Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5539
2026-08-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/1773
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting. Verhaalbarekostenlimiet. Proceskostenvergoeding.
Citeert (14)
- ECLI:NL:HR:2026:24 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:HR:2009:BI1968 Hoge Raad 24-04-2009
- ECLI:NL:HR:2014:777 Hoge Raad 04-04-2014
- ECLI:NL:HR:2009:BI1968 Hoge Raad 24-04-2009
- ECLI:NL:HR:1999:AA2917 Hoge Raad 03-11-1999
- ECLI:NL:HR:2009:BC3691 Hoge Raad 10-04-2009
- ECLI:NL:HR:2012:BU7248 Hoge Raad 13-04-2012
- ECLI:NL:HR:2019:1016 Hoge Raad 21-06-2019
- ECLI:NL:HR:2014:777 Hoge Raad 04-04-2014
- ECLI:NL:HR:2019:1016 Hoge Raad 21-06-2019
- ECLI:NL:HR:2026:24 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:HR:2026:24 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:HR:2024:1060 Hoge Raad 12-07-2024
- ECLI:NL:HR:2025:1127 Hoge Raad 11-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.928 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1773
uitspraakdatum:
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 augustus 2024, nummer ZWO 23/1674, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Zwolle (hierna: de heffingsambtenaar).
1Ontstaan en loop van het geding
1.1
De heffingsambtenaar heeft op 21 mei 2023 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
1.2
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de opgelegde aanslag ambtshalve gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 augustus 2024 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag parkeerbelasting verminderd tot een bedrag van € 69,87, bepaald dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden, de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van € 1.185 aan proceskosten, de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over het griffierecht en de proceskostenvergoeding te rekenen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. I.N.D.J. Rissema, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar. Ter zitting zijn gezamenlijk en gelijktijdig de zaken BK-ARN 24/2010 en BK-ARN 25/1000 behandeld.
1.6
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2De vaststaande feiten
2.1
Belanghebbende is kentekenhouder van de auto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto).
2.2
Op 21 mei 2023 om 16.06 uur heeft een scanauto van de gemeente Zwolle geconstateerd dat de auto van belanghebbende geparkeerd stond aan de [straatnaam] te Zwolle zonder dat op dat moment de vereiste parkeerbelasting was voldaan.
2.3
Op 21 mei 2023 om 16.10 uur stond de auto nog steeds geparkeerd aan de [straatnaam] te Zwolle. De parkeercontroleur heeft op dat tijdstip geconstateerd dat de parkeerbelasting nog altijd niet was voldaan. Naar aanleiding daarvan is een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd van € 70,80, bestaande uit € 2,20 wegens parkeerbelasting en € 68,60 wegens kosten van de naheffingsaanslag.
3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1
In geschil is of de kosten die de heffingsambtenaar bij de naheffingsaanslag in rekening heeft gebracht door de Rechtbank tot het juiste bedrag zijn gematigd van € 69,87, bestaande uit € 2,20 parkeerbelasting en € 67,67 wegens kosten. Voorts is in geschil of de Rechtbank de kosten van het bezwaar juist heeft vastgesteld door uit te gaan van een waarde per punt van € 310.
3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de in rekening gebrachte kosten en een hogere vergoeding voor de kosten van bezwaar.
3.3
De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.4
Partijen verschillen er niet over van mening dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
4Beoordeling van het geschil
4.1
Belanghebbende heeft in hoger beroep allereerst gesteld dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen van de kosten ("lasten ter zake") die zijn doorberekend in het in de parkeerbelastingverordening opgenomen bedrag aan in rekening te brengen kosten in het kader van de verhaalbarekostenlimiet, omdat van diverse kostenposten onduidelijk is wat deze inhouden en wat het verband is met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, zoals de kosten die worden doorberekend onder ‘kapitaallasten, ‘kosten juridische ondersteuning’, ‘invorderingskosten’, ‘administratie naheffingstoeslagen’, ‘monteurs en overige technische ondersteuning’ en ‘aandeel kosten B.O.R. en onduidelijk is hoe tot het aantal geraamde naheffingsaanslagen is gekomen. Voorts zou de doorberekening van de
overheadkosten tot het maximum van 50% daarvan onvoldoende zijn toegelicht, aldus nog steeds belanghebbende.
4.2
De Hoge Raad heeft aanleiding gezien om bij de beoordeling of het in een parkeerbelastingverordening opgenomen bedrag aan in rekening te brengen kosten blijft beneden de verhaalbarekostenlimiet, zoveel mogelijk aan te sluiten bij zijn rechtspraak over de andere opbrengstlimieten (zie HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24). Die aansluiting geldt ook voor de in dat verband gewezen rechtspraak over stelplicht en bewijslast, waarbij de Hoge Raad verwijst naar zijn arresten van 24 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1968) en 4 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:777).
