Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:3793
2026-06-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
UTR 24/2873
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Rioolheffing en afvalstoffenheffing. Dwangsom.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:219 Rechtbank Midden-Nederland 30-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:220 Rechtbank Midden-Nederland 30-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2018:7791 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-09-2018
- ECLI:NL:RBMNE:2026:297 Rechtbank Midden-Nederland 04-02-2026
- ECLI:NL:HR:2012:BX0892 Hoge Raad 13-07-2012
- ECLI:NL:HR:2015:1352 Hoge Raad 29-05-2015
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.787 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2873
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Baarn, de heffingsambtenaar
(gemachtigden: S. Quijs en J.J.J. van der Tuuk).
Procesverloop
1.1
De heffingsambtenaar heeft aan eiser op 28 januari 2023 een aanslag riool- en afvalstoffenheffing opgelegd voor het belastingjaar 2023. Eiser is tegen deze beschikking in bezwaar gegaan.
1.2
Bij brief van 12 februari 2024, ontvangen door de heffingsambtenaar op
13 februari 2024, heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld en verzocht om een dwangsom toe te kennen indien niet binnen de gestelde termijn uitspraak op bezwaar werd gedaan.
1.2
Met de uitspraak op bezwaar van 13 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 27 mei 2026. Eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Leegstand en ophaalplicht
2. Eiser stelt dat de gemeente de afvalstoffenheffing op willekeurige en discriminatoire wijze toepast door eigenaren van leegstaande panden niet in de afvalstoffenheffing te betrekken, terwijl eigenaren en gebruikers van woningen wel volledig worden aangeslagen. Eiser stelt verder dat dat de gemeente niet voldoet aan de ophaal- en inzamelplicht. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de glascontainer namelijk 250 meter van zijn woning is verwijderd.
3. De rechtbank stelt vast dat over deze twee beroepsgronden in eerdere procedures bij deze rechtbank al een oordeel is gegeven. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7 en 10 van de uitspraken van 30 januari 2026. Uit het betoog van eiser ter zitting ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Met betrekking tot de ophaalplicht ziet de rechtbank ook geen relatie tussen de stelling van eiser en in hoeverre de begroting van de gemeente daardoor niet kostendekkend zou zijn. De beroepsgronden slagen niet.
Verslag hoorgesprek
4. Eiser stelt dat de fiscale norm en procedure is dat er een verslag van de hoorzitting wordt opgesteld en dat dit verslag – voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar – aan belanghebbende moet worden voorgelegd. Door het achterwege laten van een verslag is eiser geschonden in zijn rechten, zo stelt hij. Eiser voert verder aan dat de heffingsambtenaar niet op al zijn gronden is ingegaan.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 7:7 van de Awb volgt dat van het horen een verslag wordt opgemaakt. In de parlementaire geschiedenis is aan de orde geweest dat de wet niet voorschrijft in welke vorm het verslag wordt gegoten of hoe uitgebreid het verslag moet zijn. Ook is toegelaten dat in plaats van een afzonderlijk verslag uit de beslissing op het bezwaar blijkt van wat tijdens de hoorzitting is verhandeld. De rechtbank is van oordeel dat uit de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar voldoende is ingegaan op de door eiser aangevoerde argumenten. De beroepsgrond slaagt niet.
Dwangsom
6. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar een dwangsom is verbeurd, omdat de heffingsambtenaar niet tijdig op zijn bezwaar heeft beslist.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de heffingsambtenaar tijdig in gebreke heeft gesteld en dat de heffingsambtenaar niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. In zoverre zou de heffingsambtenaar dan ook een dwangsom verschuldigd zijn. De heffingsambtenaar heeft dit tijdens de zitting ook verklaard.
