Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2002:AE4380
2002-06-21
Civiel recht
C00/250HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2002:AE4380 → ECLI:NL:PHR:2002:AE4380
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (40)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:2439 Rechtbank Overijssel 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24531 Rechtbank Den Haag 18-12-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6645 Rechtbank Overijssel 12-11-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6067 Rechtbank Overijssel 15-10-2025
- ECLI:NL:OGEABES:2025:73 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 19-09-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5371 Rechtbank Overijssel 01-09-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:2533 Rechtbank Overijssel 23-04-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:85 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 14-04-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2024:6115 Rechtbank Overijssel 20-11-2024
- ECLI:NL:OGEAC:2023:278 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 03-11-2023
- ECLI:NL:HR:2023:499 Hoge Raad 31-03-2023
- ECLI:NL:HR:2023:499 Hoge Raad 31-03-2023
- ECLI:NL:HR:2023:499 Hoge Raad 31-03-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:2102 Rechtbank Limburg 24-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:106 Parket bij de Hoge Raad 25-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:106 Parket bij de Hoge Raad 25-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:106 Parket bij de Hoge Raad 25-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:106 Parket bij de Hoge Raad 25-01-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:25 Rechtbank Amsterdam 04-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3941 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-11-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:7846 Rechtbank Rotterdam 12-09-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:4750 Rechtbank Rotterdam 15-06-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:1861 Rechtbank Limburg 10-03-2022
- ECLI:NL:RBROT:2021:13393 Rechtbank Rotterdam 21-12-2021
- ECLI:NL:OGEAA:2021:542 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 13-10-2021
- ECLI:NL:RBOVE:2021:3583 Rechtbank Overijssel 21-09-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2803 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-09-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2491 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-08-2021
- ECLI:NL:OGEAA:2020:594 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 30-09-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4596 Rechtbank Amsterdam 16-09-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:13314 Rechtbank Rotterdam 09-07-2020
- ECLI:NL:OGEAA:2020:296 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 01-07-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:13313 Rechtbank Rotterdam 25-06-2020
- ECLI:NL:OGEAA:2020:258 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 10-06-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:13082 Rechtbank Rotterdam 26-03-2020
- ECLI:NL:OGEAC:2020:118 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 20-03-2020
- ECLI:NL:OGEAA:2019:263 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 08-05-2019
- ECLI:NL:RBOBR:2019:1760 Rechtbank Oost-Brabant 28-03-2019
- ECLI:NL:OGEAA:2019:185 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 20-03-2019
- ECLI:NL:RBOVE:2018:1105 Rechtbank Overijssel 28-03-2018
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.725 tekens)
21 juni 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/250HR
WS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.H. van der Woude.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploit van 27 maart 2000 onder anderen eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Almelo en gevorderd - kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen om mede te werken aan de verkoop en eigendomsoverdracht van haar aandeel in de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] aan de in het petitum van de dagvaarding genoemde personen, zulks met bepaling dat bij gebreke van medewerking aan die verkoop en eigendomsoverdracht het door de President te wijzen vonnis zal vervangen de voor verkoop en eigendomsoverdracht bij de notaris noodzakelijke wilsverklaring van de vrouw.
De vrouw heeft de vordering bestreden.
De President heeft bij vonnis van 31 maart 2000 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 13 juni 2000 heeft het Hof het vonnis van de President van de Rechtbank van 31 maart 2000 bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het anticipatie-exploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De man heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In deze zaak kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.
3.2 Evenals de President heeft het Hof de hiervoor onder 1 vermelde vordering van de man - kort gezegd: veroordeling van de vrouw tot medewerking aan de verkoop en overdracht van de tot de onverdeelde huwelijksgemeenschap behorende voormalige echtelijke woning aan degenen met wie de man de koopovereenkomst van 17 februari 2000 heeft gesloten, zulks onder de bepaling dat bij gebreke van die medewerking het te wijzen vonnis de voor de verkoop en eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaring van de vrouw zal vervangen (art. 3:300 lid 2 BW) - toewijsbaar geacht op grond van de overweging dat indien de man een machtiging als bedoeld in art. 3:174 BW zou hebben verzocht, hetgeen hij ten onrechte heeft nagelaten, die machtiging aan hem zou zijn verleend. Hiertegen keren zich de middelen.
