Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3364

2025-11-25 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.352.480_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-11-25
Publicatiedatum
2025-11-25
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep kort geding
Zaaknummer
200.352.480_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Spoedeisend belang, veroordeling tot medewerking aan verkoop en levering woning in kort geding.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.932 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht


zaaknummer 200.352.480/01




arrest van 25 november 2025




in de zaak van





[appellante]


wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. M. Özgül te Breda,



tegen





[geïntimeerde]

,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr. J. Nederlof te Tilburg,



op het bij exploot van dagvaarding van 11 maart 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 februari 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.





De zaak in het kort




Partijen waren gehuwd in de wettelijke (beperkte) gemeenschap van goederen. Gaat de (voormalige echtelijke) woning naar de man of moet de woning worden verkocht?





1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/430401 / FA RK KG ZA 25-2)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 1 tot en met 10;


de memorie van antwoord tevens (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep d.d. 23 april 2025 met prod. 1;


de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep d.d. 17 juni 2025 met prod. 11;


de prod. 12 en 13 zijdens de vrouw (H12 formulier d.d. 3 november 2025);


de prod. 2 t/m 6 zijdens de man (H12-formulier 6 november 2025 met brief);


de mondelinge behandeling op 12 november 2025 waar partijen werden bijgestaan door hun advocaten.





2.2.

De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar
gemaakt tegen de prod. 2 tot en met 6 van de man die kort voor de zitting zijn overgelegd, in het bijzonder de als prod. 2 en 3 overgelegde ‘vaststellingsovereenkomst’. Het hof gaat aan dat bezwaar voorbij nu de overgelegde stukken eenvoudig te doorgronden zijn en de ‘vaststellingsovereenkomst’ reeds bij de vrouw bekend was. Daarbij komt dat de goede procesorde verlangt dat genoemde producties onderdeel uitmaken van het procesdossier.




2.3.
De man heeft zijn grief in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.



2.4.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.





3De beoordeling


3.1.
In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.



Partijen zijn op 2 september 2019 gehuwd in de wettelijke (beperkte) gemeenschap van goederen.


Het verzoek tot echtscheiding is ingediend op 14 april 2023.


Daarop heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken op 7 mei 2024.


De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op 12 november 2024.


Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort de woning staande en gelegen aan [adres] (hierna: de woning).





3.2.
In de echtscheidingsbeschikking van 7 mei 2024 heeft de rechtbank als volgt beslist:



“gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen op de wijze zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 4.12. tot en met 4.19.;”




Voor de woning zijn van belang de overwegingen 4.12 tot en met 4.14. De kernoverweging luidt als volgt: “Partijen zijn op de mondelinge behandeling overeengekomen dat de echtelijke woning (…) tegen de taxatiewaarde aan de man zal worden toebedeeld.”. Enerzijds heeft de rechtbank aldus de verdeling van de woning gelast, anderzijds verdelen partijen zelf.




3.3.
De vrouw heeft de man in rechte betrokken. In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw bij gebrek aan spoedeisend belang afgewezen.



Het principale hoger beroep





3.4.
De vrouw vordert in hoger beroep dat de woning wordt verkocht (in plaats van toegedeeld aan de man zoals vermeld in de echtscheidingsbeschikking). Letterlijk weergegeven, luiden haar vorderingen als volgt:



“Alsdan op de hierboven aan te voeren gronden te horen eis doen en concluderen dat het uw Gerechtshof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, tussen partijen gewezen vonnis d.d. 11 februari 2025 met zaaknr. C/02/430401 te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen, dat;





I. De man wordt veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis zijn medewerking dient te verlenen aan de verkoop en overdracht van de echtelijke woning, tegen een door de makelaar, te weten:


' [xx] Makelaars te [A] ', te bepalen reële marktconforme prijs, doch minimaal € 430.000,—, via een door de vrouw aan te wijzen notaris. De medewerking van de man zal bestaan uit de volgende handelingen:




a. Het plaatsen van een handtekening bij de overeenkomst van opdracht tot de verkoop van de echtelijke woning door de makelaar;


b. Partijen zullen zich refereren aan de verkoopprijs zoals vastgesteld door de makelaar, doch het zal minimaal € 430.000,-- bedragen;


c. Het laten bezichtigen van de echtelijke woning aan potentiële kopers binnen twee weken nadat een koper zich heeft gemeld bij de makelaar;


d. Het plaatsen van een handtekening op de verkoopovereenkomst, indien een koper bereid is de door de makelaar aangehouden verkoopprijs of meer te betalen;


e. Het verrichten van zijn medewerking bij de notaris door het ondertekenen van de daartoe benodigde documenten terzake de overdracht van de echtelijke woning aan de koper en de afwikkeling van de hypothecaire lening; En


f. Het leeg en opgeruimd achterlaten, alsmede het verstrekken van de sleutels, van de echtelijke woning bij de oplevering aan de koper.




