Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:795

2026-08-18 Strafrecht 25/00521
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/00521
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

-

Citeert (30)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (83.093 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL


BIJ DE


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN


Nummer 25/00521

Zitting 18 augustus 2026



CONCLUSIE



D.J.C. Aben




In de zaak




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte




Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 30 januari 2025 (parketnr. 23-001362-22) door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. "overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan" en 2. “om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en/of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen” veroordeeld tot eenentwintig maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een iPhone.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00329, 25/00337, 25/00383, 25/00384, 25/00386, 25/00460 en 25/00461, waarin ik vandaag ook zal concluderen. Er bestaat tevens samenhang met de zaken 25/00516 en 25/00361, waarin het cassatieberoep is ingetrokken, en de zaken 25/00436 en 25/00520, waarin het cassatieberoep op 18 november 2025 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat geen schriftuur met cassatiemiddelen is ingediend.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4. De eerste vier middelen bevatten klachten over de bewezenverklaring van feit 1. Het eerste middel is gericht tegen het oordeel dat ketamine kan worden aangemerkt als een ‘werkzame stof’ in de zin van artikel 38 Geneesmiddelenwet. Het tweede en derde middel zijn gericht tegen het oordeel dat de bewezen verklaarde gedragingen ‘het opzettelijk zonder registratie in ketamine een groothandel drijven’ opleveren. Het vierde middel bevat de klacht dat het onder 1 bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als “overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet”, omdat in de bewezenverklaring het daarvoor vereiste bestanddeel ‘werkzame stof(fen)’ niet tot uitdrukking komt.

5. Voordat ik deze middelen bespreek zal ik eerst de tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 1 weergeven. Daarnaast zal ik nader ingaan op de Geneesmiddelenwet en de voor de onderhavige zaak juridische begrippen ‘geneesmiddel’, ‘werkzame stof’ en ‘een groothandel drijven’.



Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering

6. Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:


“hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 28 maart 2020 tot en met 06 juni 2020 te [plaats] , [gemeente] , en/of Amsterdam en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk zonder registratie een (grote) hoeveelheid ketamine (in elk geval 13 kilogram en/of 30 kilogram en/of 20 kilogram en/of 5 kilogram en/of 1 kilogram en/of 5 kilogram), in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad en/of te koop aangeboden en/of afgeleverd, dan wel in voornoemde werkzame stof een groothandel heeft gedreven;”


7. Het hof heeft daarvan bewezen verklaard dat:


“hij in de periode van 28 maart 2020 tot en met 29 mei 2020 in Nederland (telkens) opzettelijk zonder registratie in ketamine een groothandel heeft gedreven;”


8. De bewezenverklaring is onder meer gegrond op de volgende bewijsmiddelen:



“
12. Een geschrift, te weten een Bevoegdheidsbeoordeling 22-033 van 9 maart 2022, van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd [los].





Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:





Ik heb een bevoegdheidsbeoordeling opgesteld betreffende [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] , woonachtig op [h-straat 1] , [postcode] [plaats] .





Aan verdachte is geen registratie verleend als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet.





13. Een proces-verbaal ‘Zaaksdossier 16’ van 5 februari 2021 [map C - 3, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 41].





Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededelingen van de verbalisanten
:





Hieronder volgt de betekenis van enkele gebruikte termen:


- Keta: ketamine


- Suiker: ketamine die nog omgezet moet worden naar naalden/kristallen


- Naalden: ketamine kristallen


- Hydro: stof die gebruikt wordt om ketamine om te zetten naar naalden/kristallen





14. Een proces-verbaal ‘Zaaksdossier 5’ van 25 februari 2021 [map C - 3, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 60].





Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededelingen van de verbalisant
:





Een sample is een voorbeeld/monster. Staafjes zijn vermoedelijk een aanduiding voor ketamine




(…)




15. Een proces-verbaal van observatie vrijdag 29 mei 2020 van 9 juni 2020 [map L – 2, doorgenummerde pagina’s 459 tot en met 465].





Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededelingen van de verbalisanten
:





Wij hebben op 29 mei 2020 geobserveerd en daarbij hebben wij de volgende waarnemingen gedaan.




(…)




16. Een proces-verbaal ‘Zaaksdossier 16‘ van 5 februari 2021 [map C - 3, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 41].





Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededelingen van de verbalisanten
:





Onderzoeksteam Messina heef de beschikking gekregen over chatgesprekken die gevoerd zijn met cryptotelefoons en met behulp van de applicatie EncroChat.





De EncroChat-berichten zijn weergegeven in een Excel bestand. In de eerste kolom staat de datum en tijd vermeld waarop dit gesprek is gevoerd (verzonden of ontvangen). De notatie van de datum en tijd is als volgt: jaartal, maand, dag, gevolgd door het tijdstip inclusief de secondes (jjjj-mm-dd, uu.mm.ss). In de tweede kolom staat de bijnaam van de deelnemer van het chatgesprek genoemd. Het betreft de verzender van het bericht. De ontvanger van het bericht is de verdachte van wie in het betreffende hoofdstuk de chatberichten worden weergegeven.





De berichten in het aangeleverde Excel bestand met betrekking tot de chatgesprekken van [verdachte] ( [O] ) zijn afkomstig van diverse personen. Deze personen hebben een bijnaam waaronder zij gesprekken voeren.





In de hierna komende paragrafen zullen voorbeelden worden weergegeven van gevoerde gesprekken.




(…)”


9. Het hof heeft verder, voor zover van belang voor de beoordeling van de middelen, het volgende overwogen:



“2.2.1 Identificatie van het EncroChat-account [O]



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet kan worden gekoppeld aan het EncroChat-account [O] .





Op grond van de bewijsmiddelen kan evenwel het volgende worden vastgesteld.





Uit een chatgesprek tussen de EncroChat-accounts
[O]
en
[F]
van 28 mei 2020 blijkt dat de gebruikers van deze accounts op 29 mei 2020 te 10.00 uur hebben afgesproken bij een Libanees restaurant in Amsterdam.
[F]
heeft in het gesprek van 29 mei 2020 aan
[O]
laten weten dat hij rond 10.15 uur zal arriveren. Het EncroChat-account
[F]
wordt toegeschreven aan [betrokkene 6] . Uit een observatie blijkt dat de verdachte en [betrokkene 6] elkaar op 29 mei 2020 te 10.16 uur hebben ontmoet op de Heemstedestraat te Amsterdam, alwaar zich een Libanees restaurant bevindt.





Op diezelfde dag te 14.30 uur spreken
[O]
en
[F]
in de chat met elkaar af bij de bankjes op het Belgiëplein te Amsterdam.
[O]
laat om 14.03 uur via EncroChat weten dat hij in tram 7 zit. De verdachte bevindt zich blijkens een observatie op dat moment in tram 7. Hij arriveert om 14.41 uur op het Belgiëplein en wordt aldaar om 14.46 uur met [betrokkene 6] op een bank gezien.





De verdachte maakt gebruikt van het telefoonnummer eindigend op [008] , De telefoon waarop dit nummer in gebruik was, gaf regelmatig dekking aan hetzelfde gebied als de cryptotelefoon waaraan het account van
[O]
is gekoppeld. De meeste telefoonregistraties gaven dekking aan het woonadres van de verdachte.





Uit een chatgesprek van 12 mei 2020 om 12.09 uur tussen
[O]
en
[F] , waarin laatstgenoemde aan [O] bericht "Maar ze zijn bang van jou dat weet ik hahaha (...) Hun zien grote jugoslaaf hun weet geen grapjes'' kan vervolgens worden afgeleid dat de gebruiker van het account [O] een Joegoslaaf is. Blijkens de door de verdachte opgegeven personalia is hij geboren in [geboorteplaats] in het voormalige Joegoslavië.




Het hof ziet, anders dan de verdediging, het (herhaaldelijke) gebruik van de term "mano" door
[O]
in de EncroChat-gesprekken niet als een contra-indicatie voor de identificatie van de verdachte als zijnde de gebruiker van dat account. Het gebruik van de term "mano" in diverse chatgesprekken wijst er op dat het account
[O]
telkens door een en dezelfde persoon wordt gebruikt. Of de verdachte de Spaanse taal al dan niet beheerst, is in dit kader niet relevant.





Het hof komt op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, die in onderling verband en samenhang dienen te worden bezien, tot het oordeel dat de verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account
[O] . Het hof zal hier in het navolgende van uit gaan.




2.2.2 Het onder 1 tenlastegelegde


In diverse EncroChat-gesprekken tussen
[O]
en andere gebruikers wordt gesproken over "keta" en "ketamine".





[O]
en zijn tegencontacten spreken onder meer over prijzen en samples van ketamine. Uit het dossier volgt dat vanaf 28 maart 2020 door [O] intensief wordt gesproken over (de in- en verkoop, levering, prijs en afname van) ketamine, waarna de handel daarin daadwerkelijk plaatsvindt.




Het hof leidt uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chatgesprekken af dat daarin telkens afspraken tussen de verdachte en
[F]
worden gemaakt voor het overdragen van ketamine, er wordt steeds gesproken over de hoeveelheid, een tijdstip en de plaats waar ze elkaar ontmoeten. Het hof leidt uit de volgende feiten en omstandigheden af dat de hoeveelheden van 13 kilogram, 30 kilogram, 20 kilogram, 5 kilogram en 1 kilogram kunnen worden bewezen.