3.3.1 Middel I komt erop neer dat de door het Hof bekrachtigde voorziening in kort geding niet kan worden gegeven, nu deze vergelijkbaar is met een machtiging als omschreven in art. 3:174 BW, welke machtiging te ver gaat voor een kort geding.
3.3.2 Het middel, dat - terecht - op zichzelf niet bestrijdt dat ook de President in kort geding bevoegd is op de voet van art. 3:300 lid 2 BW te bepalen dat zijn uitspraak in de plaats zal treden van een (deel van een) akte als bedoeld in die bepaling, berust op het uitgangspunt dat een machtiging tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in art. 3:174 lid 1 BW niet bij wijze van onmiddellijke voorziening in kort geding kan worden verleend. Dit uitgangspunt is evenwel onjuist, zodat het middel faalt.
3.4 Middel II, dat klaagt dat het Hof het vonnis van de President niet had mogen bekrachtigen nu in dit vonnis niet is "voorzien in voorafgaande betekening van dit vonnis en een termijn(-stelling) als bedoeld in art. 3:301 lid 1 sub b BW, zodat dit vonnis aldus niet kan worden ingeschreven in de openbare registers", faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 12.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 21 juni 2002.
Eerste Kamer
Nr. C00/250HR
WS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.H. van der Woude.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploit van 27 maart 2000 onder anderen eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Almelo en gevorderd - kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen om mede te werken aan de verkoop en eigendomsoverdracht van haar aandeel in de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] aan de in het petitum van de dagvaarding genoemde personen, zulks met bepaling dat bij gebreke van medewerking aan die verkoop en eigendomsoverdracht het door de President te wijzen vonnis zal vervangen de voor verkoop en eigendomsoverdracht bij de notaris noodzakelijke wilsverklaring van de vrouw.
De vrouw heeft de vordering bestreden.
De President heeft bij vonnis van 31 maart 2000 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 13 juni 2000 heeft het Hof het vonnis van de President van de Rechtbank van 31 maart 2000 bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het anticipatie-exploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De man heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In deze zaak kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.
3.2 Evenals de President heeft het Hof de hiervoor onder 1 vermelde vordering van de man - kort gezegd: veroordeling van de vrouw tot medewerking aan de verkoop en overdracht van de tot de onverdeelde huwelijksgemeenschap behorende voormalige echtelijke woning aan degenen met wie de man de koopovereenkomst van 17 februari 2000 heeft gesloten, zulks onder de bepaling dat bij gebreke van die medewerking het te wijzen vonnis de voor de verkoop en eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaring van de vrouw zal vervangen (art. 3:300 lid 2 BW) - toewijsbaar geacht op grond van de overweging dat indien de man een machtiging als bedoeld in art. 3:174 BW zou hebben verzocht, hetgeen hij ten onrechte heeft nagelaten, die machtiging aan hem zou zijn verleend. Hiertegen keren zich de middelen.
3.3.1 Middel I komt erop neer dat de door het Hof bekrachtigde voorziening in kort geding niet kan worden gegeven, nu deze vergelijkbaar is met een machtiging als omschreven in art. 3:174 BW, welke machtiging te ver gaat voor een kort geding.
3.3.2 Het middel, dat - terecht - op zichzelf niet bestrijdt dat ook de President in kort geding bevoegd is op de voet van art. 3:300 lid 2 BW te bepalen dat zijn uitspraak in de plaats zal treden van een (deel van een) akte als bedoeld in die bepaling, berust op het uitgangspunt dat een machtiging tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in art. 3:174 lid 1 BW niet bij wijze van onmiddellijke voorziening in kort geding kan worden verleend. Dit uitgangspunt is evenwel onjuist, zodat het middel faalt.
3.4 Middel II, dat klaagt dat het Hof het vonnis van de President niet had mogen bekrachtigen nu in dit vonnis niet is "voorzien in voorafgaande betekening van dit vonnis en een termijn(-stelling) als bedoeld in art. 3:301 lid 1 sub b BW, zodat dit vonnis aldus niet kan worden ingeschreven in de openbare registers", faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 12.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 21 juni 2002.