4.3
Bij de beoordeling van deze hogerberoepsgrond dient het volgende te worden vooropgesteld. Een geschil over, kort gezegd, de verhaalbarekostenlimiet wordt procesrechtelijk hierdoor gekenmerkt dat niet de belanghebbende die het geschilpunt opwerpt, maar de heffingsambtenaar de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt. Die omstandigheid leidt tot de hierna te omschrijven (verzwaarde) eisen aan de motivering die de heffingsambtenaar geeft voor zijn betwisting van de stelling van een belanghebbende dat de limiet is overschreden.
Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de doorberekende kosten de verhaalbarekostenlimiet hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen.
Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een "last ter zake", dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen.
Indien de belanghebbende niet stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, heeft de rechter slechts de rechtsvraag te beantwoorden of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een "last ter zake". Bij ontkennende beantwoording van die vraag dient hij te beoordelen of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden.
Indien de belanghebbende wél stelt dat die feitelijke gegevens onjuist zijn, en de heffingsambtenaar deze stelling van de belanghebbende betwist, komt bewijslevering aan de orde. In dat geval draagt de belanghebbende de bewijslast van zijn stelling dat de door de heffingsambtenaar verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn, omdat die onjuistheid een voorwaarde is voor het intreden van het rechtsgevolg dat hij inroept (onverbindendheid van de verordening) (vgl. HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968).
4.4
De eerdergenoemde aansluiting geldt ook voor de in dat verband gewezen rechtspraak de rechtsgevolgen die moeten worden verbonden aan een overschrijding van de opbrengstlimiet (zie HR 3 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2917, rechtsoverweging 3.1, HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC3691, rechtsoverweging 3.3.2, en HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248, rechtsoverweging 4.3.2). Wat betreft de rechtsgevolgen van een te hoge vaststelling van het bedrag aan kosten dat door de gemeente in rekening wordt gebracht, brengt de aansluiting bij die rechtspraak mee dat die vaststelling slechts dan in zijn geheel onverbindend is, indien (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de vaststelling berust op ramingen die niet voldoen aan de eisen van artikel 2 van het Besluit, en bovendien (b) het vastgestelde bedrag in betekenende mate (10 procent of meer) uitgaat boven het bedrag dat de gemeente op grond van het Besluit maximaal in rekening mag brengen. In andere gevallen is de vaststelling van het bedrag dat in rekening wordt gebracht slechts onverbindend voor zover het meer beloopt dan het bedrag dat de gemeente op grond van het Besluit maximaal in rekening mag brengen.
Raming biedt onvoldoende inzicht
4.5
In het onderhavige geval heeft belanghebbende gesteld dat de doorberekende kosten de verhaalbarekostenlimiet hebben overschreden. De heffingsambtenaar heeft vervolgens inzicht verschaft in de desbetreffende doorberekende kosten door het overleggen van een overzicht van deze kosten. Belanghebbende heeft ten aanzien aan een aantal van deze kosten in twijfel getrokken of deze kunnen worden aangemerkt als een "last ter zake". In zijn verweerschriften in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede in zijn nadere stuk van 21 april 2026, heeft de heffingsambtenaar met zijn toelichting op deze doorberekende kosten, naar het oordeel van het Hof, voldoende inlichtingen verstrekt om - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen. Belanghebbende heeft niet gesteld dat die feitelijke gegevens onjuist zijn, zodat slechts de rechtsvraag voorligt of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een "last ter zake". Het betoog van belanghebbende dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen van de kosten, wordt door het Hof derhalve niet gevolgd.
Doorberekende kosten
4.6
Belanghebbende stelt voorts in hoger beroep dat de kosten die bij de naheffingsaanslag in rekening zijn gebracht geheel of in ieder geval verder gematigd moeten worden, aangezien, in strijd met het bepaalde in artikel 2, lid 1, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit) ten onrechte de kosten van parkeerautomaten, de kosten van parkeerbeleid (dat wil zeggen: personeelskosten voor zover die zien op het onderdeel aandeel in de kosten van Beheer Openbare Ruimte (B.O.R.)), de kosten van juridische ondersteuning, de kosten van monteurs en overige technische ondersteuning, kapitaallasten, administratie naheffingstoeslagen en de invorderingskosten in de berekening zijn betrokken en verder dat de heffingsambtenaar ten onrechte uitgaat van overheadkosten die 50% van de personeelskosten bedragen.
