Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2011:BP7844
2011-04-26
Strafrecht
09/01875
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2011:BP7844 → ECLI:NL:PHR:2011:BP7844
Inhoudsindicatie
Geen responsieplicht op verweer of standpunt dat in eerste aanleg is gevoerd, maar in hoger beroep niet uitdrukkelijk is herhaald. De omstandigheid dat de behandeling in hoger beroep bij verstek heeft plaatsgevonden en dat de aan de appelakte gehechte opgave van bezwaren inhoudt dat het hoger beroep is gericht tegen de verwerping van het beroep op noodweer(exces) leidt niet tot een ander oordeel.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (24)
- ECLI:NL:PHR:2025:1220 Parket bij de Hoge Raad 11-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:489 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:300 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:813 Parket bij de Hoge Raad 26-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:894 Parket bij de Hoge Raad 04-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:634 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:312 Parket bij de Hoge Raad 05-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:306 Parket bij de Hoge Raad 30-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:176 Parket bij de Hoge Raad 02-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1169 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1167 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1167 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1169 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1168 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1168 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:194 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:194 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2018:1491 Parket bij de Hoge Raad 18-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:510 Parket bij de Hoge Raad 29-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:375 Parket bij de Hoge Raad 21-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2014:2793 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2232 Parket bij de Hoge Raad 17-06-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2229 Parket bij de Hoge Raad 17-06-2014
- ECLI:NL:PHR:2013:2268 Parket bij de Hoge Raad 12-11-2013
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.646 tekens)
26 april 2011
Strafkamer
nr. 09/01875
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 februari 2009, nummer 20/001952-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarbij geen toepassing is gegeven aan art. 27, eerste lid, Sr, tot het op de opgelegde gevangenisstraf in mindering brengen van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft beslist op de in eerste aanleg gevoerde verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
2.2. Geen rechtsregel verplicht de rechter te beslissen omtrent enig verweer of standpunt dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen. Het Hof was dan ook niet gehouden uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen omtrent hetgeen door of namens de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg is aangevoerd waarvan niet is gebleken dat dit ter terechtzitting in hoger beroep is herhaald. De omstandigheid dat de behandeling van de zaak in hoger beroep bij verstek heeft plaatsgevonden en dat de aan de appelakte gehechte opgave van bezwaren inhoudt dat het hoger beroep is gericht tegen de verwerping van het beroep op noodweer(exces), leidt niet tot een ander oordeel.
2.3. Het middel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De stukken van het geding houden in dat de verdachte voor de onderhavige strafzaak op 21 april 2006 in verzekering is gesteld, dat op 24 april 2006 haar bewaring is gelast en dat zij op 12 januari 2007 in vrijheid is gesteld. Het Hof heeft evenwel verzuimd het in art. 27, eerste lid, Sr bepaalde in acht te nemen voor zover het deze inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis betreft. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat het Hof had behoren te doen.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarbij is verzuimd toepassing te geven aan art. 27 Sr;
beveelt dat op de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, in mindering zal worden gebracht de tijd welke de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak in inverzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 april 2011.
Strafkamer
nr. 09/01875
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 februari 2009, nummer 20/001952-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarbij geen toepassing is gegeven aan art. 27, eerste lid, Sr, tot het op de opgelegde gevangenisstraf in mindering brengen van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft beslist op de in eerste aanleg gevoerde verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
2.2. Geen rechtsregel verplicht de rechter te beslissen omtrent enig verweer of standpunt dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen. Het Hof was dan ook niet gehouden uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen omtrent hetgeen door of namens de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg is aangevoerd waarvan niet is gebleken dat dit ter terechtzitting in hoger beroep is herhaald. De omstandigheid dat de behandeling van de zaak in hoger beroep bij verstek heeft plaatsgevonden en dat de aan de appelakte gehechte opgave van bezwaren inhoudt dat het hoger beroep is gericht tegen de verwerping van het beroep op noodweer(exces), leidt niet tot een ander oordeel.
2.3. Het middel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De stukken van het geding houden in dat de verdachte voor de onderhavige strafzaak op 21 april 2006 in verzekering is gesteld, dat op 24 april 2006 haar bewaring is gelast en dat zij op 12 januari 2007 in vrijheid is gesteld. Het Hof heeft evenwel verzuimd het in art. 27, eerste lid, Sr bepaalde in acht te nemen voor zover het deze inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis betreft. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat het Hof had behoren te doen.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarbij is verzuimd toepassing te geven aan art. 27 Sr;
beveelt dat op de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, in mindering zal worden gebracht de tijd welke de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak in inverzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 april 2011.