Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:1203
2016-06-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
15/04534
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2016:1203 → ECLI:NL:GHSHE:2015:3332 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
artikel 8:75 Awb, Besluit proceskostenvergoeding; overgangsrecht. Berekening proceskostenvergoeding naar tarief op datum uitspraak
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (55)
- ECLI:NL:HR:2026:1244 Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1297 Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1153 Hoge Raad 03-07-2026
- ECLI:NL:HR:2026:827 Hoge Raad 05-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:827 Hoge Raad 05-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:732 Hoge Raad 01-05-2026
- ECLI:NL:HR:2026:301 Hoge Raad 27-02-2026
- ECLI:NL:HR:2026:92 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:HR:2026:90 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:HR:2026:88 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:HR:2026:88 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:HR:2026:87 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:HR:2026:92 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:HR:2025:1880 Hoge Raad 12-12-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1881 Hoge Raad 12-12-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1880 Hoge Raad 12-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1215 Parket bij de Hoge Raad 14-11-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4188 Rechtbank Noord-Nederland 09-10-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4190 Rechtbank Noord-Nederland 09-10-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4187 Rechtbank Noord-Nederland 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1556 Gerechtshof Den Haag 24-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1554 Gerechtshof Den Haag 24-07-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1175 Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1127 Hoge Raad 11-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1835 Gerechtshof Den Haag 08-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1826 Gerechtshof Den Haag 08-07-2025
- ECLI:NL:HR:2025:862 Hoge Raad 06-06-2025
- ECLI:NL:HR:2025:702 Hoge Raad 02-05-2025
- ECLI:NL:HR:2025:682 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:679 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:674 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:681 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:678 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:680 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:676 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:675 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:673 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:677 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:670 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:273 Gerechtshof Den Haag 21-02-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:2067 Rechtbank Noord-Holland 25-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2022:7503 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-08-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1739 Gerechtshof Den Haag 25-08-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:324 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-01-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:323 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-01-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:11825 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-12-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3802 Gerechtshof Amsterdam 07-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:10900 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:10898 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:10899 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-11-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2017:5723 Rechtbank Noord-Holland 26-06-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:2225 Centrale Raad van Beroep 14-06-2017
- ECLI:NL:GHARL:2016:10195 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-12-2016
- ECLI:NL:RBGEL:2016:4501 Rechtbank Gelderland 15-08-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:5814 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-07-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (4.335 tekens)
17 juni 2016
nr. 15/04534
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2015, nr. 12/00795, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Breda van 16 oktober 2012 (nr. AWB 11/842) betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2010 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Aan belanghebbende is door de Rechtbank bij haar uitspraak van 16 oktober 2012 een vergoeding van door een derde verleende rechtsbijstand in de fase van bezwaar en van beroep verleend van (€ 436 + € 874 =) € 1310, berekend naar de waarden per punt (€ 218 respectievelijk € 437) zoals die golden ten tijde van die uitspraak.
Voorts heeft de Rechtbank een vergoeding van taxatiekosten toegekend, berekend naar een tijdsbesteding van twee uren tegen € 50 per uur (plus omzetbelasting).
2.1.2.
In hoger beroep heeft het Hof de vergoeding van taxatiekosten verhoogd tot een naar een tijdsbesteding van vier uren. In verband met de daaruit voortvloeiende (gedeeltelijke) vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank heeft het Hof voor de fase van het hoger beroep een vergoeding van door een derde verleende rechtsbijstand toegekend van twee punten tegen € 490 per punt, dat is de waarde per punt zoals deze gold ten tijde van de Hofuitspraak. De door de Rechtbank toegekende vergoeding van door een derde verleende rechtsbijstand heeft het Hof ongewijzigd gelaten.
2.2.
Het tegen ’s Hofs oordeel gerichte middel betoogt dat het Hof ook voor de fase van bezwaar en beroep alsnog had moeten uitgaan van de waarden per punt zoals die golden ten tijde van de Hofuitspraak.
2.3.