- 3 mei 2020: [F] zegt tegen de verdachte dat hij hem de "keta" kan geven, waarna de verdachte 13 kilogram aan [F] vraagt. De verdachte treft [F] blijkens dit chatgesprek op een bankje bij een kinderspeelplaats;
- 6, 7 en 8 mei 2020: de verdachte stuurt op 6 mei 2020 aan [F] "30 kg suiker vrijdag vroeg om 08.45", waarna hij de datum en het tijdstip bevestigt en een prijs, met [F] afspreekt. [F] laat daarop weten dat hij "30" voor de verdachte bewaart. Op 7 mei 2020 wordt de afspraak tussen beide nogmaals bevestigd. [F] rijdt blijkens het chatgesprek van (vrijdag) 8 mei 2020 naar [plaats] en laat de verdachte om 08.25 uur weten dat hij er over "10min" is, waarop de verdachte antwoordt dat hij boven is en "24 bellen en 5 etage".
- 12 mei 2020: de verdachte laat [F] weten dat het fijn zou zijn als [F] snel "20" kan brengen, waarna [F] zegt dat dat vier shoppers van elk vijf kilogram betreffen en – ongeveer twee uur later – dat hij "bij speeltuintje" is, waarop de verdachte antwoordt "ik kom";
- 13 mei 2020: de verdachte stuurt [F] dat hij niet naar beneden hoeft, want "is alleen 5 kg", waarop [F] antwoordt dat hij 08.30 uur er is;
- 28 en 29 mei 2020: [F] laat op 28 mei 2020 aan de verdachte weten dat hij "morgen" een kilo voor de verdachte heeft die hij meeneemt naar [plaats] , waarna zij afspreken in de buurt van een Libanees restaurant in Amsterdam. De verdachte stuurt [F] op 29 mei 2020 "ben er". Zoals hierboven vermeld wordt er op die dag door het observatieteam ook een ontmoeting tussen de verdachte en [betrokkene 6] gezien die aansluit bij deze chats.




Uit voornoemde chatgesprekken blijkt dat afspraken zijn gemaakt voor het afleveren van de bovengenoemde hoeveelheden van in totaal 69 kilogram ketamine. Gelet op deze hoeveelheden is sprake van een groothandel in ketamine,





Het hof acht, anders dan de advocaat-generaal, op grond van de stukken in het dossier niet wettig en overtuigend bewezen dat er een levering van ketamine aan de verdachte heeft plaatsgevonden op 6 juni 2020. Het hof zal de tenlastegelegde pleegperiode daarom verkorten en uitgaan van de periode van 28 maart 2020 tot en met 29 mei 2020, gedurende welke de verdachte deze groothandel heeft gedreven. Daarbij overweegt het hof met betrekking tot de aanvangsdatum van 28 maart 2020 nog het volgende. Het hof is van oordeel dat ook de in de bewijsmiddelen opgenomen berichten vanaf 28 maart 2020 op de betrokkenheid van de verdachte in de groothandel in ketamine duiden. Zo wordt op 28 maart 2020 tussen
[O]
en
[F]
gesproken over de mogelijke verkoop van "Fijne suiker" en wordt door [O] op 1 april 2020 aangegeven dat hij twee klanten heeft "Eene will 130 kgg en andere 100 kg" en "Gelijk morgen ophaalen aub". Het hof acht op grond van deze en andere berichten, bezien in het licht van de latere leveringen van ketamine, en anders dan de verdediging heeft betoogd, ook de periode vanaf 28 maart 2020 bewezen.




(…)





Oplegging van straf



(…)





De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk drijven van een groothandel in ketamine (69 kilogram), zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. De stof ketamine wordt buiten de reguliere medische wereld als recreatieve drug gebruikt. Gelet op de afgeleverde hoeveelheden zal de ketamine bestemd zijn geweest voor verdere handel. Ketamine is schadelijk voor de gezondheid en kan bij langdurig frequent gebruik ernstige gevolgen voor de gebruikers hebben.”





Juridisch kader



Regelgeving



10. Bij de beoordeling van de middelen zijn de volgende wetsartikelen van belang:


Artikel 1 Geneesmiddelenwet:




“1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:


(…)


b. geneesmiddel: een substantie of een samenstel van substanties die bestemd is om te worden toegediend of aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als zijnde geschikt voor:


1°. het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens,


2°. het stellen van een geneeskundige diagnose bij de mens, of


3°. het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen;


(…)


x.1. werkzame stof: een substantie die of een mengsel van substanties dat bestemd is om gebruikt te worden bij de vervaardiging van een geneesmiddel en dat bijgevolg een werkzaam bestanddeel van dat geneesmiddel wordt dat bestemd is om een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, teneinde fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, onderscheidenlijk een medische diagnose te stellen;


(…)


kk. het drijven van een groothandel: een of meer activiteiten binnen het geheel van groothandelen, zoals het inkopen, in voorraad hebben, afleveren of uitvoeren van door derden bereide of ingevoerde geneesmiddelen of werkzame stoffen;”




Artikel 38 lid 1 Geneesmiddelenwet:




“Het is verboden om zonder registratie werkzame stoffen te bereiden, in te voeren, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren, uit te voeren of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen, dan wel in werkzame stoffen een groothandel te drijven.”



11. Artikel 38 lid 1 Geneesmiddelenwet, zoals dat thans luidt, is ingevoerd bij Wet van 25 mei 2018 tot wijziging van de Geneesmiddelenwet in verband met technische verbeteringen en verhoging van het boetemaximum. De memorie van toelichting bij deze wet houdt, voor zover van belang, het volgende in:



“Onderdeel A



(…)




Artikel 1, eerste lid, onderdelen ee, hh, ii, jj en kk




Sinds de implementatie van wijzigingsrichtlijn 2011/62/EU (hierna: richtlijn 2001/83) stelt de Geneesmiddelenwet naast geneesmiddelen ook eisen aan werkzame stoffen. Om te voorkomen dat bij de normadressanten verwarring ontstaat welke handelingen geoorloofd zijn met welke vergunning of registratie, is aan elke activiteit die bij wet is gedefinieerd ook werkzame stoffen toegevoegd.





Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om de definitie van het drijven van een groothandel in geneesmiddelen of werkzame stoffen in onderdeel kk aan te passen. Ten onrechte zou de indruk kunnen ontstaan dat uitsluitend van het drijven van een groothandel kon worden gesproken wanneer wordt voldaan aan alle opgesomde activiteiten. Dat is niet het geval; er is reeds sprake van het drijven van een groothandel wanneer men een of meer van deze niet-limitatieve opsomming van groothandelsactiviteiten ontplooit.





(…)




Artikel 38




Deze technische wijziging beoogt de terminologie in handelingen met geneesmiddelen en handelingen met werkzame stoffen in de wet gelijk te trekken. Bij «groothandelen» in werkzame stoffen moet gedacht worden aan dezelfde handelingen als bij groothandelen in geneesmiddelen, dus een of meer activiteiten, zoals het inkopen, in voorraad hebben, afleveren of uitvoeren van door derden bereide of ingevoerde geneesmiddelen of werkzame stoffen. Daarmee wordt bedoeld dat reeds bij één genoemde activiteit wordt voldaan aan groothandelen in de zin van dit artikel. Zie in dit verband tevens de wijziging van de definitie van het drijven van een groothandel in onderdeel A.”


12. Als gevolg van de implementatie van richtlijn 2011/62/EU om te verhinderen dat vervalste geneesmiddelen in de legale distributieketen belanden is per 10 december 2013 het toen geldende artikel 38 Geneesmiddelenwet vervallen en een nieuw artikel 38 Geneesmiddelenwet ingevoerd. Bij deze wijziging van de Geneesmiddelenwet is tevens de hierboven weergeven definitie van een ‘werkzame stof’ in de wet opgenomen. De memorie van toelichting houdt daarover en over de begrippen ‘groothandelaars’ en ‘bemiddelaars’ onder meer het volgende in:



“De belangrijkste actoren in de legale distributieketen zijn: vergunninghoudende geneesmiddelenfabrikanten, vergunninghoudende groothandelaars in geneesmiddelen, alsmede apotheekhoudenden. Het is uitsluitend aan vergunninghoudenden toegestaan geneesmiddelen te vervaardigen en in het groot te verhandelen en alleen apotheekhoudenden mogen receptplichtige geneesmiddelen ter hand stellen aan het publiek. Dit dient ter beveiliging van de geneesmiddelenketen. Met de toevoegingen van richtlijn 2011/62 wordt die keten zo volledig mogelijk gesloten, van productie tot aan de consument.





(…)





Richtlijn 2011/62 brengt in de eerste plaats aanscherpingen aan bij reeds bestaande verplichtingen voor fabrikanten, groothandelaars en apotheekhoudenden. Daarnaast wordt een aantal nieuwe verplichtingen geïntroduceerd voor actoren die tot dusver niet zelfstandig onder de geneesmiddelenregelgeving waren gebracht. Hierbij moet worden gedacht aan de zogeheten «bemiddelaars» in geneesmiddelen en aan fabrikanten, importeurs en groothandelaars van werkzame stoffen. Bemiddelaars worden verplicht zich vooraf te registreren. Bemiddeling zonder registratie is verboden. Hiermee wordt bereikt dat ook deze actoren scherper in het vizier komen van de toezichthoudende autoriteiten.





