Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1595
2019-10-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/00551
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:1595 → ECLI:NL:GHAMS:2019:92
Inhoudsindicatie
Artikel 6:7 en 6:11 Awb, te laat ingediend bezwaar, bestuursorgaan moet verschoonbaarheid onderzoeken.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2010:BL7954 Hoge Raad 19-03-2010
Geciteerd door (48)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7229 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6509 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-07-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2348 Gerechtshof Amsterdam 07-05-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1574 Rechtbank Noord-Nederland 30-04-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1574 Rechtbank Noord-Nederland 30-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:398 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-01-2026
- ECLI:NL:RBROT:2025:15278 Rechtbank Rotterdam 30-12-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:8621 Rechtbank Noord-Holland 23-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4512 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3996 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-06-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:7644 Rechtbank Rotterdam 24-06-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:7566 Rechtbank Rotterdam 24-06-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2000 Gerechtshof Amsterdam 24-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3866 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2337 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2101 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7843 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-11-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:5024 Rechtbank Oost-Brabant 24-10-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:5986 Rechtbank Gelderland 02-09-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2056 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:642 Gerechtshof Amsterdam 06-02-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:642 Gerechtshof Amsterdam 06-02-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:262 Gerechtshof Amsterdam 16-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:10383 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-12-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:10382 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-12-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:10381 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4561 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3649 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1098 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-04-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:688 Rechtbank Midden-Nederland 03-02-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3961 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-11-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:8404 Rechtbank Limburg 28-10-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3202 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-09-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3156 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3028 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1682 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1688 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:82 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-01-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2021:5374 Rechtbank Noord-Nederland 21-12-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4396 Gerechtshof Amsterdam 16-12-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5093 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-10-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3601 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4148 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:2602 Rechtbank Noord-Nederland 23-07-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:2990 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-04-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:2988 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-04-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:836 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-03-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2019:5782 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (8.238 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00551
Datum 18 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 januari 2019, nr. 17/00609, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (AMS 17/805) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd gedagtekend 26 mei 2016. Belanghebbende heeft op 7 december 2016 een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend met onder meer het verzoek telefonisch op het bezwaar te worden gehoord.
2.1.2
De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (hierna: de heffingsambtenaar) heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 december 2016 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende is niet gehoord.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de heffingsambtenaar belanghebbende had moeten horen voordat op het bezwaar werd beslist en of de termijnoverschrijding bij het instellen van bezwaar verschoonbaar is. Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard.
2.2.2
Het Hof heeft de zaak afgedaan zonder mondelinge behandeling. Het Hof heeft overwogen dat partijen bij aangetekend verzonden brief van 10 oktober 2018 in de gelegenheid zijn gesteld te verklaren dat zij op een zitting willen worden gehoord en dat partijen van die gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt.
2.2.3
Het Hof heeft vervolgens overwogen dat het bezwaar is ingediend geruime tijd na het opleggen van de naheffingsaanslag en dat in het bezwaarschrift met geen woord wordt gerept over de reden van de termijnoverschrijding, hoewel het is ingediend door een beroepsmatig optredende gemachtigde ten aanzien van wie mag worden verondersteld dat deze met de bezwaartermijn bekend is. Onder deze omstandigheden mocht de heffingsambtenaar ervan uitgaan dat de bezwaartermijn onverschoonbaar was overschreden, ook zonder dat hij aan de gemachtigde van belanghebbende gelegenheid had geboden om redenen voor de termijnoverschrijding te geven, aldus het Hof.
2.2.4
Voorts heeft het Hof overwogen dat niet aannemelijk is dat een rechtsmiddelverwijzing op het formulier van de naheffingsaanslag ontbrak. Het Hof heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2.3.1
De eerste klacht houdt in dat het Hof ten onrechte een onderzoek ter zitting achterwege heeft gelaten omdat belanghebbende niet in de gelegenheid is gesteld te verklaren of hij op een zitting wilde worden gehoord.
2.3.2
De klacht wordt terecht voorgesteld. In het procesdossier dat het Hof aan de Hoge Raad heeft gezonden, bevindt zich een afschrift van een brief van het Hof gedateerd 10 oktober 2018. In die brief wordt melding gemaakt van de mogelijkheid ter zitting te worden gehoord. Dit exemplaar van de brief bevat een Track&Trace-code die betrekking heeft op een brief uit januari 2019. Uit deze gegevens heeft het Hof niet kunnen afleiden dat belanghebbende tijdig is gewezen op zijn recht ter zitting te worden gehoord.
2.4.1
De tweede klacht is gericht tegen het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof. De klacht betoogt dat de heffingsambtenaar had moeten onderzoeken of de termijnoverschrijding verschoonbaar was en belanghebbende in dat kader had moeten horen.
