Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:1127
2025-07-11
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/02417
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:1127 → ECLI:NL:GHDHA:2024:2791
Inhoudsindicatie
Formeel belastingrecht, Artikel 2 lid 3 BPB, artikel 8:75 Awb (Hoofdstuk 8 Titel 8.2 Afdeling 8.2.6 Awb Uitspraak), Afwijken van forfaitaire tarief, afzien van toekenning proceskostenvergoeding.
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:2024:1060 Hoge Raad 12-07-2024
- ECLI:NL:HR:2016:1203 Hoge Raad 17-06-2016
- ECLI:NL:HR:2009:BJ7913 Hoge Raad 18-09-2009
- ECLI:NL:HR:2010:BN3865 Hoge Raad 13-08-2010
- ECLI:NL:HR:2011:BQ0415 Hoge Raad 08-04-2011
- ECLI:NL:HR:2015:2794 Hoge Raad 25-09-2015
Geciteerd door (105)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5539 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5537 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5538 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1244 Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19383 Rechtbank Den Haag 09-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3790 Rechtbank Midden-Nederland 25-06-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2133 Gerechtshof Amsterdam 11-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1468 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1468 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1237 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9980 Rechtbank Den Haag 24-04-2026
- ECLI:NL:HR:2026:721 Hoge Raad 24-04-2026
- ECLI:NL:HR:2026:721 Hoge Raad 24-04-2026
- ECLI:NL:OGEABES:2026:18 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 24-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9977 Rechtbank Den Haag 24-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9977 Rechtbank Den Haag 24-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9980 Rechtbank Den Haag 24-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1333 Gerechtshof Amsterdam 14-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:878 Gerechtshof Den Haag 14-04-2026
- ECLI:NL:HR:2026:283 Hoge Raad 20-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:283 Hoge Raad 20-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:283 Hoge Raad 20-03-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1006 Rechtbank Midden-Nederland 17-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2308 Rechtbank Noord-Holland 04-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2308 Rechtbank Noord-Holland 04-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1589 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2309 Rechtbank Noord-Holland 03-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2309 Rechtbank Noord-Holland 03-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2305 Rechtbank Noord-Holland 03-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2305 Rechtbank Noord-Holland 03-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2306 Rechtbank Noord-Holland 03-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2306 Rechtbank Noord-Holland 03-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2304 Rechtbank Noord-Holland 03-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2304 Rechtbank Noord-Holland 03-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1588 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1588 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1589 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-03-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:756 Rechtbank Midden-Nederland 25-02-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:757 Rechtbank Midden-Nederland 25-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:849 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:850 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:179 Gerechtshof Den Haag 03-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4868 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4868 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4865 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4865 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4882 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4882 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4856 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4856 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4867 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4867 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4863 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4926 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4855 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4863 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4928 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4928 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4877 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4877 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.990 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02417
Datum 11 juli 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 mei 2024, nrs. BK-23/300 tot en met BK-23/302, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 21/8305, SGR 21/8308 en SGR 22/385) betreffende aan belanghebbende in rekening gebrachte aanmaningskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Uitgangspunten in cassatie
Het Hof heeft de invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, die door het Hof zijn gesteld op in totaal € 1.185. Dit bedrag is tot stand gekomen doordat het Hof twee punten heeft toegekend voor de kosten in bezwaar à € 310 (wegingsfactor 0,5) en twee punten voor de kosten in beroep en hoger beroep à € 875 (wegingsfactor 0,5).
3Beoordeling van het middel
3.1
Het middel betoogt dat het Hof in het hiervoor in onderdeel 2 vermelde oordeel ten onrechte voor de waarde per punt voor de bezwaarfase is uitgegaan van € 310. Het middel slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverwegingen 5.8.1, 5.8.2 en 6.3 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
3.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.3
De Hoge Raad stelt de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar vast op € 647, uitgaande van het door het Hof vastgestelde aantal punten en de door het Hof toegepaste wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt.
4Proceskosten
4.1
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4.2
Over de toekenning door de bestuursrechter van een vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, overweegt de Hoge Raad ten overvloede als volgt.
4.3
Op grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. Het gaat niet alleen erom dat de kosten zelf redelijk moeten zijn, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn. Een integrale vergoeding van de kosten die aan deze zogenoemde dubbele redelijkheidstoets voldoen, heeft de wetgever echter niet beoogd. De proceskostenvergoedingen zijn naar de bedoeling van de wetgever slechts bedoeld als een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. De wetgever achtte het verder een te grote werklast voor de bestuursrechter als in ieder individueel geval een beoordeling op grond van de dubbele redelijkheidstoets zou moeten plaatsvinden.
4.4
Met het oog op deze doelstellingen zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) nadere regels opgenomen over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ter zake van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn tarieven opgenomen in de bijlage bij het Besluit. Op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan de rechter in bijzondere omstandigheden naar boven of naar beneden afwijken van die tarieven, of afzien van toekenning van een proceskostenvergoeding. Daarvoor is niet vereist dat het gaat om een situatie die zich zelden voordoet. Voldoende is dat het omstandigheden betreft die naar hun aard bijzonder zijn. De rechter die toepassing geeft aan artikel 2, lid 3, van het Besluit, dient deze beslissing te motiveren.
