Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:445
2014-03-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
13/01494
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:445 → ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2807 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:445 → ECLI:NL:PHR:2013:1311 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 225, lid 2, Gemeentewet. Parkeerbelasting, laden en lossen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1999:AA2760 Hoge Raad 12-05-1999
Geciteerd door (70)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2581 Gerechtshof Amsterdam 25-08-2026
- ECLI:NL:HR:2026:957 Hoge Raad 19-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3271 Raad van State 02-06-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:308 Rechtbank Rotterdam 16-01-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2025:9972 Rechtbank Amsterdam 15-12-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:8020 Rechtbank Amsterdam 29-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21090 Rechtbank Den Haag 22-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6871 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6508 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:2979 Rechtbank Midden-Nederland 19-06-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:11509 Rechtbank Amsterdam 30-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17317 Rechtbank Den Haag 27-05-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:2270 Rechtbank Oost-Brabant 15-04-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:2270 Rechtbank Oost-Brabant 15-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:90 Hoge Raad 17-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8446 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1616 Gerechtshof Den Haag 11-09-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1616 Gerechtshof Den Haag 11-09-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2087 Gerechtshof Den Haag 03-09-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2087 Gerechtshof Den Haag 03-09-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:3547 Rechtbank Amsterdam 13-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9595 Rechtbank Den Haag 07-05-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:255 Gerechtshof Den Haag 15-02-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:255 Gerechtshof Den Haag 15-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8193 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-11-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10730 Rechtbank Rotterdam 16-11-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:9122 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7133 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7745 Rechtbank Rotterdam 25-08-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:6644 Rechtbank Rotterdam 24-07-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4797 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-06-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:4519 Rechtbank Rotterdam 30-05-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:4513 Rechtbank Rotterdam 30-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3024 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1783 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-03-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:2658 Rechtbank Amsterdam 16-03-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:1189 Rechtbank Gelderland 08-03-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:1190 Rechtbank Gelderland 08-03-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:1191 Rechtbank Gelderland 08-03-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:1983 Rechtbank Rotterdam 03-03-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:361 Rechtbank Rotterdam 16-01-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:205 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-01-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:73 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-01-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:7405 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-12-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5993 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5994 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-11-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2021:7503 Rechtbank Amsterdam 19-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5867 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5865 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-11-2021
- ECLI:NL:RBOBR:2021:1129 Rechtbank Oost-Brabant 15-03-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3951 Gerechtshof Amsterdam 11-08-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1878 Gerechtshof Amsterdam 30-06-2020
- ECLI:NL:RBMNE:2020:2251 Rechtbank Midden-Nederland 18-06-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2020:1066 Rechtbank Amsterdam 14-02-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3715 Gerechtshof Den Haag 17-12-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3806 Gerechtshof Den Haag 29-10-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3806 Gerechtshof Den Haag 29-10-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:3802 Rechtbank Amsterdam 28-05-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:4448 Rechtbank Amsterdam 17-05-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:857 Gerechtshof Amsterdam 26-02-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (6.128 tekens)
7 maart 2014
nr. 13/01494
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 februari 2013, nr. 12/00644, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 12/1372) betreffende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
1Het geding in feitelijke instanties
Een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting is bij uitspraak op bezwaar door de heffingsambtenaar gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 30 oktober 2013 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep.
3Beoordeling van het middel
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende heeft op 28 februari 2012 in de gemeente [Z] zijn personenauto stilgezet op een parkeerplaats gelegen voor een wasserette.
3.1.2.
Ingevolge de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Arnhem was voor parkeren op die plaats parkeerbelasting verschuldigd.
3.1.3.
Belanghebbende heeft, zonder parkeerbelasting te hebben voldaan, een zak met wasgoed met een gewicht van ongeveer 12 kilo ter reiniging afgegeven bij de wasserette.
3.1.4.
Aan belanghebbende is voor het parkeren op een plaats waar daarvoor parkeerbelasting is verschuldigd een naheffingsaanslag in die belasting opgelegd.
3.2.1.
Voor het Hof was in geschil of hier sprake is geweest van laden en lossen, zodat heffing van parkeerbelasting achterwege dient te blijven.
3.2.2.
Het Hof heeft aannemelijk geacht dat belanghebbende slechts zeer kortstondig in de wasserette aanwezig is geweest om de zak met wasgoed ter reiniging aan te bieden en af te geven. Dit staat naar het oordeel van het Hof echter niet in de weg aan de heffing van parkeerbelasting. Het bezoek van een consument aan een winkel voor het verkrijgen van een dienst, hoe kortstondig dat bezoek ook is geweest, vormt namelijk geen laden en lossen in de zin van artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet, aldus het Hof.
