Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2021:1660
2021-11-05
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/00392
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2021:1660 → ECLI:NL:GHARL:2021:66
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding; art. 8:73 Awb; immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn; geen vergoeding bij ontbreken van belang bij aanwending rechtsmiddel.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2021:66 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-01-2021
- ECLI:CE:ECHR:2012:0403JUD003757504
Geciteerd door (89)
- ECLI:NL:CBB:2026:462 College van Beroep voor het bedrijfsleven 29-09-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6508 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-07-2026
- ECLI:NL:RBLIM:2026:3498 Rechtbank Limburg 14-04-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:138 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:135 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:137 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:6247 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2369 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3859 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-06-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1163 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1166 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:985 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:345 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-02-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:1151 Rechtbank Limburg 10-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:550 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:547 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8152 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6835 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1383 Gerechtshof Den Haag 31-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4630 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1198 Gerechtshof Den Haag 02-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3745 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3733 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3732 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3734 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3728 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3727 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3729 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3747 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3744 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3746 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3723 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3730 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3720 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3736 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3743 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3725 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3731 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3726 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:775 Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1981 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1240 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-03-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:123 Gerechtshof Den Haag 16-01-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:151 Gerechtshof Den Haag 16-01-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:133 Gerechtshof Den Haag 16-01-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:122 Gerechtshof Den Haag 16-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:129 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6882 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2772 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-08-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:3447 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1830 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1829 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-03-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1105 Rechtbank Noord-Nederland 08-02-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1112 Rechtbank Noord-Nederland 08-02-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1106 Rechtbank Noord-Nederland 08-02-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1119 Rechtbank Noord-Nederland 08-02-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1114 Rechtbank Noord-Nederland 08-02-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1120 Rechtbank Noord-Nederland 08-02-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1115 Rechtbank Noord-Nederland 08-02-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1122 Rechtbank Noord-Nederland 08-02-2023
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.072 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00392
Datum 5 november 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN 2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 januari 2021, nrs. 19/00063 en 19/00125, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 18/3053) betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.1
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de voldoening van een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm), terwijl zij niet de aangifteplichtige of de kentekenhouder van de desbetreffende auto was, en zij evenmin het desbetreffende bedrag aan bpm heeft voldaan.
2.1.2
Het Hof heeft – anders dan de Rechtbank – geoordeeld dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaarfase. Daartoe heeft het Hof redengevend geacht dat belanghebbende niet een financieel belang heeft bij de beslissing op het bezwaar. De enkele omstandigheid dat belanghebbende aan de gemachtigde heeft verzocht bezwaar te maken, maakt dit niet anders. Omdat hier de bijzondere omstandigheid zich voordoet dat een financieel belang ontbreekt, volstaat de constatering dat in de bezwaarfase de redelijke termijn is overschreden, aldus het Hof.
2.2
Middel II is gericht tegen de hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt dat het Hof – in strijd met artikel 6 EVRM en/of artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – ervan is uitgegaan dat voor een recht op vergoeding van immateriële schade de belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie moet ondervinden van de overschrijding van de redelijke termijn en dat de belanghebbende die geen financieel belang heeft bij de beslissing over de voldoening van een belastingbedrag, dergelijke spanning en frustratie niet ondervindt.
2.3
Het middel faalt. De hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof moeten, gelet op de hiervoor in 2.1.1 weergegeven vaststellingen, aldus worden begrepen dat een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting achterwege kan blijven omdat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat belanghebbende niet behoort tot degenen die op grond van artikel 26a AWR in samenhang gelezen met artikel 7:1 Awb bezwaar kunnen maken. Aldus verstaan zijn deze oordelen, anders dan het middel betoogt, niet in strijd met artikel 6 EVRM noch met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Indien in een dergelijk geval degene die niet gerechtigd is een rechtsmiddel aan te wenden toch dat rechtsmiddel aanwendt, bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij diegene heeft veroorzaakt. In zo’n geval behoeft de rechter, vanwege het ontbreken van zodanige spanning en frustratie, niet vast te stellen of de redelijke termijn is overschreden.
2.4
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2021.
ECLI:NL:GHARL:2021:66.
Vgl. EHRM 3 april 2012, nr. 37575/04, Boulois tegen Luxemburg, ECLI:CE:ECHR:2012:0403JUD003757504.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00392
Datum 5 november 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN 2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 januari 2021, nrs. 19/00063 en 19/00125, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 18/3053) betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.1
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de voldoening van een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm), terwijl zij niet de aangifteplichtige of de kentekenhouder van de desbetreffende auto was, en zij evenmin het desbetreffende bedrag aan bpm heeft voldaan.
2.1.2
Het Hof heeft – anders dan de Rechtbank – geoordeeld dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaarfase. Daartoe heeft het Hof redengevend geacht dat belanghebbende niet een financieel belang heeft bij de beslissing op het bezwaar. De enkele omstandigheid dat belanghebbende aan de gemachtigde heeft verzocht bezwaar te maken, maakt dit niet anders. Omdat hier de bijzondere omstandigheid zich voordoet dat een financieel belang ontbreekt, volstaat de constatering dat in de bezwaarfase de redelijke termijn is overschreden, aldus het Hof.
2.2
Middel II is gericht tegen de hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt dat het Hof – in strijd met artikel 6 EVRM en/of artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – ervan is uitgegaan dat voor een recht op vergoeding van immateriële schade de belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie moet ondervinden van de overschrijding van de redelijke termijn en dat de belanghebbende die geen financieel belang heeft bij de beslissing over de voldoening van een belastingbedrag, dergelijke spanning en frustratie niet ondervindt.
2.3
Het middel faalt. De hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof moeten, gelet op de hiervoor in 2.1.1 weergegeven vaststellingen, aldus worden begrepen dat een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting achterwege kan blijven omdat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat belanghebbende niet behoort tot degenen die op grond van artikel 26a AWR in samenhang gelezen met artikel 7:1 Awb bezwaar kunnen maken. Aldus verstaan zijn deze oordelen, anders dan het middel betoogt, niet in strijd met artikel 6 EVRM noch met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Indien in een dergelijk geval degene die niet gerechtigd is een rechtsmiddel aan te wenden toch dat rechtsmiddel aanwendt, bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij diegene heeft veroorzaakt. In zo’n geval behoeft de rechter, vanwege het ontbreken van zodanige spanning en frustratie, niet vast te stellen of de redelijke termijn is overschreden.
2.4
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2021.
ECLI:NL:GHARL:2021:66.
Vgl. EHRM 3 april 2012, nr. 37575/04, Boulois tegen Luxemburg, ECLI:CE:ECHR:2012:0403JUD003757504.