(…)





De groothandel en distributie van geneesmiddelen is uitsluitend voorbehouden aan vergunninghoudende groothandelaars. Deze groothandelsvergunning wordt eveneens verleend door de minister van VWS (en in mandaat door het CIBG). De groothandelaar moet voldoen aan voorschriften inzake goede distributiepraktijken van geneesmiddelen (Good Distribution Practices; GDP), eveneens vastgesteld door de Commissie. Een belangrijke eis van GDP is de traceerbaarheid van geneesmiddelencharges met het oog op het eventueel terugroepen van geneesmiddelen die zich reeds in de handel bevinden. Ook bij de groothandelsvergunning is sprake van toetsing vooraf en controle achteraf door de IGZ. Groothandelaars mogen uitsluitend geneesmiddelen afleveren aan elkaar en aan apotheekhoudenden. Groothandelaars mogen niet afleveren aan individuele patiënten.





(…)





Een geneesmiddel is doorgaans samengesteld uit werkzame stoffen en hulpstoffen. De werkzame stof is het bestanddeel dat het farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect in het menselijk lichaam bewerkstelligt. Hulpstoffen zijn alle andere bestanddelen, zoals vulstoffen, bindmiddelen of kleurstoffen. De werkzame stoffen en hulpstoffen vormen tezamen de grondstoffen of bestanddelen van het geneesmiddel. De geneesmiddelenfabrikant produceert lang niet al deze bestanddelen of grondstoffen zelf. Werkzame stoffen worden veelal ingekocht bij derden, in binnen- en buitenland, ook in landen buiten de Europese Unie, zoals China en India (derde landen).





(…)





Een activiteit die tot dusver buiten de reikwijdte van de geneesmiddelenregelgeving bleef, is de zogenaamde «bemiddeling» in geneesmiddelen. Bemiddelen is volgens artikel 1, onderdeel 17bis, van richtlijn 2001/83 het op enigerlei wijze namens een ander onderhandelen over de aan- of verkoop van geneesmiddelen, zonder dat fysieke omgang plaatsvindt met het product. Bemiddeling moet volgens de richtlijn worden onderscheiden van groothandel. Het wordt verboden om zonder voorafgaande registratie te bemiddelen in geneesmiddelen. Bemiddelaars dienen een vast adres en contactgegevens te verstrekken om toezicht mogelijk te maken. Er komt een openbaar register van bemiddelaars. Er mag alleen bemiddeld worden in geneesmiddelen waarvoor een Europese, decentrale of nationale handelsvergunning is verleend. Indien een bemiddelaar zich niet houdt aan de wet, kan zijn registratie worden geschrapt. Daarmee verliest hij zijn bemiddelingsbevoegdheid. De bemiddelaar kan ook een bestuurlijke boete opgelegd krijgen. Dit vergt afstemming tussen het CIBG en de IGZ.





(…)





Fabrikanten en groothandelaars van werkzame stoffen, alsmede bemiddelaars in geneesmiddelen, zijn nieuwe actoren in de Geneesmiddelenwet. Zij worden belast met een aantal verplichtingen voorafgaand aan en tijdens hun activiteiten. Hiertoe worden de nieuwe hoofdstukken 3a en 3b aan de Geneesmiddelenwet toegevoegd. Hoofdstuk 3a betreft fabrikanten en groothandelaars van werkzame stoffen; hoofdstuk 3b betreft de bemiddelaars.





Werkzame stoffen zijn als gezegd de bestanddelen van het geneesmiddel die het farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect bewerkstelligen. De werkzame stof is dus het cruciale bestanddeel van het geneesmiddel. Fabrikanten, importeurs en groothandelaars van werkzame stoffen dienen zich voortaan vooraf te registreren. Hiertoe zal een registratieformulier beschikbaar worden gesteld door het CIBG. Het wordt verboden om zonder voorafgaande registratie activiteiten te ontplooien met werkzame stoffen. Aan de hand van een risicobeoordeling kan de IGZ een voorafgaande inspectie uitvoeren bij de fabrikant of groothandelaar van werkzame stoffen. De douane ziet erop toe dat alleen geregistreerden werkzame stoffen vanuit derde landen invoeren.





(…)




7. Transponeringstabel




RichtlijnGeïmplementeerd in
1, 3bis, 3ter, 1 en 33 1, eerste lid, sub x.1, u.1, x.2, kk.1, en achtste lid, Gnw



(…)





B. ARTIKELSGEWIJS



(…)




Artikel 1, eerste lid



Begripsbepalingen onderdelen x.1, x.2 en kk.1

Geïntroduceerd worden de begripsbepalingen van «werkzame stof», «hulpstof», «bemiddelen in geneesmiddelen» en «vervalst geneesmiddel». Deze bepalingen komen materieel overeen met die welke zijn opgenomen in artikel 1, leden 3bis, 3ter, 17 en 33 van richtlijn 2001/83.





(…)




Hoofdstuk 3a. Fabrikanten en groothandelaars van werkzame stoffen




In de wet wordt een nieuw hoofdstuk geïntroduceerd over fabrikanten van werkzame stoffen en groothandelaars van werkzame stoffen. Hiermee wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds fabrikanten en groothandelaars van geneesmiddelen, die vallen onder hoofdstuk 3, en anderzijds fabrikanten en groothandelaren van werkzame stoffen, die vallen onder hoofdstuk 3a. Voorheen stelde de Geneesmiddelenwet geen aparte regels aan fabrikanten en groothandelaars van werkzame stoffen. Daar komt met de komst van richtlijn 2011/62 verandering in. Vanaf heden worden ook aan fabrikanten en groothandelaars van werkzame stoffen eisen gesteld, zodat een geneesmiddel van bereiding tot terhandstelling aan een bepaalde kwaliteitsstandaard voldoet en op elk moment na te trekken is.




Artikel 38




Dit artikel betreft implementatie van artikel 52bis, eerste, tweede en zevende lid, van richtlijn 2001/83. Fabrikanten en groothandelaars van werkzame stoffen dienen hun activiteiten voor aanvang te registreren bij het CIBG. Van «activiteiten» wordt gesproken omdat die term beter aansluit bij het Europese model van de groothandelsvergunning. Het CIBG ontwerpt het registratieformulier volgens de eisen die de richtlijn daaraan stelt. Registratie en het eventuele doorhalen ervan (zie artikel 38c) zijn besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bij ministeriële regeling zal worden uitgewerkt welke gegevens dienen te worden geregistreerd, en met welke frequentie die gegevens dienen te worden aangevuld. Daarnaast zal worden bepaald dat het CIBG deze informatie in EudraGMP invoert.”


13. Richtlijn 2011/62/EU houdt onder meer het volgende in:


“Artikel 1




Richtlijn 2001/83/EG wordt als volgt gewijzigd:

1) Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
a) De volgende punten worden ingevoegd:

„3bis. Werkzame stof:


een substantie die of een mengsel van substanties dat bestemd is om gebruikt te worden bij de vervaardiging van een geneesmiddel en die/dat bij gebruik bij de vervaardiging ervan een werkzaam bestanddeel van dat middel wordt, waarbij dat werkzaam bestanddeel bestemd is om een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen om fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, of bestemd is om een diagnose te stellen.”


14. Artikel 1 van de Geneesmiddelenwet betreft een implementatie van artikel 1, onderdeel 2, van richtlijn 2001/83/EG waarin het begrip ‘geneesmiddel’ is neergelegd. In de memorie van toelichting bij de Wet van 8 februari 2007 tot vaststelling van een nieuwe Geneesmiddelenwet is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:



“Eerste lid, onder b (geneesmiddel)




Uitgangspunt voor de definitie van geneesmiddel is uiteraard de definitie van geneesmiddel, zoals opgenomen in richtlijn 2001/83/EG. Voorts is gekeken naar de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJ) met betrekking tot het begrip geneesmiddel en naar de huidige definitie van geneesmiddel in de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG). Bovendien is artikel 1 van Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PbEG L 169) – hierna te noemen: richtlijn 93/42/EEG – alsmede artikel 1 van de Wet medische hulpmiddelen (WMH) in de beschouwing betrokken.





(…)





De definitie van geneesmiddel in artikel 1 van richtlijn 2001/83/EG bestaat uit twee delen en luidt als volgt:


Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens.


Elke enkelvoudige of samengestelde substantie die aan de mens kan worden toegediend teneinde een medische diagnose te stellen of om fysiologische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, wordt eveneens als geneesmiddel beschouwd.





Deze tweedeling komt er op neer dat een product een geneesmiddel is op grond van zijn presentatie of op grond van zijn werking en dus ook op grond van beide aspecten. Deze twee aspecten zijn uiteraard ook in de onderhavige begripsbepaling opgenomen. Materieel is er ter zake van deze twee aspecten dus geen verschil met de richtlijnbepaling.





