Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2581

2026-08-25 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/1664
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1664
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Bewijslastverdeling. Laden en lossen? Uitvoeringshandelingen?

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.225 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/1664


25 augustus 2026




uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,



tegen de uitspraak van 30 mei 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24/6552 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen



belanghebbende



en




de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 6 augustus 2024 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag). Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.



1.2.
Bij uitspraak van 24 september 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 juli 2025. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.






2Feiten


Belanghebbende heeft zijn auto, met kenteken [#] , merk Opel (hierna: de auto), op 1 augustus 2024 omstreeks 19:35 uur stil gezet in een parkeervak ter hoogte van de [straat] 53 te [plaats] . Deze locatie is door het college van burgemeesters en wethouders van [plaats] aangewezen als gebied waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Belanghebbende heeft geen parkeerbelasting voldaan.






3Geschil


Ook in hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.






4Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist (belanghebbende en de heffingsambtenaar worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ’eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):



“4.1. Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening parkeerbelastingen [plaats] 2024 wordt onder ‘parkeren’ verstaan het gedurende een aangesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen [...]. De Verordening bepaalt niet hoeveel tijd aan het woord ‘periode’ wordt verbonden.



4.2.
Van parkeren is dus alleen geen sprake wanneer onmiddellijk personen in- en uitstappen of onmiddellijk zaken geladen of gelost worden. Volgens vaste rechtspraak wordt onder ‘onmiddellijk laden en lossen van zaken’ verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet, of bezwaarlijk, op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Zodra het laden en lossen klaar is, moet de bestuurder met de auto wegrijden of parkeerbelasting betalen. De bewijslast dat sprake was van onmiddellijk laden en lossen, rust op degene die zich op de uitzondering beroept.



4.3.
Niet in geschil is dat eiser met zijn auto stilstond in een parkeervak te hoogte van de [straat] 53 te [plaats] , dat dit adres is gelegen in een betaald parkeren gebied en dat eiser geen parkeerbelasting heeft betaald.



4.4.
Eiser heeft uitgesproken zich erover te verbazen dat de scanauto niet na vijf minuten nogmaals langs de reeds gecontroleerde route is gaan rijden. Op die manier had verweerder volgens eiser kunnen vaststellen dat hij niet meer op die parkeerplek stond. De rechtbank begrijpt dat eiser zich hiermee op het standpunt stelt dat de heffingsambtenaar nader onderzoek had moeten doen. Verweerder hanteert een vaste werkwijze bij de controle op het betalen van parkeerbelasting met behulp van scanauto’s. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam bevat deze werkwijze voldoende waarborgen voor de zorgvuldigheid van de bewijsgaring en voldoet deze werkwijze als uitgangspunt om aannemelijk te maken dat zich een belastbaar feit heeft voorgedaan.



4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de scanfoto’s in deze zaak geen aanleiding gaven tot twijfel of in het geval van eiser sprake was van parkeren. Op de foto’s die door de scanauto zijn gemaakt, is namelijk niet te zien dat eiser in de auto zit, of andere aanwijzingen te zien dat sprake is van laden of lossen. Op de scanfoto’s is te zien dat de auto stilstaat, de lichten uit zijn, de deuren en kofferbak gesloten zijn en er geen personen in en rond het voertuig zijn. De enkele stelling van eiser dat hij een paar meter verder van het parkeervak in het portiek staat om de parkeerkaart van zijn vriend aan te nemen, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat sprake was van ‘laden en/of lossen’ wegens het aannemen van een parkeerkaart. Ook als vast zou komen te staan dat eiser slechts twee minuten heeft stilgestaan, is twee minuten ook een zekere aaneengesloten periode en is in dat geval sprake van parkeren. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat sprake was van parkeren en dat geen van de uitzonderingssituaties als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening aan de orde is. Eiser was voor dit parkeren dan ook parkeerbelasting verschuldigd. Omdat eiser geen parkeerbelasting heeft betaald, heeft verweerder terecht een naheffingsaanslag opgelegd.



Conclusie

5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.”







5Beoordeling van het geschil


5.1.
Belanghebbende herhaalt in hoger beroep dat geen sprake is van parkeren maar van onmiddellijk laden en lossen. Belanghebbende verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445, en voert aan dat zijn situatie, waarin hij naast het in ontvangst nemen van een parkeerkaart twee tassen heeft weggebracht, gelijk is aan de situatie in het arrest. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat in de twee tassen spullen voor het tafeltennissen en twee flessen drank zaten. Hij voert daarnaast aan dat een periode moet bestaan gedurende welke een auto mag stilstaan zonder dat daarvoor een naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt opgelegd, hoewel die periode in de Verordening parkeerbelastingen [plaats] 2024 niet nader is gedefinieerd.



5.2.
Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt het Hof voorts als volgt.



5.3.
Naar het oordeel van het Hof maakt het uitladen en wegbrengen van twee tassen met sportspullen en drank niet dat nu wel aan de voorwaarden voor ‘onmiddellijk laden en lossen van zaken’ is voldaan. Eén van de voorwaarden die de jurisprudentie aan het laden en lossen stelt, is dat het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet, of bezwaarlijk, op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. De bewijslast daarvan rust op belanghebbende. In het door belanghebbende aangehaalde arrest van de Hoge Raad ging het om een zak met wasgoed met een gewicht van ongeveer 12 kilo. In het geval van belanghebbende gaat het, naar hij ter zitting heeft toegelicht, om twee tassen met daarin tafeltennisspullen en twee flessen drank. Het Hof acht niet aannemelijk gemaakt dat deze zaken de hiervoor bedoelde omvang of gewicht hadden. Daarom is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk dat sprake was van laden en lossen.



5.4.
Ten aanzien van het betoog van belanghebbende over de minimum periode (slotzin van 5.1) overweegt het Hof als volgt. Uit het hogerberoepschrift blijkt dat belanghebbende doelt op de redelijke tijd die een parkeerder moet worden gegund voor het verrichten van uitvoeringshandelingen tot het voldoen van de parkeerbelasting. Uit de verklaringen van belanghebbende zelf volgt echter dat van dergelijke uitvoeringshandelingen nu juist geen sprake was; belanghebbende was niet bezig met uitvoeringshandelingen om de parkeerbelasting te voldoen. Daarom faalt ook dit betoog.



5.5.
Het hoger beroep is ongegrond.






6Kosten


Voor een kostenvergoeding bestaat geen aanleiding.





7
7. Beslissing


Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.




De uitspraak is gedaan door mr. J-P.R. van den Berg, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.








Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.





Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.




Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.




Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.



Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: