Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:499
2023-03-31
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
23/00077
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2023:499 → ECLI:NL:GHDHA:2018:3426
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:499 → ECLI:NL:PHR:2023:106 gevolgd
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang der wet. Procesrecht. Kan rechter in kort geding een veroordeling uitspreken tot verkoop en levering van gemeenschapsgoed met oog op verdeling van gemeenschap?
Citeert (8)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3426 Gerechtshof Den Haag 13-11-2018
- ECLI:NL:HR:1994:ZC1583 Hoge Raad 16-12-1994
- ECLI:NL:HR:1998:ZC2652 Hoge Raad 15-05-1998
- ECLI:NL:HR:1946:67 Hoge Raad 08-02-1946
- ECLI:NL:HR:1966:AB6689 Hoge Raad 02-12-1966
- ECLI:NL:HR:2002:AE4380 Hoge Raad 21-06-2002
- ECLI:NL:HR:2002:AE4380 Hoge Raad 21-06-2002
- ECLI:NL:HR:2002:AE4380 Hoge Raad 21-06-2002
Geciteerd door (67)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24112 Rechtbank Den Haag 21-08-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:10172 Rechtbank Rotterdam 05-08-2026
- ECLI:NL:RBLIM:2026:6580 Rechtbank Limburg 07-07-2026
- ECLI:NL:OGEABES:2026:167 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 03-07-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:9831 Rechtbank Noord-Holland 01-07-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:7011 Rechtbank Rotterdam 02-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5332 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-05-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:5414 Rechtbank Rotterdam 08-05-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:4547 Rechtbank Noord-Holland 28-04-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3875 Rechtbank Amsterdam 08-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2627 Rechtbank Gelderland 08-04-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:10145 Rechtbank Noord-Holland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24531 Rechtbank Den Haag 18-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3364 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-11-2025
- ECLI:NL:OGEAA:2025:345 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 12-11-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:12498 Rechtbank Noord-Holland 28-10-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:11971 Rechtbank Noord-Holland 23-10-2025
- ECLI:NL:OGEABES:2025:45 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 20-10-2025
- ECLI:NL:OGEABES:2025:73 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 19-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15076 Rechtbank Den Haag 11-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14771 Rechtbank Den Haag 06-08-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5023 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-08-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:8336 Rechtbank Rotterdam 09-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1717 Gerechtshof Den Haag 03-06-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:1949 Rechtbank Noord-Nederland 12-05-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:4397 Rechtbank Limburg 07-05-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:3975 Rechtbank Rotterdam 27-03-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:1253 Rechtbank Overijssel 06-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1777 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:109 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1345 Parket bij de Hoge Raad 13-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1345 Parket bij de Hoge Raad 13-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1345 Parket bij de Hoge Raad 13-12-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:8232 Rechtbank Limburg 13-11-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:10886 Rechtbank Rotterdam 31-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7428 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7426 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-10-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:5407 Rechtbank Overijssel 22-10-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:10887 Rechtbank Rotterdam 21-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7684 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3227 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-10-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:9452 Rechtbank Rotterdam 26-09-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5213 Rechtbank Midden-Nederland 04-09-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2476 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-07-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:3250 Rechtbank Amsterdam 05-06-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:4230 Rechtbank Noord-Holland 17-04-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:1400 Rechtbank Limburg 27-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:1526 Rechtbank Rotterdam 23-02-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:1790 Rechtbank Noord-Holland 07-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2023:11755 Rechtbank Rotterdam 13-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10672 Rechtbank Rotterdam 08-11-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:6961 Rechtbank Amsterdam 01-11-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:5188 Rechtbank Gelderland 14-09-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:8750 Rechtbank Rotterdam 13-09-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:13590 Rechtbank Den Haag 08-09-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:8122 Rechtbank Rotterdam 30-08-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:6893 Rechtbank Rotterdam 31-07-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:4024 Rechtbank Amsterdam 29-06-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5409 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-06-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5409 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-06-2023
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.985 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00077
Datum 31 maart 2023
ARREST
op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen het arrest in de zaak 200.242.507/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 november 2018.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naarhet vonnis in de zaak C/09/552912 / KG ZA 18-466 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 15 juni 2018 en het arrest in de zaak 200.242.507/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 november 2018.
Tegen het arrest van het hof heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet.