(…)





3. Het drijven van een groothandel


De definitie van groothandel in geneesmiddelen in artikel 1, zeventiende lid, van richtlijn 2001/83/EG gaat er vanuit dat een groothandelaar door anderen bereide of ingevoerde geneesmiddelen inkoopt, opslaat en distribueert. Tot de distributiewerkzaamheden van de groothandelaar behoort het afleveren van geneesmiddelen aan apothekers en aan andere groothandelaren in de Europese Gemeenschap en het uitvoeren van geneesmiddelen naar derde landen. Al deze werkzaamheden vallen onder de groothandelsvergunning.”


15. Richtlijn 2001/83/EG houdt, voor zover van belang voor de beoordeling van de middelen, het volgende in:



“Overwegende hetgeen volgt:





(…)





(7) De begrippen “schadelijk” en “therapeutische werking” kunnen slechts in onderling verband worden onderzocht en slechts een relatieve betekenis hebben, die wordt beoordeeld aan de hand van de stand van de wetenschap en met inachtneming van de bestemming van het geneesmiddel; uit de gegevens en bescheiden die bij de aanvraag om een vergunning voor het in de handel brengen moeten worden gevoegd, moet blijken dat bij afweging van het belang van de therapeutische werking ten opzichte van mogelijke risico's, het therapeutische belang de doorslag geeft.





(…)




Artikel 1




Voor de doeleinden van de onderhavige richtlijn wordt verstaan onder:





(…)




17. Groothandel in geneesmiddelen:




iedere activiteit die erin bestaat geneesmiddelen aan te schaffen, te houden, te leveren of uit te voeren, uitgezonderd het verstrekken van geneesmiddelen aan het publiek; deze activiteiten worden verricht met fabrikanten of hun depothouders, met importeurs, met andere groothandelaars of met apothekers en personen die in de betrokken lidstaat gemachtigd of gerechtigd zijn geneesmiddelen aan het publiek af te leveren.”





EU-rechtspraak



16. Aan het HvJ EU is de vraag voorgelegd “of het begrip geneesmiddel in artikel 1, punt 2, sub b, van richtlijn 2001/83 aldus moet worden uitgelegd dat substanties zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn, waarvan de effecten beperkt zijn tot louter een wijziging van de fysiologische functies, zonder deze te verbeteren, en die alleen maar worden geconsumeerd om een roes op te wekken en bij consumptie schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens, niet onder dat begrip vallen.” Het HvJ EU heeft die vraag als volgt beantwoord:



“30 De vraag van de verwijzende rechter betreft meer bepaald de definitie die wordt gegeven in artikel 1, punt 2, sub b, van richtlijn 2001/83 en met name de in deze bepaling gebruikte woorden „[de] fysiologische functies [...] wijzigen”.





31 Dienaangaande is het juist dat volgens de gebruikelijke betekenis ervan in het normale taalgebruik, uit het woord „wijzigen” niet kan worden opgemaakt of de zich voordoende effecten gunstig dan wel schadelijk zijn.





32 Het is evenwel vaste rechtspraak dat voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft (zie met name arresten Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en Brain Products, C 219/11, EU:C:2012:742, punt 13).





33 Volgens punt 3 van de considerans van richtlijn 2004/27 is het in het kader van de harmonisatie van de nationale wetgevingen noodzakelijk een hoog niveau van de bescherming van de menselijke gezondheid te verzekeren. Bijgevolg dient richtlijn 2001/83 in het algemeen en artikel 1, punt 2, ervan in het bijzonder te worden gelezen vanuit de optiek van die doelstelling. Bedoelde doelstelling brengt echter niet louter neutraliteit van de werking voor de menselijke gezondheid tot uitdrukking, maar impliceert een gunstige invloed op de gezondheid.





34 In dat verband zij opgemerkt dat de definitie in artikel 1, punt 2, sub a, van richtlijn 2001/83 verwijst naar „therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens”, waaruit ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat er een gunstige invloed op de gezondheid van de mens bestaat.





(…)





36 De begrippen „herstellen” en „verbeteren” van de fysiologische functies, die terug te vinden zijn in de definitie van het geneesmiddel in artikel 1, punt 2, sub b, van die richtlijn, kunnen evenmin anders worden gelezen. Die begrippen moeten immers aldus worden opgevat, dat daarin de wil van de wetgever tot uitdrukking komt, om de klemtoon te leggen op de gunstige invloed die de betrokken substanties zouden moeten hebben op de werking van het menselijke organisme en dus – direct of indirect – op de menselijke gezondheid, ook al is er geen sprake van ziekte (zie, wat dit laatste betreft, arrest Upjohn, EU:C:1991:147, punt 19).





37 Teneinde er in overeenstemming met punt 29 van het onderhavige arrest voor te zorgen dat de globale uitlegging die van die twee definities van het geneesmiddel in artikel 1, punt 2, van richtlijn 2001/83 moet worden gegeven, coherent is en te voorkomen dat hun onderscheiden elementen tegenstrijdig worden uitgelegd, mag het woord „wijzigen”, dat in hetzelfde zinsdeel volgt op de woorden „herstellen” en „verbeteren”, niet zo worden opgevat dat daarmee wordt afgeweken van de teleologische overwegingen in het vorige punt van het onderhavige arrest. Het woord „wijzigen” moet dan ook aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op de substanties die een gunstige invloed kunnen hebben op de werking van het menselijke organisme en dus op de menselijke gezondheid.





38 Uit het voorgaande vloeit voort dat het begrip „geneesmiddel” in artikel 1, punt 2, sub b, van richtlijn 2001/83 aldus moet worden uitgelegd dat substanties waarvan de effecten beperkt zijn tot louter een wijziging van de fysiologische functies, zonder dat zij direct of indirect een gunstige invloed kunnen hebben op de menselijke gezondheid, niet onder dat begrip vallen.





(…)





46 Overigens blijkt uit het tweede deel van de vraag dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde substanties niet worden geconsumeerd voor therapeutische doeleinden, maar voor louter recreatieve doeleinden, en dat zij bij consumptie de gezondheid van de mens schade berokkenen.





47 Gelet op de in punt 33 van het onderhavige arrest vermelde doelstelling, het in punt 29 van het onderhavige arrest aangehaalde vereiste van een coherente uitlegging van het begrip geneesmiddel, en het in punt 7 van de considerans van richtlijn 2001/83 vermelde vereiste dat de eventuele schadelijkheid van een onderzocht product in verband wordt gebracht met de therapeutische werking ervan, kunnen dergelijke substanties niet worden aangemerkt als „geneesmiddelen”.





(…)





50 Uit een en ander volgt dat op de vraag moet worden geantwoord dat artikel 1, punt 2, sub b, van richtlijn 2001/83 aldus moet worden uitgelegd dat daaronder niet vallen substanties zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn, waarvan de effecten beperkt zijn tot louter een wijziging van de fysiologische functies, zonder dat zij direct of indirect een gunstige invloed kunnen hebben op de menselijke gezondheid, en die alleen maar worden geconsumeerd om een roes op te wekken en bij consumptie schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid.”




Synthese: de betekenis van wettelijke begrippen als ‘geneesmiddel’ en ‘werkzame stof’



17. Zoals a-g Vegter in 2015 concludeerde, brengt de aangehaalde uitspraak van het HvJ EU mee dat substanties pas als ‘geneesmiddel’ kunnen worden aangemerkt als het gebruik ervan direct of indirect een gunstige invloed kan hebben op de menselijke gezondheid of het menselijk functioneren. De enkele omstandigheid dat als gevolg van de toediening of inname van de substantie(s) veranderingen optreden in fysiologische functies van de mens is onvoldoende om van ‘geneesmiddel’ te spreken. Kortom, middelen zonder ‘therapeutische werking’ kunnen niet worden gekwalificeerd als ‘geneesmiddel’, aldus ook Vegter. Zulks heeft aanzienlijke consequenties voor de strafbaarheid van de productie of het in voorraad hebben van synthetische drugs via de Geneesmiddelwet, merkte hij op.

18. Aangezien het hof in de zaak waarin Vegter concludeerde in het midden had gelaten of het betreffende middel (dat betrof mCPP) direct of indirect een gunstige invloed kan hebben op de menselijke gezondheid, kon de bewezenverklaring naar het oordeel van Vegter niet in stand blijven. Hetzij had het hof een onjuiste betekenis gegeven aan het begrip ‘geneesmiddel’ als bedoeld in de Geneesmiddelenwet, hetzij had het hof de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd nu mCPP niet zonder meer kan worden aangemerkt als geneesmiddel. De Hoge Raad volgde hem daarin door − onder verwijzing naar de hierboven aangehaalde uitspraak van het HvJ EU − te overwegen dat het oordeel dat bij mCPP sprake is van een geneesmiddel nadere motivering behoefde (die ontbrak).