8. De rechtbank stelt in deze zaak echter toch geen dwangsom vast. De rechtbank heeft met haar uitspraak van 4 februari 2026 namelijk al vastgesteld dat de heffingsambtenaar een maximale dwangsom van € 1.442,- is verschuldigd, omdat hij niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiser over de aanslag rioolheffing voor het belastingjaar 2023. De Hoge Raad heeft beslist dat voor de toepassing van
artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht sprake is van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Met betrekking tot een dwangsom geldt dat in de situatie waarin aanvragen - inclusief bezwaarschriften - (nagenoeg) gelijktijdig zijn gedaan en inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb met zich brengt dat slechts één dwangsom wordt verbeurd. De bezwaarschriften van eiser zijn een dag na elkaar ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank was er voor eiser geen noodzaak om meerdere bezwaarschriften en ingebrekestellingen tegen hetzelfde primaire besluit in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat er gezien de samenhang tussen onderhavige zaak en de eerdergenoemde zaak geen aanleiding is voor meer dan één dwangsom. Het betoog slaagt niet.
Immateriële schadevergoeding
9. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
10. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van eiser door de heffingsambtenaar op 8 februari 2023 is ontvangen. Sindsdien zijn er (afgerond) 3 jaren en 5 maanden verstreken. Uitgaande van dit tijdsverloop is de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar met (afgerond) 1 jaar en 5 maanden overschreden.
11. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan de bagatelgrens van
€ 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Als de termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, moet naar bevind van zaken worden beslist. In dit geval is de termijn met (ruim) meer dan twaalf maanden overschreden. Daar staat tegenover dat, gelet op het geringe bedrag van de naheffingsaanslag, het financiële belang van de procedure ver onder de bagatelgrens van € 1.000,- blijft. Ook uit de aard van deze zaak, de wijze van procederen (zie onderdeel 8 van deze uitspraak) en de door eiser ingenomen standpunten, is de rechtbank niet gebleken van een grote spanning en frustratie bij eiser. Daarom ziet de rechtbank ook in dit geval aanleiding om te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het verzoek wordt afgewezen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtbank Midden-Nederland 30 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:219, r.o. 7 en ECLI:NL:RBMNE:2026:220, r.o. 10.
Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7791, r.o. 4.2.
Rechtbank Midden-Nederland 4 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:297, r.o. 4.
Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0892, r.o. 3.3.
Hoge Raad 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352, r.o. 2.3.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2873
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Baarn, de heffingsambtenaar
(gemachtigden: S. Quijs en J.J.J. van der Tuuk).
Procesverloop
1.1
De heffingsambtenaar heeft aan eiser op 28 januari 2023 een aanslag riool- en afvalstoffenheffing opgelegd voor het belastingjaar 2023. Eiser is tegen deze beschikking in bezwaar gegaan.
1.2
Bij brief van 12 februari 2024, ontvangen door de heffingsambtenaar op
13 februari 2024, heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld en verzocht om een dwangsom toe te kennen indien niet binnen de gestelde termijn uitspraak op bezwaar werd gedaan.
1.2
Met de uitspraak op bezwaar van 13 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 27 mei 2026. Eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Leegstand en ophaalplicht
2. Eiser stelt dat de gemeente de afvalstoffenheffing op willekeurige en discriminatoire wijze toepast door eigenaren van leegstaande panden niet in de afvalstoffenheffing te betrekken, terwijl eigenaren en gebruikers van woningen wel volledig worden aangeslagen. Eiser stelt verder dat dat de gemeente niet voldoet aan de ophaal- en inzamelplicht. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de glascontainer namelijk 250 meter van zijn woning is verwijderd.
3. De rechtbank stelt vast dat over deze twee beroepsgronden in eerdere procedures bij deze rechtbank al een oordeel is gegeven. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7 en 10 van de uitspraken van 30 januari 2026. Uit het betoog van eiser ter zitting ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Met betrekking tot de ophaalplicht ziet de rechtbank ook geen relatie tussen de stelling van eiser en in hoeverre de begroting van de gemeente daardoor niet kostendekkend zou zijn. De beroepsgronden slagen niet.
