Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7290
2026-02-10
Strafrecht
25-023981
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ongegrond. Eigendomsvoorbehoud leasemaatschappij.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2010:BL2823 Hoge Raad 28-09-2010
- ECLI:NL:HR:2003:AF3826 Hoge Raad 06-05-2003
- ECLI:NL:HR:2003:AF6983 Hoge Raad 03-06-2003
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.627 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 25-023981
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M. Berbee advocaat te Den Helder, (Postbus 1011, 1780 EA Den Helder),
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 22 september 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 6 september 2025 onder klager in het strafvorderlijk onderzoek tegen hem in beslag is genomen: een BMW 330e Iperforman, [kenteken] (hierna: de BMW);
de schriftelijke reactie van het CVOM en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 27 januari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn gehoord de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks, klager en mr. M. Berbee als advocaat van klager en de heer [persoon] namens belanghebbende [lessor] B.V.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is in aanvulling op het klaagschrift in raadkamer aangevoerd dat klager middels een Financial Leasecontract eigenaar is van de BMW. Klager wordt door voortduring van het beslag op de BMW onevenredig in zijn belangen geschaad. De leasemaatschappij heeft het Financial Leasecontract inmiddels opgezegd. Klager is echter wel aan zijn betalingsverplichtingen blijven voldoen. Om die reden wenst hij ook teruggave van de BMW aan hem. Niet om de BMW te behouden, maar om deze te verkopen zodat hij zijn schuld bij de leasemaatschappij kan inlossen. Volgens klager is er geen sprake van een eigendomsvoorbehoud, maar van een verpanding. Om die reden stelt klager wel eigenaar te zijn van de BMW, ondanks dat nog niet alle betalingstermijnen zijn voldaan.
Klager heeft in raadkamer verklaard dat hij nog een bedrag van € 19.000,00 aan de leasemaatschappij moet betalen.
Namens belanghebbende is verklaard dat er sprake is van een eigendomsvoorbehoud en dat [lessor] B.V. eigenaar van de BMW is tot aan de laatste financiële verplichting is voldaan.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat [lessor] B.V., gelet op het eigendomsvoorbehoud, als rechthebbende van de BMW kan worden aangemerkt en dat de BMW aan haar kan worden teruggegeven. Het klaagschrift dient dan ook ongegrond dient te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Klager stelt rechthebbende te zijn van de BMW en klaagt over voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave.
De rechtbank zal moeten beoordelen of klager inderdaad als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt. Zij mag daarbij civielrechtelijke aspecten betrekken. De rechtbank hoeft daarbij geen burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties te beslechten. Het gaat om een voorlopig oordeel over eigendoms- en bezitsrechten.
De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat klager op 7 november 2024 een Financial Leasecontract is aangegaan met [lessor] B.V. voor de BMW. Daarbij is sprake van een eigendomsvoorbehoud. Dat betekent dat de lessor (in dit geval [lessor] B.V.) eigenaar is van de auto totdat een lessee (in dit geval klager) aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan. Klager heeft zelf verklaard dat hij nog niet aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan. Daarom is [lessor] B.V. in deze zaak de rechthebbende van de BMW. Nu een ander dan klager als redelijkerwijs rechthebbende van de BMW is aan te merken, kan de BMW al om die reden niet aan klager worden teruggegeven en dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard. Daarom hoeft de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert geen beantwoording meer.
3De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
ECLI:NL:HR:2003:AF3826.
ECLI:NL:HR:2003:AF6983.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 25-023981
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M. Berbee advocaat te Den Helder, (Postbus 1011, 1780 EA Den Helder),
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 22 september 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 6 september 2025 onder klager in het strafvorderlijk onderzoek tegen hem in beslag is genomen: een BMW 330e Iperforman, [kenteken] (hierna: de BMW);
de schriftelijke reactie van het CVOM en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 27 januari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn gehoord de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks, klager en mr. M. Berbee als advocaat van klager en de heer [persoon] namens belanghebbende [lessor] B.V.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is in aanvulling op het klaagschrift in raadkamer aangevoerd dat klager middels een Financial Leasecontract eigenaar is van de BMW. Klager wordt door voortduring van het beslag op de BMW onevenredig in zijn belangen geschaad. De leasemaatschappij heeft het Financial Leasecontract inmiddels opgezegd. Klager is echter wel aan zijn betalingsverplichtingen blijven voldoen. Om die reden wenst hij ook teruggave van de BMW aan hem. Niet om de BMW te behouden, maar om deze te verkopen zodat hij zijn schuld bij de leasemaatschappij kan inlossen. Volgens klager is er geen sprake van een eigendomsvoorbehoud, maar van een verpanding. Om die reden stelt klager wel eigenaar te zijn van de BMW, ondanks dat nog niet alle betalingstermijnen zijn voldaan.
Klager heeft in raadkamer verklaard dat hij nog een bedrag van € 19.000,00 aan de leasemaatschappij moet betalen.
Namens belanghebbende is verklaard dat er sprake is van een eigendomsvoorbehoud en dat [lessor] B.V. eigenaar van de BMW is tot aan de laatste financiële verplichting is voldaan.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat [lessor] B.V., gelet op het eigendomsvoorbehoud, als rechthebbende van de BMW kan worden aangemerkt en dat de BMW aan haar kan worden teruggegeven. Het klaagschrift dient dan ook ongegrond dient te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Klager stelt rechthebbende te zijn van de BMW en klaagt over voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave.
De rechtbank zal moeten beoordelen of klager inderdaad als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt. Zij mag daarbij civielrechtelijke aspecten betrekken. De rechtbank hoeft daarbij geen burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties te beslechten. Het gaat om een voorlopig oordeel over eigendoms- en bezitsrechten.
De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat klager op 7 november 2024 een Financial Leasecontract is aangegaan met [lessor] B.V. voor de BMW. Daarbij is sprake van een eigendomsvoorbehoud. Dat betekent dat de lessor (in dit geval [lessor] B.V.) eigenaar is van de auto totdat een lessee (in dit geval klager) aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan. Klager heeft zelf verklaard dat hij nog niet aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan. Daarom is [lessor] B.V. in deze zaak de rechthebbende van de BMW. Nu een ander dan klager als redelijkerwijs rechthebbende van de BMW is aan te merken, kan de BMW al om die reden niet aan klager worden teruggegeven en dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard. Daarom hoeft de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert geen beantwoording meer.
3De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
ECLI:NL:HR:2003:AF3826.
ECLI:NL:HR:2003:AF6983.