19. Naar het mij voorkomt gaan deze overwegingen evenzeer op voor de betekenis van het begrip ‘werkzame stof’, dat ter implementatie van richtlijn 2011/62/EU in de Geneesmiddelenwet is opgenomen. Voor deze stof (of: substantie) geldt immers blijkens de definitiebepaling in die richtlijn dat zij bestemd moet zijn om gebruikt te worden bij de vervaardiging van een geneesmiddel en dat zij bijgevolg een werkzaam bestanddeel van dat geneesmiddel wordt dat bestemd is om een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, teneinde fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, onderscheidenlijk een medische diagnose te stellen. Het komt mij bovendien voor dat kan worden afgezien van het stellen van vragen aan het HvJ EU over de uitleg van het begrip ‘wijzigen van fysiologische functies’ in de definitiebepaling van ‘werkzame stof’ in de richtlijn 2011/62/EU, nu zonder meer mag worden aangenomen − en dus binnen de werkingssfeer van de Unie volkomen ‘helder’ is − dat de betekenis daarvan niet afwijkt van de betekenis die het HvJ EU aan dezelfde woorden heeft gegeven in zijn hierboven aangehaalde uitspraak uit 2014, die betrekking had op de uitleg van het begrip ‘geneesmiddel’ in richtlijn 2001/83.

20. Dit brengt mee dat substanties pas als ‘werkzame stof’ in de zin van de geneesmiddelenwet kunnen worden aangemerkt als het gebruik ervan direct of indirect, eventueel in een mengsel met andere substanties (en in farmaceutische vorm) een gunstige invloed kan hebben op de menselijke gezondheid of het menselijk functioneren. De enkele omstandigheid dat als gevolg van het gebruik van de substantie(s) veranderingen (‘wijzigingen’ in neutrale zin) optreden in fysiologische functies van de mens, is onvoldoende om van ‘werkzame stof’ te spreken. Substanties zonder ‘therapeutische werking’, die bijvoorbeeld louter als partydrug (kunnen) worden gebruikt, kunnen niet kwalificeren als werkzame stof.



Feitenrechtspraak over ketamine



21. In een zaak bij de rechtbank Den Haag leidde de hiervoor weergegeven uitleg van het HvJ EU van de definitie van het begrip ‘geneesmiddel’ tot de vraag of ketamine in poedervorm kan worden aangemerkt als geneesmiddel in de zin van de Geneesmiddelenwet. De rechtbank beantwoordde die vraag bij vonnis van 13 mei 2015 negatief en overwoog daartoe onder meer het volgende (met weglating van voetnoten):



“Presentatie




Door verdachte is een vat, met daarin 20 kilo ketamine in poedervorm, verduisterd. De rechtbank stelt vast dat de ketamine in poedervorm als volgt werd gepresenteerd. In een proces-verbaal van bevindingen hebben verbalisanten hun onderzoek vastgelegd naar de wijze van verpakking van de ketamine. Zij hebben een zelfde soort vat als dat door de verdachte was ontvreemd geopend en zagen dat er zich in het vat een kunststof binnenzak bevond. Ze stelden vast dat er in het vat een andere ruime transparante kunststof zak zat die was gevuld met een wit poeder en die was afgesloten met een zwarte tie-wrap en hebben dit geïllustreerd in de bijlage bij het proces-verbaal.





Uit de wijze van presentatie van het product – in één vat en bij elkaar in één plastic zak – volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze 20 kilo ketamine in poedervorm de uiterlijke kenmerken bezat, dan wel werd gepresenteerd als zijnde het een geneesmiddel in de zin van de Geneesmiddelenwet.




Karakter van het product




In het proces-verbaal van een verbalisant bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg is beschreven dat de stof ketamine een analgetische (pijngevoelloosheid) en anesthetische (lokaal of totaal) verdovende werking heeft. De stof wordt gebruikt in zowel de humane als de veterinaire geneeskunst. De farmaceutische vorm waarin ketamine wordt gebruikt is als injectievloeistof. In de humane geneeskunst zijn in Nederland tien humane geneesmiddelen met de naam Ketanest-S die geregistreerd zijn door het College ter beoordeling van geneesmiddelen. De verbalisant heeft de geneesmiddeleninformatiebank van het College ter beoordeling van geneesmiddelen geraadpleegd en daarbij zag hij dat alleen voor (tien) injectievloeistoffen met ketamine een handelsvergunning is afgegeven. Voor ketamine in poedervorm is geen handelsvergunning afgegeven.





De rechtbank stelt vast dat ketamine in poedervorm niet voorkomt in de geneesmiddeleninformatiebank van het College ter beoordeling van geneesmiddelen.





In het relaas proces-verbaal van het politie-dossier heeft de relaterende verbalisant opgemerkt dat ketamine in poedervorm wordt gebruikt als grondstof in de farmaceutische industrie.





De rechtbank stelt vast dat de ketamine in poedervorm nog een grondstof betrof die nog niet bestemd was om te worden toegediend of aangewend als geneesmiddel. Het product had nog niet zijn farmaceutische vorm en was niet klaar voor gebruik door de consument.





Daarbij wijst de rechtbank er op dat de ketamine bestemd was voor het bedrijf Alcomed, gevestigd te [vestigingsplaats]. De aangever heeft verklaard dat Alcomed een farmaceutisch bedrijf is dat injectievloeistof maakt voor diergeneesmiddelen. Deze omstandigheid bevestigt dat de ketamine in poedervorm in het onderhavige geval niet als geneesmiddel in de zin van de Geneesmiddelenwet en dus ten behoeve van de humane geneeskunde kan worden aangemerkt.”


22. Uit rechtspraak van rechtbanken en gerechtshoven blijkt dat ook in andere zaken dan de thans voorliggende zaken veroordelingen zijn gevolgd voor (opzettelijke) overtreding van artikel 38 lid 1 Geneesmiddelenwet, bestaande uit het verrichten van (een of meer van) de in dat artikellid genoemde handelingen ten aanzien van ketamine als ‘werkzame stof’.



De klachten van het eerste middel: ketamine als werkzame stof?

23. Het middel bevat twee deelklachten. De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat ook het begrip ‘werkzame stof’ moet worden gelezen vanuit de optiek van de doelstelling van de richtlijn 2001/83/EG, gewijzigd bij richtlijn 2011/62/EG, te weten het vertrouwen dat burgers/patiënten moeten kunnen (blijven) hebben in de legale distributieketen van geneesmiddelen. De doelstelling van de richtlijnen is dus niet het beschermen van de volksgezondheid tegen substanties die geen gunstige invloed hebben op de menselijke gezondheid, of die alleen maar worden gebruikt om een roes op te wekken en/of schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid, en ook niet het voorkomen van een illegale (groot)handel in dergelijke substanties. Nu het woord ‘wijzigen’ zoals bedoeld in de definitie van een geneesmiddel zo moet worden uitgelegd dat het betrekking heeft op substanties die een gunstige invloed kunnen hebben op de menselijke gezondheid, kan het niet anders zijn dan dat die uitleg ook zijn doorwerking heeft naar de uitleg van het begrip ‘werkzame stof’. Dat betekent, aldus de steller van het middel, dat substanties die niet direct of indirect een gunstige invloed hebben op de menselijke gezondheid of schadelijk zijn, de bestemming van ‘werkzame stof’ niet kunnen hebben. Van ketamine heeft het hof vastgesteld dat het gebruikt wordt als recreatieve drug en dat het schadelijk is voor de menselijke gezondheid. Daarom getuigen de in de uitspraak van het hof besloten liggende oordelen (a) dat ketamine kan worden aangemerkt als ‘werkzame stof’ als bedoeld in de Geneesmiddelenwet en (b) dat het bewezen verklaarde kan worden gekwalificeerd als opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38 lid 1 Geneesmiddelenwet, van een onjuiste rechtsopvatting.

24. Het middel bevat daarnaast de klacht dat de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing niet voldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd omdat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat ketamine een ‘werkzame stof’ is in de zin van de Geneesmiddelenwet.



De bespreking van het eerste middel



Het begrip ‘werkzame stof’



25. Zoals ook door de steller van het middel wordt opgemerkt, heeft het hof niets expliciet vastgesteld omtrent het gebruik van de stof ketamine bij de vervaardiging van geneesmiddelen. Het hof heeft enkel onder de strafmaatoverwegingen opgenomen dat “de stof ketamine (…) buiten de reguliere medische wereld als recreatieve drug [wordt] gebruikt” (onderstreping mijnerzijds).

26. Voor zover in het arrest besloten ligt dat ketamine als ‘werkzame stof’ in de zin van de Geneesmiddelenwet kan worden aangemerkt, getuigt het oordeel van het hof echter niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat bepaalde substanties buiten de reguliere medische wereld worden gebruikt om een roes op te wekken, sluit niet uit dat zij − binnen de reguliere medische wereld − kunnen worden aangemerkt als ‘werkzame stof’ van een geneesmiddel. Zoals volgt uit punt 7 van de considerans bij Richtlijn 2001/83/EG, moeten de begrippen ‘schadelijk’ en ‘therapeutische werking’ immers in onderling verband worden onderzocht en hebben deze slechts een relatieve betekenis “die wordt beoordeeld aan de hand van de stand van de wetenschap en met inachtneming van de bestemming van het geneesmiddel; uit de gegevens en bescheiden die bij de aanvraag om een vergunning voor het in de handel brengen moeten worden gevoegd, moet blijken dat bij afweging van het belang van de therapeutische werking ten opzichte van mogelijke risico's, het therapeutische belang de doorslag geeft.” Ik leid daaruit af dat een substantie ‘schadelijk’ kan zijn en ‘mogelijke risico’s’ kan meebrengen, maar desondanks een ‘therapeutische werking’ kan hebben en dus onder omstandigheden kan worden aangemerkt als ‘geneesmiddel’ of als ‘werkzame stof’ van een ‘geneesmiddel’.