II. Mocht de man zijn medewerking aan het onder I verzochte binnen de gestelde termijn niet verlenen, te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man tot het in verkoop geven bij de onder I. genoemde makelaar en de verkoop aan de koper, alsmede te bepalen dat in dat geval het in deze te wijzen vonnis in de plaats komt van de voor eigendomsoverdracht en levering van de woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man;





III. Één en ander vanaf betekening van het vonnis; En





IV. Het onder I, II en III gestelde onder veroordeling van geïntimeerde in de kosten in beide instanties.”





3.5.

De man voert verweer. Hij concludeert tot bekrachtiging, althans
niet-ontvankelijkheid of afwijzing van de vorderingen van de vrouw.




3.6.
Het hof oordeelt als volgt. De vrouw heeft een spoedeisend belang bij veroordeling van de man om zijn medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de woning. Vast staat dat de man de vrouw niet kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid (dv hb, pt. 19-20; mva, pt. 9 en 21). Zoals de vrouw stelt, is evenmin gebleken dat de man de financiële middelen heeft om de woning over te nemen (dus de vrouw haar deel van de overwaarde te betalen), een onderbouwing daarvan door de man ontbreekt (dv hb, p. 12; mva, pt. 10). Dit ofschoon de man inmiddels lang, te weten anderhalf jaar, daartoe de gelegenheid heeft gehad (namelijk vanaf de echtscheidingsbeschikking van 7 mei 2024). De man heeft de vrouw wel aangeboden ter zake termijnbetalingen te willen doen, maar over de hoogte daarvan laat hij het hof in het ongewisse. Hier komt bij dat man nalatig is met de tijdige nakoming van de op hem rustende verplichting om de maandelijkse hypotheektermijnen te voldoen. Zo is er in de afgelopen periode meerdere malen een (oplopende) achterstand ontstaan waarvoor de hypotheekbank vier betalingsherinneringen heeft verzonden aan de man met voor de vrouw mogelijk negatieve gevolgen van registratie van de niet-tijdige betalingen bij het BKR of een executieverkoop (dv hb, pt. 6 t/m 9 en prod. 9). Het voorgaande is voldoende grond voor toewijzing van de vorderingen van de vrouw onder I van haar petitum. De omstandigheid dat de man op 15 oktober 2025 (prod. 6 bij H-12formulier man) opnieuw een hypotheekachterstand heeft ingelost, kan er – gelet op de voorgeschiedenis – niet toe leiden dat van een spoedeisend belang thans geen sprake meer is.



3.7.
Het verweer van de man dat de voorzieningenrechter zijn uitspraak moet afstemmen op de echtscheidingsbeschikking gaat niet op. Partijen hebben zelf een overeenkomst van verdeling van de woning gesloten die door de man niet is nagekomen. Voor het geval de echtscheidingsbeschikking aldus moet worden uitgelegd dat daarin de (wijze van) verdeling van de woning is (gelast, dan wel) vastgesteld, heeft de man zich niet gehouden aan de voorwaarden waaronder hij de woning mocht overnemen en is nakoming daarvan thans ook niet meer mogelijk. Dit betekent dat het hof kan beslissen op hetgeen de vrouw vordert.



3.8.
Van de vrouw kan niet, zoals de man aanvoert, worden verlangd dat zij een bodemprocedure start om tot verkoop en levering van de woning te komen. Ook in kort geding kan de man worden veroordeeld om mee te werken aan de verkoop en levering van de tot de huwelijksgemeenschap behorende woning, zo volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:499:


“3.3 In kort geding kan de rechter een veroordeling tot medewerking aan de overdracht van een onroerende zaak uitspreken. Evenzeer kan de rechter in kort geding op de voet van art. 3:300 lid 2 BW bepalen dat de uitspraak in de plaats zal treden van (een deel van) een akte tot het verrichten van een rechtshandeling zoals in die bepaling bedoeld. Ook kan de rechter bij wijze van onmiddellijke voorziening in kort geding een deelgenoot machtiging verlenen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in art. 3:174 lid 1 BW.




3.4

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen en in het verlengde van de hiervoor in 3.3 omschreven mogelijkheden, kan de rechter in kort geding ook op vordering van een deelgenoot een veroordeling uitspreken jegens een andere deelgenoot om mee te werken aan de verkoop en levering van een tot een gemeenschap behorend goed aan een derde. Dat verkoop van een tot een gemeenschap behorend goed om de opbrengst te verdelen een wijze van verdeling is als bedoeld in art. 3:185 BW, staat niet eraan in de weg dat bij wijze van voorlopige voorziening in kort geding een veroordeling om daartoe over te gaan, wordt uitgesproken. Gelet op het voorlopige karakter van een beslissing in kort geding, wordt daarmee – anders dan het hof heeft overwogen – niet een definitief einde aan de verdeling gemaakt.”




3.9.