De vordering van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging in het belang der wet van het arrest van het hof, met bepaling dat de vernietiging geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze cassatieprocedure in het belang der wet gaat het over de vraag of de rechter in kort geding een veroordeling kan uitspreken tot verkoop en levering van een gemeenschapsgoed met het oog op de verdeling van de gemeenschap waartoe dat goed behoort.
2.2
Aanleiding voor de vordering tot cassatie in het belang der wet is het volgende.
2.3
Partijen (hierna: de man en de vrouw) hebben met elkaar samengewoond. De man en de vrouw zijn gezamenlijk eigenaar van een woning.
2.4
De man heeft de vrouw in kort geding gedagvaard om een veroordeling te verkrijgen tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning.
De voorzieningenrechter heeft de vrouw veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis haar onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen teneinde de woning zo spoedig mogelijk te verkopen en te leveren aan een derde, en dit gedeelte van het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.5
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld en een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis.
Het hof heeft deze incidentele vordering toegewezen en daartoe onder meer het volgende overwogen:
“13. Op de voet van [art. 25 Rv] vult het hof de rechtsgrond aan in die zin dat naar het oordeel van het hof in deze sprake is van een juridische misslag waarop het bestreden vonnis rust. Het hof oordeelt daartoe als volgt.
14. Gesteld noch gebleken is dat de woning tussen partijen is verdeeld dan wel dat de wijze van verdeling van de woning is vastgesteld. Het verkopen van een goed als door de voorzieningenrechter bepaald en welk goed partijen in mede-eigendom toebehoort, is de facto een wijze van verdelen als bedoeld in artikel 3:185 BW. De beslissing van de voorzieningenrechter om de vrouw te veroordelen haar onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen teneinde de woning zo spoedig mogelijk te verkopen (en dus te leveren aan een derde), is een verdelingshandeling. Gezien het kader van een kortgedingprocedure, zijnde het treffen van een ordemaatregel, leent deze procedure zich er in beginsel niet voor dat de voorzieningenrechter een wijze van verdeling gelast in het kader van artikel 3:185 BW. Het is naar het oordeel van het hof echter niet aan de voorzieningenrechter om in het kader van een ordemaatregel een definitief einde aan de verdeling te maken. De geëigende weg hiertoe is die van een bodemprocedure.
15. Nu sprake is van een juridische misslag, wijst het hof het verzoek van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad toe.”
2.6
Partijen hebben vervolgens een schikking getroffen en de zaak bij het hof geroyeerd. Het arrest van het hof is hierdoor onherroepelijk geworden.
3Beoordeling van het middel
3.1
Het middel houdt de klacht in dat onjuist is het oordeel van het hof (in rov. 14) dat een veroordeling van een van de deelgenoten op vordering van een andere deelgenoot om mee te werken aan de verkoop en levering van een tot een gemeenschap behorend goed, in kort geding in beginsel niet mogelijk is. Volgens het middel is een dergelijke veroordeling in kort geding wel mogelijk aangezien (i) in kort geding steeds bij wege van voorlopige voorziening een veroordeling kan worden uitgesproken, en dus ook een veroordeling tot medewerking aan een verdeling van een gemeenschap of gemeenschapsgoed, (ii) de wijze van verdeling als bedoeld in art. 3:185 BW wel in kort geding kan worden bepaald, in elk geval als onderdeel van een bij wege van voorlopige voorziening uit te spreken veroordeling, en (iii) de veroordeling om mee te werken aan de verkoop van een tot een gemeenschap behorend goed en de bepaling van de wijze van verdeling als bedoeld in art. 3:185 BW geen einde maken aan de verdeling en mede om die reden in kort geding mogelijk zijn.
3.2
In kort geding kan de rechter in spoedeisende zaken op grond van een voorlopig oordeel over het geschil van partijen een voorlopige voorziening geven (art. 254 Rv). Het voorlopige karakter van een beslissing in kort geding brengt mee dat aan die beslissing geen gezag van gewijsde toekomt en dat partijen en de rechter niet aan die beslissing zijn gebonden in een bodemprocedure of een later kort geding. Verder geldt dat de beslissing in het dictum van een uitspraak in kort geding vervalt als een andersluidende uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. De omstandigheid dat de gevolgen van een in kort geding gegeven voorziening feitelijk onomkeerbaar zijn, staat aan het geven van een dergelijke voorziening niet in de weg.
