Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2003:AF3826
2003-05-06
Strafrecht
01422/01 B
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2003:AF3826 → ECLI:NL:PHR:2003:AF3826
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (35)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8980 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8164 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8019 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7508 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7290 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:278 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:613 Parket bij de Hoge Raad 10-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3128 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1503 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1494 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9442 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8172 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9449 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9460 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9458 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9459 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9447 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2201 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1821 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1822 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:204 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6119 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-09-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3537 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3535 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1664 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1548 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1102 Parket bij de Hoge Raad 29-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1080 Parket bij de Hoge Raad 22-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6841 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-05-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:686 Parket bij de Hoge Raad 06-07-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:687 Parket bij de Hoge Raad 06-07-2021
- ECLI:NL:PHR:2019:395 Parket bij de Hoge Raad 23-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:173 Parket bij de Hoge Raad 09-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1044 Parket bij de Hoge Raad 02-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1044 Parket bij de Hoge Raad 02-10-2018
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.861 tekens)
6 mei 2003
Strafkamer
nr. 01422/01 B
HJH/IK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 1 mei 2001, nummer 04/051524-00, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, wonende te [woonplaats] (België).
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenstaande beschikking omschreven personenauto.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door klager. Namens deze heeft mr. A.H.M.J.F. Piëtte, advocaat te Roermond, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, omdat zij de aanspraak van klager op de personenauto, die hem in Italië is geleverd en door hem aldaar is betaald, heeft beoordeeld aan de hand van art. 3:86, derde lid, BW, terwijl naar Italiaans recht had moeten worden vastgesteld of de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendomsrecht jegens klager kan uitoefenen.
3.2. Het klaagschrift behelst een beklag tegen het voornemen van de Officier van Justitie om de onder klager inbeslaggenomen personenauto op de voet van art. 116, tweede lid onder a, Sv aan een derde-belanghebbende terug te geven en houdt tevens een verzoek in tot teruggave aan klager van de personenauto.
3.3. De Rechtbank heeft, voorzover hier van belang, in de bestreden beschikking als volgt overwogen:
"Uit de processtukken volgt, dat [betrokkene 1], [a-straat 1] te [woonplaats] als gebruiker (voertuighouder was Leasing Company [A] te [vestigingsplaats]) van het inbeslaggenomene op 20 mei 1999 het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, zodat zich in casu de omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:86, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek, te weten dat de eigenaar (of zijn rechtsopvolger) het onderhavige inbeslaggenomen goed gedurende 3 jaren, te rekenen vanaf de dag van de diefstal af, als zijn eigendom kan opeisen. Nu [klager] de betreffende personenauto niet bij een reguliere autohandel heeft gekocht en gelet op de omstandigheden waaronder de koop en de overdracht van de personenauto hebben plaatsgevonden, doet zich niet een van de in dat artikellid bedoelde uitzonderingen daarop voor (...).
Blijkens een fax van 15 maart 2000 met opschrift
Attestazione di resa denunzia is verzekeringsmaatschappij "UNIVERSO", AG 67 Uniconsult te Rome getreden in de rechten op het inbeslaggenomene.
Nu op grond van het vorenstaande moet worden gezegd dat teruggave aan verzekeringsmaatschappij "UNIVERSO", Agentschap Uniconsult te Rome op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord moet worden geacht, dient het beklag ongegrond te worden verklaard."
3.4. In een geval als het onderhavige - waarin het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en de Officier van Justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen zaak te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene - zal de rechtbank moeten beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken (vgl. HR 2 maart 1993, NJ 1993, 662). De door het middel verdedigde opvatting dat naar Italiaans recht had moeten worden vastgesteld of de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendomsrecht jegens klager kan uitoefenen vindt derhalve geen steun in het recht.
3.5. Het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2003.
Strafkamer
nr. 01422/01 B
HJH/IK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 1 mei 2001, nummer 04/051524-00, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, wonende te [woonplaats] (België).
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenstaande beschikking omschreven personenauto.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door klager. Namens deze heeft mr. A.H.M.J.F. Piëtte, advocaat te Roermond, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, omdat zij de aanspraak van klager op de personenauto, die hem in Italië is geleverd en door hem aldaar is betaald, heeft beoordeeld aan de hand van art. 3:86, derde lid, BW, terwijl naar Italiaans recht had moeten worden vastgesteld of de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendomsrecht jegens klager kan uitoefenen.
3.2. Het klaagschrift behelst een beklag tegen het voornemen van de Officier van Justitie om de onder klager inbeslaggenomen personenauto op de voet van art. 116, tweede lid onder a, Sv aan een derde-belanghebbende terug te geven en houdt tevens een verzoek in tot teruggave aan klager van de personenauto.
3.3. De Rechtbank heeft, voorzover hier van belang, in de bestreden beschikking als volgt overwogen:
"Uit de processtukken volgt, dat [betrokkene 1], [a-straat 1] te [woonplaats] als gebruiker (voertuighouder was Leasing Company [A] te [vestigingsplaats]) van het inbeslaggenomene op 20 mei 1999 het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, zodat zich in casu de omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:86, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek, te weten dat de eigenaar (of zijn rechtsopvolger) het onderhavige inbeslaggenomen goed gedurende 3 jaren, te rekenen vanaf de dag van de diefstal af, als zijn eigendom kan opeisen. Nu [klager] de betreffende personenauto niet bij een reguliere autohandel heeft gekocht en gelet op de omstandigheden waaronder de koop en de overdracht van de personenauto hebben plaatsgevonden, doet zich niet een van de in dat artikellid bedoelde uitzonderingen daarop voor (...).
Blijkens een fax van 15 maart 2000 met opschrift
Attestazione di resa denunzia is verzekeringsmaatschappij "UNIVERSO", AG 67 Uniconsult te Rome getreden in de rechten op het inbeslaggenomene.
Nu op grond van het vorenstaande moet worden gezegd dat teruggave aan verzekeringsmaatschappij "UNIVERSO", Agentschap Uniconsult te Rome op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord moet worden geacht, dient het beklag ongegrond te worden verklaard."
3.4. In een geval als het onderhavige - waarin het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en de Officier van Justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen zaak te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene - zal de rechtbank moeten beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken (vgl. HR 2 maart 1993, NJ 1993, 662). De door het middel verdedigde opvatting dat naar Italiaans recht had moeten worden vastgesteld of de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendomsrecht jegens klager kan uitoefenen vindt derhalve geen steun in het recht.
3.5. Het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2003.