de behandelaren van betrokkene.
(…)
Psychiater: betrokkene staat op het punt om zijn visumvoorwaarden te schenden. Hij heeft een visum voor 90 dagen, daarna is hij ongewenst vreemdeling. Dan kunnen we volgens mij helemaal niks, maar het zit er wel aan te komen. Hier zijn wij achter gekomen nadat we contact hebben gehad met vervoerders om onze mogelijkheden uit te zoeken. Mensen die vanuit het Verenigd Koninkrijk komen kunnen 90 dagen een visum krijgen, daarna moet je weer terug.
(…)”
3.38
Waar het accent in het verzoekschrift en de bijgevoegde zorginhoudelijke stukken lag bij het intomen van de psychose van betrokkene, blijkt dat ten tijde van de mondelinge behandeling dat inmiddels sprake is van een langzaam verblekend psychotisch beeld, waarbij ambulante zorg noodzakelijk is. Daaruit kan echter, anders dan het middel betoogt, niet worden afgeleid dat geen sprake meer is van ernstig nadeel.
3.39
Gelet op de hiervoor geciteerde passages uit de stukken van het geding is het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.2 en 4.3 over het ernstig nadeel niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd in de daaropvolgende r.o. 4.4, 4.5 en 4.7. Ik wijs er in het bijzonder op dat de rechtbank overweegt dat het toestandsbeeld van betrokkene stabieler is vanwege de (medicamenteuze) behandeling in de kliniek (r.o. 4.5), maar dat het ernstig nadeel opnieuw zal intreden als hij de kliniek zal verlaten en zijn medicatie zal staken (r.o. 4.7).
3.40
Gelet op het voorgaande faalt onderdeel 1.b. grotendeels.
3.41
Voor zover in het onderdeel ook de klacht moet worden gelezen dat de rechtbank aan de beoordeling van het ernstig nadeel niet ook de politie-, strafrechtelijke en justitiële gegevens ten grondslag heeft gelegd, slaagt deze in het voetspoor van onderdeel 1.a.
Onderdeel 1.c: repatriëring onder de Wvggz?
3.42
In onderdeel 1.c klaagt betrokkene, zo begrijp ik, dat de rechtbank ten onrechte repatriëring als vorm van verplichte zorg in de zorgmachtiging heeft opgenomen. Volgens betrokkene miskent de rechtbank daarmee dat de Wvggz geen grondslag voor onvrijwillige repatriëring biedt. Repatriëring valt niet onder de in artikel 3:4 Wvggz limitatief opgesomde doelen van de Wvggz en ook maakt het geen deel uit van de taak van de zorgaanbieder. Repatriëring kan ook niet worden geschaard onder de vorm van verplichte zorg “het aanbrengen van beperkingen het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten” (art. 3:2 lid 2 onder h Wvggz). Die vorm van verplichte zorg is er slechts op gericht te bewerkstelligen dat een betrokkene het gedrag dat de maatregel beoogt te voorkomen voortaan doet of nalaat, aldus betrokkene.
3.43
Mijns inziens slaagt dit onderdeel. Ik licht dit als volgt toe.
3.44
Het oordeel van de rechtbank begrijp ik niet zo dat repatriëring van betrokkene naar Engeland het doel van de verplichte zorg is. Het door de rechtbank geformuleerde doel is het voorkomen van ernstig nadeel (r.o. 4.6 en vgl. art. 3:4, onder b, Wvggz), waarbij repatriëring door de rechtbank als een van de vormen van verplichte zorg is toegewezen om dit doel te bereiken. Voor zover dit onderdeel tot uitgangspunt neemt dat de rechtbank de repatriëring als doel op zich beschouwt, mist het feitelijke grondslag en kan het dus niet tot cassatie leiden. De vraag of repatriëring valt onder de doelen van de Wvggz als geformuleerd in artikel 3:4 Wvggz, hoeft dus niet te worden beantwoord. Overigens meen ik dat dit niet het geval is.
3.45
De vraag die wel moet worden beantwoord is of repatriëring als vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2 Wvggz moet worden gezien en aldus tegen de zin van een betrokkene kan plaatsvinden op basis van een zorgmachtiging. Deze vraag raakt ook aan de vraag of repatriëring een taak van de zorgaanbieder is.
3.46
Bij de bespreking van het onderdeel, voor zover dat op deze vragen ziet, stel ik het volgende voorop.
Verdragsrechtelijk kader: EVRM
3.47
Artikel 5 EVRM beschermt het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Artikel 5 EVRM biedt waarborgen voor de bescherming tegen de ontneming van vrijheid (zie ook art. 15 Grondwet). Het ziet niet op de beperking daarvan. Situaties van vrijheidsbeperking vallen onder artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM (hierna: VP), dat het recht om zich vrijelijk te bewegen en de vrijheid om een land te verlaten beschermt. Op grond van dit artikel heeft een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfsplaats te kiezen (lid 1). Ook heeft een ieder het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten (lid 2).
3.48
Het onderscheid tussen vrijheidsontneming en vrijheidsbeperking is niet altijd even duidelijk. Volgens het EHRM is er geen hard onderscheid tussen deze begrippen, maar is sprake van een gradueel verschil en moet aan de hand van de concrete omstandigheden van een geval worden bezien van welke situatie sprake is. Hoe meer de beperkingen lijken op detentie, hoe eerder sprake is van een vrijheidsontneming in de zin van artikel 5 EVRM. Daarbij moet worden gelet op omstandigheden als de aard, duur, gevolgen en wijze van uitvoering van de beperkingen. Zo heeft het EHRM in het kader van het vreemdelingenrecht geoordeeld dat het vasthouden van asielzoekers in de transitruimte van een vliegveld kan worden beschouwd als vrijheidsbeperking, maar dat het ook vrijheidsontneming kan zijn als dit voor langere tijd gebeurt.