De man beroept zich verder op de ‘vaststellingsovereenkomst’. Daardoor zou de vrouw geen belang meer hebben bij onderhavige procedure.
Dat er een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen wordt door de vrouw gemotiveerd betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat de ‘vaststellingsovereenkomst’ ook nog een achterkant had waarop stond vermeld dat indien de man zich niet aan de afspraken zou houden, de overeenkomst zou komen te vervallen. Het was volgens de vrouw de bedoeling dat de overeenkomst zou worden uitgetypt en door partijen zou worden ondertekend. Daarvan is het niet gekomen omdat partijen ruzie hebben gekregen en de man de overeenkomst heeft verscheurd.
De man heeft deze betwisting door de vrouw niet weersproken. Bovendien is gebleken dat de man de beweerde betalingsafspraken (die in de ‘vaststellingsovereenkomst’ zijn vermeld) niet is nagekomen. Hij heeft in augustus 2025 bedragen aan de vrouw voldaan, maar daarna niet meer. Van overeenstemming tussen partijen waardoor de vrouw geen belang meer zou hebben bij haar vorderingen in hoger beroep is, gelet op het voorgaande, niet gebleken.
Tussen partijen is daarentegen niet in geschil dat de man in augustus 2025 aan de vrouw in het kader van de afwikkeling van de verdeling van de woning reeds een bedrag van € 10.000,-- voldaan. Daaraan hebben partijen geen vordering verbonden, zodat het hof daarover geen beslissing kan nemen.



3.10.
De vrouw vordert onder II van haar petitum reële executie voor het geval de man niet meewerkt aan de verkoop van de woning. Hoewel reële executie een ingrijpend middel is, is het in dit geval wel aangewezen. De man heeft meermaals een achterstand in de hypotheekbetalingen laten ontstaan. Daarbij komt dat de man dit voor de vrouw heeft verzwegen. Reeds in december 2024 was sprake van een betalingsachterstand hetgeen de man heeft nagelaten aan te geven tijdens de mondelinge behandeling op 28 januari 2025 bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. De man heeft de vrouw in het ongewisse gelaten over de achterstand, terwijl het wel op zijn weg had gelegen haar hierover te informeren, nu zij mede hoofdelijk schuldenaar is. Ook gedurende de procedure in hoger beroep is opnieuw een achterstand in de hypotheekbetalingen ontstaan, die pas op 15 oktober 2025 is voldaan. Ook de vordering onder II van het petitum van de vrouw wordt daarom toegewezen.


3.11.

Het hof zal, conform de vordering onder III van het petitum van de vrouw, beslissen dat de veroordeling ingaat vanaf betekening van dit arrest aan de man.

Bewijsaanbod




3.12.

Daargelaten dat gelet op de aard van deze procedure geen plaats is voor bewijsvoering, komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van de man dat onvoldoende concreet en specifiek is.

Proceskosten




3.13.
De vrouw vordert veroordeling van de man in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het in art. 237 Rv juncto 353 Rv uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd. Het hof zal dan ook dienovereenkomstig beslissen in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. De vordering onder IV van het petitum van de vrouw wordt in zoverre afgewezen.





4De uitspraak


Het hof:




In het principaal hoger beroep:




vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 11 februari 2025;



en opnieuw rechtdoende:



veroordeelt de man om binnen twee weken na betekening van dit arrest zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en overdracht van de woning, staande en gelegen aan [adres] , tegen een door de makelaar, te weten ‘ [xx] Makelaars’ te Tilburg, te bepalen reële marktconforme prijs, doch minimaal € 430.000,--, via een door de vrouw aan te wijzen notaris. De medewerking van de man zal bestaan uit de volgende handelingen:



het plaatsen van een handtekening bij de overeenkomst van opdracht tot de verkoop van de woning door de makelaar;


partijen zullen zich refereren aan de verkoopprijs zoals vastgesteld door de makelaar, doch deze zal minimaal € 430.000,-- bedragen;


het laten bezichtigen van de echtelijke woning aan potentiële kopers binnen twee weken nadat een koper zich heeft gemeld bij de makelaar;


het plaatsen van een handtekening op de verkoopovereenkomst, indien een koper bereid is de door de makelaar aangehouden verkoopprijs of meer te betalen;


het verrichten van zijn medewerking bij de notaris door het ondertekenen van de daartoe benodigde documenten ter zake van de overdracht van de echtelijke woning aan de koper en de afwikkeling van de hypothecaire lening en


het leeg en opgeruimd achterlaten, alsmede het verstrekken van de sleutels, van de echtelijke woning bij de oplevering aan de koper;




indien de man zijn medewerking aan de hiervoor genoemde veroordeling binnen de gestelde termijn niet verleent, zal dit arrest in de plaats treden van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man tot het in verkoop geven bij ‘Kin makelaars’ te Tilburg en de verkoop aan de koper. Voorts treedt dit arrest in dat geval in de plaats van de voor eigendomsoverdracht en levering van de woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man;



verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;



wijst af het meer of anders gevorderde.




In het incidenteel hoger beroep:




verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.



Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, P.P.M. van Reijsen en
T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 november 2025.



griffier rolraadsheer











.