4.7
De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat er niet te veel kosten worden doorberekend. In eerste aanleg heeft de heffingsambtenaar de opstelling van de kosten van de naheffingsaanslag 2023 overgelegd. Deze opstelling luidt als volgt:
Bedrag 2023
A
Vaste informatieverwerkingskosten
Onderhoud parkeerautomaten (contracten en nutsbedrijven)
282.406
Onderhoud parkeerautomaten kst derden
98.875
Onderhoud software
-
Parkeerdrukmeting
19.472
Handhaving boa’s
777.072
Invorderingskosten
16.811
Kosten juridische ondersteuning
21.218
B
Variabele informatieverwerkingskosten
Meldkamerdiensten
-
Kosten regiopolitie
-
C
Kosten investeringen
Kapitaallasten
112.491
D
Personeelskosten
Administratie naheffingsaanslagen
12.462
Monteurs en overige technische ondersteuning
73.876
Aandeel kosten B.O.R.
11.085
E
Overheadkosten
50% van de personeelskosten tbv huisvesting, AFF, begeleiding H.K
48.711
Totale handhavingskosten
1.474.479
aantal naheffingsaanslagen
21.500
Kosten per naheffing
68,60
Huidig tarief
68,60
4.8
De bevoegdheid om kosten in rekening te brengen bij het opleggen van een naheffingsaanslag is neergelegd in artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet. Nadere regels over de in rekening te brengen kosten zijn op grond van artikel 234, lid 6, van de Gemeentewet opgenomen in het Besluit. Artikel 2, lid 1, van het Besluit regelt uit welke kostencomponenten de bij een naheffingsaanslag in rekening te brengen kosten ten hoogste kunnen bestaan. Het betreft ten hoogste de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen:
“a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.”
4.9
Artikel 2, lid 2, van het Besluit bepaalt dat de raad van de gemeente het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raad moet dat op grond van deze bepaling doen op basis van een in beginsel op jaarbasis te maken raming van de totale in lid 1 bedoelde kosten, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.
4.10
In artikel 3 is bepaald dat het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, met ingang van 1 januari 2023 ten hoogste € 72,90 bedraagt.
4.11
De raad van de gemeente Zwolle heeft op 19 december 2022 de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2023 (de Verordening) vastgesteld. De Verordening is bekend gemaakt door publicatie ervan in het Gemeenteblad 2022, nr. 569240. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2023.
4.12
In artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening is bepaald dat onder de naam ‘parkeerbelastingen’ een belasting wordt geheven ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze.
4.13
In artikel 8 van de Verordening is bepaald dat de kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, € 68,60 bedragen.
4.14
Onder kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van het Besluit moeten mede worden verstaan kosten die samenhangen met het opleggen van naheffingsaanslagen wegens het niet-betalen van verschuldigde parkeerbelastingen. Zonder naheffingsaanslag is het immers voor de gemeente niet mogelijk om niet-betaalde parkeerbelastingen te innen. De kosten van de administratie naheffingstoeslagen zijn aldus terecht doorberekend.
4.15
De in artikel 2, lid 1, van het Besluit omschreven kosten kunnen volgens die bepaling slechts worden verhaald voor zover deze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Volgens de nota van toelichting is het woord “samenhangen” in deze bepaling gebruikt om buiten twijfel te stellen dat de kosten niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen hoeven te zijn gemaakt. Vereist is slechts dat de kosten meer dan zijdelings daarmee samenhangen (vgl. HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016, rechtsoverweging 2.4.7.). Van samenhang in die zin is slechts dan geen sprake indien de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, rechtsoverweging 3.3.6.).
4.16
Het staat de gemeente vrij om kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, geheel of gedeeltelijk daaraan toe te rekenen (vgl. HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016, rechtsoverweging 2.4.7.). Bij deze kosten is het voor de mogelijkheden tot doorberekening dus niet van belang in welke mate ze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Het gebruik van de woorden “voor zover” in artikel 2, lid 1, van het Besluit staat daaraan niet in de weg. De gemeente is echter niet bevoegd kosten die vallen onder de omschrijving van artikel 2, lid 1, van het Besluit op de voet van artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet te verhalen, voor zover die kosten niet op de gemeente drukken doordat zij die reeds op andere wijze verhaalt, bijvoorbeeld op grond van artikel 235, lid 3 of lid 5, van de Gemeentewet of op grond van overeenkomstige toepassing van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
4.17
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoren de kosten van parkeerautomaten tot de kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen en mogen daarom worden doorberekend (vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24). Hetgeen belanghebbende in zijn nadere stuk van 30 maart 2026 in dat verband nog naar voren heeft gebracht doet daaraan, naar het oordeel van het Hof, niet af.
4.18
Het Hof is verder van oordeel dat ook de invorderingskosten in de raming mogen worden opgenomen (vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24). Voor aanmaningen en dwangbevelen bestaat een specifieke mogelijkheid tot kostenverhaal. De met aanmaningen en dwangbevelen verband houdende kosten kunnen daarom niet ook (volledig) worden verhaald via naheffingsaanslagen parkeerbelastingen. De heffingsambtenaar heeft onweersproken aangevoerd dat bij de berekening van de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslagen geen kosten voor aanmaningen en dwangbevelen zijn meegenomen. Het gaat hier om kosten in het proces van inning van parkeerbelastingen tot aan het versturen van aanmaningen en dwangbevelen. Ook deze kosten hangen, naar het oordeel van het Hof, meer dan zijdelings samen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting.
