Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2009:BI1968
2009-04-24
Bestuursrecht; Belastingrecht
07/12961
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2009:BI1968 → ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0297 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Inhoudsindicatie
Art. 229b Gemeentewet. Stelplicht en bewijslast limietoverschrijding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (299)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8534 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-09-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5537 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5539 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5538 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5538 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5537 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5539 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4767 Rechtbank Oost-Brabant 07-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1907 Gerechtshof Den Haag 09-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 Gerechtshof Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1792 Rechtbank Noord-Nederland 12-05-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1848 Rechtbank Noord-Nederland 16-04-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:2389 Rechtbank Oost-Brabant 16-04-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1211 Rechtbank Noord-Nederland 09-04-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1127 Rechtbank Noord-Nederland 07-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1965 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:3652 Rechtbank Noord-Holland 26-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:3645 Rechtbank Noord-Holland 26-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1650 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1650 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:24 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:844 Rechtbank Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:844 Rechtbank Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:845 Rechtbank Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:845 Rechtbank Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:361 Rechtbank Midden-Nederland 14-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6798 Rechtbank Midden-Nederland 11-12-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:8083 Rechtbank Oost-Brabant 10-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2397 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2396 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2397 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2396 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1175 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2578 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2577 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2914 Gerechtshof Den Haag 21-08-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:4359 Rechtbank Midden-Nederland 12-08-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:4358 Rechtbank Midden-Nederland 12-08-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:3904 Rechtbank Oost-Brabant 01-07-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:2824 Rechtbank Noord-Nederland 24-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3906 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3906 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3430 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-06-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2050 Gerechtshof Amsterdam 13-05-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:1402 Rechtbank Noord-Nederland 17-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:334 Gerechtshof Den Haag 26-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:334 Gerechtshof Den Haag 26-02-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:653 Rechtbank Oost-Brabant 10-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:262 Gerechtshof Den Haag 14-01-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2024:6690 Rechtbank Midden-Nederland 12-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2336 Gerechtshof Den Haag 05-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2335 Gerechtshof Den Haag 05-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7820 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-11-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:5136 Rechtbank Oost-Brabant 31-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1177 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1177 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1122 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1176 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1122 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1178 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (6.440 tekens)
nr. 07/12961
24 april 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 september 2007, nr. 04/02235, betreffende een aan X C.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in het rioolafvoerrecht.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in het rioolafvoerrecht van de gemeente Roosendaal opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Roosendaal is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben de zaak doen toelichten, het College door mr. R.M.P.G. Niessen-Cobben, advocaat te Rotterdam, belanghebbende door mr. M.J. Hamer, advocaat te Utrecht.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het Hof heeft de rioolrechtverordening waarop de onderhavige aanslag berust onverbindend geoordeeld op de grond dat de heffingsambtenaar, op wie naar het oordeel van het Hof de last rust te bewijzen dat de heffing is gebaseerd op inzichtelijke en controleerbare gegevens, niet in haar bewijslast ter zake is geslaagd. Als gevolg hiervan is, aldus het Hof, niet te beoordelen of de tarieven zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde baten van het rioolafvoerrecht niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.
3.2.1. Bij de beoordeling van de tegen dit oordeel gerichte middelen III en IV dient het volgende te worden vooropgesteld. Een geschil over, kort gezegd, limietoverschrijding wordt procesrechtelijk hierdoor gekenmerkt dat niet de belanghebbende die het geschilpunt opwerpt, maar de heffingsambtenaar de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt. Die omstandigheid leidt tot de hierna te omschrijven (verzwaarde) eisen aan de motivering die de heffingsambtenaar geeft voor zijn betwisting dat de limiet is overschreden.
3.2.2. Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde "lasten ter zake" hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen.
3.2.3. Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een "last ter zake", dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen.
3.2.4. Indien de belanghebbende niet stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, heeft de rechter slechts de rechtsvraag te beantwoorden of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een "last ter zake". Bij ontkennende beantwoording van die vraag dient hij te beoordelen of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden.
3.2.5. Indien de belanghebbende wél stelt dat die feitelijke gegevens onjuist zijn, en de heffingsambtenaar deze stelling van de belanghebbende betwist, komt bewijslevering aan de orde. In dat geval draagt de belanghebbende de bewijslast van zijn stelling dat de door de heffingsambtenaar verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn, omdat die onjuistheid een voorwaarde is voor het intreden van het rechtsgevolg dat hij inroept (onverbindendheid van de verordening). Na bewijslevering dient de rechter, uitgaande van de feiten die hij bewezen acht, de rechtsvraag te beantwoorden die hiervoor in 3.2.4 is omschreven, en in het licht daarvan te beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden.
3.3. De middelen III en IV slagen, want 's Hofs uitspraak geeft hetzij blijk van een miskenning van deze uitgangspunten, hetzij onvoldoende inzicht in 's Hofs gedachtegang:
- Voor zover onderdeel 4.9 van 's Hofs uitspraak betrekking heeft op de onder 3.2.2 bedoelde eis, blijkt uit het vervolg van de uitspraak niet dat het Hof heeft onderzocht in hoeverre de heffingsambtenaar de vereiste nadere inlichtingen heeft verstrekt.