3.49
Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat een gedwongen opname in een psychiatrische kliniek valt onder vrijheidsontneming in de zin van artikel 5 EVRM. Een overplaatsing van een gesloten afdeling in een psychiatrische kliniek naar een kliniek met een lichter regime was volgens het EHRM aan te merken als vrijheidsontneming omdat het de betrokkene niet was toegestaan de inrichting te verlaten. Een uitreisbeperking voor een psychiatrisch patiënt die in het thuisland gedwongen was opgenomen, viel volgens het EHRM onder het toepassingsbereik van artikel 2 VP.
3.50
Of een gedwongen repatriëring van een psychiatrisch patiënt een vrijheidsontneming of vrijheidsbeperking oplevert, is een vraag die naar mijn weten niet door het EHRM beantwoord is. Die vraag zal, gelet op het voorgaande, ook niet in algemene zin te beantwoorden zijn, maar afhangen van de omstandigheden van het geval. Zo is bijvoorbeeld relevant de vraag of in het land waarnaar de betrokkene gerepatrieerd wordt ook sprake zal zijn van een gedwongen opname of behandeling, of dat betrokkene daar op vrijwillige basis zorg zal ontvangen. Ook is relevant of de betrokkene rechtmatig verblijft in het land van waaruit de repatriëring plaatsvindt. Is dat niet het geval, dan mist artikel 2 VP immers sowieso toepassing (zie hiervoor onder 3.47).
3.51
Het onderscheid tussen vrijheidsontneming en vrijheidsbeperking is relevant omdat artikel 5 EVRM en artikel 2 VP andere voorwaarden kennen voor de beperking van de respectievelijke rechten. Voor beide bepalingen geldt in de eerste plaats dat slechts onder de voorwaarde van – kort gezegd – een wettelijke regeling beperkingen kunnen worden gemaakt. Zo schrijft artikel 5 lid 1 EVRM voor dat vrijheidsontneming is toegestaan in bepaalde, limitatief opgesomde gevallen, mits voldaan is aan het algemene vereiste dat dit overeenkomstig een wettelijk omschreven procedure geschiedt (‘a procedure prescribed by law’). Die wettelijke regeling moet bovendien voldoende voorzienbaar zijn om willekeur te voorkomen. Artikel 2 lid 3 VP laat beperkingen toe voor zover die zijn toegestaan op grond van een voorzienbare wettelijke regeling (voorzien bij wet, of ‘in accordance with law’), en de beperking noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid of openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, ter voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
3.52
Dat brengt mij weer bij de vraag of repatriëring kan worden gezien als toepassing van een door de Wvggz gereguleerde vorm van verplichte zorg. Daarbij komt ook de in klacht opgeworpen kwestie aan de orde of repatriëring tot de taak van de zorgaanbieder behoort.
Wet en wetsgeschiedenis
3.53
Artikel 3:2 lid 2 Wvggz bevat een limitatieve opsomming van de vormen van verplichte zorg die kunnen worden verleend op grond van de Wvggz:
a. toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
b. beperken van de bewegingsvrijheid;
c. insluiten;
d. uitoefenen van toezicht op betrokkene;
e. onderzoek aan kleding of lichaam;
f. onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
g. controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
h. aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
i. beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;
j. opnemen in een accommodatie;
k. ontnemen van de vrijheid van betrokkene door hem over te brengen naar een plaats die geschikt is voor tijdelijk verblijf als bedoeld in artikel 7:3, derde lid.
3.54
Uit de memorie van toelichting van de Wvggz volgt dat verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 3 Wvggz niet alleen “zorg in de zin van een medische behandeling gericht op het wegnemen van de psychische stoornis” omvat. Het kan ook om andere interventies gaan, bijvoorbeeld met betrekking tot de beveiliging van zorgverleners en/of de personen die samen met de betrokkene in de accommodatie verblijven.
3.55
In de tweede nota van wijziging is het volgende opgemerkt met betrekking tot de keuze van de wetgever om de vormen van verplichte zorg niet meer in detail in de wet te omschrijven:
“De dwangmaatregelen die onder verplichte zorg vallen, zijn limitatief opgesomd. Dat is gedaan om betrokkene meer rechtswaarborgen te bieden over de dwangmaatregelen die toegepast kunnen worden. Er zijn dus geen andere dwangmaatregelen mogelijk dan de maatregelen die hier worden genoemd. Daarmee wordt voor een deel tegemoet gekomen aan de aanbeveling van ZonMw om de vormen van verplichte zorg preciezer te omschrijven. Er is echter niet voor gekozen om de afzonderlijke vormen van verplichte zorg (nog) verder te detailleren, omdat dat nieuwe, positieve, ontwikkelingen in het professionele veld in de weg zou kunnen staan. Een voorbeeld waar verdere detaillering belemmerend zou kunnen werken, is de in het oorspronkelijke wetsvoorstel opgenomen maatregel «afzondering of separatie in een daartoe geschikte verblijfsruimte». Daarom wordt voorgesteld deze maatregel niet specifiek te benoemen, maar te scharen onder het meer algemene «insluiten». Hiermee worden allerlei positieve ontwikkelingen zoals de separatie ruimtes die worden vervangen door zogenoemde «extra beveiligde kamer» en het ontstaan van afdelingen met «high intensive care» voor deze doelgroep, niet in de weg gestaan. Bovendien kan een verdergaande detaillering betrokkene de mogelijkheid ontnemen om – indien mogelijk – te kiezen voor een alternatief dat hij als minder belastend ervaart.”
3.56
In de wetsgeschiedenis komt de vraag of repatriëring kan worden aangemerkt als een van de vormen van verplichte zorg van artikel 3:2 lid 2 Wvggz niet aan de orde. Ook zijn in de wetsgeschiedenis geen aanwijzingen te vinden dat een vergaande inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van een betrokkene als repatriëring kan worden aangemerkt als vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2 Wvggz. Daarbij heb ik in het bijzonder gezocht naar aanwijzingen voor de mogelijkheid van repatriëring op grond van artikel 3:2 lid 2, onder h Wvggz: het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg heeft dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank de gedwongen repatriëring immers onder deze vorm van verplichte zorg geschaard. In de tweede nota van wijziging wordt bij deze zorgvorm bijvoorbeeld gedacht aan douchen onder dwang, een praktische vorm van zorg die slechts beperkt ingrijpt in het leven van betrokkene.
