Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:114
2016-01-29
Bestuursrecht; Belastingrecht
15/02441
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2016:114 → ECLI:NL:GHAMS:2015:2358 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Artikel 6:22, artikel 7:2 en artikel 8:72, lid 3 Awb; schending hoorplicht.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2003:AF7495 Hoge Raad 18-04-2003
Geciteerd door (97)
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4808 Rechtbank Oost-Brabant 09-07-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4807 Rechtbank Oost-Brabant 09-07-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4811 Rechtbank Oost-Brabant 09-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6046 Rechtbank Midden-Nederland 08-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6049 Rechtbank Midden-Nederland 08-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3123 Rechtbank Midden-Nederland 20-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 Gerechtshof Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 Gerechtshof Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 Gerechtshof Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3785 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3783 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3784 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-05-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1419 Rechtbank Noord-Nederland 16-04-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1417 Rechtbank Noord-Nederland 16-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1765 Rechtbank Midden-Nederland 20-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:680 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2395 Gerechtshof Den Haag 18-11-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:1726 Rechtbank Oost-Brabant 28-03-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:730 Rechtbank Oost-Brabant 13-02-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2024:245 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 29-11-2024
- ECLI:NL:OGHACMB:2024:244 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 29-11-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:6318 Rechtbank Amsterdam 16-10-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:3540 Rechtbank Oost-Brabant 01-08-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2041 Gerechtshof Amsterdam 28-05-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:1774 Rechtbank Oost-Brabant 02-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1325 Gerechtshof Amsterdam 25-04-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1327 Gerechtshof Amsterdam 14-03-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3196 Gerechtshof Amsterdam 14-09-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:9466 Rechtbank Rotterdam 06-09-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5916 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-07-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:2875 Rechtbank Noord-Holland 30-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5999 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-10-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3303 Rechtbank Noord-Nederland 08-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:6292 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-07-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:489 Rechtbank Noord-Nederland 02-03-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:490 Rechtbank Noord-Nederland 02-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:11118 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:11117 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-11-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:5341 Rechtbank Gelderland 06-10-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4754 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7246 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1677 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4148 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1011 Hoge Raad 05-06-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1526 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-04-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:642 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-02-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2019:6605 Rechtbank Oost-Brabant 14-11-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2999 Gerechtshof Amsterdam 13-08-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:547 Gerechtshof Den Haag 20-02-2019
- ECLI:NL:HR:2018:2306 Hoge Raad 14-12-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:10448 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-12-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3643 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-08-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2858 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-07-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:1617 Rechtbank Gelderland 11-04-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:981 Gerechtshof Amsterdam 22-03-2018
- ECLI:NL:RBROT:2018:7357 Rechtbank Rotterdam 16-02-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3519 Gerechtshof Amsterdam 23-01-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3796 Gerechtshof Den Haag 19-12-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:9009 Rechtbank Amsterdam 07-12-2017
- ECLI:NL:RBLIM:2017:9775 Rechtbank Limburg 29-09-2017
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.731 tekens)
29 januari 2016
nr. 15/02441
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2015, nr. 14/00365, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 13/4794) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de klacht
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor vermelde beschikking en aanslag bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift heeft hij verzocht te worden gehoord.
2.1.2.
De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan zonder belanghebbende te hebben gehoord. Bij de uitspraak op bezwaar is de heffingsambtenaar gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het standpunt van belanghebbende. Voorts is daarbij een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand verleend.
2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de schending van de hoorplicht in dit geval een gebrek in de naleving van de vormvoorschriften betreft, waardoor belanghebbende niet is benadeeld. Daarbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat de heffingsambtenaar bij de verlaging van de waarde van de woning rekening heeft gehouden met de in bezwaar naar voren gebrachte grieven en dat belanghebbende niet heeft gesteld hoe hij door het achterwege blijven van een hoorzitting in zijn belangen is geschaad. De Rechtbank heeft de door de heffingsambtenaar nader vastgestelde waarde van de woning in stand gelaten.
De Rechtbank heeft in het vormverzuim geen aanleiding gezien om de uitspraak op bezwaar te vernietigen of een proceskostenvergoeding toe te kennen. Wel heeft de Rechtbank bepaald dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed.
2.3.1.
Voor het Hof heeft belanghebbende gewezen op de toepassing van artikel 6:22 Awb, doch daaraan toegevoegd dat hij door het niet-horen in zijn belangen is geschaad, waardoor aan dit verzuim niet zomaar voorbij kan worden gegaan.
2.3.2.
Het Hof heeft evenals de Rechtbank geoordeeld dat de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb is geschonden. Omdat belanghebbende in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar het bestuursorgaan, heeft het Hof zelf in de zaak voorzien, het hoger beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat geen termen aanwezig zijn voor een veroordeling in de proceskosten.
