Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2003:AF6983
2003-06-03
Strafrecht
01849/02 B
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2003:AF6983 → ECLI:NL:PHR:2003:AF6983
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (34)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8980 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8164 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8019 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7508 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7290 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:278 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5292 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3128 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1503 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1494 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9442 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9405 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1246 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8172 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9460 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9458 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9459 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9447 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9449 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4107 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2201 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1822 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1821 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3537 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3535 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1664 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1548 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-02-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:8215 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1102 Parket bij de Hoge Raad 29-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1080 Parket bij de Hoge Raad 22-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6841 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-05-2022
- ECLI:NL:PHR:2019:204 Parket bij de Hoge Raad 09-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:550 Parket bij de Hoge Raad 05-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2014:1688 Parket bij de Hoge Raad 01-07-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.529 tekens)
3 juni 2003
Strafkamer
nr. 01849/02 B
IV/DAT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 28 maart 2002, nummer RK: 02/676, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door de klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenstaande beschikking omschreven personenauto.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. C.A. Lucardie, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de klager tegen revindicatie door de oorspronkelijke eigenaar van de personenauto niet de bescherming van art. 3:86 BW geniet. Daartoe wordt in de toelichting aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het verweer dat de vordering tot revindicatie is verjaard.
3.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de behandeling in openbare raadkamer gehechte pleitnotitie heeft de raadsman aldaar onder meer het volgende aangevoerd:
"De revindicatievordering van artikel 3:86 lid 3 is nog daargelaten dat niet aan de voorwaarden is voldaan van het artikel waarop ik zometeen terugkom reeds verjaard. Immers de auto is op 24 februari 1999 gestolen zodat de termijn voor revindicatie verstreek op 24 februari 2002. De verjaringstermijn is niet rechtsgeldig gestuit nu artikel 3: 317 hiervoor voorschrijft dat deze weliswaar door aanmaning kan worden gestuit mits deze zoals lid 2 van artikel 317 vermeldt wordt gevolgd door het instellen van een dagvaarding na zes maanden. De brief van de advocate van [betrokkene 1] d.d. 4 september 2001 vermeldt niet nadrukkelijk en ondubbelzinnig dat alle rechten op nakoming worden voorbehouden en is derhalve niet eens een rechtsgeldige aanmaning maar zelfs al zou dit wel zo zijn quod non, dan had er moeten worden gedagvaard voor 4 maart 2002 hetgeen ook niet is geschied. Er kan derhalve geen andere conclusie zijn dan dat de vordering tot revindicatie van [betrokkene 1] is verjaard."
3.3. Voorzover het middel erover klaagt dat de Rechtbank heeft verzuimd op voormeld verweer een met redenen omklede beslissing te geven, is het terecht voorgesteld.
Bedoeld verzuim behoeft echter niet tot cassatie te leiden, aangezien de Rechtbank het verweer slechts had kunnen verwerpen op grond van het navolgende.
3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende artikelen van belang:
(i) art. 3:86 BW:
"1. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.
2. (...)
3. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij:
a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; of
b. het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft.
4. Op de in het vorige lid bedoelde termijn zijn de artikelen 316, 318 en 319 betreffende de stuiting van een rechtsvordering van overeenkomstige toepassing."
(ii) art. 3:316, eerste, BW:
"1. De verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt."
3.5. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 3:316 BW blijkt, dat het begrip 'daad van rechtsvervolging' in ruime zin moet worden opgevat. (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, blz. 932-933) Daaruit volgt dat als zodanig iedere vordering in rechte van de zijde van de gerechtigde in aanmerking komt.
3.6. Naar aanleiding van een door een oorspronkelijk eigenaar als derde-belanghebbende ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv zal de rechter bij een beslag op grond van art. 94 Sv - indien het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert - moeten beoordelen of de derde-belanghebbende redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Aan de beslissing van de rechter dat het voorwerp aan die derde-belanghebbende dient te worden teruggegeven, zal ten grondslag liggen zijn (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp.
3.7. Het vorenstaande brengt mee dat onder het begrip 'daad van rechtsvervolging' in art. 3:316, eerste lid, BW mede is begrepen het indienen door de oorspronkelijke eigenaar van een klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van het onder een ander in beslaggenomen goed als bedoeld in art. 552a Sv.
3.8. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De oorspronkelijke eigenaar, [betrokkene 1], heeft het bezit van de personenauto door diefstal verloren op 24 februari 1999. Een klaagschrift strekkende tot teruggave van de auto aan hem is door hem ingediend op 21 januari 2002. Daarop heeft de Rechtbank bij afzonderlijke beschikking van 28 maart 2002 het beklag gegrond verklaard en bevolen dat de auto aan hem moet worden teruggegeven.
