Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:296
2014-02-11
Strafrecht
12/03409
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:296 → ECLI:NL:GHAMS:2012:1699 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:296 → ECLI:NL:PHR:2014:39
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Overschrijding redelijke termijn. Het middel, dat klaagt over ’s Hofs oordeel dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan de vaststelling dat tijdens de behandeling van de zaak in e.a. de redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is overschreden, is op de gronden vermeld in de conclusie van de A-G onder 7 en 8 terecht voorgesteld. De HR doet om doelmatigheidsredenen de zaak zelf af en vermindert de opgelegde betalingsverplichting.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (25)
- ECLI:NL:PHR:2023:410 Parket bij de Hoge Raad 21-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2021:1126 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1124 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2018:1340 Parket bij de Hoge Raad 30-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1368 Parket bij de Hoge Raad 30-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:319 Parket bij de Hoge Raad 14-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:213 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:791 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2016
- ECLI:NL:HR:2016:577 Hoge Raad 05-04-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:187 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:187 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2016
- ECLI:NL:PHR:2015:2400 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:2025 Parket bij de Hoge Raad 15-09-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:2053 Parket bij de Hoge Raad 15-09-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:254 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:253 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2015
- ECLI:NL:HR:2014:2851 Hoge Raad 30-09-2014
- ECLI:NL:HR:2014:2850 Hoge Raad 30-09-2014
- ECLI:NL:HR:2014:2849 Hoge Raad 30-09-2014
- ECLI:NL:HR:2014:2852 Hoge Raad 30-09-2014
- ECLI:NL:HR:2014:2848 Hoge Raad 30-09-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1693 Parket bij de Hoge Raad 24-06-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1694 Parket bij de Hoge Raad 24-06-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1757 Parket bij de Hoge Raad 24-06-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1697 Parket bij de Hoge Raad 24-06-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.294 tekens)
11 februari 2014
Strafkamer
nr. 12/03409 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 juni 2012, nummer 23/002736-10, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het eerste middel
3.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan de vaststelling dat tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
3.2.
De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde oordeel van het hof in hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 is weergegeven.
3.3.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 en 8 is het middel terecht voorgesteld.
3.4.
De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 190.300,-. De Hoge Raad zal die betalingsverplichting verminderen met € 5.000,-.
4Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 185.300,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2014.
Strafkamer
nr. 12/03409 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 juni 2012, nummer 23/002736-10, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het eerste middel
3.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan de vaststelling dat tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
3.2.
De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde oordeel van het hof in hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 is weergegeven.
3.3.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 en 8 is het middel terecht voorgesteld.
3.4.
De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 190.300,-. De Hoge Raad zal die betalingsverplichting verminderen met € 5.000,-.
4Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 185.300,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2014.