Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:381
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:381 → ECLI:NL:PHR:2018:61
Inhoudsindicatie
Opzettelijk handelen i.s.m. een in art. 3.B Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen, art. 3 jo. 11.5 Opiumwet. Het middel behelst de klacht dat het bestanddeel "een grote hoeveelheid van de middelen" niet is tenlastegelegd en bewezenverklaard. Het Hof heeft klaarblijkelijk de tll. aldus verstaan dat daarin de in art. 11.5 Opiumwet genoemde strafverzwarende - in art. 1.2 Opiumwetbesluit nader gedefinieerde - omstandigheid dat "het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen" genoegzaam is omschreven doordat daarin is vermeld "een hoeveelheid van ongeveer 4600 gram hennep en een hoeveelheid van ongeveer 3109 gram hasjiesj". Die met de bewoordingen van de tll. niet strijdige uitleg moet in cassatie worden geëerbiedigd. Aldus ligt in de tll. en bewezenverklaring besloten dat het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen. De kwalificatie vindt derhalve haar grondslag in het bewezenverklaarde. Daarop stuit het middel af.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (12)
- ECLI:NL:PHR:2026:795 Parket bij de Hoge Raad 18-08-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:220 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:95 Parket bij de Hoge Raad 20-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1391 Parket bij de Hoge Raad 16-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1346 Parket bij de Hoge Raad 09-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:843 Parket bij de Hoge Raad 26-08-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2023:396 Gerechtshof Amsterdam 16-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2021:336 Parket bij de Hoge Raad 06-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1152 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:725 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:340 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:329 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.393 tekens)
Strafkamer
nr. S 16/02201
SK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 april 2016, nummer 20/002748-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen". Het voert daartoe aan dat het bestanddeel "een grote hoeveelheid van de middelen" niet is tenlastegelegd en bewezenverklaard.
2.2.1.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 16 mei 2015 te Nieuwendijk, in de gemeente Werkendam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 4600 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of een hoeveelheid van ongeveer 3109 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet."
2.2.2.
Daarvan is bewezenverklaard dat:
"hij op 16 mei 2015 in de gemeente Werkendam, opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van ongeveer 4600 gram hennep en een hoeveelheid van ongeveer 3109 gram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."
2.3.
Het Hof heeft het aldus bewezenverklaarde gekwalificeerd als "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen".
2.4.1.
Art. 3 Opiumwet luidt, voor zover in cassatie van belang:
"Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren."
Art. 11, tweede en vijfde lid, Opiumwet luidt:
"2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
5. Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel."
2.4.2.
Art. 1 Opiumwetbesluit luidt:
"1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Opiumwet;
(...)
2. De hoeveelheid middelen, bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de wet, betreft 500 gram hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in de bij de wet behorende lijst II."
2.5.
Het Hof heeft klaarblijkelijk de tenlastelegging aldus verstaan dat daarin de in art. 11, vijfde lid, Opiumwet genoemde strafverzwarende - in art. 1, tweede lid, Opiumwetbesluit nader gedefinieerde - omstandigheid dat "het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen" genoegzaam is omschreven doordat daarin is vermeld "een hoeveelheid van ongeveer 4600 gram hennep en een hoeveelheid van ongeveer 3109 gram hasjiesj". Die met de bewoordingen van de tenlastelegging niet strijdige uitleg moet in cassatie worden geëerbiedigd. Aldus ligt in de tenlastelegging en bewezenverklaring besloten dat het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen. De kwalificatie vindt derhalve haar grondslag in het bewezenverklaarde.
2.6.
Op het voorgaande stuit het middel af.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2018.