3.57
Slechts wanneer repatriëring als verplichte vorm van zorg onder de zorgmachtiging zou vallen, zouden de zorgaanbieder, de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke bij de uitvoering van de zorgmachtiging zo nodig de hulp inroepen van personen met kennis en ervaring met het verlenen van zorg en verplichte zorg en van ambtenaren van politie om een betrokkene te begeleiden bij het vervoer naar het buitenland (art. 8:10 Wvggz). Blijkens de wetsgeschiedenis ziet deze bepaling mede op het vervoer van een betrokkene door bijvoorbeeld ambulancepersoneel. De wetsgeschiedenis biedt echter geen aanwijzingen dat het hierbij ook om vervoer voorbij de landsgrenzen zou gaan.
3.58
Van een beslissing tot overplaatsing door de geneesheer-directeur op grond van artikel 8:16 Wvggz kan slechts sprake zijn bij het toewijzen van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging aan een andere geneesheer-directeur, zorgaanbieder of zorgverantwoordelijke. Gelet op de begripsbepalingen in artikel 1:1, onder i, w en aa, Wvggz betreft dit de overdracht naar andere personen en instanties in Nederland.
3.59
Voor zover repatriëring al onder een van de zorgvormen van artikel 3:2 lid 2 Wvggz te brengen zou zijn, zou artikel 8:16 van de Wvggz dus niet voorzien in een beslissing tot overplaatsing naar een buitenlandse zorgaanbieder.
Rechtspraak
3.60
De Hoge Raad heeft zich nog niet eerder hoeven uitlaten of het toepassingsbereik van de Wvvgz (of de Wzd of de Wet Bopz) zich uitstrekt tot gedwongen repatriëring.
3.61
In een uitspraak uit 2022 heeft de Hoge Raad zich wel gebogen over een andere ingrijpende maatregel: gedwongen anticonceptie. Uit die uitspraak over de vraag of gedwongen anticonceptie onder het toepassingsbereik van de Wvggz valt, vloeit voort dat de Hoge Raad uiterst terughoudend is met het bevestigend beantwoorden van die vraag, zich bewust van de politieke afwegingen en keuzes dienaangaande die op de weg van de wetgever liggen:
“3.2.1 Art. 8 lid 1 EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn briefwisseling. Art. 8 EVRM beschermt onder meer het recht om over het eigen lichaam te beschikken en keuzes te maken rond het stichten van een gezin, waaronder het recht om zelf te beslissen om al dan niet zwanger te worden en om wel of niet genetisch ouder te worden. De aan art. 8 EVRM te ontlenen rechten en vrijheden zijn niet absoluut: zij kunnen beperkt worden als dat noodzakelijk is in een democratische samenleving in het belang van, onder meer, de bescherming van de gezondheid en de rechten en vrijheden van anderen (art. 8 lid 2 EVRM). Daartoe is vereist dat de beperking bij wet is voorzien, en voldoet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Het vereiste dat de beperking bij wet is voorzien houdt mede in dat de beperking daaruit met een in de gegeven omstandigheden redelijke mate van voorzienbaarheid voortvloeit.
3.2.2
De politieke afwegingen en keuzes die verbonden zijn aan beantwoording van de vragen of, en zo ja, op welke wijze, bij wet moet worden voorzien in een inmenging in het recht zelf te beslissen om al dan niet zwanger te worden, liggen op de weg van de wetgever. De Wvggz bevat geen bepaling of regeling die specifiek ziet op het gedwongen toepassen van anticonceptiemiddelen. In de parlementaire geschiedenis van de Wvggz is geen aandacht besteed aan de vraag of het gedwongen toepassen van anticonceptiemiddelen kan gelden als vorm van verplichte zorg onder de Wvggz. Gelet op het hiervoor in 3.2.1 genoemde vereiste dat gedwongen anticonceptie, als beperking van de aan art. 8 EVRM te ontlenen rechten, bij wet is voorzien, betekent dit dat, behoudens in de hierna in 3.2.3 te bespreken gevallen, de Wvggz geen wettelijke grondslag biedt voor gedwongen anticonceptie. In het bijzonder biedt de Wvggz geen wettelijke grondslag voor het verplicht toepassen van anticonceptiemiddelen ter voorkoming van zogenoemd onverantwoord ouderschap of van ernstige nadelen die voor de betrokkene zouden zijn verbonden, niet zozeer aan de zwangerschap of de bevalling zelf, maar aan het krijgen van een kind. De Wvggz biedt evenmin een grondslag voor verplichte anticonceptie ter voorkoming van ernstig nadeel voor een toekomstig kind.
3.2.3
Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin een zwangerschap voor de betrokkene medisch onverantwoord is omdat de zwangerschap of de bevalling zelf een aanzienlijk risico op levensgevaar of op ernstig lichamelijk letsel of ernstige psychische schade voor de betrokkene meebrengt, en waarin het voorkomen van een zwangerschap daarom noodzakelijk is. In zodanig geval kan, indien de betrokkene lijdt aan een psychische stoornis als bedoeld in art. 3:3 Wvggz, anticonceptie (waaronder niet begrepen sterilisatie) worden aangemerkt als ‘het toedienen van medicatie dan wel het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening’ als bedoeld in art. 3:2 lid 2, onder a, Wvggz. Een medische behandeling van een psychische stoornis of lichamelijke aandoening kan immers ook gericht zijn op voorkoming van gezondheidsschade als gevolg van die stoornis of aandoening.
Het ontbreken van een bepaling in de Wvggz die specifiek ziet op gedwongen anticonceptie staat niet eraan in de weg om te aanvaarden dat voor de hier bedoelde gevallen van dreigende ernstige gezondheidsschade als gevolg van de zwangerschap of bevalling zelf, voldoende duidelijk en voorzienbaar is dat de Wvggz – mits tevens voldaan is aan de overige voorwaarden van de Wvggz voor het toepassen van verplichte zorg – op basis van een door de rechter verleende machtiging toepassing van anticonceptiemiddelen als vorm van verplichte zorg als bedoeld in art. 3:2 lid 2, onder a, Wvggz, mogelijk maakt. De Wvggz moet daarom geacht worden voor deze gevallen wel een wettelijke grondslag te vormen als geëist door art. 8 lid 2 EVRM (zie hiervoor in 3.2.2).
