Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2022:3202

2022-09-14 Bestuursrecht; Belastingrecht 21/00504 en 21/00505
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2022-09-14
Publicatiedatum
2022-09-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
21/00504 en 21/00505
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2022/2756 | V-N 2022/56.26.14 | Viditax (FutD) 2022111005 | FutD 2022-3074

Inhoudsindicatie

Aanslag IB/PVV 2013 en verzoek om ambtshalve vermindering. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden de zaken teruggewezen naar de inspecteur. Belanghebbende is niet in gelegenheid gesteld zich uit te laten over de reden dat het bezwaar te laat is ingediend.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.580 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 21/00504 en 21/00505



Uitspraak op het hoger beroep van






[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,



tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 januari 2021, nummers BRE 19/4069 en 20/4971 in het geding tussen belanghebbende en




de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2013 (hierna: IB/PVV 2013) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan. Het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2013 is niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de beschikking waarin het verzoek om ambtshalve vermindering van die aanslag is afgewezen, is ongegrond verklaard.



1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.




1.4.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een brief gestuurd naar de Hoge Raad. Deze brief is aangemerkt als hogerberoepschrift tegen de uitspraak van de rechtbank en doorgestuurd naar het hof. De inspecteur heeft geen inhoudelijk verweerschrift ingediend.



1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is niet verschenen.


De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij brief van 8 juni 2022 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs.
Hieruit volgt dat de postmedewerker op het door belanghebbende opgegeven adres geen gehoor heeft gekregen. Daarop heeft de postmedewerker op 9 juni 2022 het poststuk afgeleverd op een PostNL-locatie. Het poststuk is niet afgehaald en is vervolgens aan het hof retour gezonden.
De griffier heeft onderzocht of belanghebbende op de dag van verzending of uiterlijk een week daarna in de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven op het op het stuk vermelde adres. Dat bleek het geval te zijn.
De griffier heeft naar aanleiding van de retourontvangst van de uitnodiging deze op 11 juli 2022 per gewone post naar hetzelfde adres verzonden.




1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.





2Feiten


2.1.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het bezwaar is vervolgens tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek is op 11 juli 2019 afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzingsbeschikking is ongegrond verklaard.



2.2.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de inspecteur opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de uitspraak van de rechtbank juist is.



3.2.
Belanghebbende concludeert – naar het hof begrijpt – tot vernietiging van de aanslag IB/PVV 2013. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.





4Gronden



Vooraf en ambtshalve




4.0.
Gelet op de onder 1.5. vermelde stukken is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.



Ten aanzien van het geschil





4.1.
De rechtbank heeft het volgende overwogen:


“2.7. Belanghebbende stelt onder meer dat zij de aanslag niet heeft ontvangen en voor het
eerst middels de aanmaning op de hoogte is geraakt van deze aanslag. Voorts is
belanghebbende van mening dat zij ten onrechte niet is gehoord. De inspecteur stelt dat het
bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat terecht van het horen is afgezien.




2.8.

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst ingaan op de gevolgen van
het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2019. ECLI:NL:HR:2019:1595. In dat arrest is
geoordeeld dat de door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid meebrengt dat
hij niet het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren voordat hij belanghebbende in de
gelegenheid had gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de
termijnoverschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank geldt hetzelfde voor de Inspecteur.
De rechtbank stelt vast dat uit het procesdossier niet volgt dat belanghebbende door de
inspecteur in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de reden dat het bezwaar is
ingediend (uitgaande van de dagtekening van de aanslag) nadat de bezwaartermijn was
verstreken. Het had wel op de weg van de inspecteur gelegen om dat te doen. Nu de
inspecteur dat ten onrechte heeft nagelaten en belanghebbende in het beroepschrift in de
betreffende zaak heeft verzocht om terugwijzing naar de inspecteur, zal de rechtbank aan dat
verzoek voldoen en deze zaak terugwijzen naar de inspecteur. Datzelfde zal de rechtbank
doen in de zaak tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. om reden
dat de onderhavige zaken, die beide betrekking hebben op de inkomstenbelasting 2013. dan
in dezelfde procedurele fase blijven. Dit betekent dat in beide zaken de uitspaak op bezwaar
wordt vernietigd. zodat zowel inzake het bezwaar teaen de aanslag inkomstenbelasting 2013
als inzake het bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering
opnieuw moet worden beslist op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak.”




4.2.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste gronden een juiste beslissing genomen. Uit het hogerberoepschrift blijkt ook niet dat belanghebbende bezwaar heeft tegen de terugwijzing naar de inspecteur.
Het vorenstaande betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijk oordeel over de aanslag IB/PVV 2013 en de afwijzingsbeschikking ambtshalve vermindering.




Tussenconclusie





4.3.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.



Ten aanzien van het griffierecht





4.4.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.



Ten aanzien van de proceskosten





4.5.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.





5Beslissing


Het hof:



verklaart het hoger beroep ongegrond;


bevestigt de uitspraak van de rechtbank.




De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M.R.T. Pauwels en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, als griffier.



De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.



De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier verhinderd is deze te ondertekenen.



De griffier, De voorzitter,



E.J.M. Bohnen L.B.M. Klein Tank
(verhinderd)




Het aanwenden van een rechtsmiddel




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:



Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.