2.4.
Tegen het in onderdeel 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof richt zich de klacht.
2.5.
De Rechtbank heeft de door haar geconstateerde schending van artikel 7:2 Awb kennelijk met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd.
Naar uit de gedingstukken volgt verschilden de heffingsambtenaar en belanghebbende van mening omtrent de van belang zijnde feiten en omtrent de waardering daarvan bij de vaststelling van de waarde van de woning en is de heffingsambtenaar niet volledig aan belanghebbendes grieven tegemoetgekomen. In zodanig geval kan niet worden gezegd dat belanghebbende niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. Dat brengt mee dat de uitspraak op het bezwaar niet in stand kan worden gelaten met toepassing van artikel 6:22 Awb (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37790, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, BNB 2003/267).
2.6.
Aangezien belanghebbende heeft verzocht om terugwijzing achterwege te laten, heeft het Hof zelf in de zaak voorzien. ’s Hofs beslissing dat de bij de uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde niet te hoog is, is in cassatie niet bestreden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen, had het Hof voor dat geval wegens de schending van de hoorplicht de uitspraak op bezwaar moeten vernietigen onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand blijven. Het Hof had in verband daarmee een vergoeding van proceskosten moeten toekennen. De klacht slaagt derhalve.
2.7.
Gelet op hetgeen onder 2.6 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank, behoudens het oordeel dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt,
vernietigt de uitspraak op bezwaar en bepaalt dat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand blijven,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en gelast dat de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 122,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.
nr. 15/02441
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2015, nr. 14/00365, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 13/4794) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de klacht
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor vermelde beschikking en aanslag bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift heeft hij verzocht te worden gehoord.
2.1.2.
De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan zonder belanghebbende te hebben gehoord. Bij de uitspraak op bezwaar is de heffingsambtenaar gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het standpunt van belanghebbende. Voorts is daarbij een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand verleend.
2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de schending van de hoorplicht in dit geval een gebrek in de naleving van de vormvoorschriften betreft, waardoor belanghebbende niet is benadeeld. Daarbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat de heffingsambtenaar bij de verlaging van de waarde van de woning rekening heeft gehouden met de in bezwaar naar voren gebrachte grieven en dat belanghebbende niet heeft gesteld hoe hij door het achterwege blijven van een hoorzitting in zijn belangen is geschaad. De Rechtbank heeft de door de heffingsambtenaar nader vastgestelde waarde van de woning in stand gelaten.
De Rechtbank heeft in het vormverzuim geen aanleiding gezien om de uitspraak op bezwaar te vernietigen of een proceskostenvergoeding toe te kennen. Wel heeft de Rechtbank bepaald dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed.
2.3.1.
Voor het Hof heeft belanghebbende gewezen op de toepassing van artikel 6:22 Awb, doch daaraan toegevoegd dat hij door het niet-horen in zijn belangen is geschaad, waardoor aan dit verzuim niet zomaar voorbij kan worden gegaan.
2.3.2.
Het Hof heeft evenals de Rechtbank geoordeeld dat de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb is geschonden. Omdat belanghebbende in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar het bestuursorgaan, heeft het Hof zelf in de zaak voorzien, het hoger beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat geen termen aanwezig zijn voor een veroordeling in de proceskosten.
2.4.
Tegen het in onderdeel 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof richt zich de klacht.
2.5.
De Rechtbank heeft de door haar geconstateerde schending van artikel 7:2 Awb kennelijk met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd.
Naar uit de gedingstukken volgt verschilden de heffingsambtenaar en belanghebbende van mening omtrent de van belang zijnde feiten en omtrent de waardering daarvan bij de vaststelling van de waarde van de woning en is de heffingsambtenaar niet volledig aan belanghebbendes grieven tegemoetgekomen. In zodanig geval kan niet worden gezegd dat belanghebbende niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. Dat brengt mee dat de uitspraak op het bezwaar niet in stand kan worden gelaten met toepassing van artikel 6:22 Awb (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37790, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, BNB 2003/267).
2.6.
Aangezien belanghebbende heeft verzocht om terugwijzing achterwege te laten, heeft het Hof zelf in de zaak voorzien. ’s Hofs beslissing dat de bij de uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde niet te hoog is, is in cassatie niet bestreden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen, had het Hof voor dat geval wegens de schending van de hoorplicht de uitspraak op bezwaar moeten vernietigen onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand blijven. Het Hof had in verband daarmee een vergoeding van proceskosten moeten toekennen. De klacht slaagt derhalve.
2.7.
Gelet op hetgeen onder 2.6 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank, behoudens het oordeel dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt,
vernietigt de uitspraak op bezwaar en bepaalt dat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand blijven,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en gelast dat de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 122,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.