Voor andere gevallen van ‘ernstig nadeel’, genoemd in art. 1:1 lid 2 Wvggz, dan een aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel of ernstige psychische schade als gevolg van de zwangerschap of bevalling zelf biedt de Wvggz niet die voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag.
(…)”
3.62
Vervolgens gaat de Hoge Raad in op de vraag onder welke vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2 Wvggz verplichte anticonceptie bij ernstig nadeel door zwangerschap of bevalling valt:
“3.2.5 Verplichte anticonceptie kan, anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, niet worden aangemerkt als ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten’ als bedoeld in art. 3:2 lid 2, onder h, Wvggz. Omdat ‘het toedienen van medicatie dan wel het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen’ reeds als vorm van verplichte zorg is geregeld in art. 3:2 lid 2, onder a, Wvggz, moet worden aangenomen dat ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten’ als bedoeld onder h van die bepaling, slechts ziet op andere zorgvormen dan het verrichten van medische handelingen en therapeutische maatregelen. Ook in zoverre treft het onderdeel doel.”
3.63
De Hoge Raad volgt daarmee de lijn van A-G Lückers in haar conclusie. Ook zij ziet een mogelijkheid om gedwongen anticonceptie in gevallen van ernstig nadeel te scharen onder artikel 3:2 lid 2,onder a, Wvggz. Daarbij merkt zij wel op dat gedwongen anticonceptie volgens haar specifieke wetgeving vereist.
3.64
In zijn NJ-annotatie bij deze uitspraak merkt Legemaate op dat het oordeel van de Hoge Raad – dat artikel 3:2 lid 2, onder a Wvggz de door artikel 8 lid 2 EVRM vereiste wettelijke grondslag biedt en het om een beperking (gedwongen anticonceptie) gaat die met een in de gegeven omstandigheden redelijke mate van voorzienbaarheid uit die wettelijke grondslag voortvloeit – een “tikje onbevredigend” is. Daarbij wijst Legemaate naar “het nogal specifieke rijtje van vormen van verplichte zorg dat te vinden is in art. 3:2 lid 2 Wvggz”. Volgens Legemaate zou het beter zijn dat de wetgever naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad de optie van verplichte anticonceptie expliciet opneemt.
Toepassing van artikel 3:2 lid 2, onder h, Wvggz in de rechtspraak
3.65
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de gedwongen repatriëring tot aan de overdracht aan de Engelse zorgverleners op het vliegveld in Engeland geschaard onder het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten (art. 3:2 lid 2, onder h, Wvggz).
3.66
Naast de besteden beschikking trof ik in de rechtspraak één ander voorbeeld aan van een zaak waarin de rechtbank repatriëring verplicht stelde op grond van de Wvggz. De rechtbank Rotterdam bracht in die zaak de gedwongen repatriëring ook onder de verplichte zorgvorm van art. 3:2 lid 2, onder h, Wvggz:
“2.6. De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
(…)
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het meewerken aan de terugkeer naar het VK, waarbij betrokkene door twee verpleegkundigen wordt begeleid tot aan de overdracht aan de Britse zorgverleners op het vliegveld in het VK;
(…)”
3.67
De rechtbank Rotterdam wijdt verder geen overwegingen aan hetgeen zij kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen, namelijk dat repatriëring valt onder het toepassingsbereik van de Wvggz.
3.68
Uit overige rechtspraak blijkt dat onder de verplichte zorgvorm van artikel 3:2 lid 2, onder h, Wvggz minder ingrijpende maatregelen dan gedwongen repatriëring worden toegewezen, zoals ik hierna toelicht.
3.69
In 2023 oordeelde de Hoge Raad dat het afsluiten van de watertoevoer op de kamer van betrokkene kan worden aangemerkt als een vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2, onder h Wvggz. Een dergelijke maatregel is immers erop gericht te bewerkstelligen dat de betrokkene het gedrag dat de maatregel beoogt te voorkomen voortaan nalaat, aldus de Hoge Raad.
3.70
In de feitenrechtspraak zijn verder als vormen verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2, onder h, Wvggz aangemerkt onder andere: toestaan van begeleiding in de zelfzorg, zich houden aan afspraken met het FACT-team, de inname van een bankpas accepteren, de beperking van de vrijheid om een auto te besturen, de verplichting om dagelijks elders naar een dagbesteding te gaan om thuis agressie te voorkomen en tijdelijke ontzegging van toegang tot de kliniek wegens afdelingsontwrichtend gedrag. Ook kan het gaan om een beperking in het gebruik van communicatiemiddelen, zoals een telefoon of laptop.
Repatriëring in de feitenrechtspraak
3.71
Zoals hiervoor onder 3.66 bleek, is mij naast de bestreden beschikking, slechts één andere, Rotterdamse, uitspraak bekend waarin gedwongen repatriëring als vorm van verplichte zorg is toegewezen.
3.72
Uit de feitenrechtspraak onder de Wvggz, waarin een voorgenomen repatriëring aan de orde kwam, blijkt dat in de meeste van die gevallen de zorgmachtiging wordt aangewend om (ook) toe te werken naar een vrijwillige en veilige repatriëring, waarbij die repatriëring geen niet als verplichte zorgvorm wordt toegewezen. Ook komt het voor dat een machtiging wordt verleend ter overbrugging van de periode tot repatriëring.