2.4.2
Ook deze klacht wordt terecht voorgesteld. De door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid brengt mee dat hij niet het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren voordat hij belanghebbende in de gelegenheid had gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Dat is niet anders indien het bezwaar is ingediend door een beroepsmatig optredende gemachtigde. Het oordeel van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting.
2.5.1
De derde klacht is gericht tegen het in 2.2.4 weergegeven oordeel van het Hof.
2.5.2
Bij de beantwoording van de vraag of bij het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing sprake is van een verschoonbaar verzuim, is uitgangspunt dat het op de weg van het bestuursorgaan en van de rechter ligt om duidelijkheid te (doen) verschaffen omtrent een genomen besluit of uitspraak en daartegen openstaande rechtsmiddelen, zodat de gevolgen van het ontbreken van die duidelijkheid in beginsel niet voor rekening van de belanghebbende mogen komen. Indien een rechtsmiddelverwijzing achterwege is gebleven en de belanghebbende aanvoert dat als gevolg daarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest, dient niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege te blijven. Deze regel lijdt slechts uitzondering in gevallen waarin aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins tijdig op de hoogte was van de termijn waarbinnen het desbetreffende rechtsmiddel aangewend diende te worden (zie HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7954).
2.5.3
Aan zijn oordeel dat niet aannemelijk is dat een rechtsmiddelverwijzing ontbrak, heeft het Hof het volgende ten grondslag gelegd. Belanghebbendes gemachtigde heeft in het beroepschrift bij de Rechtbank niet op dat ontbreken gewezen en heeft uitsluitend aangevoerd dat de hoorplicht was geschonden en de op de zaak betrekking hebbende stukken niet waren toegezonden. Belanghebbendes gemachtigde heeft van de Rechtbank gelegenheid gekregen te laten weten waarom het bezwaarschrift na de bezwaartermijn is ingediend. Bij die gelegenheid is evenmin aangevoerd dat een rechtsmiddelverwijzing op het aanslagbiljet ontbrak. De heffingsambtenaar heeft een afschrift overgelegd van de achterzijde van naheffingsaanslagen die in 2016 werden verzonden, waarop staat bij wie en binnen welke termijn bezwaar kan worden gemaakt. Aan het oordeel dat niet aannemelijk is dat een rechtsmiddelverwijzing ontbrak, doet niet af dat op dit stuk “PROEF” staat. De door belanghebbende overgelegde afdruk van digitaal geraadpleegde gegevens doet daaraan evenmin af.
2.5.4
Hiermee heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de heffingsambtenaar op het aanslagbiljet duidelijkheid heeft verschaft omtrent het genomen besluit en het daartegen openstaande rechtsmiddel, mede omdat het Hof gelet op het procesverloop en de gedingstukken geen geloof heeft gehecht aan de verklaring van belanghebbende dat op het door hem ontvangen aanslagbiljet een rechtsmiddelverwijzing ontbrak. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De derde klacht faalt.
2.6
Gelet op het voorgaande heeft de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het hoger beroep terecht ongegrond verklaard. De eerste en tweede klacht, hoewel terecht voorgesteld, kunnen daarom niet tot cassatie leiden.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2019.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00551
Datum 18 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 januari 2019, nr. 17/00609, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (AMS 17/805) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd gedagtekend 26 mei 2016. Belanghebbende heeft op 7 december 2016 een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend met onder meer het verzoek telefonisch op het bezwaar te worden gehoord.
2.1.2
De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (hierna: de heffingsambtenaar) heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 december 2016 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende is niet gehoord.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de heffingsambtenaar belanghebbende had moeten horen voordat op het bezwaar werd beslist en of de termijnoverschrijding bij het instellen van bezwaar verschoonbaar is. Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard.
2.2.2
Het Hof heeft de zaak afgedaan zonder mondelinge behandeling. Het Hof heeft overwogen dat partijen bij aangetekend verzonden brief van 10 oktober 2018 in de gelegenheid zijn gesteld te verklaren dat zij op een zitting willen worden gehoord en dat partijen van die gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt.
2.2.3
Het Hof heeft vervolgens overwogen dat het bezwaar is ingediend geruime tijd na het opleggen van de naheffingsaanslag en dat in het bezwaarschrift met geen woord wordt gerept over de reden van de termijnoverschrijding, hoewel het is ingediend door een beroepsmatig optredende gemachtigde ten aanzien van wie mag worden verondersteld dat deze met de bezwaartermijn bekend is. Onder deze omstandigheden mocht de heffingsambtenaar ervan uitgaan dat de bezwaartermijn onverschoonbaar was overschreden, ook zonder dat hij aan de gemachtigde van belanghebbende gelegenheid had geboden om redenen voor de termijnoverschrijding te geven, aldus het Hof.