27. De rechtsklacht dat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, faalt derhalve.



Ketamine als ‘werkzame stof’, motivering van het hof



28. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verdachte – kort gezegd – heeft gehandeld in ketamine, dat gelet op de hoeveelheid van in totaal 69 kilogram sprake is van een groothandel in ketamine en dat aan de verdachte geen registratie is verleend als bedoeld in artikel 38 lid 1 Geneesmiddelenwet. Zoals al eerder opgemerkt, heeft het hof geen vaststellingen gedaan omtrent het gebruik van de stof ketamine bij de vervaardiging van geneesmiddelen, laat staan of dat gebruik betekent dat ketamine kan worden aangemerkt als ‘werkzame stof’ in de zin van de Geneesmiddelenwet. De bewezenverklaring van dit bestanddeel vindt dus geen steun in de bewijsvoering.

29. Kennelijk heeft het hof aangenomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat ketamine een ‘werkzame stof’ is van een of meer geneesmiddelen. Een feit van algemene bekendheid behoeft geen bewijs. Als de rechter iets als algemeen bekend aanneemt, is hij bovendien niet verplicht dat met zoveel woorden in zijn uitspraak tot uitdrukking te brengen. De Hoge Raad kan zelf in volle omvang bepalen of enig gegeven van algemene bekendheid kan worden geacht.

30. Gegevens van algemene bekendheid zijn gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.

31. Dat laatste is naar mijn mening in deze zaak het geval. Via de openbaar toegankelijke geneesmiddeleninformatiebank van het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) is te vinden dat vormen van ketamine als werkzame stof worden gebruikt in geneesmiddelen. Dat is met name als anestheticum, met als voordeel dat ademhaling en bloeddruk relatief intact blijven. Het RIVM vermeldt dat ketamine “de werkzame stof is in een (dier)geneesmiddel” dat in Nederland in de afgelopen jaren steeds populairder is geworden voor recreatief gebruik. Het kennelijke oordeel van het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat ketamine een ‘werkzame stof’ in de zin van de Geneesmiddelenwet betreft, is dus niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring en de kwalificatie zijn toereikend met redenen omkleed.

32. De motiveringsklacht van het eerste middel faalt.



De klacht(en) van het tweede middel: het drijven van een groothandel?

33. Het middel bevat de klacht dat het in de bewezenverklaring van feit 1 besloten liggende oordeel dat de bewezen geachte gedragingen van de verdachte 'het opzettelijk zonder registratie in ketamine een groothandel drijven' opleveren, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In de eerste plaats wordt daartoe aangevoerd (i) dat de definitie van het ‘drijven van een groothandel’ betrekking heeft op feitelijke en voltooide activiteiten en niet op het enkele communiceren daarover of maken van afspraken, en (ii) dat artikel 38 Geneesmiddelenwet zou worden opgerekt tot een voorbereidings- of bevorderingsdelict, dan wel een bemiddelingsdelict wanneer het enkele communiceren, uitwisselen van informatie c.q. maken van afspraken zou vallen onder ‘het drijven van een groothandel’. Daarbij wordt opgemerkt dat de Geneesmiddelenwet een specifiek verbod (in artikel 39) bevat om zonder registratie te bemiddelen in geneesmiddelen.

34. Daarnaast wordt aangevoerd dat het enkele afgeleverd krijgen van (grotere) hoeveelheden ketamine, zonder dat is vastgesteld dat de verdachte daarna andere activiteiten binnen het geheel van groothandelen heeft uitgevoerd ten aanzien van die afgeleverde hoeveelheden ketamine, onvoldoende is voor een bewezenverklaring van ‘het drijven van een groothandel’. Ondanks de splitsing die de steller van het middel maakt, lenen de deelklachten zich voor gezamenlijke bespreking.



De bespreking van het tweede middel

35. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, als gebruiker van het EncroChat-account [O] heeft gesproken over prijzen en samples van ketamine, over de in- en verkoop, levering, prijs en afname van ketamine en dat daarna de handel daarin daadwerkelijk plaatsvond. Het leidt in het bijzonder uit de bewijsmiddelen af dat in de chatgesprekken afspraken voor het overdragen van ketamine worden gemaakt tussen de verdachte en EncroChat-account [F] . Het hof acht hoeveelheden van 13 kilogram, 30 kilogram, 20 kilogram, 5 kilogram en 1 kilogram bewezen. Gelet op deze hoeveelheden oordeelt het hof dat sprake was van een groothandel in ketamine.

36. De definitie van ‘groothandel in geneesmiddelen’ die is opgenomen in richtlijn 2001/83/EG houdt in “iedere activiteit die erin bestaat geneesmiddelen aan te schaffen, te houden, te leveren of uit te voeren, uitgezonderd het verstrekken van geneesmiddelen aan het publiek”. In de memorie van toelichting bij de Geneesmiddelenwet is daarover opgemerkt dat die definitie “er vanuit [gaat] dat een groothandelaar door anderen bereide of ingevoerde geneesmiddelen inkoopt, opslaat en distribueert”. Dat heeft in de wet geleid tot de volgende definitie van ‘het drijven van een groothandel’: “een of meer activiteiten binnen het geheel van groothandelen, zoals het inkopen, in voorraad hebben, afleveren of uitvoeren van door derden bereide of ingevoerde geneesmiddelen of werkzame stoffen”. Het voorgaande betekent dat één van de genoemde activiteiten al voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van ‘het drijven van een groothandel’.

37. Daarnaast heeft het hof niet vastgesteld dat de verdachte enkel hoeveelheden ketamine afgeleverd heeft gekregen, maar heeft het hof tevens vastgesteld dat de verdachte heeft gecommuniceerd over de in- en verkoop en de prijzen van ketamine en dat “de handel” – waarin naar mijn mening als niet onbegrijpelijke gevolgtrekking van het hof besloten ligt dat de verdachte heeft betaald voor de afgeleverde ketamine en deze dus heeft ‘ingekocht’ – in ketamine daadwerkelijk plaatsvond. De bewijsvoering bevat geen vaststellingen over andere groothandelsactiviteiten die de verdachte na ‘inkopen’ van de ketamine ten aanzien van die ketamine heeft verricht, al ligt in de vaststellingen van het hof dat de handel daadwerkelijk plaatsvond en dat er afspraken zijn gemaakt voor het afleveren van 69 kilogram ketamine, mijns inziens, ook besloten dat de verdachte deze ketamine daarna ten minste ‘in voorraad’ heeft gehad. Maar ook als het hof op grond van de enkele vaststelling dat de verdachte 69 kilogram ketamine heeft ingekocht, bewezen heeft verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ‘drijven van een groothandel’ in ketamine, getuigt dat oordeel gelet op het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting.

38. Het middel faalt.



De klachten van het derde middel


39. Het middel bevat twee deelklachten. Aangevoerd wordt dat de bewezenverklaring van feit niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd nu uit de bewijsmiddelen niet méér volgt dan dat de verdachte een vijftal keer hoeveelheden ketamine afgeleverd heeft gekregen en dit niet (zonder meer) voldoende is om een bewezenverklaring van 'het drijven van een groothandel in werkzame stoffen' als bedoeld in artikel 38 Geneesmiddelenwet op te leveren. Daarnaast wordt aangevoerd dat in ieder geval niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd dat de verdachte ook in de periode van 28 maart 2020 tot en met 2 mei 2020 in ketamine een groothandel heeft gedreven.




De bespreking van het derde middel



Bewezenverklaring ‘drijven van een groothandel’



40. De eerste deelklacht van het middel borduurt voort op het tweede middel. Ook deze deelklacht berust grotendeels op de opvatting dat de gedragingen van de verdachte, die volgens de steller van het middel niet méér inhielden dan “het enkel een aantal keer afgeleverd krijgen/in ontvangst nemen van (grotere) hoeveelheden ketamine” onvoldoende zijn voor een bewezenverklaring van het ‘drijven van een groothandel’ als bedoeld in artikel 38 Geneesmiddelenwet. Gelet op mijn conclusie ten aanzien van het tweede middel faalt ook deze klacht. De omstandigheid dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen doet hieraan niet af. Uit de vaststellingen van het hof blijkt immers dat de verdachte de ketamine (zelfstandig) heeft ingekocht van EncroChat-account [F] , niet samen met hem heeft ingekocht. Het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte het feit niet tezamen en in vereniging met [F] (of anderen) heeft gepleegd, is dan ook niet onbegrijpelijk.



Bewezen verklaarde periode



41. De tweede deelklacht berust op de omstandigheid dat het hof specifieke vaststellingen heeft gedaan ten aanzien van (geleverde) hoeveelheden van 13 kilogram, 30 kilogram, 20 kilogram, 5 kilogram en 1 kilogram, waarbij de eerste levering volgens het hof zou hebben plaatsgevonden op 3 mei 2020. Volgens de steller van het middel volgt uit de bewijsvoering niet dat de verdachte in de periode daarvóór zelfstandig alle uitvoeringshandelingen heeft verricht op basis waarvan bewezen zou kunnen worden verklaard dat hij een groothandel in ketamine heeft gedreven.