3.73
Daarnaast is de rechtbank Amsterdam tweemaal inhoudelijk ingegaan op de kwestie van gedwongen repatriëring. De eerste zaak betrof een klachtzaak waarin aan de orde gesteld werd of het besluit van de geneesheer-directeur tot gedwongen repatriëring van betrokkene naar Zweden ten onrechte genomen was omdat een wettelijke grondslag in de Wvggz daarvoor ontbrak. De rechtbank beantwoordde die vraag bevestigend en kende – onder meer maar met name vanwege de onterechte repatriëring – een relatief hoge schadevergoeding toe aan betrokkene:
“2.4.2. De vraag is vervolgens of het besluit tot repatriëring had mogen worden genomen op grond van de Wvggz. Het besluit tot repatriëring kan allereerst niet worden beschouwd als een beslissing tot overplaatsing in de zin van artikel 8:16 van de Wvggz. Artikel 8:16 ziet immers op overdracht aan een andere zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke. Op grond van de in artikel 1:1 van de Wvggz genoemde begripsbepalingen dienen onder deze begrippen personen en instanties te worden verstaan die zijn aangewezen in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (voor zover het de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke betreft), dan wel een rechtspersoon die vrijwillige en verplichte zorg kan verlenen zoals bedoeld in artikel 3:2 van de Wvggz (voor zover het de zorgaanbieder betreft). Het betreft hier personen en instanties in Nederland. Artikel 8:16 van de Wvggz voorziet niet in overdracht naar een buitenlandse zorgaanbieder. Dit artikel is dan ook niet van toepassing in de onderhavige situatie.
2.4.3.
De stelling van Arkin dat, nadat klaagster de kliniek heeft verlaten, DT&V de verantwoordelijkheid voor klaagster heeft overgenomen en in zoverre mogelijk verantwoordelijk is geworden voor de repatriëring, vindt evenmin een wettelijke grondslag in de Wvggz. Daartoe geldt het volgende. Op grond van artikel 8:10 Wvggz mogen de geneesheer-directeur, de zorgverantwoordelijke en de zorgaanbieder bij de uitvoering van de crisismaatregel of zorgmachtiging de hulp inroepen van personen met kennis en ervaring met het verlenen van zorg en verplichte zorg en van ambtenaren van politie. Blijkens de toelichting op dit wetsartikel wordt hiermee ook het vervoer bedoeld door bijvoorbeeld ambulancepersoneel vanuit een ambulante situatie naar een kliniek. In zoverre kan de verplichte zorgvorm ‘beperken van de bewegingsvrijheid’, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, in sommige gevallen en onder strikte voorwaarden wel buiten de kliniek worden toegepast, bijvoorbeeld bij het vervoeren van een betrokkene. Hierbij geldt altijd dat de algemene uitgangspunten zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wvggz in acht dienen te worden genomen. Nu zoals hierboven is overwogen, de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel niet was beëindigd, moet ook het vervoer van klaagster van de kliniek naar het vliegveld en zelfs verder tot aan de grens begrepen worden als een gevolg van de beslissing van Arkin om klaagster te repatriëren. Van een zelfstandige beslissing van DT&V is immers op geen enkele manier sprake.
2.4.4.
Op grond van het voorgaande was de Wvggz van toepassing op de situatie van klaagster. In de Wvggz is echter geen grondslag te vinden voor een besluit tot repatriëring tegen iemands wil.
Vastgesteld moet dan ook worden dat klaagster als EU-onderdaan tegen haar wil naar Zweden is overgebracht terwijl daarvoor de wettelijke grondslag in de Wvggz ontbrak. Arkin heeft deze beslissing genomen, dat deze beslissing is uitgevoerd door DT&V maakt dit niet anders. De klacht van klaagster is dan ook gegrond.
2.4.5
Met betrekking tot de klacht over de beperking van de bewegingsvrijheid binnen de kliniek, in die zin dat klaagster voornamelijk binnen moest blijven en slechts zeer beperkt naar buiten kon, zal de rechtbank conform de beslissing van de klachtencommissie oordelen. Daarbij is voor de rechtbank van belang dat de beslissing om klaagster op deze manier te beperken in haar bewegingsvrijheid, niet is genomen in het kader van het verlenen van noodzakelijke zorg aan klaagster, maar in het kader van de aanstaande repatriëring. Gevreesd werd immers dat zij de kliniek zou verlaten voordat de repatriëring zou plaatsvinden. Nu het besluit tot repatriëren niet mocht worden genomen op grond van de Wvggz is ook het in het kader van die repatriëring toegepaste beperken van de bewegingsvrijheid geen proportionele maatregel geweest die in het kader van de zorg aan klaagster noodzakelijk was. Ook dit deel van de klacht is dan ook gegrond.
2.4.6.
Met name in de onterechte repatriëring ziet de rechtbank aanleiding om aan klaagster een schadevergoeding toe te kennen. Als gevolg van dit forse normovertredende en voor klaagster ingrijpende handelen heeft zij immers aanzienlijke immateriële schade geleden. Deze schade wordt begroot op het door klaagster verzochte bedrag van € 1700,- In dit bedrag is de schade geleden als gevolg van de onterechte beperking van de bewegingsvrijheid inbegrepen.”
