Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2012:BV4010
2012-05-25
Civiel recht
12/00515 (CW 2999 B )
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2012:BV4010 → ECLI:NL:PHR:2012:BV4010
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang der wet. WSNP. Onderbewindstelling; titel 1.19 BW. Bevoegdheid schuldenaar wiens goederen onder bewind zijn gesteld om toepassing schuldsaneringsregeling te verzoeken en rechtsmiddelen aan te wenden tegen afwijzing van een dergelijk verzoek. Rol bewindvoerder.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (214)
- ECLI:NL:PHR:2026:716 Parket bij de Hoge Raad 10-07-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:419 Parket bij de Hoge Raad 17-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:419 Parket bij de Hoge Raad 17-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:252 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:252 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:252 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:372 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1432 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-05-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:862 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:858 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-03-2025
- ECLI:NL:HR:2024:1553 Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1553 Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:12582 Rechtbank Rotterdam 15-08-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:594 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:594 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:594 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:594 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:594 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1453 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:366 Parket bij de Hoge Raad 05-04-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1073 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1073 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1072 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1073 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:743 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:941 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-01-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:942 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-01-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:119 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-01-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4280 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4082 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4082 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4015 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3912 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3827 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3634 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3464 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2407 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-07-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2408 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-07-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2406 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-07-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2120 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2121 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2054 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1988 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1894 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1734 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1131 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-04-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:960 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-03-2023
- ECLI:NL:HR:2023:429 Hoge Raad 17-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:238 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:131 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:138 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4456 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-12-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3989 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-11-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3988 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1045 Parket bij de Hoge Raad 11-11-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3385 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-10-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2505 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2505 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2132 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2133 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-06-2022
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.209 tekens)
25 mei 2012
Eerste Kamer
12/00515 (CW 2999 B)
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 november 2011, nr. HV 200.093.153/01.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 229658/FT-RK 11.673 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 augustus 2011;
b. het arrest in de zaak HV 200.093.153/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 november 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen voornoemd arrest heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet. De voordracht tot cassatie van de Procureur-Generaal is aan dit arrest gehecht.
De vordering van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch is over alle goederen die aan [betrokkene 1] toebehoren of zullen toebehoren, een bewind ingesteld als bedoeld in art. 1:431 lid 1 BW.
(ii) Bij verzoekschrift van 14 april 2011 heeft [betrokkene 1], in deze vertegenwoordigd door haar advocaat mr. P.A. Schippers, zich gewend tot de rechtbank 's-Hertogenbosch met het verzoek de wettelijke schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te verklaren. Bij vonnis van 24 augustus 2011 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.
(iii) [Betrokkene 1] is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 22 november 2011 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd op de grond dat niet is voldaan aan het bepaalde in art. 288 lid 1, aanhef en onder b en c, F. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoek van [betrokkene 1] en het door haar ingestelde hoger beroep heeft het hof het volgende overwogen:
"3.1. Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [betrokkene 1] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld.
3.2. Uit de brief van mr. Schippers van 10 november 2011 met daarbij als bijlage een brief d.d. 10 november 2011 van [betrokkene 2], de beschermingsbewindvoerder, blijkt dat deze instemt met het verzoek van [betrokkene 1] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en met het hoger beroep dat [betrokkene 1] heeft ingesteld, zodat [betrokkene 1] in zoverre ontvankelijk is in haar verzoek en in het hoger beroep."
3.2 De Procureur-Generaal heeft gevorderd dat het arrest van het hof, waartegen geen gewoon rechtsmiddel is ingesteld, in het belang der wet wordt vernietigd. Het daartoe aangevoerde middel klaagt dat:
1) het hof het recht heeft geschonden door het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ontvankelijk te oordelen, hoewel alle tegenwoordige en toekomstige goederen van degene die toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft verzocht, onder bewind zijn gesteld als bedoeld in titel 19 van boek 1 BW en de met betrekking tot die goederen aangestelde bewindvoerder niet mede als verzoeker is opgetreden, althans,
2) het hof, indien het de bewindvoerder op grond van de latere brief van 10 november 2011 als formele procespartij heeft aangemerkt, niet of niet voldoende duidelijk heeft gemaakt of het werkelijk in die zin heeft geoordeeld en evenmin op welke gronden het tot dat oordeel is gekomen.
3.3 Het middel gaat aldus ervan uit dat een schuldenaar over wiens tegenwoordige en toekomstige goederen op de voet van Titel 19 van Boek 1 BW bewind is ingesteld, in een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts kan worden ontvangen indien dat verzoek mede wordt ingediend door de in art. 1:435 BW bedoelde bewindvoerder (hierna: de beschermingsbewindvoerder).
Dat uitgangspunt vindt geen steun in de wet.
De indiening van een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken kan niet worden beschouwd als een daad van beheer over de onder bewind staande goederen waartoe de beschermingsbewindvoerder ingevolge art. 1:438 lid 1 BW bij uitsluiting bevoegd is. Het is ook geen daad van beschikking over de onder bewind staande goederen, die de schuldenaar ingevolge art. 1:438 lid 2 slechts met zijn medewerking (of machtiging van de kantonrechter) zou kunnen verrichten. Het indienen van een zodanig verzoek behoort dan ook niet tot de in art. 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder, zodat die de schuldenaar niet in rechte vertegenwoordigt bij de indiening van het verzoek. Evenmin kan worden aangenomen dat de schuldenaar over wiens goederen bewind is ingesteld slechts samen met de beschermingsbewindvoerder bevoegd is toepassing van de schuldsaneringsregeling te verzoeken.
