Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7229
2026-08-04
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 25/4915
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Terugwijzing
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:1595 Hoge Raad 18-10-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.698 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/4915
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Breda en waterschap Brabantse Delta), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 september 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 24 februari 2025 aan belanghebbende een aanslag gemeentelijke heffingen en waterschapsbelasting opgelegd voor het belastingjaar 2025 (aanslagnummer [nummer] ). De aanslag bestaat uit de volgende heffingen:
Heffing
Belasting
Afvalstoffenheffing
€ 266,40
Rioolheffing
€ 197,76
Watersysteemheffing
€ 82,24
Zuiveringsheffing
€ 78,90
Totaal bedrag:
€ 625,30
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de heffingsambtenaar, [persoon 1] en [persoon 2] .
1.4.
Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet ter zitting verschenen. De griffier heeft op 15 mei 2026 in het digitaal dossier een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 15 mei 2026 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
Beoordeling door de rechtbank
2. Belanghebbende wil graag weten of hij te veel waterschapsbelasting moet betalen. Daar kan de rechtbank (nog) geen antwoord op geven. Dat komt omdat de rechtbank eerst moet bekijken of de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Niet-ontvankelijk betekent dat de heffingsambtenaar het bezwaar niet accepteert en niet de inhoud van het bezwaar beoordeelt. De beslissing om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren heeft de heffingsambtenaar genomen omdat hij vindt dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De rechtbank beoordeelt hierna of die beslissing van de heffingsambtenaar goed is.
2.1.
De heffingsambtenaar kan een bezwaar niet-ontvankelijk verklaren als het bezwaar te laat is gemaakt en er geen goede reden is waarom het bezwaar te laat is gemaakt. Een bezwaar is te laat gemaakt als het bezwaarschrift niet binnen zes weken is ingediend.
2.2.
De aanslag waartegen belanghebbende bezwaar heeft gemaakt is van 24 februari 2025. De laatste dag waarop belanghebbende bezwaar kon maken was dus 7 april 2025. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende op 3 mei 2025 ontvangen. Dat is inderdaad te laat.
2.3.
De rechtbank weet niet of belanghebbende een goede reden heeft waarom het bezwaar te laat is. Dat vindt de rechtbank wel van belang om te weten. Als belanghebbende een goede reden had om te laat bezwaar te maken, dan is het mogelijk niet erg dat belanghebbende te laat was met het maken van bezwaar. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar. De rechtbank ziet dat de heffingsambtenaar niet aan belanghebbende heeft gevraagd naar de reden. Dat heeft de heffingsambtenaar ter zitting ook bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar dat wel had moeten doen.
2.4.
De rechtbank gaat de zaak daarom terugwijzen naar de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar kan dan alsnog onderzoeken waarom belanghebbende te laat was met het maken van bezwaar. De heffingsambtenaar moet dan beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar is en vervolgens opnieuw een uitspraak op bezwaar doen.
2.5.
De rechtbank is verder van oordeel dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53, dat belanghebbende heeft betaald voor deze zaak bij de rechtbank, aan hem moet terugbetalen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
wijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl en aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Vgl. Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1595.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/4915
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Breda en waterschap Brabantse Delta), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 september 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 24 februari 2025 aan belanghebbende een aanslag gemeentelijke heffingen en waterschapsbelasting opgelegd voor het belastingjaar 2025 (aanslagnummer [nummer] ). De aanslag bestaat uit de volgende heffingen:
Heffing
Belasting
Afvalstoffenheffing
€ 266,40
Rioolheffing
€ 197,76
Watersysteemheffing
€ 82,24
Zuiveringsheffing
€ 78,90
Totaal bedrag:
€ 625,30
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de heffingsambtenaar, [persoon 1] en [persoon 2] .
1.4.
Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet ter zitting verschenen. De griffier heeft op 15 mei 2026 in het digitaal dossier een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 15 mei 2026 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
Beoordeling door de rechtbank
2. Belanghebbende wil graag weten of hij te veel waterschapsbelasting moet betalen. Daar kan de rechtbank (nog) geen antwoord op geven. Dat komt omdat de rechtbank eerst moet bekijken of de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Niet-ontvankelijk betekent dat de heffingsambtenaar het bezwaar niet accepteert en niet de inhoud van het bezwaar beoordeelt. De beslissing om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren heeft de heffingsambtenaar genomen omdat hij vindt dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De rechtbank beoordeelt hierna of die beslissing van de heffingsambtenaar goed is.
2.1.
De heffingsambtenaar kan een bezwaar niet-ontvankelijk verklaren als het bezwaar te laat is gemaakt en er geen goede reden is waarom het bezwaar te laat is gemaakt. Een bezwaar is te laat gemaakt als het bezwaarschrift niet binnen zes weken is ingediend.
2.2.
De aanslag waartegen belanghebbende bezwaar heeft gemaakt is van 24 februari 2025. De laatste dag waarop belanghebbende bezwaar kon maken was dus 7 april 2025. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende op 3 mei 2025 ontvangen. Dat is inderdaad te laat.
2.3.
De rechtbank weet niet of belanghebbende een goede reden heeft waarom het bezwaar te laat is. Dat vindt de rechtbank wel van belang om te weten. Als belanghebbende een goede reden had om te laat bezwaar te maken, dan is het mogelijk niet erg dat belanghebbende te laat was met het maken van bezwaar. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar. De rechtbank ziet dat de heffingsambtenaar niet aan belanghebbende heeft gevraagd naar de reden. Dat heeft de heffingsambtenaar ter zitting ook bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar dat wel had moeten doen.
2.4.
De rechtbank gaat de zaak daarom terugwijzen naar de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar kan dan alsnog onderzoeken waarom belanghebbende te laat was met het maken van bezwaar. De heffingsambtenaar moet dan beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar is en vervolgens opnieuw een uitspraak op bezwaar doen.
2.5.
De rechtbank is verder van oordeel dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53, dat belanghebbende heeft betaald voor deze zaak bij de rechtbank, aan hem moet terugbetalen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
wijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl en aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Vgl. Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1595.