Verslag hoorgesprek
4. Eiser stelt dat de fiscale norm en procedure is dat er een verslag van de hoorzitting wordt opgesteld en dat dit verslag – voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar – aan belanghebbende moet worden voorgelegd. Door het achterwege laten van een verslag is eiser geschonden in zijn rechten, zo stelt hij. Eiser voert verder aan dat de heffingsambtenaar niet op al zijn gronden is ingegaan.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 7:7 van de Awb volgt dat van het horen een verslag wordt opgemaakt. In de parlementaire geschiedenis is aan de orde geweest dat de wet niet voorschrijft in welke vorm het verslag wordt gegoten of hoe uitgebreid het verslag moet zijn. Ook is toegelaten dat in plaats van een afzonderlijk verslag uit de beslissing op het bezwaar blijkt van wat tijdens de hoorzitting is verhandeld. De rechtbank is van oordeel dat uit de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar voldoende is ingegaan op de door eiser aangevoerde argumenten. De beroepsgrond slaagt niet.
Dwangsom
6. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar een dwangsom is verbeurd, omdat de heffingsambtenaar niet tijdig op zijn bezwaar heeft beslist.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de heffingsambtenaar tijdig in gebreke heeft gesteld en dat de heffingsambtenaar niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. In zoverre zou de heffingsambtenaar dan ook een dwangsom verschuldigd zijn. De heffingsambtenaar heeft dit tijdens de zitting ook verklaard.
8. De rechtbank stelt in deze zaak echter toch geen dwangsom vast. De rechtbank heeft met haar uitspraak van 4 februari 2026 namelijk al vastgesteld dat de heffingsambtenaar een maximale dwangsom van € 1.442,- is verschuldigd, omdat hij niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiser over de aanslag rioolheffing voor het belastingjaar 2023. De Hoge Raad heeft beslist dat voor de toepassing van
artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht sprake is van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Met betrekking tot een dwangsom geldt dat in de situatie waarin aanvragen - inclusief bezwaarschriften - (nagenoeg) gelijktijdig zijn gedaan en inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb met zich brengt dat slechts één dwangsom wordt verbeurd. De bezwaarschriften van eiser zijn een dag na elkaar ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank was er voor eiser geen noodzaak om meerdere bezwaarschriften en ingebrekestellingen tegen hetzelfde primaire besluit in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat er gezien de samenhang tussen onderhavige zaak en de eerdergenoemde zaak geen aanleiding is voor meer dan één dwangsom. Het betoog slaagt niet.
Immateriële schadevergoeding
9. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
10. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van eiser door de heffingsambtenaar op 8 februari 2023 is ontvangen. Sindsdien zijn er (afgerond) 3 jaren en 5 maanden verstreken. Uitgaande van dit tijdsverloop is de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar met (afgerond) 1 jaar en 5 maanden overschreden.
11. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan de bagatelgrens van
€ 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Als de termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, moet naar bevind van zaken worden beslist. In dit geval is de termijn met (ruim) meer dan twaalf maanden overschreden. Daar staat tegenover dat, gelet op het geringe bedrag van de naheffingsaanslag, het financiële belang van de procedure ver onder de bagatelgrens van € 1.000,- blijft. Ook uit de aard van deze zaak, de wijze van procederen (zie onderdeel 8 van deze uitspraak) en de door eiser ingenomen standpunten, is de rechtbank niet gebleken van een grote spanning en frustratie bij eiser. Daarom ziet de rechtbank ook in dit geval aanleiding om te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het verzoek wordt afgewezen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtbank Midden-Nederland 30 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:219, r.o. 7 en ECLI:NL:RBMNE:2026:220, r.o. 10.
Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7791, r.o. 4.2.
Rechtbank Midden-Nederland 4 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:297, r.o. 4.
Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0892, r.o. 3.3.
Hoge Raad 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352, r.o. 2.3.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.