Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6508

2026-07-21 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/6344
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/6344
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

8:55 Verzet ongegrond: in artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bepaald dat in afwijking van artikel 8:1 van de Awb beroep bij de belastingrechter slechts openstaat in bepaalde gevallen. Het moet gaan om een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de in verzet bestreden uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat de belastingrechter onbevoegd is om het beroep te behandelen. Gelet op de onbevoegdheid van de rechtbank bestaat geen recht op een dergelijke vergoeding reeds omdat belanghebbende daardoor geen spanning en frustratie heeft ondervonden. Het verzet is ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.366 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/6344


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van



[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2026 in het geding tussen



belanghebbende



en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.



Inleiding


1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2026 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard.



1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Belanghebbende heeft zich op 6 juli 2026 telefonisch afgemeld voor de zitting.




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.



2.1
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 23 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.



2.2
Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de afwijzing van de dwangsom wegens het niet tijdig opleggen van een aanslag IB/PVV. De rechtbank heeft zich bij de in verzet bestreden uitspraak onbevoegd verklaard. Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte enkel haar oordeel heeft geveld op nationale wet- en regelgeving en geen rekening heeft gehouden met het Europees rechtspraak.



2.3
In artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bepaald dat in afwijking van artikel 8:1 van de Awb beroep bij de belastingrechter slechts openstaat in bepaalde gevallen. Het moet gaan om een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. De verzonden ingebrekestelling van belanghebbende wegens het niet tijdig opleggen van de aanslag IB/PVV 2023 heeft geen betrekking op een beschikking op aanvraag, maar op een ambtshalve beschikking. Dit maakt dat de beslissing van de inspecteur van 14 januari 2025 een ambtshalve beschikking is. De belastingrechter is enkel bevoegd om te oordelen over een dwangsombeschikking als die betrekking heeft op een beschikking op aanvraag. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de ingebrekestelling van belanghebbende en het verzoek om een dwangsom vast te stellen, geen betrekking heeft op een beschikking op aanvraag, maar op een ambtshalve beschikking. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de in verzet bestreden uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat de belastingrechter onbevoegd is om het beroep te behandelen.



2.4
Gemachtigde heeft in verzet verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke behandeltermijn. Gelet op de onbevoegdheid van de rechtbank bestaat geen recht op een dergelijke vergoeding reeds omdat belanghebbende daardoor geen spanning en frustratie heeft ondervonden.




Conclusie en gevolgen


3. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.




Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.













griffier


rechter








De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.





Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Dit volgt uit artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in afwijking van artikel 8:1 van de Awb.


Vgl. Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1660.