Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1999:ZD1460
1999-05-11
Strafrecht
111.468
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1999:ZD1460 → ECLI:NL:PHR:1999:ZD1460
Inhoudsindicatie
Tot bewijs gebezigd proces-verbaal houdende de verklaring van iemand wiens identiteit niet blijkt. 1) Aan art. 344.3.b Sv is voldaan als de wens die persoon te ondervragen naderhand is ingetrokken. 2) 's Hofs arrest houdt in strijd met art. 360.1 Sv geen uitdrukkelijk oordeel over de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring in.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (27)
- ECLI:NL:PHR:2026:300 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:301 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:299 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:50 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:80 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:19 Parket bij de Hoge Raad 06-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:498 Parket bij de Hoge Raad 13-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1418 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1419 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:436 Parket bij de Hoge Raad 18-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:282 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:179 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2023
- ECLI:NL:HR:2020:1007 Hoge Raad 09-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:72 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:567 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:440 Parket bij de Hoge Raad 15-05-2018
- ECLI:NL:HR:2018:244 Hoge Raad 20-02-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:23 Parket bij de Hoge Raad 23-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:23 Parket bij de Hoge Raad 23-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:921 Parket bij de Hoge Raad 04-07-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:252 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:196 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2017
- ECLI:NL:HR:2016:1453 Hoge Raad 05-07-2016
- ECLI:NL:PHR:2015:2645 Parket bij de Hoge Raad 01-12-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:614 Parket bij de Hoge Raad 17-02-2015
- ECLI:NL:HR:2014:3151 Hoge Raad 11-11-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1971 Parket bij de Hoge Raad 16-09-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.978 tekens)
11 mei 1999
nr. 111.468
Strafkamer
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 juli 1998 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noordsingel" te Rotterdam.
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 december 1997 - de verdachte ter zake van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.
1.2. De bestreden uitspraak en de daaraan gehechte bijlage zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voor gesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel richt zich met een tweetal klachten tegen het gebruik voor het bewijs door het Hof van een ambtsedig proces-verbaal van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond voor zover dit de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, behelst.
Volgens de eerste klacht heeft het Hof het voorschrift van art. 344, derde lid onder b, Sv niet nageleefd. De tweede klacht houdt in dat het Hof het motiveringsvoorschrift van art. 360, eerste lid, Sv niet heeft geëerbiedigd.
3.2.1. Een schriftelijk bescheid waarin de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt is opgenomen, mag op grond van art. 344, derde lid, Sv slechts tot het bewijs worden gebezigd indien, voor zover nu relevant, is voldaan aan de voorwaarde dat door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om deze persoon van wie de identiteit niet blijkt te (doen) ondervragen. In het middel wordt betoogd dat het Hof gelet op art. 344, derde lid onder b, Sv het hiervoor bedoelde proces-verbaal niet voor het bewijs mocht bezigen nu door of namens de verdachte op enig moment de wens te kennen is gegeven de persoon wiens identiteit niet blijkt te (doen) ondervragen.
Zoals in de toelichting op het middel onder 1.1 is weergegeven, heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 1998 aldaar medegedeeld dat hij afziet van zijn verzoek om de anonieme getuige te horen.
3.2.2. Het in art. 344, derde lid onder b, Sv neergelegde verbod geldt niet, indien de in dat artikel bedoelde wens naderhand is ingetrokken. Klaarblijkelijk is het Hof van de aanwezigheid van het bestaan van een dergelijke situatie uitgegaan. Aldus heeft het Hof niet van een verkeerde rechtsopvatting blijk gegeven. Het oordeel van het Hof is, gelet op de bewoordingen die in bedoeld proces-verbaal zijn gebezigd, niet onbegrijpelijk. De eerst in het middel vervatte klacht faalt daarom.3.3.1. Art. 360, eerste lid, Sv dat ingevolge art. 415 Sv ook op de berechting in hoger beroep van toe passing is, schrijft voor dat het vonnis in het bij zonder de reden geeft van het gebruik als bewijsmiddel van een schriftelijk bescheid zoals bedoeld in art. 344, derde lid, Sv. Dit betekent dat de rechter zal moeten aangeven dat aan de eisen van art. 344, derde lid, Sv is voldaan terwijl hij tevens blijk ervan dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht.(vgl. HR 20 mei 1997, NJ 1998, 22).