4.19
Naar het oordeel van het Hof geldt dat ook voor de kosten voor de juridische ondersteuning. Met het standpunt dat deze kosten onder de overheadkosten moeten worden geschaard, betwist belanghebbende niet dat deze kosten in de raming kunnen worden opgenomen. Uit het verweerschrift van de heffingsambtenaar volgt dat de gemeente ervoor heeft gekozen om deze kosten apart inzichtelijk te maken en te verantwoorden. Het Hof acht ook aannemelijk dat de gemeente kosten moet maken voor juridische procedures en dat deze procedures het directe gevolg zijn van naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Omdat deze procedures moeten worden gevoerd om de naheffingsaanslagen in stand te houden, hangen ook de daarvoor door de gemeente gemaakte kosten meer dan zijdelings samen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting. Hetgeen belanghebbende dienaangaande in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht, maakt dat niet anders.
4.20
Belanghebbende heeft gesteld dat de overhead maar 50% van de personeelskosten mag zijn en dat de kosten voor de juridische ondersteuning op een andere plek in de raming zijn opgenomen om te voorkomen dat het percentage van 50 wordt overschreden. Voorts is geen toelichting gegeven waarom het maximale percentage van 50 is gehanteerd. Het Hof stelt voorop dat de kosten voor de juridische ondersteuning direct verband houden met het opleggen van de naheffingsaanslagen. Bij overheadkosten is dat – nu dat naar zijn aard indirect toe te rekenen kosten zijn – anders. De heffingsambtenaar heeft de kosten voor juridische ondersteuning daarom terecht niet tot de overheadkosten gerekend. Dat de gemeente de overheadkosten op het maximale percentage heeft gesteld, staat de gemeentelijke regelgever vrij. Wat hier verder ook van zij, het betreffen naar het oordeel van het Hof hoe dan ook kosten die voldoende verband houden met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen en mochten daarom betrokken worden in de berekening van de kosten per naheffing.
4.21
Datzelfde geldt voor de kosten van parkeerbeleid (dat wil zeggen: personeelskosten voor zover die zien op het onderdeel aandeel in de kosten van Beheer Openbare Ruimte (B.O.R.)), en de kosten van monteurs en overige technische ondersteuning. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep onweersproken gesteld dat de kosten van parkeerbeleid zien op het beleid met betrekking tot het betaald parkeren, terwijl de kosten van monteurs en overige technische ondersteuning zien op de parkeerautomaten en daaraan gekoppelde systemen. Nu de kosten van die parkeerautomaten reeds als verhaalbare kosten zijn aangemerkt (zie 4.18) geldt dat ook voor deze kosten.
4.22
Ook kapitaallasten mogen, gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 1, aanhef en onderdelen c en d, van het Besluit worden doorberekend.
Kosten van bezwaar
4.23
In haar bestreden uitspraak heeft de Rechtbank geoordeeld dat de vergoeding van de kosten van bezwaar met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht moet worden berekend met een bedrag per proceshandeling van € 310. Daarbij heeft zij twee proceshandelingen in aanmerking genomen en een factor 0,5 toegepast. Belanghebbende heeft een grief geuit ten aanzien van de door de Rechtbank toegekende waarde per punt.
4.24
In zijn arrest van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de mogelijkheid niet valt uit te sluiten dat de regeling in de Bijlage bij het Besluit, onderdeel B2, punt 1, in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet, en dat het is aangewezen dat de rechter die bepaling bij gebreke van een toetsbare motivering buiten toepassing laat.
4.25
Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank om die reden op dat punt vernietigen. Het Hof stelt de kosten van bezwaar vast op 2 punten x € 666 x factor 0,5 is € 666.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Proceskosten
5.1.
De proceskosten van belanghebbende, kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zijn in beginsel in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 punten (het hogerberoepschrift en het verschijnen ter zitting van het Hof) x een waarde per punt van € 934 x een wegingsfactor 1, is € 1.868. Het Hof ziet in het onderhavige geval, dat samenhangt met de twee andere zaken die gezamenlijk en gelijktijdig ter zitting van het Hof zijn behandeld, een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, op grond waarvan het Hof naar beneden zal afwijken van een proceskostenvergoeding van € 1.868, door in elk van deze zaken een derde van die proceskostenvergoeding toe te kennen, in de onderhavige zaak derhalve € 622,67 (vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127).
5.2.
Overeenkomstig het verzoek van belanghebbende in het beroepschrift zal het Hof bepalen dat de heffingsambtenaar over de proceskostenvergoeding en het griffierecht wettelijke rente dient te vergoeden vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
6Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het betreft de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van bezwaar,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van bezwaar van belanghebbende tot een bedrag van € 666,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor het hoger beroep tot een bedrag van € 622,67,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof en
– bepaalt dat de heffingsambtenaar over de vergoeding van de kosten van bezwaar, de proceskostenvergoeding en het griffierecht wettelijke rente dient te vergoeden vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat (P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1773
uitspraakdatum:
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 augustus 2024, nummer ZWO 23/1674, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Zwolle (hierna: de heffingsambtenaar).
1Ontstaan en loop van het geding
1.1
De heffingsambtenaar heeft op 21 mei 2023 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
1.2
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de opgelegde aanslag ambtshalve gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 augustus 2024 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag parkeerbelasting verminderd tot een bedrag van € 69,87, bepaald dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden, de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van € 1.185 aan proceskosten, de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over het griffierecht en de proceskostenvergoeding te rekenen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. I.N.D.J. Rissema, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar. Ter zitting zijn gezamenlijk en gelijktijdig de zaken BK-ARN 24/2010 en BK-ARN 25/1000 behandeld.
1.6
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2De vaststaande feiten
2.1
Belanghebbende is kentekenhouder van de auto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto).
2.2
Op 21 mei 2023 om 16.06 uur heeft een scanauto van de gemeente Zwolle geconstateerd dat de auto van belanghebbende geparkeerd stond aan de [straatnaam] te Zwolle zonder dat op dat moment de vereiste parkeerbelasting was voldaan.
2.3
Op 21 mei 2023 om 16.10 uur stond de auto nog steeds geparkeerd aan de [straatnaam] te Zwolle. De parkeercontroleur heeft op dat tijdstip geconstateerd dat de parkeerbelasting nog altijd niet was voldaan. Naar aanleiding daarvan is een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd van € 70,80, bestaande uit € 2,20 wegens parkeerbelasting en € 68,60 wegens kosten van de naheffingsaanslag.
3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1
In geschil is of de kosten die de heffingsambtenaar bij de naheffingsaanslag in rekening heeft gebracht door de Rechtbank tot het juiste bedrag zijn gematigd van € 69,87, bestaande uit € 2,20 parkeerbelasting en € 67,67 wegens kosten. Voorts is in geschil of de Rechtbank de kosten van het bezwaar juist heeft vastgesteld door uit te gaan van een waarde per punt van € 310.
3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de in rekening gebrachte kosten en een hogere vergoeding voor de kosten van bezwaar.
3.3
De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.4
Partijen verschillen er niet over van mening dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
4Beoordeling van het geschil
4.1
Belanghebbende heeft in hoger beroep allereerst gesteld dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen van de kosten ("lasten ter zake") die zijn doorberekend in het in de parkeerbelastingverordening opgenomen bedrag aan in rekening te brengen kosten in het kader van de verhaalbarekostenlimiet, omdat van diverse kostenposten onduidelijk is wat deze inhouden en wat het verband is met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, zoals de kosten die worden doorberekend onder ‘kapitaallasten, ‘kosten juridische ondersteuning’, ‘invorderingskosten’, ‘administratie naheffingstoeslagen’, ‘monteurs en overige technische ondersteuning’ en ‘aandeel kosten B.O.R. en onduidelijk is hoe tot het aantal geraamde naheffingsaanslagen is gekomen. Voorts zou de doorberekening van de
overheadkosten tot het maximum van 50% daarvan onvoldoende zijn toegelicht, aldus nog steeds belanghebbende.
4.2
De Hoge Raad heeft aanleiding gezien om bij de beoordeling of het in een parkeerbelastingverordening opgenomen bedrag aan in rekening te brengen kosten blijft beneden de verhaalbarekostenlimiet, zoveel mogelijk aan te sluiten bij zijn rechtspraak over de andere opbrengstlimieten (zie HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24). Die aansluiting geldt ook voor de in dat verband gewezen rechtspraak over stelplicht en bewijslast, waarbij de Hoge Raad verwijst naar zijn arresten van 24 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1968) en 4 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:777).
4.3
Bij de beoordeling van deze hogerberoepsgrond dient het volgende te worden vooropgesteld. Een geschil over, kort gezegd, de verhaalbarekostenlimiet wordt procesrechtelijk hierdoor gekenmerkt dat niet de belanghebbende die het geschilpunt opwerpt, maar de heffingsambtenaar de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt. Die omstandigheid leidt tot de hierna te omschrijven (verzwaarde) eisen aan de motivering die de heffingsambtenaar geeft voor zijn betwisting van de stelling van een belanghebbende dat de limiet is overschreden.
Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de doorberekende kosten de verhaalbarekostenlimiet hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen.
Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een "last ter zake", dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen.
Indien de belanghebbende niet stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, heeft de rechter slechts de rechtsvraag te beantwoorden of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een "last ter zake". Bij ontkennende beantwoording van die vraag dient hij te beoordelen of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden.
Indien de belanghebbende wél stelt dat die feitelijke gegevens onjuist zijn, en de heffingsambtenaar deze stelling van de belanghebbende betwist, komt bewijslevering aan de orde. In dat geval draagt de belanghebbende de bewijslast van zijn stelling dat de door de heffingsambtenaar verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn, omdat die onjuistheid een voorwaarde is voor het intreden van het rechtsgevolg dat hij inroept (onverbindendheid van de verordening) (vgl. HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968).
4.4
De eerdergenoemde aansluiting geldt ook voor de in dat verband gewezen rechtspraak de rechtsgevolgen die moeten worden verbonden aan een overschrijding van de opbrengstlimiet (zie HR 3 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2917, rechtsoverweging 3.1, HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC3691, rechtsoverweging 3.3.2, en HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248, rechtsoverweging 4.3.2). Wat betreft de rechtsgevolgen van een te hoge vaststelling van het bedrag aan kosten dat door de gemeente in rekening wordt gebracht, brengt de aansluiting bij die rechtspraak mee dat die vaststelling slechts dan in zijn geheel onverbindend is, indien (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de vaststelling berust op ramingen die niet voldoen aan de eisen van artikel 2 van het Besluit, en bovendien (b) het vastgestelde bedrag in betekenende mate (10 procent of meer) uitgaat boven het bedrag dat de gemeente op grond van het Besluit maximaal in rekening mag brengen. In andere gevallen is de vaststelling van het bedrag dat in rekening wordt gebracht slechts onverbindend voor zover het meer beloopt dan het bedrag dat de gemeente op grond van het Besluit maximaal in rekening mag brengen.
Raming biedt onvoldoende inzicht
4.5
In het onderhavige geval heeft belanghebbende gesteld dat de doorberekende kosten de verhaalbarekostenlimiet hebben overschreden. De heffingsambtenaar heeft vervolgens inzicht verschaft in de desbetreffende doorberekende kosten door het overleggen van een overzicht van deze kosten. Belanghebbende heeft ten aanzien aan een aantal van deze kosten in twijfel getrokken of deze kunnen worden aangemerkt als een "last ter zake". In zijn verweerschriften in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede in zijn nadere stuk van 21 april 2026, heeft de heffingsambtenaar met zijn toelichting op deze doorberekende kosten, naar het oordeel van het Hof, voldoende inlichtingen verstrekt om - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen. Belanghebbende heeft niet gesteld dat die feitelijke gegevens onjuist zijn, zodat slechts de rechtsvraag voorligt of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een "last ter zake". Het betoog van belanghebbende dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen van de kosten, wordt door het Hof derhalve niet gevolgd.
Doorberekende kosten
4.6
Belanghebbende stelt voorts in hoger beroep dat de kosten die bij de naheffingsaanslag in rekening zijn gebracht geheel of in ieder geval verder gematigd moeten worden, aangezien, in strijd met het bepaalde in artikel 2, lid 1, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit) ten onrechte de kosten van parkeerautomaten, de kosten van parkeerbeleid (dat wil zeggen: personeelskosten voor zover die zien op het onderdeel aandeel in de kosten van Beheer Openbare Ruimte (B.O.R.)), de kosten van juridische ondersteuning, de kosten van monteurs en overige technische ondersteuning, kapitaallasten, administratie naheffingstoeslagen en de invorderingskosten in de berekening zijn betrokken en verder dat de heffingsambtenaar ten onrechte uitgaat van overheadkosten die 50% van de personeelskosten bedragen.
4.7
De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat er niet te veel kosten worden doorberekend. In eerste aanleg heeft de heffingsambtenaar de opstelling van de kosten van de naheffingsaanslag 2023 overgelegd. Deze opstelling luidt als volgt:
Bedrag 2023
A
Vaste informatieverwerkingskosten
Onderhoud parkeerautomaten (contracten en nutsbedrijven)
282.406
Onderhoud parkeerautomaten kst derden
98.875
Onderhoud software
-
Parkeerdrukmeting
19.472
Handhaving boa’s
777.072
Invorderingskosten
16.811
Kosten juridische ondersteuning
21.218
B
Variabele informatieverwerkingskosten
Meldkamerdiensten
-
Kosten regiopolitie
-
C
Kosten investeringen
Kapitaallasten
112.491
D
Personeelskosten
Administratie naheffingsaanslagen
12.462
Monteurs en overige technische ondersteuning
73.876
Aandeel kosten B.O.R.
