Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:1268
2016-06-24
Bestuursrecht; Belastingrecht
15/02345
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2016:1268 → ECLI:NL:GHDHA:2015:1540 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Inhoudsindicatie
16 AWR, navordering, kwader trouw, 27e AWR, vereiste aangifte niet gedaan, omkering en verzwaring van de bewijslast, 67e AWR, vergrijpboete, opzet
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2013:971 Hoge Raad 25-10-2013
- ECLI:NL:HR:2003:AL6161 Hoge Raad 23-12-2003
- ECLI:NL:HR:2006:AZ4416 Hoge Raad 15-12-2006
Geciteerd door (57)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2462 Gerechtshof Den Haag 05-08-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1438 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1221 Gerechtshof Amsterdam 14-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2052 Rechtbank Gelderland 11-03-2026
- ECLI:NL:OGEAC:2026:2 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 05-01-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15830 Rechtbank Noord-Holland 02-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:3019 Gerechtshof Den Haag 29-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6473 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6474 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6475 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6472 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:697 Parket bij de Hoge Raad 20-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2284 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-04-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14221 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14223 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14222 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14220 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:OGHACMB:2024:264 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 19-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:13861 Rechtbank Noord-Holland 19-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2866 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-09-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5852 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-08-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2224 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2453 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7985 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7984 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-11-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:11258 Rechtbank Noord-Holland 18-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:7016 Rechtbank Den Haag 14-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:79 Parket bij de Hoge Raad 28-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1244 Parket bij de Hoge Raad 28-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1102 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1102 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:210 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-01-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2740 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-09-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1330 Gerechtshof Den Haag 21-07-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:287 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2020
- ECLI:NL:OGEAC:2020:55 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 19-03-2020
- ECLI:NL:OGEAC:2020:55 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 19-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:421 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-02-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:132 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-01-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3311 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-09-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2219 Gerechtshof Den Haag 19-06-2019
- ECLI:NL:OGEAA:2019:286 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 17-05-2019
- ECLI:NL:OGEAC:2019:75 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 08-04-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2018:5162 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1346 Parket bij de Hoge Raad 15-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1289 Parket bij de Hoge Raad 15-11-2018
- ECLI:NL:OGEAM:2018:119 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 07-11-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2017:4902 Rechtbank Gelderland 25-09-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2017:4902 Rechtbank Gelderland 25-09-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:7884 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-09-2017
- ECLI:NL:RBNHO:2017:5940 Rechtbank Noord-Holland 19-07-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1638 Gerechtshof Den Haag 31-05-2017
- ECLI:NL:RBNNE:2017:1228 Rechtbank Noord-Nederland 04-04-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2016:8471 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-12-2016
- ECLI:NL:RBNHO:2016:10315 Rechtbank Noord-Holland 16-11-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2016:4370 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-09-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2016:4311 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-07-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (5.662 tekens)
24 juni 2016
nr. 15/02345
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 april 2015, nrs. BK-14/01482 en BK-14/01483, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 14/3936 en SGR 14/3937) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2009 opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven boetebeschikkingen en beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.1. Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende geen gevolg heeft gegeven aan zijn verplichting tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2009. Aan dit oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat belanghebbende, blijkens tot de gedingstukken behorende brieven, gedagtekend 27 augustus 2010 en 8 oktober 2010, is herinnerd respectievelijk aangemaand tot het doen van aangifte, dat die brieven zijn verzonden naar het adres [c-straat 1] te [Z], en dat de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van het Hof heeft verklaard dat belanghebbende ten tijde van de verzending van deze brieven op voormeld adres in de GBA stond ingeschreven. Vervolgens heeft het Hof overwogen dat genoemde omstandigheden het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de brieven met dagtekening 27 augustus 2010 en 8 oktober 2010 op het adres van belanghebbende rechtvaardigen en dat belanghebbende niet erin is geslaagd het vermoeden te ontzenuwen.
2.1.2. Het eerste middel komt op tegen het in 2.1.1 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat belanghebbende in beroep en hoger beroep heeft betwist de uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte te hebben ontvangen en dat de Inspecteur met het enkel overleggen van niet getekende afschriften van de herinnering en aanmaning zijn stelling dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte onvoldoende heeft onderbouwd.
2.2.1. Op grond van artikel 27e in samenhang met artikel 27h, lid 2, AWR, dient het hoger beroep, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, ongegrond te worden verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.