Een en ander neemt niet weg dat het bewind en de houding van de beschermingsbewindvoerder met betrekking tot het verzoek relevante omstandigheden vormen die de rechter bij zijn beslissing op het verzoek in aanmerking dient te nemen. Indien het standpunt van de beschermingsbewindvoerder niet voldoende bekend is, dient hij door de rechter te worden opgeroepen teneinde te worden gehoord op het verzoek om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot genoemd verzoek geldt eveneens voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek.
3.4 Het voorgaande brengt mee dat het middel geen doel treft.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de vordering af.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 25 mei 2012.
Eerste Kamer
12/00515 (CW 2999 B)
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 november 2011, nr. HV 200.093.153/01.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 229658/FT-RK 11.673 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 augustus 2011;
b. het arrest in de zaak HV 200.093.153/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 november 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen voornoemd arrest heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet. De voordracht tot cassatie van de Procureur-Generaal is aan dit arrest gehecht.
De vordering van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch is over alle goederen die aan [betrokkene 1] toebehoren of zullen toebehoren, een bewind ingesteld als bedoeld in art. 1:431 lid 1 BW.
(ii) Bij verzoekschrift van 14 april 2011 heeft [betrokkene 1], in deze vertegenwoordigd door haar advocaat mr. P.A. Schippers, zich gewend tot de rechtbank 's-Hertogenbosch met het verzoek de wettelijke schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te verklaren. Bij vonnis van 24 augustus 2011 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.
(iii) [Betrokkene 1] is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 22 november 2011 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd op de grond dat niet is voldaan aan het bepaalde in art. 288 lid 1, aanhef en onder b en c, F. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoek van [betrokkene 1] en het door haar ingestelde hoger beroep heeft het hof het volgende overwogen:
"3.1. Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [betrokkene 1] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld.
3.2. Uit de brief van mr. Schippers van 10 november 2011 met daarbij als bijlage een brief d.d. 10 november 2011 van [betrokkene 2], de beschermingsbewindvoerder, blijkt dat deze instemt met het verzoek van [betrokkene 1] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en met het hoger beroep dat [betrokkene 1] heeft ingesteld, zodat [betrokkene 1] in zoverre ontvankelijk is in haar verzoek en in het hoger beroep."
3.2 De Procureur-Generaal heeft gevorderd dat het arrest van het hof, waartegen geen gewoon rechtsmiddel is ingesteld, in het belang der wet wordt vernietigd. Het daartoe aangevoerde middel klaagt dat:
1) het hof het recht heeft geschonden door het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ontvankelijk te oordelen, hoewel alle tegenwoordige en toekomstige goederen van degene die toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft verzocht, onder bewind zijn gesteld als bedoeld in titel 19 van boek 1 BW en de met betrekking tot die goederen aangestelde bewindvoerder niet mede als verzoeker is opgetreden, althans,
2) het hof, indien het de bewindvoerder op grond van de latere brief van 10 november 2011 als formele procespartij heeft aangemerkt, niet of niet voldoende duidelijk heeft gemaakt of het werkelijk in die zin heeft geoordeeld en evenmin op welke gronden het tot dat oordeel is gekomen.
3.3 Het middel gaat aldus ervan uit dat een schuldenaar over wiens tegenwoordige en toekomstige goederen op de voet van Titel 19 van Boek 1 BW bewind is ingesteld, in een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts kan worden ontvangen indien dat verzoek mede wordt ingediend door de in art. 1:435 BW bedoelde bewindvoerder (hierna: de beschermingsbewindvoerder).
Dat uitgangspunt vindt geen steun in de wet.
De indiening van een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken kan niet worden beschouwd als een daad van beheer over de onder bewind staande goederen waartoe de beschermingsbewindvoerder ingevolge art. 1:438 lid 1 BW bij uitsluiting bevoegd is. Het is ook geen daad van beschikking over de onder bewind staande goederen, die de schuldenaar ingevolge art. 1:438 lid 2 slechts met zijn medewerking (of machtiging van de kantonrechter) zou kunnen verrichten. Het indienen van een zodanig verzoek behoort dan ook niet tot de in art. 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder, zodat die de schuldenaar niet in rechte vertegenwoordigt bij de indiening van het verzoek. Evenmin kan worden aangenomen dat de schuldenaar over wiens goederen bewind is ingesteld slechts samen met de beschermingsbewindvoerder bevoegd is toepassing van de schuldsaneringsregeling te verzoeken.
Een en ander neemt niet weg dat het bewind en de houding van de beschermingsbewindvoerder met betrekking tot het verzoek relevante omstandigheden vormen die de rechter bij zijn beslissing op het verzoek in aanmerking dient te nemen. Indien het standpunt van de beschermingsbewindvoerder niet voldoende bekend is, dient hij door de rechter te worden opgeroepen teneinde te worden gehoord op het verzoek om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot genoemd verzoek geldt eveneens voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek.
3.4 Het voorgaande brengt mee dat het middel geen doel treft.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de vordering af.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 25 mei 2012.