11.085
E
Overheadkosten
50% van de personeelskosten tbv huisvesting, AFF, begeleiding H.K
48.711
Totale handhavingskosten
1.474.479
aantal naheffingsaanslagen
21.500
Kosten per naheffing
68,60
Huidig tarief
68,60
4.8
De bevoegdheid om kosten in rekening te brengen bij het opleggen van een naheffingsaanslag is neergelegd in artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet. Nadere regels over de in rekening te brengen kosten zijn op grond van artikel 234, lid 6, van de Gemeentewet opgenomen in het Besluit. Artikel 2, lid 1, van het Besluit regelt uit welke kostencomponenten de bij een naheffingsaanslag in rekening te brengen kosten ten hoogste kunnen bestaan. Het betreft ten hoogste de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen:
“a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.”
4.9
Artikel 2, lid 2, van het Besluit bepaalt dat de raad van de gemeente het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raad moet dat op grond van deze bepaling doen op basis van een in beginsel op jaarbasis te maken raming van de totale in lid 1 bedoelde kosten, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.
4.10
In artikel 3 is bepaald dat het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, met ingang van 1 januari 2023 ten hoogste € 72,90 bedraagt.
4.11
De raad van de gemeente Zwolle heeft op 19 december 2022 de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2023 (de Verordening) vastgesteld. De Verordening is bekend gemaakt door publicatie ervan in het Gemeenteblad 2022, nr. 569240. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2023.
4.12
In artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening is bepaald dat onder de naam ‘parkeerbelastingen’ een belasting wordt geheven ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze.
4.13
In artikel 8 van de Verordening is bepaald dat de kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, € 68,60 bedragen.
4.14
Onder kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van het Besluit moeten mede worden verstaan kosten die samenhangen met het opleggen van naheffingsaanslagen wegens het niet-betalen van verschuldigde parkeerbelastingen. Zonder naheffingsaanslag is het immers voor de gemeente niet mogelijk om niet-betaalde parkeerbelastingen te innen. De kosten van de administratie naheffingstoeslagen zijn aldus terecht doorberekend.
4.15
De in artikel 2, lid 1, van het Besluit omschreven kosten kunnen volgens die bepaling slechts worden verhaald voor zover deze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Volgens de nota van toelichting is het woord “samenhangen” in deze bepaling gebruikt om buiten twijfel te stellen dat de kosten niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen hoeven te zijn gemaakt. Vereist is slechts dat de kosten meer dan zijdelings daarmee samenhangen (vgl. HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016, rechtsoverweging 2.4.7.). Van samenhang in die zin is slechts dan geen sprake indien de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, rechtsoverweging 3.3.6.).
4.16
Het staat de gemeente vrij om kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, geheel of gedeeltelijk daaraan toe te rekenen (vgl. HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016, rechtsoverweging 2.4.7.). Bij deze kosten is het voor de mogelijkheden tot doorberekening dus niet van belang in welke mate ze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Het gebruik van de woorden “voor zover” in artikel 2, lid 1, van het Besluit staat daaraan niet in de weg. De gemeente is echter niet bevoegd kosten die vallen onder de omschrijving van artikel 2, lid 1, van het Besluit op de voet van artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet te verhalen, voor zover die kosten niet op de gemeente drukken doordat zij die reeds op andere wijze verhaalt, bijvoorbeeld op grond van artikel 235, lid 3 of lid 5, van de Gemeentewet of op grond van overeenkomstige toepassing van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
4.17
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoren de kosten van parkeerautomaten tot de kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen en mogen daarom worden doorberekend (vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24). Hetgeen belanghebbende in zijn nadere stuk van 30 maart 2026 in dat verband nog naar voren heeft gebracht doet daaraan, naar het oordeel van het Hof, niet af.
4.18
Het Hof is verder van oordeel dat ook de invorderingskosten in de raming mogen worden opgenomen (vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24). Voor aanmaningen en dwangbevelen bestaat een specifieke mogelijkheid tot kostenverhaal. De met aanmaningen en dwangbevelen verband houdende kosten kunnen daarom niet ook (volledig) worden verhaald via naheffingsaanslagen parkeerbelastingen. De heffingsambtenaar heeft onweersproken aangevoerd dat bij de berekening van de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslagen geen kosten voor aanmaningen en dwangbevelen zijn meegenomen. Het gaat hier om kosten in het proces van inning van parkeerbelastingen tot aan het versturen van aanmaningen en dwangbevelen. Ook deze kosten hangen, naar het oordeel van het Hof, meer dan zijdelings samen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting.