42. Het hof heeft ten aanzien van de periode vanaf 28 maart 2020 (en vóór 3 mei 2020) overwogen dat de in de bewijsmiddelen opgenomen berichten vanaf 28 maart 2020 duiden op de betrokkenheid van de verdachte in de groothandel in ketamine. Het hof wijst daarbij in het bijzonder op een bericht van 28 maart 2020 over de mogelijke verkoop van “Fijne suiker” en op een bericht van 1 april 2020 waarin [O] (de verdachte) aangeeft dat hij twee klanten heeft die 130 respectievelijk 100 kilogram willen en de verdachte zegt “Gelijk morgen ophalen aub”. Op grond van deze en andere berichten “bezien in het licht van de latere leveringen van ketamine” acht het hof ook de periode vanaf 28 maart 2020 bewezen.

43. In deze zaak kan uit de overwegingen van het hof worden afgeleid dat het van oordeel is dat de verdachte zich gedurende de gehele bewezen verklaarde periode schuldig heeft gemaakt aan het ‘drijven van een groothandel’. Ik heb mij daarbij afgevraagd of in de overwegingen van het hof besloten ligt dat er naar het oordeel van het hof ook vóór 3 mei 2020 leveringen van ketamine aan de verdachte hebben plaatsgevonden. Gelet op de overweging dat “de hoeveelheden van 13 kilogram, 30 kilogram, 20 kilogram, 5 kilogram en 1 kilogram kunnen worden bewezen” – waarbij niet wordt opgemerkt dat ‘in ieder geval’ die hoeveelheden kunnen worden bewezen – en de omstandigheid dat het hof bij de strafoplegging heeft overwogen dat de verdachte “zich schuldig [heeft] gemaakt aan het opzettelijk drijven van een groothandel in ketamine (69 kilogram)”, heeft het hof kennelijk echter niet geoordeeld dat de chatgesprekken vóór 3 mei 2020 ook tot daadwerkelijke inkopen van ketamine door de verdachte hebben geleid. Dat brengt mijns inziens echter niet met zich dat de bewezenverklaring dat de verdachte in de periode van 28 maart 2020 tot en met 29 mei 2020 opzettelijk zonder registratie in ketamine een groothandel heeft gedreven, ontoereikend is gemotiveerd. Immers begrijp ik de overwegingen van het hof zo dat de verdachte in de periode van 28 maart 2020 tot 2 mei 2020 al handelingen heeft verricht die gericht waren op het inkopen (en in voorraad krijgen) van ketamine, hetgeen later heeft geleid tot voltooide inkopen van ketamine. Ik wijs er bovendien op dat de bewezenverklaring van een periode niet (automatisch) betekent dat het hof van oordeel is geweest dat de verdachte gedurende die gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht.

44. Overigens merk ik op dat de aard en ernst van wat is bewezen verklaard ook niet worden aangetast indien zou worden uitgegaan van een kortere bewezen verklaarde periode, terwijl uit de overwegingen van het hof ten aanzien van de strafoplegging niet blijkt dat het in het bijzonder de duur van de bewezen verklaarde periode in het nadeel van de verdachte heeft betrokken bij de hoogte van de op te leggen straf. Ook daarom kan deze deelklacht niet tot cassatie leiden.

45. Het middel faalt.



De klacht van het vierde middel


46. Het middel bevat de klacht dat het hof het bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan, omdat het bestanddeel ‘werkzame stof(fen)’ niet bewezen is verklaard.




De bespreking van het vierde middel

47. Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat hij “opzettelijk zonder registratie een (grote) hoeveelheid ketamine (in elk geval 13 kilogram en/of 30 kilogram en/of 20 kilogram en/of 5 kilogram en/of 1 kilogram en/of 5 kilogram), in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad en/of te koop aangeboden en/of afgeleverd, dan wel in voornoemde werkzame stof een groothandel heeft gedreven”. Het hof heeft daarvan bewezen verklaard dat de verdachte “opzettelijk zonder registratie in ketamine een groothandel heeft gedreven”.

48. De wet schrijft niet voor dat de officier van justitie het ten laste gelegde feit zozeer toespitst op de desbetreffende strafbepaling dat hij de omschrijving daarvan inkleedt in wettelijke termen. Het is aan de rechter bij de kwalificatiebeslissing de feitelijke weergave in de tenlastelegging, voor zover bewezen verklaard, te vertalen in de door de wetgever daaraan toegekende naam van het delict of in de wettelijke termen waarin het is gesteld. De enkele omstandigheid dat in de tenlastelegging en de bewezenverklaring niet alle bestanddelen letterlijk zijn weergegeven, behoeft dus aan kwalificatie niet in de weg te staan.

49. Het hof heeft de tenlastelegging kennelijk zo verstaan dat ketamine een verfeitelijking is van het bestanddeel ‘werkzame stof’, als bedoeld in artikel 38 Geneesmiddelenwet. In aanmerking genomen dat de tenlastelegging na het woord ‘ketamine’ en de verfeitelijking van de hoeveelheden waarop het handelen van de verdachte betrekking zou hebben gehad, bovendien de woorden ‘in elk geval een werkzame stof’ vermeldt, is die uitleg allerminst onbegrijpelijk. Daarmee ligt in de bewezenverklaring besloten dat de verdachte een groothandel heeft gedreven in een ‘werkzame stof’ en vindt de kwalificatie haar grondslag in het bewezen verklaarde.

50. Het middel faalt.



De klacht van het vijfde middel: de strafoplegging


51. Het middel bevat de klacht dat de door het hof opgelegde straf, gezien de door de rechtbank opgelegde straf en in hoger beroep door het Openbaar Ministerie geëiste straf, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat de strafoplegging, gelet op de mate waarin is afgeweken van de door de rechtbank opgelegde straf en door de advocaat-generaal gevorderde straf, zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid, onbegrijpelijk is.




De bespreking van het vijfde middel

52. De verdachte is in eerste aanleg voor dezelfde feiten (in dezelfde pleegperiodes) als in hoger beroep veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank overwoog daartoe het volgende:


“Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.




In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.





De verdachte heeft twee maanden lang opzettelijk een groothandel in ketamine gedreven, zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. De verdachte heeft aanzienlijke handelshoeveelheden ketamine verkregen. Gelet op de frequentie van leveringen moet sprake zijn geweest van een behoorlijk intensieve handel. Ketamine wordt (mede) gebruikt als partydrug en is bij langdurig gebruik schadelijk voor de gezondheid. Bij langdurig frequent gebruik kan een aantal cognitieve functies achteruit gaan en kunnen problemen aan de urinewegen optreden, met incontinentie tot gevolg, ook bij jonge mensen. De verdachte lijkt zich om deze gevolgen niet te hebben bekommerd en uitsluitend te hebben gehandeld uit winstbejag. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.





Daarnaast heeft de verdachte ruim vijf weken lang handelingen verricht ter voorbereiding van de handel in verschillende harddrugs. Hij heeft via chats in EncroChat aan anderen onder meer mededelingen gedaan over de beschikbaarheid van harddrugs, harddrugs aangeboden, en informatie over de prijs en beschikbaarheid daarvan verzonden. Uit de chats kan worden afgeleid dat de verdachte meermalen pogingen heeft gedaan om de rol van schakel tussen verkopers en kopers te vervullen. De verdachte heeft zo een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de illegale handel in harddrugs. De handel in harddrugs is niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar brengt ook criminaliteit met zich. De rol die de verdachte heeft gespeeld, wordt hem door de rechtbank ernstig kwalijk genomen. Door de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen en het daarop gestelde wettelijke strafmaximum is tot uiting gebracht dat tegen de drugshandel krachtig dient te worden opgetreden, ook indien deze zich nog in de voorbereidende fase bevindt.





Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 maart 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.





Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 2 jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.”


53. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat de verdachte zou worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank opgelegd.

54. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 21 maanden. Het heeft die strafoplegging als volgt gemotiveerd:



“De raadsvrouw heeft primair verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, mede gelet op de leeftijd en de gezondheid van de verdachte. In plaats daarvan is verzocht op te leggen een forse voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel gecombineerd met een taakstraf en/of een geldboete, zodat de verdachte niet gedetineerd zal raken. De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht een op te leggen onvoorwaardelijk deel van een gevangenisstraf aanzienlijk te matigen, zodat de verdachte niet ten gevolge van de detentie zijn woning en werk zal verliezen.





Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.





De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk drijven van een groothandel in ketamine (69 kilogram), zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. De stof ketamine wordt buiten de reguliere medische wereld als recreatieve drug gebruikt. Gelet op de afgeleverde hoeveelheden zal de ketamine bestemd zijn geweest voor verdere handel. Ketamine is schadelijk voor de gezondheid en kan bij langdurig frequent gebruik ernstige gevolgen voor de gebruikers hebben. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij enkel met het oog op eigen financieel gewin heeft gehandeld.