3.74
Twee jaar later oordeelde rechtbank Amsterdam in vergelijkbare zin in het kader van een verzoek om een zorgmachtiging na een voortgezette crisismaatregel. De rechtbank wees het verzoek om in de machtiging een zorgvorm op te nemen op grond waarvan betrokkene kon worden verplicht terug te keren naar Finland af. De rechtbank oordeelde dat de Wvggz geen grondslag biedt voor repatriëring:
“2.3. (…)
In de Wvggz is geen grondslag te vinden voor een besluit tot repatriëring tegen iemands wil. Het besluit tot repatriëring kan allereerst niet worden beschouwd als een beslissing tot overplaatsing in de zin van artikel 8:16 van de Wvggz. Artikel 8:16 ziet immers op overdracht aan een andere zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke. Op grond van de in artikel 1:1 Wvggz genoemde begripsbepalingen dienen onder deze begrippen personen en instanties te worden verstaan die zijn aangewezen in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (voor zover het de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke betreft), dan wel een rechtspersoon die vrijwillige en verplichte zorg kan verlenen zoals bedoeld in artikel 3:2 Wvggz (voor zover het de zorgaanbieder betreft). Het betreft hier personen en instanties in Nederland. Artikel 8:16 Wvggz voorziet niet in overdracht aan een buitenlandse zorgaanbieder. Dit artikel is dan ook niet van toepassing in de onderhavige situatie. Gedwongen repatriëring valt ook niet onder de in artikel 3:2 Wvggz genoemde vormen van verplichte zorg, dan wel de in artikel 3:4 Wvggz genoemde doelen van verplichte zorg. Repatriëring is als zodanig niet specifiek genoemd in de wet en ook in de parlementaire geschiedenis van de Wvggz is geen steun te vinden voor de opvatting dat gedwongen repatriëring kan gelden als vorm van verplichte zorg onder de Wvggz. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het inzetten van verplichte zorg op grond van een Nederlandse (voortzetting) crisismaatregel en zorgmachtiging zich overigens ook beperkt tot de landsgrenzen. Buiten Nederland kan op basis van een (voortzetting) crisismaatregel of zorgmachtiging geen verplichte zorg worden verleend. Om die reden moet worden vastgesteld dat betrokkene niet op grond van de Wvggz tegen haar wil naar Finland kan worden overgebracht omdat er binnen de Wvggz geen wettelijke grondslag bestaat voor een gedwongen overbrenging. De omstandigheid dat de zorgaanbieder een zorgvuldig en overwogen protocol heeft ontworpen ten behoeve van verplichte repatriëring maakt dit oordeel niet anders, omdat alleen bij wet inbreuk mag worden gemaakt op de in het geding zijnde mensenrechten en grondrechten.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank repatriëring niet als (onderdeel van een) vorm van verplichte zorg of doel van verplichte zorg op kan nemen in de te verlenen voortzetting van de crisismaatregel.”
Literatuur
3.75
In zijn JGz-annotatie bij de hierboven beschreven klachtzaak die speelde bij de rechtbank Amsterdam onderschrijft Baken het oordeel van de rechtbank. Hij wijst erop dat terugkeer naar het land van herkomst geen doel is van de Wvggz en dat het uitzetten van personen geen taak is van de zorgaanbieder, maar van de minister van Asiel en Migratie. Zou repatriëring wel mogelijk zijn onder de Wvggz, dan zou dat volgens Baken een risico op oneigenlijk gebruik van de verplichte zorgmachtiging om asielzoekers met psychische problemen uit te zetten. Baken acht het terecht dat de rechtbank in deze zaak een relatief fors bedrag aan schadevergoeding toewees.
3.76
Van Sprundel-Jansen schrijft dat repatriëring van iemand tegen zijn wil naar diens land van herkomst “in ieder geval” niet onder een van de vormen van verplichte zorg van artikel 3:2 lid Wvggz valt, waarbij zij instemmend verwijst naar de genoemde Amsterdamse klachtzaak en de hierboven besproken annotatie van Bakens.
3.77
In een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant werd een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel verleend voor een week om, onder meer, opname van betrokkene tot de voorziene repatriëring naar Duitsland te bewerkstelligen. De repatriëring zelf maakte geen onderdeel uit van het verzoek dan wel de in de machtiging opgenomen vormen van verplichte zorg. In een redactionele JGz-noot onder deze uitspraak wordt gepleit voor een pragmatische en menselijke oplossingsrichting ten aanzien van repatriëring:
“Men zou zich nog kunnen afvragen of ten aanzien van de voorgenomen repatriëring de verplichte zorgvorm ‘beperken van de vrijheid het eigen leven in te richten (…)’ niet toegewezen had kunnen worden c.q. passend was geweest? Wellicht verzette betrokkene zich weliswaar tegen opname, maar niet tegen terugkeer naar zijn vertrouwde woon- en leefomgeving, daarover wordt in de beschikking niets genoemd. Ook kan men opwerpen dat de legitimatie van verplichte zorg op grond van de onderhavige beschikking gelimiteerd is tot de Nederlandse landsgrenzen. In de praktijk blijkt echter dat wanneer een persoon eenmaal (een eind) onderweg is naar de regio van herkomst, het zelden tot (hernieuwd) verzet komt.
De belangrijkste boodschap is kortom, zeker voor de clinicus practicus, dat verplichte zorg binnen de grenzen van de Wvggz repatriëring naar het land van herkomst kan schragen, en zodoende kan bijdragen aan een pragmatische en menselijke oplossingsrichting, voor dikwijls uitermate on plezierige, door bijvoorbeeld vakantie- of door arbeidsmigratie bepaalde omstandigheden.”
Bespreking van onderdeel 1.c.
3.78
Ik keer terug naar de bespreking van het onderdeel. Daarbij draait het in het bijzonder om de vraag of gedwongen repatriëring kan worden aangemerkt als vorm van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2 Wvggz.
3.79
Het scharen van repatriëring onder een van de vormen van verplichte zorg onder de Wvggz zou een pragmatische oplossing bieden voor situaties als aan de orde in deze zaak. Ik meen echter dat de Wvggz daarvoor geen grondslag biedt.
3.80
Of gedwongen repatriëring in dit geval moet worden aangemerkt als vrijheidsontneming dan wel vrijheidsbeperking, laat zich in cassatie niet goed beantwoorden. Zo is mij op basis van de gedingstukken duidelijk dat voor betrokkene ook in Engeland een zorgmachtiging is afgegeven, maar ik weet bijvoorbeeld niet of betrokkene in Engeland ook zou worden opgenomen of dat hij onder de Engelse zorgmachtiging ambulant zou worden geholpen. In het eerste geval meen ik dat sprake zou zijn van vrijheidsontneming in de zin van artikel 5 EVRM. In het tweede geval zou de gedwongen repatriëring, waarmee de gedwongen opname in Nederland wordt beëindigd, volgens mij aangemerkt moeten worden als vrijheidsbeperking in de zin van artikel 2 VP. Welk geval hier aan de orde is, kan voor de beoordeling van het cassatiemiddel echter in het midden blijven. Zowel artikel 5 EVRM als artikel 2 VP vereisen voor een beperking op de door deze bepalingen beschermde rechten immers een voorzienbare wettelijke basis.