4.19
Naar het oordeel van het Hof geldt dat ook voor de kosten voor de juridische ondersteuning. Met het standpunt dat deze kosten onder de overheadkosten moeten worden geschaard, betwist belanghebbende niet dat deze kosten in de raming kunnen worden opgenomen. Uit het verweerschrift van de heffingsambtenaar volgt dat de gemeente ervoor heeft gekozen om deze kosten apart inzichtelijk te maken en te verantwoorden. Het Hof acht ook aannemelijk dat de gemeente kosten moet maken voor juridische procedures en dat deze procedures het directe gevolg zijn van naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Omdat deze procedures moeten worden gevoerd om de naheffingsaanslagen in stand te houden, hangen ook de daarvoor door de gemeente gemaakte kosten meer dan zijdelings samen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting. Hetgeen belanghebbende dienaangaande in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht, maakt dat niet anders.
4.20
Belanghebbende heeft gesteld dat de overhead maar 50% van de personeelskosten mag zijn en dat de kosten voor de juridische ondersteuning op een andere plek in de raming zijn opgenomen om te voorkomen dat het percentage van 50 wordt overschreden. Voorts is geen toelichting gegeven waarom het maximale percentage van 50 is gehanteerd. Het Hof stelt voorop dat de kosten voor de juridische ondersteuning direct verband houden met het opleggen van de naheffingsaanslagen. Bij overheadkosten is dat – nu dat naar zijn aard indirect toe te rekenen kosten zijn – anders. De heffingsambtenaar heeft de kosten voor juridische ondersteuning daarom terecht niet tot de overheadkosten gerekend. Dat de gemeente de overheadkosten op het maximale percentage heeft gesteld, staat de gemeentelijke regelgever vrij. Wat hier verder ook van zij, het betreffen naar het oordeel van het Hof hoe dan ook kosten die voldoende verband houden met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen en mochten daarom betrokken worden in de berekening van de kosten per naheffing.
4.21
Datzelfde geldt voor de kosten van parkeerbeleid (dat wil zeggen: personeelskosten voor zover die zien op het onderdeel aandeel in de kosten van Beheer Openbare Ruimte (B.O.R.)), en de kosten van monteurs en overige technische ondersteuning. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep onweersproken gesteld dat de kosten van parkeerbeleid zien op het beleid met betrekking tot het betaald parkeren, terwijl de kosten van monteurs en overige technische ondersteuning zien op de parkeerautomaten en daaraan gekoppelde systemen. Nu de kosten van die parkeerautomaten reeds als verhaalbare kosten zijn aangemerkt (zie 4.18) geldt dat ook voor deze kosten.
4.22
Ook kapitaallasten mogen, gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 1, aanhef en onderdelen c en d, van het Besluit worden doorberekend.
Kosten van bezwaar
4.23
In haar bestreden uitspraak heeft de Rechtbank geoordeeld dat de vergoeding van de kosten van bezwaar met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht moet worden berekend met een bedrag per proceshandeling van € 310. Daarbij heeft zij twee proceshandelingen in aanmerking genomen en een factor 0,5 toegepast. Belanghebbende heeft een grief geuit ten aanzien van de door de Rechtbank toegekende waarde per punt.
4.24
In zijn arrest van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de mogelijkheid niet valt uit te sluiten dat de regeling in de Bijlage bij het Besluit, onderdeel B2, punt 1, in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet, en dat het is aangewezen dat de rechter die bepaling bij gebreke van een toetsbare motivering buiten toepassing laat.
4.25
Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank om die reden op dat punt vernietigen. Het Hof stelt de kosten van bezwaar vast op 2 punten x € 666 x factor 0,5 is € 666.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Proceskosten
5.1.
De proceskosten van belanghebbende, kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zijn in beginsel in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 punten (het hogerberoepschrift en het verschijnen ter zitting van het Hof) x een waarde per punt van € 934 x een wegingsfactor 1, is € 1.868. Het Hof ziet in het onderhavige geval, dat samenhangt met de twee andere zaken die gezamenlijk en gelijktijdig ter zitting van het Hof zijn behandeld, een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, op grond waarvan het Hof naar beneden zal afwijken van een proceskostenvergoeding van € 1.868, door in elk van deze zaken een derde van die proceskostenvergoeding toe te kennen, in de onderhavige zaak derhalve € 622,67 (vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127).
5.2.
Overeenkomstig het verzoek van belanghebbende in het beroepschrift zal het Hof bepalen dat de heffingsambtenaar over de proceskostenvergoeding en het griffierecht wettelijke rente dient te vergoeden vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
6Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het betreft de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van bezwaar,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van bezwaar van belanghebbende tot een bedrag van € 666,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor het hoger beroep tot een bedrag van € 622,67,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof en
– bepaalt dat de heffingsambtenaar over de vergoeding van de kosten van bezwaar, de proceskostenvergoeding en het griffierecht wettelijke rente dient te vergoeden vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat (P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.