Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2025:1220

2025-11-11 Strafrecht 23/02479
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-11-11
Publicatiedatum
2025-11-07
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
23/02479
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Concl. AG. Medeplegen aanwezig hebben harddrugs en voorhanden hebben vuurwapens en munitie en aanwezig zijn om (versnijdings)handelingen met harddrugs te verrichten. Middel klaagt dat bewezenverklaring tekortschiet in het licht van gevoerd betrouwbaarheidsverweer over verklaringen getuige. Middel faalt omdat in eerste aanleg gevoerde verweer niet is herhaald in hoger beroep en in hoger beroep daaromtrent geen verweer uitdrukkelijk is voorgedragen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.568 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL


BIJ DE


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



Nummer 23/02479

Zitting 11 november 2025


CONCLUSIE


D.J.C. Aben


In de zaak



[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte



Het cassatieberoep


1. De verdachte is – na een integrale vrijspraak in eerste aanleg – bij arrest van 27 juni 2023 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-000097-22) wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden, met aftrek van voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/02613. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.


Het middel


4. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring tekortschiet wegens het gebrek aan (voldoende) respons op hetgeen zijdens de verdachte “in eerste aanleg en in hoger beroep” is aangevoerd over de (on)betrouwbaarheid van de door de [getuige] afgelegde verklaringen.
5. Ten laste van de verdachte heeft het hof – kort samengevat – bewezen verklaard dat hij samen met anderen in een pand in [plaats] harddrugs aanwezig had en vuurwapens en munitie voorhanden had, terwijl hij in dat pand aanwezig was om (versnijdings)handelingen met de aangetroffen harddrugs te verrichten.
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2023 houdt onder meer in:


“De verdachte legt op vragen een verklaring af, inhoudende:




Over de feiten:




Ik heb niets te maken met wat er op 3 juli 2019 is aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . Een paar dagen voor die tijd was ik bedreigd door mijn ex-vrouw en haar nieuwe partner. Hier heb ik vaak genoeg aangifte van gedaan. (...) De verklaring van mijn ex-vrouw klopt niet. Zij wil mijn leven kapotmaken door leugens, ze vindt het geweldig om mij zwart te maken. Ik weet niet hoe ze aan een foto van [betrokkene 1] met € 500,- in contanten komt.




(...)




De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt:




Mijn cliënt is terecht vrijgesproken door de rechtbank. Het bewijs ontbreekt dat cliënt (samen met anderen) harddrugs aanwezig heeft gehad en wapens en munitie voorhanden heeft gehad. (...) Verder bevat het dossier verklaringen die bevestigen dat er spanningen waren tussen cliënt en zijn ex-vrouw, wat een verklaring vormt voor zijn aanwezigheid in de woning. (…) Ik verzoek het hof om cliënt het voordeel van de twijfel te gunnen en daarom bepleit ik bevestiging van het vonnis.”


7. Voor zover (de toelichting op) het middel de klacht bevat dat de bewezenverklaring tekortschiet nu het hof niet heeft gerespondeerd op het in eerste aanleg gevoerde verweer “dat en waarom de verklaringen van de voormalige partner van verdachte, [getuige] onjuist en onbetrouwbaar zijn”, faalt het. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat verweren die ter terechtzitting in eerste aanleg zijn gevoerd, maar in hoger beroep niet zijn herhaald, door het hof niet behoeven te worden besproken. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aldaar de in de toelichting op het cassatiemiddel geciteerde en in eerste aanleg gevoerde verweren zijn herhaald.
8. Voor zover (de toelichting op) het middel de klacht bevat dat de bewezenverklaring tekortschiet nu het hof niet heeft gerespondeerd op het in hoger beroep gevoerde verweer “dat en waarom de verklaringen van de voormalige partner van verdachte, [getuige] onjuist en onbetrouwbaar zijn”, faalt het eveneens. De rechter is niet verplicht te beslissen omtrent enig verweer of standpunt dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep kan – daargelaten de enkele opmerking van de verdachte dat de verklaring van zijn ex-vrouw niet klopt en dat zij zijn leven wil kapotmaken door leugens – niet worden afgeleid dat de verdachte of zijn raadsvrouw met betrekking tot de betrouwbaarheid van die verklaringen enig verweer heeft gevoerd.


9Het middel faalt.



Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie




10. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.




Slotsom






11 Het middel faalt.

12. Anders dan hetgeen ik in randnummer 10 heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.


De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden




AG



HR 26 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB6054, NJ 1974/208; HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1281, NJ 2011/295 m.nt. Mevis; HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7844, NJ 2012/473 m.nt. Borgers. Vgl. ook A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 253.


Het cassatieberoep is op 27 juni 2023 ingesteld.