3.9. Uit het voorgaande volgt dat in de onderhavige zaak het verval van de in art. 3:86, derde lid, BW bedoelde rechtsvordering is gestuit. De vordering tot revindicatie was derhalve, anders dan het middel beoogt te stellen, niet door het verstrijken van de in die bepaling vermelde termijn van drie jaren vervallen.
3.10. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2003.
Strafkamer
nr. 01849/02 B
IV/DAT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 28 maart 2002, nummer RK: 02/676, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door de klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenstaande beschikking omschreven personenauto.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. C.A. Lucardie, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de klager tegen revindicatie door de oorspronkelijke eigenaar van de personenauto niet de bescherming van art. 3:86 BW geniet. Daartoe wordt in de toelichting aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het verweer dat de vordering tot revindicatie is verjaard.
3.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de behandeling in openbare raadkamer gehechte pleitnotitie heeft de raadsman aldaar onder meer het volgende aangevoerd:
"De revindicatievordering van artikel 3:86 lid 3 is nog daargelaten dat niet aan de voorwaarden is voldaan van het artikel waarop ik zometeen terugkom reeds verjaard. Immers de auto is op 24 februari 1999 gestolen zodat de termijn voor revindicatie verstreek op 24 februari 2002. De verjaringstermijn is niet rechtsgeldig gestuit nu artikel 3: 317 hiervoor voorschrijft dat deze weliswaar door aanmaning kan worden gestuit mits deze zoals lid 2 van artikel 317 vermeldt wordt gevolgd door het instellen van een dagvaarding na zes maanden. De brief van de advocate van [betrokkene 1] d.d. 4 september 2001 vermeldt niet nadrukkelijk en ondubbelzinnig dat alle rechten op nakoming worden voorbehouden en is derhalve niet eens een rechtsgeldige aanmaning maar zelfs al zou dit wel zo zijn quod non, dan had er moeten worden gedagvaard voor 4 maart 2002 hetgeen ook niet is geschied. Er kan derhalve geen andere conclusie zijn dan dat de vordering tot revindicatie van [betrokkene 1] is verjaard."
3.3. Voorzover het middel erover klaagt dat de Rechtbank heeft verzuimd op voormeld verweer een met redenen omklede beslissing te geven, is het terecht voorgesteld.
Bedoeld verzuim behoeft echter niet tot cassatie te leiden, aangezien de Rechtbank het verweer slechts had kunnen verwerpen op grond van het navolgende.
3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende artikelen van belang:
(i) art. 3:86 BW:
"1. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.
2. (...)
3. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij:
a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; of
b. het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft.
4. Op de in het vorige lid bedoelde termijn zijn de artikelen 316, 318 en 319 betreffende de stuiting van een rechtsvordering van overeenkomstige toepassing."
(ii) art. 3:316, eerste, BW:
"1. De verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt."
3.5. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 3:316 BW blijkt, dat het begrip 'daad van rechtsvervolging' in ruime zin moet worden opgevat. (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, blz. 932-933) Daaruit volgt dat als zodanig iedere vordering in rechte van de zijde van de gerechtigde in aanmerking komt.
3.6. Naar aanleiding van een door een oorspronkelijk eigenaar als derde-belanghebbende ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv zal de rechter bij een beslag op grond van art. 94 Sv - indien het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert - moeten beoordelen of de derde-belanghebbende redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Aan de beslissing van de rechter dat het voorwerp aan die derde-belanghebbende dient te worden teruggegeven, zal ten grondslag liggen zijn (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp.
3.7. Het vorenstaande brengt mee dat onder het begrip 'daad van rechtsvervolging' in art. 3:316, eerste lid, BW mede is begrepen het indienen door de oorspronkelijke eigenaar van een klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van het onder een ander in beslaggenomen goed als bedoeld in art. 552a Sv.
3.8. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De oorspronkelijke eigenaar, [betrokkene 1], heeft het bezit van de personenauto door diefstal verloren op 24 februari 1999. Een klaagschrift strekkende tot teruggave van de auto aan hem is door hem ingediend op 21 januari 2002. Daarop heeft de Rechtbank bij afzonderlijke beschikking van 28 maart 2002 het beklag gegrond verklaard en bevolen dat de auto aan hem moet worden teruggegeven.
3.9. Uit het voorgaande volgt dat in de onderhavige zaak het verval van de in art. 3:86, derde lid, BW bedoelde rechtsvordering is gestuit. De vordering tot revindicatie was derhalve, anders dan het middel beoogt te stellen, niet door het verstrijken van de in die bepaling vermelde termijn van drie jaren vervallen.
3.10. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2003.