3.3.2. Het Hof heeft, in de bijlage, gehecht aan de bestreden uitspraak onder het kopje "Nadere bewijs overwegingen" aangegeven dat is voldaan aan de eisen van art. 344, derde lid onder a en b, Sv en in zoverre voldaan aan de motiveringseis van art. 360, eerste lid, Sv.
De beslissing van het Hof houdt echter geen uitdrukkelijk oordeel in over de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring. Daarom is de tweede klacht terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Uit hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen.
5. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Schipper, Corstens, Van Buchem-Spapens en Balkema, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 11 mei 1999.
nr. 111.468
Strafkamer
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 juli 1998 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noordsingel" te Rotterdam.
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 december 1997 - de verdachte ter zake van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.
1.2. De bestreden uitspraak en de daaraan gehechte bijlage zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voor gesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel richt zich met een tweetal klachten tegen het gebruik voor het bewijs door het Hof van een ambtsedig proces-verbaal van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond voor zover dit de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, behelst.
Volgens de eerste klacht heeft het Hof het voorschrift van art. 344, derde lid onder b, Sv niet nageleefd. De tweede klacht houdt in dat het Hof het motiveringsvoorschrift van art. 360, eerste lid, Sv niet heeft geëerbiedigd.
3.2.1. Een schriftelijk bescheid waarin de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt is opgenomen, mag op grond van art. 344, derde lid, Sv slechts tot het bewijs worden gebezigd indien, voor zover nu relevant, is voldaan aan de voorwaarde dat door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om deze persoon van wie de identiteit niet blijkt te (doen) ondervragen. In het middel wordt betoogd dat het Hof gelet op art. 344, derde lid onder b, Sv het hiervoor bedoelde proces-verbaal niet voor het bewijs mocht bezigen nu door of namens de verdachte op enig moment de wens te kennen is gegeven de persoon wiens identiteit niet blijkt te (doen) ondervragen.
Zoals in de toelichting op het middel onder 1.1 is weergegeven, heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 1998 aldaar medegedeeld dat hij afziet van zijn verzoek om de anonieme getuige te horen.
3.2.2. Het in art. 344, derde lid onder b, Sv neergelegde verbod geldt niet, indien de in dat artikel bedoelde wens naderhand is ingetrokken. Klaarblijkelijk is het Hof van de aanwezigheid van het bestaan van een dergelijke situatie uitgegaan. Aldus heeft het Hof niet van een verkeerde rechtsopvatting blijk gegeven. Het oordeel van het Hof is, gelet op de bewoordingen die in bedoeld proces-verbaal zijn gebezigd, niet onbegrijpelijk. De eerst in het middel vervatte klacht faalt daarom.3.3.1. Art. 360, eerste lid, Sv dat ingevolge art. 415 Sv ook op de berechting in hoger beroep van toe passing is, schrijft voor dat het vonnis in het bij zonder de reden geeft van het gebruik als bewijsmiddel van een schriftelijk bescheid zoals bedoeld in art. 344, derde lid, Sv. Dit betekent dat de rechter zal moeten aangeven dat aan de eisen van art. 344, derde lid, Sv is voldaan terwijl hij tevens blijk ervan dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht.(vgl. HR 20 mei 1997, NJ 1998, 22).
3.3.2. Het Hof heeft, in de bijlage, gehecht aan de bestreden uitspraak onder het kopje "Nadere bewijs overwegingen" aangegeven dat is voldaan aan de eisen van art. 344, derde lid onder a en b, Sv en in zoverre voldaan aan de motiveringseis van art. 360, eerste lid, Sv.
De beslissing van het Hof houdt echter geen uitdrukkelijk oordeel in over de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring. Daarom is de tweede klacht terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Uit hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen.
5. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Schipper, Corstens, Van Buchem-Spapens en Balkema, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 11 mei 1999.