3.3
In kort geding kan de rechter een veroordeling tot medewerking aan de overdracht van een onroerende zaak uitspreken. Evenzeer kan de rechter in kort geding op de voet van art. 3:300 lid 2 BW bepalen dat de uitspraak in de plaats zal treden van (een deel van) een akte tot het verrichten van een rechtshandeling zoals in die bepaling bedoeld. Ook kan de rechter bij wijze van onmiddellijke voorziening in kort geding een deelgenoot machtiging verlenen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in art. 3:174 lid 1 BW.
3.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen en in het verlengde van de hiervoor in 3.3 omschreven mogelijkheden, kan de rechter in kort geding ook op vordering van een deelgenoot een veroordeling uitspreken jegens een andere deelgenoot om mee te werken aan de verkoop en levering van een tot een gemeenschap behorend goed aan een derde. Dat verkoop van een tot een gemeenschap behorend goed om de opbrengst te verdelen een wijze van verdeling is als bedoeld in art. 3:185 BW, staat niet eraan in de weg dat bij wijze van voorlopige voorziening in kort geding een veroordeling om daartoe over te gaan, wordt uitgesproken. Gelet op het voorlopige karakter van een beslissing in kort geding, wordt daarmee – anders dan het hof heeft overwogen – niet een definitief einde aan de verdeling gemaakt.
3.5
Onjuist is dus het oordeel van het hof dat een veroordeling van een van de deelgenoten op vordering van een andere deelgenoot om mee te werken aan de verkoop en levering van een tot een gemeenschap behorend goed, in kort geding in beginsel niet mogelijk is. Het arrest van het hof dient daarom, in het belang der wet, te worden vernietigd.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt, in het belang der wet, het arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 november 2018;
- verstaat dat deze vernietiging geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 31 maart 2023.
Gerechtshof Den Haag 13 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3426.
Vgl. HR 16 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1583, rov. 3.3-3.4.
Vgl. HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2652, rov. 4.2.
Zie reeds HR 8 februari 1946, ECLI:NL:HR:1946:67.
HR 2 december 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB6689.
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. Boek 3, 5 en 6), p. 1401; HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4380, rov. 3.3.2.
HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4380, rov. 3.3.2.
Vgl. HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4380.
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00077
Datum 31 maart 2023
ARREST
op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen het arrest in de zaak 200.242.507/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 november 2018.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naarhet vonnis in de zaak C/09/552912 / KG ZA 18-466 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 15 juni 2018 en het arrest in de zaak 200.242.507/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 november 2018.
Tegen het arrest van het hof heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet.
De vordering van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging in het belang der wet van het arrest van het hof, met bepaling dat de vernietiging geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze cassatieprocedure in het belang der wet gaat het over de vraag of de rechter in kort geding een veroordeling kan uitspreken tot verkoop en levering van een gemeenschapsgoed met het oog op de verdeling van de gemeenschap waartoe dat goed behoort.
2.2
Aanleiding voor de vordering tot cassatie in het belang der wet is het volgende.
2.3
Partijen (hierna: de man en de vrouw) hebben met elkaar samengewoond. De man en de vrouw zijn gezamenlijk eigenaar van een woning.
2.4
De man heeft de vrouw in kort geding gedagvaard om een veroordeling te verkrijgen tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning.
De voorzieningenrechter heeft de vrouw veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis haar onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen teneinde de woning zo spoedig mogelijk te verkopen en te leveren aan een derde, en dit gedeelte van het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.5
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld en een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis.
Het hof heeft deze incidentele vordering toegewezen en daartoe onder meer het volgende overwogen:
“13. Op de voet van [art. 25 Rv] vult het hof de rechtsgrond aan in die zin dat naar het oordeel van het hof in deze sprake is van een juridische misslag waarop het bestreden vonnis rust. Het hof oordeelt daartoe als volgt.
14. Gesteld noch gebleken is dat de woning tussen partijen is verdeeld dan wel dat de wijze van verdeling van de woning is vastgesteld. Het verkopen van een goed als door de voorzieningenrechter bepaald en welk goed partijen in mede-eigendom toebehoort, is de facto een wijze van verdelen als bedoeld in artikel 3:185 BW. De beslissing van de voorzieningenrechter om de vrouw te veroordelen haar onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen teneinde de woning zo spoedig mogelijk te verkopen (en dus te leveren aan een derde), is een verdelingshandeling. Gezien het kader van een kortgedingprocedure, zijnde het treffen van een ordemaatregel, leent deze procedure zich er in beginsel niet voor dat de voorzieningenrechter een wijze van verdeling gelast in het kader van artikel 3:185 BW. Het is naar het oordeel van het hof echter niet aan de voorzieningenrechter om in het kader van een ordemaatregel een definitief einde aan de verdeling te maken. De geëigende weg hiertoe is die van een bodemprocedure.
