Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:11509
2025-05-30
Bestuursrecht
24/6552
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
ongegrond
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:1999:AA2760 Hoge Raad 12-05-1999
- ECLI:NL:HR:2014:445 Hoge Raad 07-03-2014
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1014 Gerechtshof Amsterdam 20-04-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.277 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6552
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Verweerder heeft op 6 augustus 2024 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 83,20.
Met een uitspraak op bezwaar van 24 september 2024 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat is vastgesteld dat eisers auto, met kenteken [kenteken] , op 1 augustus 2024 om 19.35 uur op de [adres] te Amsterdam stond geparkeerd, zonder dat daarvoor parkeergeld was betaald.
2. Eiser vindt het onterecht dat verweerder een naheffingsaanslag heeft opgelegd. Volgens hem is geen sprake geweest van parkeren. Hij voert aan dat hij alleen maar even is gestopt, is uitgestapt en snel van een vriend een parkeerkaart voor de parkeergarage verderop in ontvangst heeft genomen. Eiser stelt daarna direct te zijn ingestapt en doorgereden naar de parkeergarage.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2024 wordt onder ‘parkeren’ verstaan het gedurende een aangesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen [...]. De Verordening bepaalt niet hoeveel tijd aan het woord ‘periode’ wordt verbonden.
4.2.
Van parkeren is dus alleen geen sprake wanneer onmiddellijk personen in- en uitstappen of onmiddellijk zaken geladen of gelost worden. Volgens vaste rechtspraak wordt onder ‘onmiddellijk laden en lossen van zaken’ verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet, of bezwaarlijk, op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Zodra het laden en lossen klaar is, moet de bestuurder met de auto wegrijden of parkeerbelasting betalen. De bewijslast dat sprake was van onmiddellijk laden en lossen, rust op degene die zich op de uitzondering beroept.
4.3.
Niet in geschil is dat eiser met zijn auto stilstond in een parkeervak te hoogte van de [adres] te Amsterdam, dat dit adres is gelegen in een betaald parkeren gebied en dat eiser geen parkeerbelasting heeft betaald.
4.4.
Eiser heeft uitgesproken zich erover te verbazen dat de scanauto niet na vijf minuten nogmaals langs de reeds gecontroleerde route is gaan rijden. Op die manier had verweerder volgens eiser kunnen vaststellen dat hij niet meer op die parkeerplek stond. De rechtbank begrijpt dat eiser zich hiermee op het standpunt stelt dat de heffingsambtenaar nader onderzoek had moeten doen. Verweerder hanteert een vaste werkwijze bij de controle op het betalen van parkeerbelasting met behulp van scanauto’s. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam bevat deze werkwijze voldoende waarborgen voor de zorgvuldigheid van de bewijsgaring en voldoet deze werkwijze als uitgangspunt om aannemelijk te maken dat zich een belastbaar feit heeft voorgedaan.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de scanfoto’s in deze zaak geen aanleiding gaven tot twijfel of in het geval van eiser sprake was van parkeren. Op de foto’s die door de scanauto zijn gemaakt, is namelijk niet te zien dat eiser in de auto zit, of andere aanwijzingen te zien dat sprake is van laden of lossen. Op de scanfoto’s is te zien dat de auto stilstaat, de lichten uit zijn, de deuren en kofferbak gesloten zijn en er geen personen in en rond het voertuig zijn. De enkele stelling van eiser dat hij een paar meter verder van het parkeervak in het portiek staat om de parkeerkaart van zijn vriend aan te nemen, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat sprake was van ‘laden en/of lossen’ wegens het aannemen van een parkeerkaart. Ook als vast zou komen te staan dat eiser slechts twee minuten heeft stilgestaan, is twee minuten ook een zekere aaneengesloten periode en is in dat geval sprake van parkeren. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat sprake was van parkeren en dat geen van de uitzonderingssituaties als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening aan de orde is. Eiser was voor dit parkeren dan ook parkeerbelasting verschuldigd. Omdat eiser geen parkeerbelasting heeft betaald, heeft verweerder terecht een naheffingsaanslag opgelegd.