- Uit onderdeel 4.10, eerste volzin, volgt dat de heffingsambtenaar heeft erkend dat één post niet in de lastenraming thuishoort, maar uit de uitspraak blijkt niet of het Hof heeft onderzocht of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden.
- De tweede volzin van onderdeel 4.10 - wat daarvan verder zij - miskent dat het niet op de weg ligt van de heffingsambtenaar, maar op die van de belanghebbende om te stellen dat bepaalde posten niet thuishoren in de lastenraming.
- Onderdeel 4.10 bevat geen reactie op het in onderdeel 4.9 weergegeven standpunt van belanghebbende dat onvoldoende inzicht is verschaft in de aard van de lasten. Daardoor is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk hoe het Hof in onderdeel 4.11 van zijn uitspraak tot de slotsom is kunnen komen dat dit standpunt van belanghebbende gelet op "al het voorgaande" gevolgd moet worden.
- Onderdeel 4.11 van 's Hofs uitspraak miskent dat er geen bewijslast op de heffingsambtenaar rust.
3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2009.
24 april 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 september 2007, nr. 04/02235, betreffende een aan X C.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in het rioolafvoerrecht.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in het rioolafvoerrecht van de gemeente Roosendaal opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Roosendaal is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben de zaak doen toelichten, het College door mr. R.M.P.G. Niessen-Cobben, advocaat te Rotterdam, belanghebbende door mr. M.J. Hamer, advocaat te Utrecht.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het Hof heeft de rioolrechtverordening waarop de onderhavige aanslag berust onverbindend geoordeeld op de grond dat de heffingsambtenaar, op wie naar het oordeel van het Hof de last rust te bewijzen dat de heffing is gebaseerd op inzichtelijke en controleerbare gegevens, niet in haar bewijslast ter zake is geslaagd. Als gevolg hiervan is, aldus het Hof, niet te beoordelen of de tarieven zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde baten van het rioolafvoerrecht niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.
3.2.1. Bij de beoordeling van de tegen dit oordeel gerichte middelen III en IV dient het volgende te worden vooropgesteld. Een geschil over, kort gezegd, limietoverschrijding wordt procesrechtelijk hierdoor gekenmerkt dat niet de belanghebbende die het geschilpunt opwerpt, maar de heffingsambtenaar de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt. Die omstandigheid leidt tot de hierna te omschrijven (verzwaarde) eisen aan de motivering die de heffingsambtenaar geeft voor zijn betwisting dat de limiet is overschreden.
3.2.2. Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde "lasten ter zake" hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen.
3.2.3. Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een "last ter zake", dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen.
3.2.4. Indien de belanghebbende niet stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, heeft de rechter slechts de rechtsvraag te beantwoorden of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een "last ter zake". Bij ontkennende beantwoording van die vraag dient hij te beoordelen of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden.
3.2.5. Indien de belanghebbende wél stelt dat die feitelijke gegevens onjuist zijn, en de heffingsambtenaar deze stelling van de belanghebbende betwist, komt bewijslevering aan de orde. In dat geval draagt de belanghebbende de bewijslast van zijn stelling dat de door de heffingsambtenaar verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn, omdat die onjuistheid een voorwaarde is voor het intreden van het rechtsgevolg dat hij inroept (onverbindendheid van de verordening). Na bewijslevering dient de rechter, uitgaande van de feiten die hij bewezen acht, de rechtsvraag te beantwoorden die hiervoor in 3.2.4 is omschreven, en in het licht daarvan te beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden.
3.3. De middelen III en IV slagen, want 's Hofs uitspraak geeft hetzij blijk van een miskenning van deze uitgangspunten, hetzij onvoldoende inzicht in 's Hofs gedachtegang:
- Voor zover onderdeel 4.9 van 's Hofs uitspraak betrekking heeft op de onder 3.2.2 bedoelde eis, blijkt uit het vervolg van de uitspraak niet dat het Hof heeft onderzocht in hoeverre de heffingsambtenaar de vereiste nadere inlichtingen heeft verstrekt.
- Uit onderdeel 4.10, eerste volzin, volgt dat de heffingsambtenaar heeft erkend dat één post niet in de lastenraming thuishoort, maar uit de uitspraak blijkt niet of het Hof heeft onderzocht of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden.
- De tweede volzin van onderdeel 4.10 - wat daarvan verder zij - miskent dat het niet op de weg ligt van de heffingsambtenaar, maar op die van de belanghebbende om te stellen dat bepaalde posten niet thuishoren in de lastenraming.
- Onderdeel 4.10 bevat geen reactie op het in onderdeel 4.9 weergegeven standpunt van belanghebbende dat onvoldoende inzicht is verschaft in de aard van de lasten. Daardoor is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk hoe het Hof in onderdeel 4.11 van zijn uitspraak tot de slotsom is kunnen komen dat dit standpunt van belanghebbende gelet op "al het voorgaande" gevolgd moet worden.
- Onderdeel 4.11 van 's Hofs uitspraak miskent dat er geen bewijslast op de heffingsambtenaar rust.
3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2009.