2.2.4
Voorts heeft het Hof overwogen dat niet aannemelijk is dat een rechtsmiddelverwijzing op het formulier van de naheffingsaanslag ontbrak. Het Hof heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2.3.1
De eerste klacht houdt in dat het Hof ten onrechte een onderzoek ter zitting achterwege heeft gelaten omdat belanghebbende niet in de gelegenheid is gesteld te verklaren of hij op een zitting wilde worden gehoord.
2.3.2
De klacht wordt terecht voorgesteld. In het procesdossier dat het Hof aan de Hoge Raad heeft gezonden, bevindt zich een afschrift van een brief van het Hof gedateerd 10 oktober 2018. In die brief wordt melding gemaakt van de mogelijkheid ter zitting te worden gehoord. Dit exemplaar van de brief bevat een Track&Trace-code die betrekking heeft op een brief uit januari 2019. Uit deze gegevens heeft het Hof niet kunnen afleiden dat belanghebbende tijdig is gewezen op zijn recht ter zitting te worden gehoord.
2.4.1
De tweede klacht is gericht tegen het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof. De klacht betoogt dat de heffingsambtenaar had moeten onderzoeken of de termijnoverschrijding verschoonbaar was en belanghebbende in dat kader had moeten horen.
2.4.2
Ook deze klacht wordt terecht voorgesteld. De door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid brengt mee dat hij niet het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren voordat hij belanghebbende in de gelegenheid had gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Dat is niet anders indien het bezwaar is ingediend door een beroepsmatig optredende gemachtigde. Het oordeel van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting.
2.5.1
De derde klacht is gericht tegen het in 2.2.4 weergegeven oordeel van het Hof.
2.5.2
Bij de beantwoording van de vraag of bij het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing sprake is van een verschoonbaar verzuim, is uitgangspunt dat het op de weg van het bestuursorgaan en van de rechter ligt om duidelijkheid te (doen) verschaffen omtrent een genomen besluit of uitspraak en daartegen openstaande rechtsmiddelen, zodat de gevolgen van het ontbreken van die duidelijkheid in beginsel niet voor rekening van de belanghebbende mogen komen. Indien een rechtsmiddelverwijzing achterwege is gebleven en de belanghebbende aanvoert dat als gevolg daarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest, dient niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege te blijven. Deze regel lijdt slechts uitzondering in gevallen waarin aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins tijdig op de hoogte was van de termijn waarbinnen het desbetreffende rechtsmiddel aangewend diende te worden (zie HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7954).
2.5.3
Aan zijn oordeel dat niet aannemelijk is dat een rechtsmiddelverwijzing ontbrak, heeft het Hof het volgende ten grondslag gelegd. Belanghebbendes gemachtigde heeft in het beroepschrift bij de Rechtbank niet op dat ontbreken gewezen en heeft uitsluitend aangevoerd dat de hoorplicht was geschonden en de op de zaak betrekking hebbende stukken niet waren toegezonden. Belanghebbendes gemachtigde heeft van de Rechtbank gelegenheid gekregen te laten weten waarom het bezwaarschrift na de bezwaartermijn is ingediend. Bij die gelegenheid is evenmin aangevoerd dat een rechtsmiddelverwijzing op het aanslagbiljet ontbrak. De heffingsambtenaar heeft een afschrift overgelegd van de achterzijde van naheffingsaanslagen die in 2016 werden verzonden, waarop staat bij wie en binnen welke termijn bezwaar kan worden gemaakt. Aan het oordeel dat niet aannemelijk is dat een rechtsmiddelverwijzing ontbrak, doet niet af dat op dit stuk “PROEF” staat. De door belanghebbende overgelegde afdruk van digitaal geraadpleegde gegevens doet daaraan evenmin af.
2.5.4
Hiermee heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de heffingsambtenaar op het aanslagbiljet duidelijkheid heeft verschaft omtrent het genomen besluit en het daartegen openstaande rechtsmiddel, mede omdat het Hof gelet op het procesverloop en de gedingstukken geen geloof heeft gehecht aan de verklaring van belanghebbende dat op het door hem ontvangen aanslagbiljet een rechtsmiddelverwijzing ontbrak. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De derde klacht faalt.
2.6
Gelet op het voorgaande heeft de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het hoger beroep terecht ongegrond verklaard. De eerste en tweede klacht, hoewel terecht voorgesteld, kunnen daarom niet tot cassatie leiden.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2019.