Het middel faalt. De Rechtbank heeft ter gelegenheid van de vernietiging van de bestreden uitspraak op bezwaar de vergoeding van door een derde verleende rechtsbijstand terecht toegekend naar de ten tijde van haar uitspraak geldende waarden per punt. Die beslissing is in hoger beroep niet bestreden en het Hof heeft die beslissing terecht in stand gelaten.
De omstandigheid dat het Hof de uitspraak van de Rechtbank heeft vernietigd, brengt op zichzelf niet mee dat het Hof de terecht en naar de juiste tarieven door de Rechtbank toegekende vergoeding van de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand moet wijzigen naar de tarieven die golden ten tijde van de Hofuitspraak. Dat is slechts anders indien het Hof zelf de vergoeding voor de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand in eerdere fasen van de procedure moet vaststellen omdat in die eerdere fasen ten onrechte geen vergoeding dan wel een onjuist berekende vergoeding van deze kosten is toegekend. Daarvan is in dit geval echter geen sprake.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Schadevergoeding
Belanghebbendes verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie moet worden afgewezen, omdat de redelijke termijn sedert de indiening van het beroep in cassatie op 5 oktober 2015 niet is overschreden.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2016.
nr. 15/04534
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2015, nr. 12/00795, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Breda van 16 oktober 2012 (nr. AWB 11/842) betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2010 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Aan belanghebbende is door de Rechtbank bij haar uitspraak van 16 oktober 2012 een vergoeding van door een derde verleende rechtsbijstand in de fase van bezwaar en van beroep verleend van (€ 436 + € 874 =) € 1310, berekend naar de waarden per punt (€ 218 respectievelijk € 437) zoals die golden ten tijde van die uitspraak.
Voorts heeft de Rechtbank een vergoeding van taxatiekosten toegekend, berekend naar een tijdsbesteding van twee uren tegen € 50 per uur (plus omzetbelasting).
2.1.2.
In hoger beroep heeft het Hof de vergoeding van taxatiekosten verhoogd tot een naar een tijdsbesteding van vier uren. In verband met de daaruit voortvloeiende (gedeeltelijke) vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank heeft het Hof voor de fase van het hoger beroep een vergoeding van door een derde verleende rechtsbijstand toegekend van twee punten tegen € 490 per punt, dat is de waarde per punt zoals deze gold ten tijde van de Hofuitspraak. De door de Rechtbank toegekende vergoeding van door een derde verleende rechtsbijstand heeft het Hof ongewijzigd gelaten.
2.2.
Het tegen ’s Hofs oordeel gerichte middel betoogt dat het Hof ook voor de fase van bezwaar en beroep alsnog had moeten uitgaan van de waarden per punt zoals die golden ten tijde van de Hofuitspraak.
2.3.
Het middel faalt. De Rechtbank heeft ter gelegenheid van de vernietiging van de bestreden uitspraak op bezwaar de vergoeding van door een derde verleende rechtsbijstand terecht toegekend naar de ten tijde van haar uitspraak geldende waarden per punt. Die beslissing is in hoger beroep niet bestreden en het Hof heeft die beslissing terecht in stand gelaten.
De omstandigheid dat het Hof de uitspraak van de Rechtbank heeft vernietigd, brengt op zichzelf niet mee dat het Hof de terecht en naar de juiste tarieven door de Rechtbank toegekende vergoeding van de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand moet wijzigen naar de tarieven die golden ten tijde van de Hofuitspraak. Dat is slechts anders indien het Hof zelf de vergoeding voor de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand in eerdere fasen van de procedure moet vaststellen omdat in die eerdere fasen ten onrechte geen vergoeding dan wel een onjuist berekende vergoeding van deze kosten is toegekend. Daarvan is in dit geval echter geen sprake.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Schadevergoeding
Belanghebbendes verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie moet worden afgewezen, omdat de redelijke termijn sedert de indiening van het beroep in cassatie op 5 oktober 2015 niet is overschreden.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2016.