3.81
Gedwongen repatriëring is een maatregel die diep ingrijpt in het leven van een persoon. Dat gedwongen repatriëring moet worden gezien als verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2, in het bijzonder onder h Wvggz, volgt allereerst niet uit de wettekst. Ook zijn hiervoor in de wetsgeschiedenis geen aanwijzingen te vinden. Het door de wetgever genoemde voorbeeld van “douchen onder dwang” wijst, als een zeer praktische vorm van zorg die slechts in beperkte mate ingrijpt in het leven van betrokkene, eerder op het tegendeel. Uit de rechtspraak blijkt dat de verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2, in het bijzonder onder h, Wvggz doorgaans vergelijkbare praktische en niet al te ingrijpende maatregelen omvat. In het geval van de wel zeer ingrijpende maatregel van gedwongen anticonceptie, oordeelde de Hoge Raad dat artikel 3:2 lid 2, onder a (en niet onder h) Wvggz, daarvoor in slechts zeer beperkte gevallen een grondslag biedt. Net als ten aanzien van gedwongen repatriëring, gaven wet en wetsgeschiedenis geen aanwijzingen voor toepasselijkheid van de Wvggz bij gedwongen anticonceptie.
3.82
Anders dan de Hoge Raad oordeelde in de gedwongen anticonceptiezaak, acht ik het niet goed voorstelbaar dat gedwongen repatriëring onder bijzondere omstandigheden tòch kan vallen onder een van de vormen van verplichte zorg. Voor het voorkomen van ernstig nadeel door zwangerschap of bevalling is maar één mogelijkheid: het niet laten ontstaan van een zwangerschap. Dit zou voor gedwongen repatriëring betekenen dat dit mogelijk zou zijn als het zich bevinden in Nederland ernstig nadeel voor een betrokkene oplevert, wat op zich wel denkbaar is, en dat dit alleen zal kunnen worden opgelost door betrokkene te repatriëren. Dat laatste vind ik moeilijk voorstelbaar. Zo is het bijvoorbeeld ook mogelijk om onder een zorgmachtiging toe te werken naar vrijwillige repatriëring. Dit zal in ieder geval eerst geprobeerd moeten worden. Bovendien geldt voor betrokkene zonder geldige verblijfstitel dat zij kunnen worden gerepatrieerd door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in overeenstemming met de daarvoor geldende procedurevoorschriften. En zo zullen er nog meer knoppen zijn waaraan in individuele gevallen gedraaid kan worden. Ik denk bijvoorbeeld aan het inschakelen van familie voor vrijwillige repatriëring.
3.83
Zou de wetgever gedwongen repatriëring mogelijk willen maken onder de Wvggz, dan zou dat volgens mij neergelegd moeten worden in een specifieke wettelijke regeling, waarin de voorwaarden waaronder dit kan plaatsvinden zijn neergelegd. Kan een betrokkene bijvoorbeeld gerepatrieerd worden naar ieder land, of dient het land een bepaalde kwaliteitstoets ten aanzien van geestelijke gezondheidszorg te kunnen doorstaan? En kan alleen worden gerepatrieerd als in het land van herkomst al een zorgmachtiging voor betrokkene geldt? Mag repatriëring alleen plaatsvinden als betrokkene zich nog maar kort in Nederland bevond en ook maar kort zou blijven, of is het ook mogelijk bij een betrokkene die pas net in Nederland verblijft, maar wel met het idee om zich hier permanent te vestigen?
3.84
Zou de wetgever gedwongen repatriëring ongeclausuleerd onder een van de vormen van verplichte zorg in de zin van artikel 3:2 lid 2 Wvggz scharen, dan zou dat betekenen dat het aan de zorgaanbieder, de officier van justitie en de rechter wordt overgelaten te oordelen over deze vragen en de overige voorwaarden voor gedwongen repatriëring. Dit is echter bij uitstek een taak van de wetgever. Zonder een specifieke regeling zou volgens mij niet worden voldaan aan de eis van voorzienbaarheid, die wordt gesteld aan inbreuk op de rechten beschermd door zowel artikel 5 EVRM als artikel 2 VP.
3.85
Voor zover de klacht inhoudt dat repatriëring niet kan worden geschaard onder de vorm van verplichte zorg “het aanbrengen van beperkingen het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten” (art. 3:2 lid 2 , onder h, Wvggz) en ook geen deel uitmaakt van de taak van de zorgaanbieder, slaagt deze. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en heeft zij ten onrechte in de zorgmachtiging de gedwongen repatriëring van betrokkene naar Engeland opgenomen, door te bepalen dat betrokkene moet meewerken aan de terugkeer naar Engeland, waarbij betrokkene door twee zorgmedewerkers wordt begeleid tot aan de overdracht aan de Engelse zorgverleners op het vliegveld in Engeland. Onderdeel 1.c. slaagt dus.
Onderdeel 2: artikel 5 EVRM
3.86
In onderdeel 2 klaagt betrokkene dat, vanwege het in onderdeel 1 aangevoerde, niet heeft geoordeeld en beslist ‘in accordance with a procedure prescribed by law’ en dat de vrijheidsbenemende maatregel (ik begrijp: de repatriëring) niet kan worden aangemerkt als ‘a lawful detention of [a person] of unsound mind’. Gelet op het slagen van onderdeel 1.c behoeft deze klacht geen bespreking meer. Volledigheidshalve verwijs ik naar 3.50 en 3.80, waarin ik inga op de vraag of (de onderhavige) repatriëring kan worden aangemerkt als vrijheidsontneming in de zin van artikel 5 EVRM en/of als vrijheidsbeperking in de zin van artikel 2 VP.
Slotsom
3.87
Nu de onderdelen 1.a. en 1.c. slagen en onderdeel 1.b. deels slaagt, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Naast deze twee zaken waarin stukken bij het verzoekschrift ontbreken, zijn er in ieder geval nog twee zaken waarin de ICT-problemen bij het openbaar ministerie een rol spelen (25/04253 en 25/04098). In deze andere zaken gaat het erom, voor zover hier van belang, dat het verzoekschrift niet is ondertekend door de officier van justitie. In deze laatstgenoemde zaken heb ik op 17 juli jl. geconcludeerd (ECLI:NL:PHR:2026:736 en ECLI:NL:PHR:2026:738).