Daarnaast heeft de verdachte voorbereidingshandelingen getroffen met betrekking tot de handel in verdovende middelen door onder andere via EncroChat verschillende harddrugs aan te bieden en over deze drugs informatie zoals prijs en beschikbaarheid te verschaffen. Uit de chats kan worden afgeleid dat de verdachte meermalen pogingen heeft gedaan om de rol van schakel tussen verkopers en kopers te vervullen. De verdachte heeft op deze wijze bijgedragen aan het in stand houden van de illegale handel in verdovende middelen, hetgeen schadelijk is voor de volksgezondheid en andere vormen van criminaliteit in de hand werkt.





Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte leidt niet tot een ander oordeel.





Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.





Het hof stelt vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6. eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in hoger beroep is overschreden. Als uitgangspunt in deze zaak heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen en met een eindarrest binnen 24 maanden nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Het hof constateert dat de procedure in hoger beroep, die is aangevangen met het instellen van appel op 17 mei 2022 en is geëindigd met het arrest van dit hof op 30 januari 2025, langer heeft geduurd dan 24 maanden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met ruim acht maanden ziet het hof aanleiding tot vermindering van de straf en wordt aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden.”


55. In principe heeft de feitenrechter binnen de grenzen van de wet een grote mate van vrijheid als het gaat om het bepalen van de modaliteit en zwaarte van de op te leggen straf. Dat neemt echter niet weg dat in cassatie kan worden ingegrepen ingeval de straf zonder nadere motivering verbazing oproept, zoals in het geval dat de beroepsrechter een aanzienlijk hogere straf oplegt dan de advocaat-generaal had gevorderd of een aanzienlijk hogere straf dan in eerste aanleg.

56. De enkele omstandigheid dat een hogere straf wordt opgelegd dan in eerste aanleg opgelegd en/of in hoger beroep gevorderd, is voor ingrijpen echter onvoldoende. In een zaak waarin de Hoge Raad op 18 juni 2024 arrest wees, was de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren voor een woninginbraak. De advocaat-generaal vorderde dat de verdachte in hoger beroep tot eenzelfde straf zou worden veroordeeld. Het hof veroordeelde de verdachte echter tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee voorwaardelijk. Voor a-g Frielink was dit reden om te concluderen dat de strafmotivering tekortschoot in het licht van artikel 359 lid 5 en lid 6 Sv. De Hoge Raad oordeelde echter anders. Ik acht daarbij wel van belang te vermelden dat het hof expliciet had overwogen dat de LOVS-oriëntatiepunten bij een woninginbraak (zonder recidive) uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, dat de woninginbraak in vereniging en met toepassing van geweld tegen twee verbalisanten was gepleegd en dat letselschade was ontstaan bij één van de verbalisanten. De Hoge Raad wees er daarnaast op dat het hof had overwogen dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk zou worden opgelegd nu de verdachte zijn leven weer redelijk op de rit leek te hebben en plannen had voor zijn (vervolg)carrière en dat het hof artikel 63 Sr had aangehaald, waaruit bleek dat het hof acht had geslagen op de omstandigheid dat de verdachte eerder was veroordeeld voor gekwalificeerde diefstal en daarbij was veroordeeld tot een taakstraf.

57. In de thans voorliggende zaak kan in de overwegingen van het hof aanzienlijk minder goed ontwaard worden waarom het hof een drie maanden hogere en bovendien geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, waarbij het hof zelfs overwoog in beginsel – zonder overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep – een gevangenisstraf van 24 maanden passend te achten. Het hof heeft, naast overwegingen over de ernst van de feiten die niet wijzen op een noemenswaardig andere beoordeling van de strafwaardigheid van de bewezen verklaarde feiten, slechts overwogen dat “gelet op de aard en de ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.”

58. Desondanks meen ik dat het middel faalt. Het verschil in hoogte van de opgelegde gevangenisstraf is niet dermate hoog dat het hof daarmee zijn straftoemetingsvrijheid te buiten gaat. Daarbij hou ik er rekening mee dat de feitenrechter, gelet op de veelheid aan factoren die van belang kunnen zijn voor de strafsoort en de hoogte van de straf, slechts tot op zekere hoogte inzicht kan verschaffen in de afwegingen die ten grondslag liggen aan de strafoplegging.



Afronding

59. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

60. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

61. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.


De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden



AG



Dit artikel luidt aldus sinds de inwerkingtreding van de Wet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen en de Geneesmiddelenwet in verband met de uitvoering van verordening 536/2014 op het gebied van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik, Stb. 2017, 147, op 31 januari 2022. De weergegeven onderdelen van dit artikel waren ten tijde van het bewezen verklaarde gelijkluidend.



Stb. 2018, 715, in werking getreden op 1 januari 2019.



Kamerstukken II 2016/17, 34 694, nr. 3, p. 4 en 6.



Stb. 2013, 505.



Stb. 2013, 407.



Kamerstukken II 2012/13, 33 599, nr. 3, p. 2-6, 9, 11 en 14.


Wet van 8 februari 2007 tot vaststelling van een nieuwe Geneesmiddelenwet, Stb. 2007, 93



Kamerstukken II 2003/04, 29 359, nr. 3, p. 24-25 en 38.


HvJ EU 10 juli 2014, C-358/13 en C-181/14 (Markus D. en G.), ECLI:EU:C:2014:2060.


Zie de conclusie van a-g Vegter van 1 december 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2655, randnummer 11-13, voorafgaand aan HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:218.


Zie HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:218, rov. 2.4-2.5.


Vgl. HvJ 24 maart 2026, nr. C-767/23 (Remling), ECLI:EU:C:2026:243, en HvJ 6 oktober 1982, nr. C-283/81 (Cilfit).


Rechtbank Den Haag 13 mei 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:5622.


Zie bijv. rechtbank Noord-Holland 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:10255; gerechtshof Amsterdam 8 september 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2417, en rechtbank Oost-Brabant 25 oktober 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5185.


HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1125, NJ 2018/344, rov. 2.4.2: “Geen rechtsregel dwingt de rechter ertoe een algemeen bekend gegeven bij het onderzoek op de terechtzitting ter sprake te brengen. Indien echter niet zonder meer duidelijk is of het gaat om een algemeen bekend gegeven, behoort de rechter dat gegeven aan de orde te stellen bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting. Aldus wordt voorkomen dat hij zijn beslissing doet steunen op mededelingen of waarnemingen die hem buiten het geding ter kennis zijn gekomen en waarvan de overige bij het geding betrokkenen onkundig zijn gebleven, zodat zij niet in staat zijn geweest zich daarover uit te laten. Indien bij dat onderzoek op de terechtzitting vervolgens het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt wordt ingenomen dat en waarom het gegeven niet van algemene bekendheid is, zal de rechter in geval van afwijking van dat standpunt in zijn uitspraak op de voet van art. 359, tweede lid, Sv de redenen dienen op te geven die daartoe hebben geleid.” Zie ook: HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, NJ 2011/116 m.nt. Mevis (A.C.A.B.), rov. 2.3.3; HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:968. Zie verder: Melai/Groenhuijsen e.a. (red.), Wetboek van Strafvordering (losbladig commentaar), art. 339 Sv, aant. 5, waarin wordt verwezen naar HR 21 mei 1957, NJ 1957/481 m.nt. B.V.A.R., HR 19 april 1977, NJ 1978/197, en HR 14 december 1991, DD 92.177.


Melai/Groenhuijsen e.a. (red.), Wetboek van Strafvordering (losbladig commentaar), art. 339 Sv, aant. 5, waarin wordt verwezen naar HR 11 maart 1986, DD 86.326, HR 17 februari 1987, NJ 1987/769, HR 21 juni 1983, NJ 1984/24, en HR 21 mei 1991, DD 91.318.


Vgl. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, NJ 2011/116 m.nt. Mevis (A.C.A.B.); HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9978, NJ 2012/558.


HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, NJ 2016/249, rov. 2.4. Zie ook HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:44.


Zie https://www.cbg-meb.nl/. In de Geneesmiddelendatabank gaat het om de werkzame stof ‘Esketaminehydrochloride’. ‘Esketamine’ of ‘S-Ketamine’ zijn (handels)namen voor dezelfde stof. Zie de twee volgende voetnoten.


Zie het risico-inschattingsrapport van januari 2001 en de risicobeoordeling d.d. 16 juli 2026 van het RIVM.


Zie https://www.rivm.nl/sites/default/files/2025-07/Quickscan-ketamine.pdf.


HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2022:AE3728, rov. 3.4.


Vgl. o.m. HR 28 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:769


HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126, rov. 6.2.4.


Zie bijv. HR 29 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1736, NJ 2008/95 m.nt. Reijntjes; HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7497, en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:381. Zie meer algemeen: C.M. Pelser, De naam van het feit. Over de kwalificatiebeslissing in strafzaken (diss. Leiden), Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 43 e.v.


Zie HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, rov. 3.4-3.5.3, HR 19 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1472, rov.2.3.2, en HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:900, rov. 2.3.2-2.3.5.


HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479; HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313, en HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6965.


Vgl. HR 8 juni 1982, NJ 1983/237 (dezelfde straf opgelegd in hoger beroep voor een aanzienlijk minder zwaar feit, namelijk poging tot moord in plaats van medeplegen van moord, hetgeen dus in feite een veel zwaardere strafoplegging inhoudt).


HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:900, rov. 2.4.1.


HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:900, rov. 2.3.2.