15. Nu sprake is van een juridische misslag, wijst het hof het verzoek van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad toe.”
2.6
Partijen hebben vervolgens een schikking getroffen en de zaak bij het hof geroyeerd. Het arrest van het hof is hierdoor onherroepelijk geworden.
3Beoordeling van het middel
3.1
Het middel houdt de klacht in dat onjuist is het oordeel van het hof (in rov. 14) dat een veroordeling van een van de deelgenoten op vordering van een andere deelgenoot om mee te werken aan de verkoop en levering van een tot een gemeenschap behorend goed, in kort geding in beginsel niet mogelijk is. Volgens het middel is een dergelijke veroordeling in kort geding wel mogelijk aangezien (i) in kort geding steeds bij wege van voorlopige voorziening een veroordeling kan worden uitgesproken, en dus ook een veroordeling tot medewerking aan een verdeling van een gemeenschap of gemeenschapsgoed, (ii) de wijze van verdeling als bedoeld in art. 3:185 BW wel in kort geding kan worden bepaald, in elk geval als onderdeel van een bij wege van voorlopige voorziening uit te spreken veroordeling, en (iii) de veroordeling om mee te werken aan de verkoop van een tot een gemeenschap behorend goed en de bepaling van de wijze van verdeling als bedoeld in art. 3:185 BW geen einde maken aan de verdeling en mede om die reden in kort geding mogelijk zijn.
3.2
In kort geding kan de rechter in spoedeisende zaken op grond van een voorlopig oordeel over het geschil van partijen een voorlopige voorziening geven (art. 254 Rv). Het voorlopige karakter van een beslissing in kort geding brengt mee dat aan die beslissing geen gezag van gewijsde toekomt en dat partijen en de rechter niet aan die beslissing zijn gebonden in een bodemprocedure of een later kort geding. Verder geldt dat de beslissing in het dictum van een uitspraak in kort geding vervalt als een andersluidende uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. De omstandigheid dat de gevolgen van een in kort geding gegeven voorziening feitelijk onomkeerbaar zijn, staat aan het geven van een dergelijke voorziening niet in de weg.
3.3
In kort geding kan de rechter een veroordeling tot medewerking aan de overdracht van een onroerende zaak uitspreken. Evenzeer kan de rechter in kort geding op de voet van art. 3:300 lid 2 BW bepalen dat de uitspraak in de plaats zal treden van (een deel van) een akte tot het verrichten van een rechtshandeling zoals in die bepaling bedoeld. Ook kan de rechter bij wijze van onmiddellijke voorziening in kort geding een deelgenoot machtiging verlenen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in art. 3:174 lid 1 BW.
3.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen en in het verlengde van de hiervoor in 3.3 omschreven mogelijkheden, kan de rechter in kort geding ook op vordering van een deelgenoot een veroordeling uitspreken jegens een andere deelgenoot om mee te werken aan de verkoop en levering van een tot een gemeenschap behorend goed aan een derde. Dat verkoop van een tot een gemeenschap behorend goed om de opbrengst te verdelen een wijze van verdeling is als bedoeld in art. 3:185 BW, staat niet eraan in de weg dat bij wijze van voorlopige voorziening in kort geding een veroordeling om daartoe over te gaan, wordt uitgesproken. Gelet op het voorlopige karakter van een beslissing in kort geding, wordt daarmee – anders dan het hof heeft overwogen – niet een definitief einde aan de verdeling gemaakt.
3.5
Onjuist is dus het oordeel van het hof dat een veroordeling van een van de deelgenoten op vordering van een andere deelgenoot om mee te werken aan de verkoop en levering van een tot een gemeenschap behorend goed, in kort geding in beginsel niet mogelijk is. Het arrest van het hof dient daarom, in het belang der wet, te worden vernietigd.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt, in het belang der wet, het arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 november 2018;
- verstaat dat deze vernietiging geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 31 maart 2023.
Gerechtshof Den Haag 13 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3426.
Vgl. HR 16 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1583, rov. 3.3-3.4.
Vgl. HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2652, rov. 4.2.
Zie reeds HR 8 februari 1946, ECLI:NL:HR:1946:67.
HR 2 december 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB6689.
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. Boek 3, 5 en 6), p. 1401; HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4380, rov. 3.3.2.
HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4380, rov. 3.3.2.
Vgl. HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4380.