Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:1352
2015-05-29
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/05515
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- sprongcassatie ECLI:NL:HR:2015:1352 → ECLI:NL:RBZWB:2014:6768 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
art. 4:17 Awb; één dwangsom voor twee te laat gedane uitspraken op bezwaar (naast elkaar gelegen woningen).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (71)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5242 Rechtbank Midden-Nederland 21-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3793 Rechtbank Midden-Nederland 25-06-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1574 Rechtbank Noord-Nederland 30-04-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1573 Rechtbank Noord-Nederland 30-04-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:5133 Rechtbank Rotterdam 13-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2025:12704 Rechtbank Noord-Holland 27-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1244 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6653 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-10-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1947 Gerechtshof Amsterdam 20-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2461 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2460 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-04-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:309 Gerechtshof Den Haag 28-02-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2295 Gerechtshof Amsterdam 15-08-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2022:5607 Rechtbank Amsterdam 29-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:7916 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-09-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4090 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4089 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-07-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1548 Rechtbank Noord-Nederland 16-05-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2290 Rechtbank Gelderland 06-05-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2289 Rechtbank Gelderland 06-05-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3684 Gerechtshof Amsterdam 28-10-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:3382 Rechtbank Rotterdam 21-04-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:1765 Rechtbank Den Haag 25-02-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:1762 Rechtbank Den Haag 25-02-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2020:3387 Rechtbank Noord-Nederland 30-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9083 Rechtbank Den Haag 14-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6620 Rechtbank Noord-Holland 09-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6622 Rechtbank Noord-Holland 09-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:13800 Rechtbank Den Haag 08-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:13589 Rechtbank Den Haag 04-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:13579 Rechtbank Den Haag 03-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14806 Rechtbank Den Haag 02-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:11851 Rechtbank Den Haag 12-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:11258 Rechtbank Den Haag 11-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10758 Rechtbank Den Haag 05-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10697 Rechtbank Den Haag 04-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9458 Rechtbank Den Haag 23-07-2020
- ECLI:NL:RBMNE:2020:3107 Rechtbank Midden-Nederland 10-07-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:7216 Rechtbank Den Haag 06-07-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:2314 Rechtbank Noord-Nederland 26-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9431 Rechtbank Den Haag 25-06-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:2689 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:3483 Rechtbank Den Haag 14-04-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:1311 Rechtbank Noord-Nederland 13-03-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2019:12621 Rechtbank Den Haag 03-11-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:12621 Rechtbank Den Haag 03-11-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1981 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:1942 Rechtbank Amsterdam 12-03-2019
- ECLI:NL:GHARL:2018:7812 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-09-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:7810 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-09-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:7811 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-09-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2017:4520 Rechtbank Gelderland 31-08-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2017:4026 Rechtbank Gelderland 28-07-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:4571 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-05-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:1815 Centrale Raad van Beroep 04-05-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1784 Gerechtshof Den Haag 21-06-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1783 Gerechtshof Den Haag 21-06-2016
- ECLI:NL:RVS:2016:1675 Raad van State 15-06-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2016:3769 Rechtbank Den Haag 22-02-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2016:3770 Rechtbank Den Haag 22-02-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.465 tekens)
29 mei 2015
nr. 14/05515
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 oktober 2014, nr. AWB 14/1568 en 14/1569, betreffende de beschikking tot vaststelling van een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 Awb alsmede de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Ten name van belanghebbende zijn met dagtekening 28 februari 2013 twee in één geschrift vervatte beschikkingen in de zin van de Wet WOZ genomen voor het jaar 2013 ter zake van twee onder een kap gelegen woningen aan de [a-straat 1] en [2] te [Q].
2.1.2.
Hiertegen heeft belanghebbende met dagtekening 3 april 2013 bij twee afzonderlijke geschriften bezwaar gemaakt op de grond dat bij de waardering van de woningen te weinig rekening was gehouden met het achterstallige onderhoud en de gedateerdheid. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 12 februari 2014 bij één e‑mailbericht in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 11 maart 2014, in één geschrift vervat, uitspraken op bezwaar gedaan. Bij beschikking is aan belanghebbende éénmaal een dwangsom toegekend ten bedrage van € 280.
2.2.
In de procedure voor de Rechtbank was onder meer de hoogte van de toegekende dwangsom in geschil. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de, niet tijdig genomen, uitspraken op bezwaar zozeer samenhangende besluiten zijn dat het verbeuren van een dwangsom niet per WOZ-object afzonderlijk moet worden beoordeeld. Dat betekent dat belanghebbende slechts recht heeft op één dwangsom, aldus de Rechtbank.
2.3.
De eerste twee middelen komen op tegen het hiervoor onder 2.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank. In dit oordeel ligt besloten dat het gaat om twee aanvragen (bezwaarschriften) die gelijktijdig zijn gedaan en een zodanige samenhang vertonen dat slechts één dwangsom kan worden verbeurd. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, behoefde geen nadere motivering en is ook niet onbegrijpelijk.
2.4.
Het derde middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren C. Schaap en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2015.
nr. 14/05515
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 oktober 2014, nr. AWB 14/1568 en 14/1569, betreffende de beschikking tot vaststelling van een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 Awb alsmede de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Ten name van belanghebbende zijn met dagtekening 28 februari 2013 twee in één geschrift vervatte beschikkingen in de zin van de Wet WOZ genomen voor het jaar 2013 ter zake van twee onder een kap gelegen woningen aan de [a-straat 1] en [2] te [Q].
2.1.2.
Hiertegen heeft belanghebbende met dagtekening 3 april 2013 bij twee afzonderlijke geschriften bezwaar gemaakt op de grond dat bij de waardering van de woningen te weinig rekening was gehouden met het achterstallige onderhoud en de gedateerdheid. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 12 februari 2014 bij één e‑mailbericht in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 11 maart 2014, in één geschrift vervat, uitspraken op bezwaar gedaan. Bij beschikking is aan belanghebbende éénmaal een dwangsom toegekend ten bedrage van € 280.
2.2.
In de procedure voor de Rechtbank was onder meer de hoogte van de toegekende dwangsom in geschil. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de, niet tijdig genomen, uitspraken op bezwaar zozeer samenhangende besluiten zijn dat het verbeuren van een dwangsom niet per WOZ-object afzonderlijk moet worden beoordeeld. Dat betekent dat belanghebbende slechts recht heeft op één dwangsom, aldus de Rechtbank.
2.3.
De eerste twee middelen komen op tegen het hiervoor onder 2.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank. In dit oordeel ligt besloten dat het gaat om twee aanvragen (bezwaarschriften) die gelijktijdig zijn gedaan en een zodanige samenhang vertonen dat slechts één dwangsom kan worden verbeurd. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, behoefde geen nadere motivering en is ook niet onbegrijpelijk.
2.4.
Het derde middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren C. Schaap en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2015.