Ontleend aan r.o. 4.4 van de bestreden beschikking. Deze vaststelling door de rechtbank is in cassatie niet bestreden.
Dit blijkt uit het verzoekschrift van de officier van justitie voor de zorgmachtiging in aansluiting op de machtiging voortzetting crisismaatregel.
Het proces-verbaal bevindt zich in het procesdossier van de officier van justitie. Het procesdossier van betrokkene bevat niet het proces-verbaal, omdat dit ten tijde van indiening van het procesdossier nog niet beschikbaar was (zie hierna voetnoot 8).
ECLI:NL:RBNNE:2025:4966. De beschikking is mondeling gegeven op 3 september 2025 en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 4 september 2025.
R.o. 5.2 van de bestreden beschikking (dictum).
Kennelijk bedoelt de rechtbank hier: storing.
Betrokkene heeft zich in zijn procesinleiding het recht voorbehouden om na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 september 2025 zijn cassatiemiddel aan te vullen dan wel te wijzingen, omdat het proces-verbaal nog niet beschikbaar was ten tijde van het indienen van de procesinleiding. Van dit voorbehoud heeft betrokkene geen gebruik gemaakt.
Betrokkene verwijst naar Kst. II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 165-166.
Kst. II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 162.
Kst. II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 166.
Deze kennelijke verschrijving heb ik laten staan. De bedoeling van de zin is duidelijk.
Zie bijv. rb. Rotterdam 15 januari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:813, JGz 2021/32 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 1.1 en rb. Rotterdam 18 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7268, r.o. 1.1.
De gegevens genoemd in deze bepaling onder g zijn hier niet relevant, nu deze stukken betreffen die vanuit het strafrechtelijke domein aanwezig zouden zijn.
HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1399, JGz 2022/48 m.nt. red.
De Hoge Raad verwijst hier naar Kst. II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 161 en 166.
JGz 2022/48.
G.J. Baken, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, commentaar bij art. 5:17 Wvggz, aant. 2 (publicatiedatum 30 april 2025).
Vgl. G.J. Baken, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, commentaar bij art. 6:4 Wvggz, aant. 1 (publicatiedatum 6 januari 2026).
Betrokkene verwijst in dit verband naar HR 7 juli 2013, ECLI:NL:HR:2023:1047, NJ 2023/796 m.nt. J.L. Legemaate, JGz 2023/41 m.nt. C.A. Grezel.
Vgl. EHRM 6 november 1980, nr. 7367/76 (Guzzardi/Italië) en EHRM 20 april 2010, nr. 19675/06 (Villa/Italië).
EHRM 25 juni 1996, nr. 19776/92 (Amuur/Frankrijk).
Zie o.m. EHRM 28 mei 1985, nr. 8225/78 (Ashingdane/VK). Zie ook J.M.W. Lindeman, Sdu Commentaar EVRM, commentaar bij art. 5 EVRM, aant. 2.2 (publicatiedatum 1 november 2019).
EHRM 28 mei 1985, nr. 8225/78 (Ashingdane/VK), par. 42.
ECieRM 20 mei 1997, nr. 31106/96 (Margango/Cyprus) en ECieRM 13 oktober 1993, nr. 19076/91 (Nordblad/Zweden).
Zie voor het toetsingskader van art. 5 EVRM J.W.M. Lindeman, Sdu Commentaar EVRM, commentaar bij art. 5 EHRM, m.n. aant. 3 en 5 (publicatiedatum 1 november 2019) en voor dat van artikel 2 VP J.H. Gerards, Sdu Commentaar EVRM, commentaar bij art. 2 VP, m.n. aant. 1.2.
Zie bijvoorbeeld EHRM 25 juni 1996, nr. 19776/92, (Amuur/Frankrijk), par. 50.
Artikel 2 lid 4 VP bevat voorwaarden voor beperkingen voor bijzondere situaties. Dergelijke situaties zijn in deze zaak niet aan de orde, dus dit artikellid blijft hier verder buiten bespreking.
Kst. II 2009-2010, 32 399, nr. 3, p. 55-56.
Kst. II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 156.
Vgl. Kst. II 2009-2010, 32 399, nr. 25, p. 157.
Kst. II 2009-2010, 32 399, nr. 3, p. 90.
HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1850, NJ 2023/6 m.nt. J.L. Legemaate, GJ 2023/1 m.nt. A.C. Hendriks.
De Hoge Raad verwijst hier naar EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (Sunday Times/Verenigd Koninkrijk).
Conclusie van voormalig A-G Lückers van 2 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:786, zie m.n.onder 3.53.
NJ 2023/6.
Rb. Rotterdam 18 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7268.
HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1047, JGz 2023/41 m.nt. C.A. Grezel, NJ 2023/276 m.nt. J.L. Legemaate, r.o. 3.2.2.
Dit overzicht is ontleend aan een overzicht van M.A.J.M. van Sprundel-Jansen, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, commentaar bij art. 3:2 Wvggz, aant. 3 (publicatiedatum 6 januari 2026), met verwijzingen naar de betreffende rechtspraak aldaar.
Rb. Rotterdam 18 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7268.
Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 5 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1122, r.o. 5.7; rb. Amsterdam 9 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3102, r.o. 4.7.
Zie bijvoorbeeld rb. Amsterdam 7 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8732, r.o. 2.6; rb. Zeeland-West-Brabant 13 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4507, JGz 2024/67 m.nt. red., r.o. 4.9, en rb. Rotterdam 12 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:1833, r.o. 2.1.2.
Rb. Amsterdam 25 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6000, JGz 2025/9 m.nt. G.J. Baken.
Rb. Amsterdam 17 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10873, r.o. 2.3.
JGz 2025/9.
M.A.J.M. van Sprundel-Jansen, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, commentaar bij artikel 3:2 Wvggz, aant. 3 (publicatiedatum 6 januari 2026).
Rb. Zeeland-West-Brabant 13 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4507, JGz 2024/67 m.nt. red.