3.3.1.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder letter o, van de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Arnhem moet onder “parkeren” worden verstaan hetgeen daarmee wordt bedoeld in art. 225, lid 2, van de Gemeentewet. Volgens die laatste bepaling wordt, voor zover hier van belang:
“(...) onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten (...)"
3.3.2.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 1999, nr. 33286, ECLI:NL:HR:1999:AA2760, BNB 1999/257, volgt dat onder “onmiddellijk laden en lossen” dient te worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht (vgl. HR 10 juni 1975, nr. 67 757, NJ 1975/481).
3.3.3.
Indien de belanghebbende zich erop beroept dat sprake is geweest van laden en lossen, zal daarom vastgesteld moeten worden of het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk is om zaken als hiervoor in onderdeel 3.3.2 bedoeld ter plaatse in ontvangst te nemen en in het voertuig te brengen, dan wel uit het voertuig te halen en aan de geadresseerde af te geven.
3.4.
Door te oordelen als hiervoor in onderdeel 3.2.2 is weergegeven, heeft het Hof een andere en dus onjuiste maatstaf aangelegd. Het middel treft daarom doel.
3.5. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek als hiervoor bedoeld in onderdeel 3.3.3. Opmerking verdient nog dat tot de aldaar bedoelde handelingen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de afgifte of ontvangst van zaken, ook de afgifte van een ontvangstbewijs kan behoren.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof ‘s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2014.
nr. 13/01494
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 februari 2013, nr. 12/00644, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 12/1372) betreffende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
1Het geding in feitelijke instanties
Een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting is bij uitspraak op bezwaar door de heffingsambtenaar gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 30 oktober 2013 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep.
3Beoordeling van het middel
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende heeft op 28 februari 2012 in de gemeente [Z] zijn personenauto stilgezet op een parkeerplaats gelegen voor een wasserette.
3.1.2.
Ingevolge de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Arnhem was voor parkeren op die plaats parkeerbelasting verschuldigd.
3.1.3.
Belanghebbende heeft, zonder parkeerbelasting te hebben voldaan, een zak met wasgoed met een gewicht van ongeveer 12 kilo ter reiniging afgegeven bij de wasserette.
3.1.4.
Aan belanghebbende is voor het parkeren op een plaats waar daarvoor parkeerbelasting is verschuldigd een naheffingsaanslag in die belasting opgelegd.
3.2.1.
Voor het Hof was in geschil of hier sprake is geweest van laden en lossen, zodat heffing van parkeerbelasting achterwege dient te blijven.
3.2.2.
Het Hof heeft aannemelijk geacht dat belanghebbende slechts zeer kortstondig in de wasserette aanwezig is geweest om de zak met wasgoed ter reiniging aan te bieden en af te geven. Dit staat naar het oordeel van het Hof echter niet in de weg aan de heffing van parkeerbelasting. Het bezoek van een consument aan een winkel voor het verkrijgen van een dienst, hoe kortstondig dat bezoek ook is geweest, vormt namelijk geen laden en lossen in de zin van artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet, aldus het Hof.
3.3.1.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder letter o, van de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Arnhem moet onder “parkeren” worden verstaan hetgeen daarmee wordt bedoeld in art. 225, lid 2, van de Gemeentewet. Volgens die laatste bepaling wordt, voor zover hier van belang:
“(...) onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten (...)"
3.3.2.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 1999, nr. 33286, ECLI:NL:HR:1999:AA2760, BNB 1999/257, volgt dat onder “onmiddellijk laden en lossen” dient te worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht (vgl. HR 10 juni 1975, nr. 67 757, NJ 1975/481).
3.3.3.
Indien de belanghebbende zich erop beroept dat sprake is geweest van laden en lossen, zal daarom vastgesteld moeten worden of het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk is om zaken als hiervoor in onderdeel 3.3.2 bedoeld ter plaatse in ontvangst te nemen en in het voertuig te brengen, dan wel uit het voertuig te halen en aan de geadresseerde af te geven.
3.4.
Door te oordelen als hiervoor in onderdeel 3.2.2 is weergegeven, heeft het Hof een andere en dus onjuiste maatstaf aangelegd. Het middel treft daarom doel.
3.5. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek als hiervoor bedoeld in onderdeel 3.3.3. Opmerking verdient nog dat tot de aldaar bedoelde handelingen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de afgifte of ontvangst van zaken, ook de afgifte van een ontvangstbewijs kan behoren.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof ‘s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2014.