2.2.2. Van het niet doen van de vereiste aangifte in de hiervoor bedoelde zin kan alleen sprake zijn indien de inspecteur de betrokkene heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (vgl. HR 25 oktober 2013, nr. 12/00287, ECLI:NL:HR:2013:971, BNB 2013/252 en HR 23 december 2003, nr. 00158/03, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, BNB 2004/180). Het ligt op de weg van de inspecteur aannemelijk te maken dat de uitnodiging tot het doen van aangifte op het adres van de belanghebbende is ontvangen of aangeboden dan wel de belanghebbende anderszins heeft bereikt, waarbij de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending van de uitnodiging naar het juiste adres (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112).
2.2.3. Uit het onder 2.1.1 weergegeven oordeel volgt niet dat het Hof heeft vastgesteld dat de uitnodiging naar het juiste adres is verzonden, maar slechts dat het Hof ten aanzien van de herinnering en de aanmaning aannemelijk heeft geacht dat deze op het adres van belanghebbende zijn ontvangen of aangeboden. Dat is echter onvoldoende om te kunnen aannemen dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte. ’s Hofs oordeel dat belanghebbende geen gevolg heeft gegeven aan zijn verplichting tot het doen van aangifte en de daaraan verbonden conclusie dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, geeft derhalve ofwel blijk van een miskenning van hetgeen hiervoor in onderdeel 2.2.2 is overwogen, ofwel behoefde nadere motivering, die echter ontbreekt.
2.2.4. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige middelen behoeven geen behandeling.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1984 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016.
nr. 15/02345
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 april 2015, nrs. BK-14/01482 en BK-14/01483, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 14/3936 en SGR 14/3937) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2009 opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven boetebeschikkingen en beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.1. Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende geen gevolg heeft gegeven aan zijn verplichting tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2009. Aan dit oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat belanghebbende, blijkens tot de gedingstukken behorende brieven, gedagtekend 27 augustus 2010 en 8 oktober 2010, is herinnerd respectievelijk aangemaand tot het doen van aangifte, dat die brieven zijn verzonden naar het adres [c-straat 1] te [Z], en dat de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van het Hof heeft verklaard dat belanghebbende ten tijde van de verzending van deze brieven op voormeld adres in de GBA stond ingeschreven. Vervolgens heeft het Hof overwogen dat genoemde omstandigheden het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de brieven met dagtekening 27 augustus 2010 en 8 oktober 2010 op het adres van belanghebbende rechtvaardigen en dat belanghebbende niet erin is geslaagd het vermoeden te ontzenuwen.
2.1.2. Het eerste middel komt op tegen het in 2.1.1 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat belanghebbende in beroep en hoger beroep heeft betwist de uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte te hebben ontvangen en dat de Inspecteur met het enkel overleggen van niet getekende afschriften van de herinnering en aanmaning zijn stelling dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte onvoldoende heeft onderbouwd.
2.2.1. Op grond van artikel 27e in samenhang met artikel 27h, lid 2, AWR, dient het hoger beroep, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, ongegrond te worden verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.
2.2.2. Van het niet doen van de vereiste aangifte in de hiervoor bedoelde zin kan alleen sprake zijn indien de inspecteur de betrokkene heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (vgl. HR 25 oktober 2013, nr. 12/00287, ECLI:NL:HR:2013:971, BNB 2013/252 en HR 23 december 2003, nr. 00158/03, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, BNB 2004/180). Het ligt op de weg van de inspecteur aannemelijk te maken dat de uitnodiging tot het doen van aangifte op het adres van de belanghebbende is ontvangen of aangeboden dan wel de belanghebbende anderszins heeft bereikt, waarbij de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending van de uitnodiging naar het juiste adres (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112).
2.2.3. Uit het onder 2.1.1 weergegeven oordeel volgt niet dat het Hof heeft vastgesteld dat de uitnodiging naar het juiste adres is verzonden, maar slechts dat het Hof ten aanzien van de herinnering en de aanmaning aannemelijk heeft geacht dat deze op het adres van belanghebbende zijn ontvangen of aangeboden. Dat is echter onvoldoende om te kunnen aannemen dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte. ’s Hofs oordeel dat belanghebbende geen gevolg heeft gegeven aan zijn verplichting tot het doen van aangifte en de daaraan verbonden conclusie dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, geeft derhalve ofwel blijk van een miskenning van hetgeen hiervoor in onderdeel 2.2.2 is overwogen, ofwel behoefde nadere motivering, die echter ontbreekt.
2.2.4. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige middelen behoeven geen behandeling.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1984 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016.