Conclusie
5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Oosterhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2025.
griffier
de rechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een hogerberoepschrift aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Artikel 1 van de Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2024 (hierna: de Verordening), thans opgenomen in artikel 1.1. van de Parkeerverordening Amsterdam 2025.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad (HR) van 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 20 april 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1014.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6552
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Verweerder heeft op 6 augustus 2024 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 83,20.
Met een uitspraak op bezwaar van 24 september 2024 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat is vastgesteld dat eisers auto, met kenteken [kenteken] , op 1 augustus 2024 om 19.35 uur op de [adres] te Amsterdam stond geparkeerd, zonder dat daarvoor parkeergeld was betaald.
2. Eiser vindt het onterecht dat verweerder een naheffingsaanslag heeft opgelegd. Volgens hem is geen sprake geweest van parkeren. Hij voert aan dat hij alleen maar even is gestopt, is uitgestapt en snel van een vriend een parkeerkaart voor de parkeergarage verderop in ontvangst heeft genomen. Eiser stelt daarna direct te zijn ingestapt en doorgereden naar de parkeergarage.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2024 wordt onder ‘parkeren’ verstaan het gedurende een aangesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen [...]. De Verordening bepaalt niet hoeveel tijd aan het woord ‘periode’ wordt verbonden.
4.2.
Van parkeren is dus alleen geen sprake wanneer onmiddellijk personen in- en uitstappen of onmiddellijk zaken geladen of gelost worden. Volgens vaste rechtspraak wordt onder ‘onmiddellijk laden en lossen van zaken’ verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet, of bezwaarlijk, op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Zodra het laden en lossen klaar is, moet de bestuurder met de auto wegrijden of parkeerbelasting betalen. De bewijslast dat sprake was van onmiddellijk laden en lossen, rust op degene die zich op de uitzondering beroept.
4.3.
Niet in geschil is dat eiser met zijn auto stilstond in een parkeervak te hoogte van de [adres] te Amsterdam, dat dit adres is gelegen in een betaald parkeren gebied en dat eiser geen parkeerbelasting heeft betaald.
4.4.
Eiser heeft uitgesproken zich erover te verbazen dat de scanauto niet na vijf minuten nogmaals langs de reeds gecontroleerde route is gaan rijden. Op die manier had verweerder volgens eiser kunnen vaststellen dat hij niet meer op die parkeerplek stond. De rechtbank begrijpt dat eiser zich hiermee op het standpunt stelt dat de heffingsambtenaar nader onderzoek had moeten doen. Verweerder hanteert een vaste werkwijze bij de controle op het betalen van parkeerbelasting met behulp van scanauto’s. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam bevat deze werkwijze voldoende waarborgen voor de zorgvuldigheid van de bewijsgaring en voldoet deze werkwijze als uitgangspunt om aannemelijk te maken dat zich een belastbaar feit heeft voorgedaan.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de scanfoto’s in deze zaak geen aanleiding gaven tot twijfel of in het geval van eiser sprake was van parkeren. Op de foto’s die door de scanauto zijn gemaakt, is namelijk niet te zien dat eiser in de auto zit, of andere aanwijzingen te zien dat sprake is van laden of lossen. Op de scanfoto’s is te zien dat de auto stilstaat, de lichten uit zijn, de deuren en kofferbak gesloten zijn en er geen personen in en rond het voertuig zijn. De enkele stelling van eiser dat hij een paar meter verder van het parkeervak in het portiek staat om de parkeerkaart van zijn vriend aan te nemen, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat sprake was van ‘laden en/of lossen’ wegens het aannemen van een parkeerkaart. Ook als vast zou komen te staan dat eiser slechts twee minuten heeft stilgestaan, is twee minuten ook een zekere aaneengesloten periode en is in dat geval sprake van parkeren. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat sprake was van parkeren en dat geen van de uitzonderingssituaties als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening aan de orde is. Eiser was voor dit parkeren dan ook parkeerbelasting verschuldigd. Omdat eiser geen parkeerbelasting heeft betaald, heeft verweerder terecht een naheffingsaanslag opgelegd.
Conclusie
5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Oosterhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2025.
griffier
de rechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een hogerberoepschrift aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Artikel 1 van de Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2024 (hierna: de Verordening), thans opgenomen in artikel 1.1. van de Parkeerverordening Amsterdam 2025.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad (HR) van 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 20 april 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1014.