4.5
Bij zijn beslissing om artikel 2, lid 3, van het Besluit toe te passen kan de rechter in aanmerking nemen dat de vergoedingen op grond van het Besluit, zoals hiervoor in 4.4 vermeld, het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.Ook indien rekening wordt gehouden met de terughoudendheid die bij de toepassing van deze bepaling is geboden, kan de rechter daarom aanleiding vinden tot toepassing daarvan, door toekenning van een lagere vergoeding, indien vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem van het Besluit zou leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft.
4.6
Verder staat het de rechter vrij om met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit in het geheel geen proceskostenvergoeding toe te kennen indien het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand in de omstandigheden van het geval niet redelijk is. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien het gaat om herstel van een evidente rekenfout die met een eenvoudige melding kan worden hersteld. Ook kan daarvan sprake zijn indien, zoals in de bezwaarprocedure in dit geval, het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. Dat kan anders zijn indien de beslissing die daarover in de voorliggende zaak wordt genomen, ook van belang kan zijn voor de beslissing in andere – al dan niet toekomstige – zaken.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de vergoeding van de kosten van belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar,
- veroordeelt de invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 647 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.
Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151 en 153.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151-152, en nr. 6, blz. 58.
Kamerstukken II 1992/93, 22 164, nr. 13, blz. 13.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 153.
HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7913, rechtsoverweging 3.2, en HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3865, rechtsoverweging 3.4.
Vgl. HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415, rechtsoverweging 3.5.2.
Vgl. HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2794, rechtsoverweging 2.4.4.
Kamerstukken II 1999/2000, 27 024, nr. 3, blz. 7.
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02417
Datum 11 juli 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 mei 2024, nrs. BK-23/300 tot en met BK-23/302, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 21/8305, SGR 21/8308 en SGR 22/385) betreffende aan belanghebbende in rekening gebrachte aanmaningskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Uitgangspunten in cassatie
Het Hof heeft de invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, die door het Hof zijn gesteld op in totaal € 1.185. Dit bedrag is tot stand gekomen doordat het Hof twee punten heeft toegekend voor de kosten in bezwaar à € 310 (wegingsfactor 0,5) en twee punten voor de kosten in beroep en hoger beroep à € 875 (wegingsfactor 0,5).
3Beoordeling van het middel
3.1
Het middel betoogt dat het Hof in het hiervoor in onderdeel 2 vermelde oordeel ten onrechte voor de waarde per punt voor de bezwaarfase is uitgegaan van € 310. Het middel slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverwegingen 5.8.1, 5.8.2 en 6.3 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
3.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.3
De Hoge Raad stelt de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar vast op € 647, uitgaande van het door het Hof vastgestelde aantal punten en de door het Hof toegepaste wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt.
4Proceskosten
4.1
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4.2
Over de toekenning door de bestuursrechter van een vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, overweegt de Hoge Raad ten overvloede als volgt.
4.3
Op grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. Het gaat niet alleen erom dat de kosten zelf redelijk moeten zijn, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn. Een integrale vergoeding van de kosten die aan deze zogenoemde dubbele redelijkheidstoets voldoen, heeft de wetgever echter niet beoogd. De proceskostenvergoedingen zijn naar de bedoeling van de wetgever slechts bedoeld als een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. De wetgever achtte het verder een te grote werklast voor de bestuursrechter als in ieder individueel geval een beoordeling op grond van de dubbele redelijkheidstoets zou moeten plaatsvinden.
4.4
Met het oog op deze doelstellingen zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) nadere regels opgenomen over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ter zake van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn tarieven opgenomen in de bijlage bij het Besluit. Op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan de rechter in bijzondere omstandigheden naar boven of naar beneden afwijken van die tarieven, of afzien van toekenning van een proceskostenvergoeding. Daarvoor is niet vereist dat het gaat om een situatie die zich zelden voordoet. Voldoende is dat het omstandigheden betreft die naar hun aard bijzonder zijn. De rechter die toepassing geeft aan artikel 2, lid 3, van het Besluit, dient deze beslissing te motiveren.
4.5
Bij zijn beslissing om artikel 2, lid 3, van het Besluit toe te passen kan de rechter in aanmerking nemen dat de vergoedingen op grond van het Besluit, zoals hiervoor in 4.4 vermeld, het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.Ook indien rekening wordt gehouden met de terughoudendheid die bij de toepassing van deze bepaling is geboden, kan de rechter daarom aanleiding vinden tot toepassing daarvan, door toekenning van een lagere vergoeding, indien vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem van het Besluit zou leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft.
4.6
Verder staat het de rechter vrij om met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit in het geheel geen proceskostenvergoeding toe te kennen indien het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand in de omstandigheden van het geval niet redelijk is. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien het gaat om herstel van een evidente rekenfout die met een eenvoudige melding kan worden hersteld. Ook kan daarvan sprake zijn indien, zoals in de bezwaarprocedure in dit geval, het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. Dat kan anders zijn indien de beslissing die daarover in de voorliggende zaak wordt genomen, ook van belang kan zijn voor de beslissing in andere – al dan niet toekomstige – zaken.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de vergoeding van de kosten van belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar,
- veroordeelt de invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 647 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.
Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151 en 153.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151-152, en nr. 6, blz. 58.
Kamerstukken II 1992/93, 22 164, nr. 13, blz. 13.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 153.
HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7913, rechtsoverweging 3.2, en HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3865, rechtsoverweging 3.4.
Vgl. HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415, rechtsoverweging 3.5.2.
Vgl. HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2794, rechtsoverweging 2.4.4.
Kamerstukken II 1999/2000, 27 024, nr. 3, blz. 7.